GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Niemand Iets Schuldig

12-10-2014 - Geplaatst door Andre Piet
Presentatie gehouden op 12 oktober in Zoetermeer.

In het tweede deel van Romeinen 13 (vanaf vers 8) zet Paulus uiteen wat de naaste toekomt, nl. liefde. D.w.z. de liefde van GOD. Dat is de vervulling der wet. Verder wijdt hij uit over logsiche en praktische consequenties van de wandel in het licht tegenover de duistere praktijken van de wereld. Wat is het passend feestgewaad voor wie “de dag” toebehoren?

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

In deze studie van Romeinen 13 staat centraal dat we niemand iets schuldig moeten zijn, behalve de ander lief te hebben. Deze agape-liefde is onvoorwaardelijk, doet de naaste geen kwaad en vormt daarmee de vervulling van de wet. Voor de gelovige is dit geen zwaar gebod waaraan we zelf moeten voldoen, maar een genadige belofte van God. Omdat de nacht ver gevorderd is en de dag van redding nabij is, worden we opgeroepen om de werken van de duisternis af te leggen. We mogen in het licht wandelen en onszelf kleden met de Heere Jezus Christus.

“Liefde is geen emotie, het is ook niet iets wat je doet. Liefde is een feit, namelijk het feit dat God liefheeft.”

Introductie en de Context van Romeinen 13 ↑ hoofdstukken

Een hele goedemorgen ook van mijn kant, vrienden. Prachtige dingen hebben we al mogen horen die mijn broer zo heeft uiteengezet. Bij nader inzien had ik de toespraak die ik nu mag verzorgen, en de Bijbel die we daarbij gaan opendoen, met gemak ook een andere titel kunnen geven. Dat had wat meer aangesloten bij wat zojuist naar voren gebracht is, maar goed, het gaat allemaal in goed overleg en ik wist niet precies wat hij naar voren zou brengen. Het gaat echter juist in Romeinen 13 – want daarheen neem ik u mee – ook over het licht en dat wij de dag toebehoren en dat de nacht voor ons ook voorbij is. Dat zullen we vanzelf nog wel nader bezien.

U herinnert zich misschien, als u daar toen bij was, dat we een paar maanden geleden – dat was op 6 april om precies te zijn – een Bijbelstudie hebben gehouden over Romeinen 13. Dat ging over de overheid. Kijk, hoe lief is mijn vrouw... dankjewel. Toen hadden we het over Romeinen 13, nu dus weer. Maar destijds hadden we het over het eerste gedeelte en dat ging over de overheid boven ons, waar iedereen natuurlijk zo enorm veel kritiek op heeft. Maar Paulus slaat een heel andere toon aan, en dat is ook weer een toon die past bij genade, bij vreugde en bij het licht.

In mijn Bijbeltje staat er in Romeinen 13 vers 8 – ik lees een mbg-vertaling; ik heb al die andere vertalingen niet nagekeken, want dat zijn er nogal wat – boven: 'de geboden'. Dan begint er dus inderdaad een nieuwe pericoop. Daar is niks mis mee; voor de praktische indeling kan dat heel verhelderend zijn. Maar laat u niet in de luren leggen, want het is soms ook een verhindering om tot een goed inzicht en tot een goed verstaan te komen. Per slot van rekening heeft Paulus die kopjes, die subtitles, niet boven die pericopen geplaatst. Die hebben vertalers gemaakt. Dat geldt trouwens ook voor de hoofdstukindeling en versindeling. Het is handig om iets op te zoeken, maar meer ook niet. Bij de uitleg en het verstaan van zo'n gedeelte zou dat geen rol moeten spelen.

Dat blijkt meteen ook bij die eerste zin. Misschien is het nog goed om er even aan te herinneren dat de Romeinenbrief eigenlijk twee grote hoofddelen kent. Dat zijn Romeinen 1 tot en met hoofdstuk 11. In die eerste elf hoofdstukken zet Paulus het onderwijs uiteen dat hij van Gods wege heeft ontvangen: een hele fundamentele uiteenzetting over wat het evangelie, het goede bericht, nu eigenlijk is. Dan in Romeinen 12 laat hij zien, vanaf het eerste vers – en dat is dan weer het gemak van zo'n hoofdstukindeling – dat daar een heel nieuw gedeelte begint. Dat is de leefwijze die daaruit logischerwijs voortvloeit. Ik zeg het expres ook even zo, want hij noemt dat in Romeinen 12 vers 1 ook onze 'logische eredienst'. In de andere vertalingen staat daar 'uw redelijke eredienst', maar het is eigenlijk de logische eredienst: dat wat daar logischerwijs uit volgt. Een goed bericht kennen, een boodschap van Gods genade, mag dan ook vervolgens een uitdrukking krijgen in een leven dat gevuld is van Zijn genade en de eer die Hij verdient en waarvoor Hij waardig is. Als ik het zo zeg, sluit dat mooi aan bij deze eerste zin.

Vrijheid Bewaren: Wees Niemand Iets Schuldig ↑ hoofdstukken

In het eerste zinsdeel van Romeinen 13 vers 8 staat: "Zijt niemand iets schuldig." Wanneer je dat zo leest en je begint hier, begrijp je wellicht niet goed waarom Paulus dit zo zegt. Feitelijk moet je dan ook het voorgaande gelezen hebben. Kijk, dit is ons Bijbeltje. In deze NBG-vertaling gaat het eerste gedeelte over de overheid en daarboven staat vervolgens een tweede kopje: "geboden". Of die titel juist is, is nog een andere vraag, maar in elk geval is dat wat ze daarboven gezet hebben. Het punt is echter dat dit vers direct aansluit op het zevende vers van Romeinen 13.

Dat is heel gemakkelijk te zien in het voorgaande vers, aan het slot van de voorgaande perikoop. Daar staat: "Betaalt aan allen het verschuldigde." Dat wil zeggen: geef aan ieder dat wat hem of haar toekomt. Betaalt aan allen dat wat verschuldigd is. Dat was eigenlijk al toegelicht in dat eerste gedeelte: belasting aan wie belasting toekomt, tol aan wie tol, ontzag aan wie ontzag en eerbetoon aan wie eer toekomt. Kortom, geef eenieder wat hem of haar toekomt. Geef de overheid in het bijzonder, en de instanties die boven ons geplaatst zijn, gewoon wat hun toekomt.

Natuurlijk hebben mensen daar van alles op aan te merken en ze mokken daarbij, maar Paulus doet daar helemaal niet moeilijk over. Geef ze gewoon wat ze verdienen – ook van Godswege trouwens. Daar hebben we het in april ook over gehad: God heeft die instellingen en instanties daar zo geplaatst. Hoe ze ook zijn, dat is niet onze verantwoordelijkheid. Als onderdanen hebben we één verantwoordelijkheid en dat is onderdanig te zijn; dat wil zeggen: onderdanig te mógen zijn. Wij hoeven ons helemaal niet in te laten met de vraag of zij het wel goed doen en we hoeven ons daar niet mee te bemoeien. Dat is onze zaak niet. Je mag dat dus gewoon overgeven. Het is een heerlijkheid als je zo’n houding mag aannemen en dat allemaal mag overgeven en overlaten aan Hem die boven ons staat, maar ook aan hen die Hij boven ons geplaatst heeft. Dat scheelt alweer een hele zorg.

"Betaalt aan allen het verschuldigde." Ja, dat sluit dus direct aan. In Spreuken 22:7 lees je dit: "De man die leent, is een knecht van de uitlener." Als Romeinen 13 vers 8 zegt: "Zijt niemand iets schuldig", dan moet je dat gewoon heel letterlijk nemen. Dat is in eerste instantie sowieso de wijze waarop je de Bijbel gewoon moet lezen: neem het zoals het zich presenteert. Zijt niemand iets schuldig; ga geen leningen aan, want je verspilt je vrijheid.

Soms ontkom je er niet aan, dat weet ik. Als je een huis koopt, dan moet je een hypotheek nemen. Maar er zijn zoveel mensen die helemaal ondergaan in de schulden, echt ten onder gaan, en dan kom je uiteindelijk bij de schuldsanering of zulk soort instanties terecht. Nou, dat is niet leuk, want je wordt een slaaf. Precies zoals Spreuken dat ook zegt: degene die leent, is een knecht van de uitlener. Je verspilt je vrijheid. Daarom geldt ook in economisch opzicht, of dat nu voor een bedrijf is of gewoon voor een huishouden: "Zijt niemand iets schuldig" wil zeggen: zorg ervoor dat je vrij blijft. Dat is een heel nuchter en verstandig advies waar niemand iets tegenin kan brengen.

Ik weet wel dat er talloze reclames zijn die ons iets anders willen wijsmaken. Die zeggen: "Jongens, ga een lening aan!" Dan doen mensen de meest stomme dingen en gaan ze bijvoorbeeld voor hun vakantie een lening aan. Ik ga hier nu niet te ver en te diep op in, hoor, maar is dat verstandig? Nee, dat is heel dom. Maar goed, voor zulke dingen wordt wel geadviseerd. Paulus zegt echter – en neem het gewoon als een praktisch en verstandig advies: "Wees niemand iets schuldig." Gewoon vanwege dit principe. En dan staat er nog iets bij.

Agape: Gods Onvoorwaardelijke Liefde ↑ hoofdstukken

Wees niemand iets schuldig, en de zin loopt verder: dan elkaar lief te hebben. Als er dan een schuld is ten opzichte van elkaar, dan is het de ander liefhebben. Ik wil er even op wijzen dat het woord voor liefhebben hier afgeleid is van dit Griekse woord: agape. Dat vind ik belangrijk, want het Nederlands mist die onderscheidingen. Wij kennen in feite maar één woord – nou ja, misschien varianten als beminnen – maar het Grieks is zo rijk. Het kent diverse woorden voor wat wij allemaal liefde noemen, terwijl het Grieks het onderscheidt.

Agape is niet zomaar beminnen, of iemand lief vinden, of sympathie hebben. Dat heet bijvoorbeeld weer phileo. Of je hebt de echte lijfelijke liefde – in het Engels zeggen ze 'make love' – en dat is dan weer eros. We kennen die woorden allemaal wel in afgeleide vorm. Maar agape, wat is daar zo kenmerkend aan? Dat is de liefde die ongelimiteerd is, die geen grenzen kent, en die geen voorwaarden kent. En als je het zo zegt, dan weet je meteen dat je het over God hebt. Vandaar dat dit woord agape in het Nieuwe Testament zo’n grote rol speelt; het is een beschrijving van wie God is. God is liefde. Het beschrijft Zijn wezen; dat is Hij ten diepste.

Over die liefde van God heeft het voorgaande van de Romeinenbrief al heel veel gezegd. Ik noem een paar dingen over de liefde van God, die inderdaad geen grenzen kent en ook geen voorwaarden. Je kunt het niet verdienen door goed te doen en je kunt het niet kwijtraken of erbuiten vallen door niet goed te doen. Die liefde is een garantie voor ieder creatuur. Als Paulus zegt: "wees niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben", dan verwijst hij niet naar de vraag: "wat is liefde?" Daar kun je kranten jarenlang mee vullen met cartoons om tot in het oneindige te beschrijven wat dat is. Maar liefde is geen emotie, het is ook niet iets wat je doet. Liefde is een feit, namelijk het feit dat God liefheeft. Dat is kenmerkend voor God, die Zijn schepselen liefheeft. Zoals het psalmwoord ook zegt, en zoals het in vele kerken vandaag klinkt: "Die nooit laat varen de werken van Zijn handen." Het loutere feit dat wij een creatie van Hem zijn, is ook een bewijs dat Hij van ons houdt. Dat laat Hij nooit gaan. Hij laat het misschien los, maar dan heeft dat ook een bedoeling, namelijk om het altijd weer op te pakken. Hij laat het niet varen. Dat is de liefde, de liefde van God.

De Romeinenbrief was er al zo uitbundig mee begonnen om dat te beschrijven. God houdt van elk mens, van elk schepsel. Waarom? Gewoon omdat het Zijn schepping is, omdat Hij het gemaakt heeft. Dat is de mooiste verklaring van Gods liefde. Er is één soort liefde die wij in deze wereld kennen die daar min of meer een afbeelding van is, en dat is de liefde die je als ouder hebt voor je kind. Waarom hou je van je kind? Dat is niet vanwege bepaalde eigenschappen, of omdat het knap is, of omdat het bepaalde dingen gedaan heeft. Je houdt van je kind omdat het jouw kind is. En dat kan never, nooit ongedaan gemaakt worden. Het is een feit. Nou, dat is met de liefde van God ook zo. Het is een feit. Je bent het werk van Zijn handen, een creatuur van Hem, en daarom is het een garantie voor elk schepsel; iets waar elk mens zich in kan verblijden.

Over dat feit is Paulus in de eerste elf hoofdstukken al heel breed ingegaan. In hoofdstuk 5 vers 5 – een mooi getal in dit verband – staat: "...omdat de liefde Gods in onze harten is uitgestort." Dan gaat het over degenen die geloven, degenen die op de hoogte zijn van die liefde. Wij weten het. Als je inderdaad weet hebt van de liefde van God, dan weet je dat dit een liefde is die geen limieten heeft. Daar ben je mee overladen, het is uitgestort. Je komt tot erkenning van een liefde die zo groot en zo overweldigend is. Wel, dat is de liefde van God.

In 5 vers 8, een paar verzen later, lees je hoe ver die liefde gaat en dat deze niet kapot te krijgen is: "God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is." En even verderop staat: "toen wij nog vijanden waren." Dat wil zeggen: zelfs al slaat de wereld Gods Zoon aan het hout, dan nog zegt Hij: "Ik ga jullie, door Hem die jullie vermoord hebben, het leven geven." Met andere woorden: die liefde kan nooit verspeeld worden. Zelfs de grootste daad van vijandschap – het kruis – gebruikt God als aanleiding om des te meer zegen te geven, namelijk het Leven met allemaal hoofdletters. Dat is het kruis van Golgotha. Ik weet het, dat is vaak zo misgeïnterpreteerd en geperverteerd. Men heeft van het kruis een plaats gemaakt waar God Zijn toorn heeft uitgestort. Vreselijke leerstellingen zijn dat, want het is precies het tegenovergestelde. De mens en de wereld sloegen Gods Zoon aan het kruis, maar God zegt: "Ook al doen jullie dat, Ik ga jullie het leven geven." Dat is verzoening. En dat is ook Zijn liefde.

Hoofdstuk 8 vers 39 is ook een bekend vers, dat vaak geciteerd wordt: "...dat noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onze Here." Ziet u? Dat is de liefde van God. Als Paulus vervolgens in Romeinen 13 spreekt over liefde, dan moet je dat in gedachten houden. Over welke liefde hebben we het dan? Over agape. Over de liefde van God. En dat we elkaar, en wie dan ook, met die bril mogen zien. De liefde van God is een feit. We kijken naar de ander als een schepsel van Hem. Een creatuur, een werk van Zijn handen dat Hij nooit laat varen. Dat is onvoorwaardelijk.

Je kunt de ander liefhebben. Kijk, als dat allemaal gebaseerd is op houden van of lief vinden... sommige mensen vind je lief en andere mensen vind je niet lief. Dat is nu eenmaal zo. De één vind je sympathiek en de ander niet. Bepaalde mensen sluiten aan op jouw karaktereigenschappen en anderen niet. Aan wie dat ligt, doet helemaal niets ter zake, maar dit zijn hele natuurlijke gevoelens. Dat is echter niet wat liefde is. Deze liefde heeft te maken met het feit dat God van Zijn schepping houdt en dat je in het licht van dat feit naar de ander kijkt. Dus zonder voorwaarden en zonder grenzen. Dat is hoe we ons naar de ander mogen opstellen en hoe we de ander mogen zien: in het licht van dat feit.

"Wees niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben." Want wie de ander... trouwens, dat is leuk, daarom laat ik u ook iedere keer een interlineair zien. In het Grieks staat hier het woordje heteros. Dat heeft te maken met iets andersoortigs. Het betekent niet zomaar iemand die hetzelfde is als jij, maar de ander, ook de andersoortige. Wie die ook is, want het kent geen grenzen. Ook degene die totaal anders is dan jij. Want wie de andersoortige liefheeft... zo zeg je dat niet in het Nederlands, maar als we de Schrift opendoen en ik u een interlineair laat zien, dan kan ik u erop wijzen.

De Wet Is Reeds Vervuld ↑ hoofdstukken

Want wie de ander liefheeft, staat er, heeft de wet vervuld. En nu ga ik u op nog iets wijzen. Er staat dat liefhebben, dat wordt in de lineair weergegeven met zo'n verticaal streepje. Trouwens, het blijkt ook wel: liefhebbende, dat is in de tegenwoordige tijd onvoltooid. En u zegt misschien: joh, dat je taaldocent bent, dat doe je dan maar doordeweeks, maar niet hier, want ik heb niet zo veel met taal. Ja, maar ik wil u er toch even op wijzen. Kijk, dit werkwoord staat in de onvoltooid tegenwoordige tijd, maar dit tweede zinsdeel staat in de voltooid tegenwoordige tijd. Dat ene is onvoltooid, het andere is voltooid.

Wie de ander liefheeft... Laat ik het eventjes plastischer zeggen: wie de ander bezig is lief te hebben, namelijk met de liefde van God, en de ander ziet als een schepsel van Hem die geliefd is. Gewoon als feit: wie de ander zo ziet, gewoon bezig is lief te hebben, die heeft de wet al vervuld. Dat is al voltooid. Die is niet bezig de wet te vervullen. Nee, het ene is onvoltooid, dit is voltooid. Dit onderstreept ook weer waar Paulus het al veel eerder in deze brief over gehad heeft, en dat is dat de gelovige niet onder de wet staat. Wij hebben een veel hogere norm; wij leven niet onder de wet — dat is Romeinen 6 — maar onder de genade. Wie de ander mag liefhebben en bezig is lief te hebben, want als je de ander zo mag zien, dan spaart hem dat trouwens een heleboel ongein. Want als je afgaat op het vlees of op de hormonen of op sympathieën, ja, dat geeft altijd toestanden. Maar als je de ander mag liefhebben met de liefde van God, ja, dan heb je de wet al vervuld. Zo, dat is voltooid.

Ik ga verder. Want de geboden — dat woord 'geboden' staat hier eigenlijk helemaal niet eens. Laten we ze eventjes langsgaan. Trouwens, dat is niet wat ik nu zeg, maar Paulus zet het zelf even op een rijtje. Hij zegt: wie de andersoortige liefheeft, bezig is lief te hebben, die heeft de wet vervuld. Nou, hij zegt: ik zal het laten zien. Want het woord: 'Gij zult niet echtbreken'. Dat wordt dan genoemd de tweede tafel van de wet van de tien geboden. Of dat correct is, is ook maar de vraag, maar goed: 'Gij zult niet echtbreken'. Dat wil zeggen het verbond, het huwelijksverbond, verbreken. 'Of gij zult niet doodslaan', of vermoorden. 'Of gij zult niet stelen', 'of gij zult niet begeren'. Ziet u trouwens dat het hier gewoon iedere keer staat? Het is niet eens een, zoals dat heet, imperatief. Het is geen gebiedende wijs; het staat in de toekomende vorm. Dat wil zeggen: je zult... Het is een belofte. Ik kom er straks nog even op terug, maar ik wijs alvast even op de wijze waarop het geformuleerd wordt.

Moet ik er nog even iets bij zeggen? Want dit wordt nog weleens geciteerd: 'Je zult niet begeren'. Maar weet u dat het een onvolledig citaat is? Kijk het maar na in Exodus 20 of in Deuteronomium 5. Daar staat letterlijk, iedere keer: 'Gij zult niet begeren wat van uw naaste is'. Als het er zo staat, dan wordt verondersteld dat het niet gaat om begeren in het algemeen. Ik weet het, we hebben natuurlijk een hele kerkhistorie van twintig eeuwen achter ons waarbij begeerte in het algemeen al als fout wordt aangemerkt, of lichamelijke lust, vooral als het gaat om seksualiteit. Maar daar gaat het niet om. Het gaat niet om begeerte an sich, maar het gaat om iets begeren wat van uw naaste is. Noch zijn huis... Hoe was het ook alweer? Noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch iets wat van uw naaste is. Er worden nog een heleboel voorbeelden gegeven, maar daar gaat het over. Paulus zegt in Romeinen 10: 'Broeders, de begeerte van mijn hart gaat naar hen uit'. Paulus spreekt er ook dikwijls over. Niet begeren is fout, maar het gaat om het begeren van iets wat van je naaste is, wat jou dus niet toekomt.

Maar goed, dat even gezegd hebbend ga ik nog even verder. En Paulus zegt nu: 'En welk ander gebod er ook zij...'. Want hij noemde er nog een paar niet, bijvoorbeeld 'Eer uw vader en uw moeder' of 'Gij zult geen vals getuigenis spreken'. Welk ander gebod er ook zij, dat wordt samengevat. Daar kun je dit kopje onder zetten. Dat is wel een mooi woord trouwens wat hier gebruikt wordt, want het heeft te maken inderdaad met het feit dat het onder één hoofd wordt samengebracht. En als ik het zo zeg, dan verwijs ik meteen ook naar Efeze 1, waar je leest dat God in de bedeling van de volheid der tijden alles onder één hoofd gaat samenvatten. Dit Griekse woord — een hele mondvol — wordt dan gebruikt. Nou, je kunt het onder één hoofd samenbrengen, al die dingen. En dat is dit bekende woord: 'Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf'.

Ja, het idee daarbij is uiteraard dat als je de ander liefheeft... Nou, het minste is toch wel dat je die ander dan geen kwaad doet. Dat je in ieder geval niet de echt breekt of hem vermoordt of iets van hem steelt of iets van hem begeert of een vals getuigenis tegen hem uitspreekt. Eén ding is zeker: als je de ander liefheeft, dan doe je de ander in ieder geval geen kwaad. Minimaal. En daarom zegt Paulus ook: wie de ander liefheeft — dat is nog wel even andere koek — dan heb je de wet dus al vervuld. Dat is al voltooid. Dat gaat nog kilometers verder. Dit is alleen maar feitelijk negatief: niet stelen, niet vermoorden. Maar de ander liefhebben, dat is de ander zien en behandelen vanuit het feit dat God de ander liefheeft en Zijn schepping liefheeft. Hoe dan ook, al die dingen worden samengebracht, onder één hoofd gebracht: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.

Geen Gebod, maar een Belofte: Gij Zult ↑ hoofdstukken

En ik weet het, onder het oude verbond voor Israël was dit een wet, maar voor ons, die leven uit genade, is dit een belofte. En ik vind het altijd prachtig om dat te zeggen en er zo aan te denken: gij zult. Als wij God kennen, mensen, als je God kent en Zijn liefde kent en beseft wie Hij is, dan zul je je naaste liefhebben. Dit is een belofte. En kijk eens met die bril ook naar de wet en trouwens naar heel veel passages.

Ik vind altijd het mooiste voorbeeld — misschien mag ik het eventjes kort zeggen — in de Petrusbrief. Daar staat in onze vertaling dan: 'wees heilig'. Dat God dan zegt: 'Wees heilig, want Ik ben heilig.' Dat woord heb ik al heel vaak gehoord, of ik heb er vaak over gelezen en predicaties over vernomen. Daarbij wordt mensen vooral een last opgelegd: 'Mensen, denk erom, jullie moeten heilig zijn. Waarom? Want God is heilig.' En ze komen onder een last.

Ik zal je dit vertellen: hoe serieuzer je het oppakt, hoe gefrustreerder je wordt. Logischerwijs, want je zal namelijk altijd, juist omdat je het serieus oppakt, moeten vaststellen: ik voldoe hier niet aan. Er komt nooit een moment dat je zegt: 'Nou jongens, ik heb het nu helemaal voor elkaar.' Dat je zegt: 'Ik heb nu door mijn best te doen' — door welke vrome handeling of gedachte je ook maar kunt bedenken — 'het punt bereikt.' Want op het moment dat je het bereikt hebt, dan ben je er alweer vanaf... Juist. Ziet u?

Maar dat staat er ook niet. Er staat niet 'weest'. Er staat: 'gij zult'. Je zult heilig zijn, want Ik ben heilig. God geeft dat als een belofte. En voor wie is dat? Voor degene die gelooft. Dat wil zeggen, een belofte... Kijk, als het een gebod is — 'jij moet dat doen' — dan moet je in actie komen. Als het een belofte is, dan kun je er maar één ding mee doen, en dat is: zo is het.

En dat maakt blij. Want als God dat zegt en belooft: 'je zult je naaste liefhebben', dan valt daar dus niks te doen of op te volgen. Dan is dat een belofte waarbij je God op je blote knietjes kunt danken: 'Dank u wel dat U bij machte bent dat te volbrengen, maar het ook zult doen.' Kijk, dat is geloof. Het ene is wet, het andere is genade.

Oké. De liefde doet de naaste geen kwaad. Nou, dat is toch wel het minste inderdaad wat je kunt zeggen. Maar de liefde gaat nog veel verder. Daarom zegt Paulus dat de liefde de vervulling is; de vervulling der wet. En zelfs de overvloed. Het maakt het vol, het doet het zelfs overvloeien, overstromen. Ik ga verder, want ik moet bij vers 14 uitkomen.

De Tijd Verstaan: Ontwaken uit de Slaap ↑ hoofdstukken

Gij verstaat immers de tijd wel. Eigenlijk staat er een Grieks woord – ik heb er de vorige keer naar aanleiding van Openbaring 1 ook al even op gewezen – dat niet chronos is, wat te maken heeft met chronologie en tijd, maar kairos. Dat is een specifieke tijd, een gelegenheid. Gij verstaat immers de gelegenheid wel, deze specifieke tijd: dat het thans voor u het uur is om uit de slaap te ontwaken. Met andere woorden: de dag is nabij. En als ik het zo zeg, dan heb ik niets teveel gezegd, want dat is precies wat Paulus in het volgende vers ook gaat zeggen. Wij weten dat de dag gaat komen.

Zoals eerder al is gezegd door mijn broers Dirk en Rob: het is nu najaar, maar we weten dat de dag komt. Het is een duister seizoen dat nu weer voor de boeg staat, maar wij weten: de dag komt. De wereld is in duisternis en heeft er geen benul van. Men weet niet waar men vandaan komt, men weet niet dat God aan het begin staat en men weet dus ook niet dat het allemaal weer naar Hem toe gaat. Vandaar dat de wereld met recht in het duister tast. Maar wij zijn mensen met hoop. Wij ondergaan door Zijn Woord een enorme lichtkuur en een lichttherapie; dat is wat Zijn Woord geeft. En de dag wordt aangekondigd.

Daarom heb ik trouwens dit plaatje van die kerk gekozen. De meeste mensen weten dat denk ik niet, maar er staat niet voor niets een haantje op. En u weet toch wat een haan doet? Die kondigt de nieuwe dag aan. Dat kan erg irritant zijn natuurlijk, maar eigenlijk zegt een haan: "Ontwaakt gij die slaapt en sta op uit de doden." Dat zijn woorden uit Efeze 5, maar ze staan hier ook. Waarom? Een haan kondigt de nieuwe dag aan. De nacht is bijna ten einde en de dag komt. Omdat wij dat weten – en dat is wat Paulus hier zegt – is ook dit weer logica: aangezien wij de tijd verstaan en weten hoe laat het is. Hij zegt dat het nu dus ook de tijd is, de gelegenheid, om uit de slaap te ontwaken.

Ik citeerde zojuist al even: "Daarom heet het: ontwaak gij die slaapt en sta op uit de doden." U ziet dat slaap en de doodstoestand in de Bijbel ongeveer hetzelfde zijn; het zijn synoniemen. Over iemand die dood was, zei Jezus bijvoorbeeld: "Nee, hij slaapt." En hij zal opstaan. En Christus, de Opgewekte, zal over u lichten. Want, zegt Paulus, het heil – de redding – is ons nu meer nabij dan toen wij tot het geloof kwamen of toen wij gelovig werden.

Het heil, dat is in het Grieks de redding, en dat is hier ook de verlossing van ons lichaam. Wij zijn inderdaad gered, maar Paulus zegt in Romeinen 8 dat wij gered zijn in hoop. Dat wil zeggen: in verwachting. Het enige verschil tussen ons en bijvoorbeeld een ongelovige collega is dat wij verwachting hebben. Van de dingen die God in petto heeft, zijn wij al op de hoogte. Wij hebben die hoop, die verwachting, en dat maakt alles anders. Want u weet: hoop doet leven. Dat is precies waarom wij leven en de meeste mensen in de wereld niet. Die overleven in het beste geval, maar ze missen die hoop. De redding is ons nu meer nabij dan toen wij tot geloof kwamen. Dat doelt er in ieder geval op dat wij uitzien naar die dag. Elke dag die voorbij is, zijn we weer een dag nader gekomen tot de grote dag. Dat is het uitzicht: we komen steeds dichterbij. De nacht is ver gevorderd; eigenlijk staat er gewoon: de nacht vordert. Het idee is dat de dag nabij is, dat de dag is genaderd. De wereld weet het niet en leeft in de duisternis, maar wij die geloven – dat wil zeggen: wij die het Woord hebben ontvangen en leven bij dat licht – wij weten dat de dag is genaderd. Laten wij dan...

De Werken Der Duisternis Afleggen ↑ hoofdstukken

Dit is een conclusie: uit het één volgt het ander. Als dat zo is, laten wij dan de werken der duisternis afleggen. De werken der duisternis, dat zijn gewoon — hoe noemen wij dat? — duistere praktijken. Dat is beeldspraak die wij ook kennen en die daar ook uit voortvloeit. Wij kennen het licht, dus laten wij dan, aangezien dat zo is, daarnaar handelen. De nacht is ver gevorderd, laten we opstaan, want de dag komt eraan. Wij horen bij de dag, bij het licht, en dus trekken wij onze nachtkledij — onze pyjama, om het zo te zeggen — uit en doen we de kleden aan die horen bij de dag.

Het idee van dit afleggen — ditzelfde woord wat hier gebruikt wordt — komen we ook tegen in Handelingen 7 vers 58. Daar lees je dat de getuigen hun mantels aflegden en bij een Saulus van Tarsus neerlegden. Trouwens, aanstaande donderdag in Rijnsburg gaan we daar een Bijbelstudie over houden over de voetsporen van Paulus, en dan gaan we daar beginnen. Maar in ieder geval over dat afleggen: het idee is dat de dag komt, wij al opstaan, wij horen namelijk bij die dag en de nacht is voor ons voorbij. De logica is dat we dus ook dat gewaad uittrekken dat bij de nacht hoort en daarmee de duistere praktijken, de werken der duisternis, afleggen als een kleed. Dat is geen ethiek, dat is gewoon logica.

Vervolgens doen we de wapenen of de instrumenten aan. Dit woord wat hier gebruikt wordt, is opla in het Grieks. Dat wordt elders vertaald met werktuigen of instrumenten; het hoeft niet per se wapens in de militaire zin te zijn. Ik ben hier vanmorgen ook 'gewapend' terechtgekomen: gewapend met het Woord. Je kunt gewapend zijn met allerlei instrumenten — het gaat gewoon om het instrumentarium. Maar ook daarmee: het staat tegenover het afleggen. Je doet de ene mantel af, dat wat bij de nacht hoort — je pyjama, om het zo te zeggen — en je doet aan wat bij de dag hoort, zodat je weer toegerust bent om de dag in te gaan. Dat zijn hier de wapenen van het licht, het instrumentarium, de kledij van het licht. Licht tegenover duisternis, dood tegenover leven, want dat zijn allemaal synoniemen. Bij degenen die de dag toebehoren, hoort een heel ander gewaad. Dit is logica. Het is beeldspraak, maar we begrijpen het zo. Als je bereid bent erover na te denken, dan zul je dat niet kunnen ontkennen.

Ik zou nog even willen wijzen op 1 Thessalonika 5. Kan dat nog? Ja, ik doe het nog even. Ik lees het alleen even voor; daar is een soortgelijk taalgebruik. Daar zegt Paulus dit: "Maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis." Aan de context ga ik nu even voorbij, maar hij zegt: "Jullie zijn alle kinderen van het licht en kinderen van de dag. Wij behoren niet aan de nacht of de duisternis toe; laten wij dan ook niet slapen zoals de anderen, maar wakker en nuchter zijn. Want die slapen, die slapen des nachts, en die zich bedrinken, zijn des nachts dronken." Dat hoort bij de duisternis, bij de nacht. Maar laten wij, die de dag toebehoren, nuchter zijn, toegerust met het harnas van geloof. Want kijk, dan heb je het over die kledij en de wapenen van het licht: dat is het harnas van geloof en liefde. Dat hoort bij de dag. Geloof — dat wil zeggen vertrouwen — en liefde; daar hadden we het al over, dat hoort ook echt bij de dag. En bovendien de helm van de hoop, of de verwachting, namelijk van de redding. En dan heb je die mooie bekende trits weer van geloof, hoop en liefde (geloof, liefde en hoop in dit geval), waarmee wij bewapend of gekleed zijn. Dat is wat hoort bij de dag, in contrast met de kleding van de nacht.

Laten wij als bij lichte dag wandelen. Dat wil zeggen: wat het daglicht verdraagt. Ik zei al: dit is terminologie en beeldspraak die wij ook gebruiken. Er zijn dingen die het daglicht niet kunnen velen; dat is de terminologie waar Paulus zich hier ook van bedient. Laten wij als bij lichte dag eerbaar wandelen; achtenswaardig, dat wil zeggen een wandel hebben die hoort bij de dag. Niet in brasserijen en drinkgelagen. Het is heel grappig dat Paulus hier drie woordparen noemt die elkaar verklaren. Hij spreekt over eerbaar wandelen, en dat staat in contrast met die duistere praktijken.

Brasserijen zijn — wat letterlijker weergegeven — wild-uitgelaten feesten. Kijk, wie de Schrift kent... Spreuken 15 vers 15 is een mooi vers om te onthouden: "Voor de blijmoedige is elke dag feest." Ik haal het heel vaak aan, dus voor mij zijn het woorden die ik graag in de mond neem. Als je de dag toebehoort, je kent God, je kent de Schepper en je kent de hoop, wat let je dan om elke dag inderdaad in vreugde, in hoop en in feest te leven? Hier gaat het natuurlijk niet over echt feest; dat is vaak meer verdoving. Juist omdat mensen het leven niet aankunnen, verliezen ze zich in dat soort toestanden. Dat is vaak geen echt feest; ze verdoven zich. Dat blijkt trouwens ook wel uit het vervolg: drinkgelagen. Eigenlijk staat er gewoon het woord voor 'dronkenschappen' in het meervoud. Wat mensen doen, is zich benevelen. Want dat is wat dronkenschap toch is? Dat hoeft trouwens helemaal niet alleen drank te zijn, dat kan ook allerlei andere troep zijn: gewoon dat wat de nuchterheid en de zinnen benevelt. Ik hoef daar toch niet zoveel over te zeggen; de hele wereld weet dat die troep vaak... Nee, ik zeg het niet eens helemaal goed, want wijn is iets waar God en mensen zich in verheugen. Maar het gaat nu over het je bedrinken en laten benevelen, en dat maakt zoveel meer kapot dan je lief is. Iedereen weet het, en Paulus zegt dat ook. Het is niet moralistisch van "dat mag niet meer", maar hij stelt vast dat er dingen zijn die bij de duisternis horen — gewoon als vaststelling — bij de nacht, en dat er dingen zijn die horen bij het licht, bij de dag.

Die wild-uitgelaten feesten worden over het algemeen gekenmerkt door beneveling, oftewel dronkenschappen. En daar zegt hij nog iets bij, en dat gaat eigenlijk allemaal hand in hand: niet in wellust en losbandigheid. Dat is het tweede woordpaar. Beide woorden worden in het Grieks in het meervoud gebruikt. U ziet hier 'wellust', maar het Grieks gebruikt hier een woord dat gewoon 'bedden' betekent. De associatie is natuurlijk heel gemakkelijk te maken, omdat wellust vooral in bed thuishoort. Maar hier wordt over bedden gesproken. Hoezo? Nou, omdat hier gesproken wordt over het beleven van wellust op meer dan één plaats. Dat wil zeggen: je gaat met meer dan één persoon naar bed, en vandaar ook de term losbandigheden. Je bent niet gebonden aan degene met wie je naar bed gaat in een verbond, een eenheid van één vlees die onlosmakelijk aan elkaar verbonden is en waar je niet meer vanaf komt. Kijk, dat is het Bijbelse beeld. Maar op het moment dat het 'bedden' worden, dan wordt dit ook losbandigheid. Dat wil zeggen: er is daar geen liefde en geen één vlees. Ziet u, dit hoort net zo goed bij die duisternis.

Ten slotte wordt het derde woordpaar nog genoemd: niet in twist en nijd. Dit heeft allemaal te maken met de nacht — daar moet je niet teveel over nadenken trouwens.

Dit gaat erom even het contrast te schilderen met nacht, duisternis, dood en leven. Niet in twist en nijd. Dit woord 'nijd' hier – juist door de associatie met ruzie weten we meteen over wat voor een nijd het hier gaat. Want dit woord wordt soms ook gebruikt voor gewoon geestdrift, namelijk het woord 'ijver'.

Hoe zegt Paulus dat? Hij zegt in Romeinen 10 (ja, dat is dezelfde brief): "Ik getuig van hen..." Hij heeft het over zijn Joodse volksgenoten en zegt: "Ik getuig van hen dat zij een ijver hebben voor God." Ditzelfde woord wordt dan gebruikt, maar "zonder verstand" wordt er dan aan toegevoegd.

Maar hier, door deze associatie met twist, gaat het niet zomaar over ijver; het gaat over jaloezie. En u weet: dat verteert ook. Er ontstaan ruzies door en het misgunnen van allerlei dingen aan anderen. U ziet, zo hoogverheven als de beschrijving is van de liefde Gods, zo duister en zo akelig is de beschrijving van deze dingen.

Maar ze zijn reëel; de wereld is er vol van. Ik bedoel, de wereld leeft in de duisternis en ze heeft ook niets beters. Maar wij, die de dag toebehoren... Paulus is degene die dat hier in deze brief en in deze passage zo neerzet. Wij horen de dag toe. Beschouw het als een voorrecht, want het ís een voorrecht. Leef in het voorrecht dat je het licht kent en het leven. Wandel in liefde, wandel in dat licht. Dat is het laatste wat hij zegt.

De Heere Jezus Christus Aandoen ↑ hoofdstukken

Maar doet de Heere Jezus Christus aan. Dat is het laatste vers in Romeinen 13: "Maar doet de Heere Jezus Christus aan." Dat is een heel eigen, merkwaardige zin, want de volle termen, de volle titel wordt hier gegeven. Zijn naam is Jezus en Hij is de Heere, de Kurios van allen, en bovendien is Hij Christus, de Gezalfde. Dat is de titel die vooral te maken heeft met het feit dat Hij opgestaan is uit de doden. Doe Hem aan als een kleed, als kleding van de nieuwe dag.

Het is taalgebruik dat we ook in de andere brieven, zoals Efeze en Kolossensen, tegenkomen: doe de nieuwe mens aan. Leg de oude mens als een mantel, als een oud vies kleed, gewoon af en doe die nieuwe feestkleding aan. De kleding die hoort bij het licht en bij de dag, trek dat aan. Dat past je toch? Dit is dus het kleed van de opstandingsdag: de Heere Jezus Christus.

En er staat dan nog bij – dat is het contrast – wie dat doet, wijdt geen zorg aan het vlees. Die heeft daar helemaal geen zorg meer aan. Namelijk: maak geen voorzieningen, geef daar geen voeding aan. Ook hier moet ik er wel iets bij zeggen. Paulus zegt in Efeze 5 dat niemand ooit zijn eigen vlees heeft gehaat. Dus wat doe je er wel mee? Je voedt het, je koestert het, je kleedt het. Kortom, je bent daar goed voor. Dat is gewoon een natuurgegeven, zo hoort dat ook. Niemand haat ooit zijn eigen vlees, en dat staat dan nog in het verband van het huwelijk, maar het is een gegeven.

Maar hier gaat het over: wijdt geen zorg aan het vlees. Geen bepaalde voorzieningen treffen voor het vlees waardoor begeerten worden opgewekt. Ook hier staat er weer letterlijk: "tot in begeerten". Dat wil zeggen: het gaat hier niet over begeerte in het algemeen, maar over misleidende begeerten. Die uitdrukking vinden we in Efeze 4. Geef daar dus geen voeding aan. Treft geen voorzieningen voor het vlees, zodat die begeerten worden opgewekt waarin de voorgaande verzen over gesproken was. Het een is onlosmakelijk verbonden aan het ander.

Ik wil op nog een andere passage wijzen. Dit is namelijk een automatisme: als je het een doet, doe je het ander niet. Als je de Heere Jezus Christus aandoet als een kleed... De woorden die we in Kolossensen 3 vinden, sluiten daar zo prachtig op aan. Er staat: "Bedenk de dingen die boven zijn, waar Christus is." En hoe doe je dat? Dat is niet door met een boekje te gaan zitten en te gaan fantaseren over hoe het daarboven zou zijn. Nee, dat is gewoon de Schrift. Dat is het Woord-licht. Daarmee bezig zijn, je laten verlichten, bedenken en telkens weer overwegen. En dan ook het effect van dat licht ondergaan. Want u weet: het licht in de ogen, daarvan ga je stralen. Dat maakt blij als je de hoop overweegt die we hebben, de God die we kennen en de Christus die opstond uit de doden. Kortom, alles wat Hij ons geeft, dat maakt blij.

Wel, als je dat bedenkt, dan staat er vervolgens in Kolossensen 3 vers 4... Helaas wordt er in de vertalingen gezegd: "Dood de leden die op de aarde zijn", en dan wordt er gesproken over hoererij. Maar er staat niet "dood", er staat "versterf", "doe versterven". Het ene is namelijk onlosmakelijk verbonden met het andere. Geef voeding aan het een, geef aandacht aan het een, en het ander zal gewoon als vanzelf, automatisch, verdwijnen. Daar hoef je helemaal niets voor te doen. Als je in het water springt, word je nat. Ik spring nu in het water en dan moet ik er vervolgens voor zorgen om nat te worden? Nee, als je in het water springt, word je nat. Als je Hem aandoet, dan zul je geen zorg meer hebben voor het vlees waardoor allerlei misleidende begeerten worden opgewekt. Dat is dan niet meer aan de orde. Dat is dat geweldige automatisme.

Dus die hoop, dat licht, dat Woord, die liefde Gods; kortom, dat wat bij de dag hoort, daar houden we ons mee bezig en dat verdrijft de duisternis. Of nog anders gezegd: doe het licht aan en de duisternis wordt als vanzelf verdreven. Dat is het leven dat wij kennen. Ik stel voor dat we daar een lied over zingen dat wat aangepast is. Dat doe ik wel eens vaker, zoals u wellicht vanmorgen ook al gemerkt hebt. Ik wandel in het licht – let op – van Christus. Ik heb het expres aangepast. Jij hebt er geen moeite mee, Tom, dat we het zo zingen? Nou, in de begeleiding maakt het geen verschil. Maar: ik wandel in... Waarom heb ik het zo gedaan? Ik wandel in het licht van Christus. Niet alleen maar met Jezus. De Christus is de Opgestane en in dat licht mogen wij wandelen. En dat donkere dal ligt achter mij, etcetera.

🎧 Niemand Iets Schuldig
Delen: