GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Hebreeën 10:25 – stok achter de kerkdeur?

03-10-2021 - Geplaatst door Andre Piet
samenkomst gehouden op zondag 3 oktober 2021 te Urk

Hebreeën 10:25 geldt gewoonlijk als de stok achter de deur om kerkdiensten vooral toch bij te wonen. Maar is dat terecht? Waar gaat het in in dit vers over en wat stond er voor de Hebreeën op het spel? De antwoorden zullen je verbazen…!

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

De veelgebruikte toepassing van Hebreeën 10:25 als 'stok achter de deur' om kerkbezoek af te dwingen is een misvatting. De Hebreeënbrief werd in de eerste eeuw geschreven aan Messias-belijdende Joden die onder zware maatschappelijke druk stonden om hun geloof te verloochenen en terug te keren naar de reguliere synagoge. Het verzuimen of verlaten van de bijeenkomst (de episynagoge) verwijst in deze context specifiek naar het definitief de rug toekeren aan Jezus als de Messias. Deze waarschuwing is bovendien onlosmakelijk verbonden met de naderende vuurverwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 na Christus.

“Hier gaat het namelijk niet zomaar over het niet bezoeken van bijeenkomsten. Nee, het gaat hier over het definitief verlaten van, het terugkeren uit dat gezelschap dat Jezus als de Messias herkent.”

De Misvatting van Hebreeën 10:25 als Stok Achter de Deur ↑ hoofdstukken

Een hele goede middag, beste vrienden. Wat goed elkaar hier weer te mogen treffen en met elkaar de Schriften te openen en daarin onderwijs te vinden. Ik hoop dat we buitengewoon bemoedigd mogen worden; niet alleen onderwezen, maar ook bekrachtigd in de rijkdom van Zijn woord.

U ziet het hier naast mij op het scherm: de titel van deze toespraak is Hebreeën 10 vers 25, met als ondertitel 'stok achter de kerkdeur'. Voor een aantal van u is dit vers ongetwijfeld bekend, maar als ik de woorden noem die daar staan geschreven, dan denk ik dat veruit de meesten van ons die frase in ieder geval wel kennen. De populaire lezing van dat Bijbelvers luidt namelijk — en ik ga daar straks wat correcties op aanbrengen — dat we de onderlinge bijeenkomsten niet moeten verzuimen.

Als ik uit mijn persoonlijke ervaring spreek, dan herinner ik me heel wat keren dat er in toespraken op dit vers werd gewezen. In de praktijk werkt dat vers altijd zo; met dat doeleinde werd het ook ingezet. Mensen moesten dan toch vooral maar naar de kerkdienst gaan of — als u in de evangelische wereld grootgeworden bent of daar vertoefd hebt — vooral die samenkomsten toch maar niet verzuimen. Ik weet nog goed dat in de tijd dat ik een tiener was, dit ook als argument werd aangevoerd om niet alleen in de ochtend naar de samenkomst te gaan, maar ook de kerkdienst in de middag niet te verzuimen. Want 'als de kerk die belegt, dan moeten we onze bijeenkomsten niet verzuimen'. Het diende dus daadwerkelijk als stok achter de deur om al die bijeenkomsten die de kerk belegt te bezoeken en die niet te verzuimen. Zo wordt het altijd weer ingezet.

De aardigheid — of de onaardigheid — van dit verhaal is dat altijd dít vers wordt aangehaald, althans dat specifieke woord. Maar de omgeving van dat Bijbelvers krijgt zelden aandacht en dat wat er pal op volgt, wordt nooit gelezen. Want dan blijkt namelijk meteen — en dat zullen we vanmiddag ook wel zien als je gewoon doorleest in vers 26, 27 en 28 — dat er zoiets ontstaat als wat met een duur woord cognitieve dissonantie heet. Je snapt ineens helemaal niet meer wat de tekst te maken heeft met het bezoeken van bijeenkomsten. De link met het navolgende verdwijnt dan compleet.

Dat betekent eigenlijk dat de vraag alleen maar des te meer gerechtvaardigd is: wordt dit vers terecht om die reden altijd opgevoerd? Is het inderdaad zo'n stok achter de kerkdeur? Staat dat er ook echt?

Het eerste wat we moeten doen wanneer we een brief lezen, is weten waar het over gaat. Niet alleen wat er staat, maar wat de hele setting van de brief is. Ik heb het dan vooral over een drietal vragen die ik eerst ga beantwoorden. Wat zegt de Bijbel daar zelf over? Aan wie is de brief geschreven? Ik skip voor het gemak even de vraag wie de brief geschreven heeft; de schrijver is anoniem en daarover is genoeg te melden, maar daar heb ik het vanmiddag niet over. Maar aan wie is de brief geschreven? Wanneer is de brief geschreven? En met het oog waarop is de brief geschreven?

Dat is heel erg belangrijk. In het algemeen is het zo dat wanneer je een bepaalde boodschap tot je neemt en je weet niets van de setting — bijvoorbeeld aan wie het gericht is — je de essentie mist. Stel, je leest: "Ik kom je vanmiddag om kwart over twee ophalen." Die boodschap kreeg ik vanmorgen. Oké, ik kom je vanmiddag om kwart over twee ophalen. Maar als je zo'n berichtje leest, moet je wel weten wie dat schreef en aan wie. Maar vooral ook: wannéér is het geschreven? Als je datzelfde berichtje een jaar later nog eens leest, wat is dan 'vanmiddag' nog? En met het oog waarop? Iets heeft een setting. Als je een brief krijgt, is het eerste wat je wilt weten de adressering, de afzender en de timing. Gaat het over déze tijd of over een andere tijd? Dat is van het grootste belang om de inhoud van een brief te begrijpen. Je kunt de brief wel lezen, maar als je geen idee hebt van de omgeving en de zetting, dan snap je er geen snars van. Dat is heel logisch. Daarom ga ik, voordat ik naar Hebreeën 10 vers 25 ga, eerst in op deze vragen. Dit zijn gegevens die vaak zo onbekend zijn. In de eerste plaats dus deze vraag.

Context Vraag 1: aan Wie Is de Hebreeënbrief Geschreven? ↑ hoofdstukken

Aan wie is de brief geschreven? Nou, dat zou niet zo problematisch hoeven te zijn, al was het maar omdat de brief een naam heeft: de Hebreeën. Er wordt wel eens beweerd — ik heb het meer dan eens gehoord — dat ze die titel er later bij hebben gezet. Maar ik kan u vertellen dat als je de oorspronkelijke manuscripten bekijkt, de grondtekst waar de Bijbeltekst op gebaseerd is en die wij ter beschikking hebben, er gewoon boven aan staat: 'Aan de Hebreeën'.

Daarbij moet ik aantekenen dat 'Hebreeën' een aanduiding is voor mensen die Hebreeuws spreken. Het zijn nakomelingen van Heber, maar in de praktijk zijn het de Hebreeuwssprekenden. Ik heb dit specifieke Bijbelvers er nog even bij vermeld, want je leest bijvoorbeeld in Handelingen 6 dat er in Jeruzalem enige controverse ontstond rond de Hebreeën (de Hebreeuwssprekenden) en de Hellenisten (de Griekssprekenden). In die context zijn de Hebreeën dus inderdaad degenen die Hebreeuws spreken.

Het betekent overigens nog niet hetzelfde als 'de Joden', want het merendeel van de Joden sprak indertijd geen Hebreeuws. In feite zijn Hebreeën dus vooral de 'natives': de inwoners van het land die de Hebreeuwse taal spreken. Dat zijn de Hebreeën. De term heeft dus niet alleen betrekking op welke mensen het zijn, maar zelfs op waar ze wonen, namelijk in het land Israël. De brief is dus een Hebreeënbrief, geschreven aan Hebreeën — Hebreeuwssprekenden — en dan weet je: het gaat over Joden. En dan specifiek over de Joden in het land, waar de hoofdstad Jeruzalem is.

Trouwens, als je het opschrift even weglaat en meteen in hoofdstuk 1 vers 1 begint te lezen, weet je het eigenlijk ook al meteen. Het is weliswaar een brief tussen aanhalingstekens zonder echte aanhef, maar er wordt direct gezegd dat God 'op vele malen en op vele wijzen gesproken heeft tot de vaderen door de profeten'. Van wie zijn de vaderen? Paulus zegt in Romeinen 9 vers 5 over de Israëlieten: 'Hunner zijn de vaderen, hunner zijn de beloften, hunner is de eredienst, hunner is de wetgeving'. Bij een veel eerdere gelegenheid hebben we het daar eens uitgebreid over gehad. Kortom: als er in hoofdstuk 1 vers 1 gesproken wordt over 'de vaderen', dan gaat het heel uitdrukkelijk over het volk van wie de vaderen zijn en tot wie God ooit door de profeten heeft gesproken. Zowel het opschrift als de directe aanhef van de brief maakt dat dus duidelijk.

Er is nog iets wat heel opvallend is: de schrijver veronderstelt dat zijn lezers zeer bekend zijn met de Hebreeuwse Bijbel. De Hebreeënbrief is één grote toelichting op de eredienst en alle gebruiken, zelfs op hele kleine details van wat wij het Oude Testament noemen. Er wordt voortdurend gesproken over het oude en het nieuwe verbond en over figuren als Mozes, Levi en Melchizedek. Ook de zaken die gedaan werden in het heiligdom veronderstelt de schrijver als bekend. Wie zijn daarvan op de hoogte? De eersten die daarvoor in aanmerking komen, zijn zij aan wie de Hebreeuwse Bijbel is gegeven: de Hebreeën. Via die route word je dus opnieuw bevestigd in het feit dat dit inderdaad de Hebreeënbrief is.

Als u nog een aanwijzing wilt hebben, als toegift op deze eerste vraag: de lezers vormden 'het huis van Israël en het huis van Juda'. Zo wordt het in hoofdstuk 8 vers 8 genoemd, waar Jeremia 31 wordt aangehaald over het oude verbond en het nieuwe verbond. Hetzelfde volk waarmee God ooit het oude verbond sloot bij de berg Sinaï, is het volk waarmee Hij ooit weer het nieuwe verbond zal sluiten. Het is weliswaar een vernieuwd en een nieuw verbond, maar niettemin is het volk waarmee het gesloten wordt identiek. Dat zijn de geadresseerden, de Hebreeën dus. En in hoofdstuk 10 vers 30 — we komen daar straks nog over te spreken — wordt dit genoemd: 'het volk'. Het volk, namelijk Israël.

Oké, voor sommigen is dit misschien allemaal een beetje overbodig. Je zegt: 'Ik wist allang dat dit de Hebreeënbrief was, waarom moet je dit allemaal nog een keer doen? Is het niet een beetje suiker op de honing strooien?' Nee, het is belangrijk zodat je ook echt weet: dit is de Hebreeënbrief gericht aan Israël. Waarvan acte.

Context Vraag 2: Wanneer Is Deze Brief Geschreven? ↑ hoofdstukken

Punt 2: wanneer is de brief geschreven? U zegt misschien: "Nou, ergens in de eerste eeuw moet dat geweest zijn." Ja, dat is waar, maar laten we proberen iets preciezer te zijn. Het antwoord is dat de brief is geschreven aan de tweede generatie. Ik moet er eigenlijk bij zeggen: de tweede generatie van christenen, van gelovigen. Wanneer je ervan uitgaat dat de Heer Jezus stierf, opstond en ten hemel voer in het jaar 30, dan krijg je na een verloop van dertig tot veertig jaar een nieuwe generatie. Wat ik straks ook duidelijk ga maken, is dat dit geschrift ergens in de jaren zestig van de eerste eeuw is geschreven en geadresseerd.

Daar zijn nog heel wat aanwijzingen voor. In de eerste plaats lees je in hoofdstuk 2 vers 2 dat de schrijver — ik denk zelf dat het Paulus was, maar dat doet er nu verder niet toe — zijn woord richt tot hen aan wie het woord was overgeleverd. Hij zegt dat het woord aan hen is overgeleverd door degenen die ooggetuigen waren. Zij hebben zelf de Heer gezien en gehoord; zij hebben het doorgegeven en het is aan de lezers gepredikt en overgeleverd. Dat betekent dus dat de geadresseerden niet horen bij de eerste groep die dat allemaal zelf heeft meegemaakt. Nee, het is hen door de ooggetuigen overgeleverd. Dit is typisch de tweede lichting, de volgende generatie.

Inmiddels lag ook de tijd van wonderen, tekenen en krachten achter hen; die waren inmiddels gepasseerd. Als je dat in hoofdstuk 2 vers 2 en 3 leest, dan wordt erbij gezegd dat zij het hebben vernomen van de ooggetuigen en dat het betrouwbaar is overgeleverd. Er staat dat het ooit ook bevestigd is van Godswege door krachten, tekenen en wonderen. De hele formulering suggereert dat dit inmiddels achter hen ligt, terwijl de vorige generatie dat allemaal 'live' heeft meegemaakt.

Dat is een interessante aanwijzing. Wanneer je later in hoofdstuk 5 vers 12 leest, dan wijst de schrijver erop: "Ja, jullie zitten eigenlijk nog steeds aan de melk, maar ik wil jullie verder brengen en vaste spijs geven. Ik wil jullie ook de grote geheimen van het Oude Testament vertellen." Hij zegt: "Naar de tijd gerekend hadden jullie eigenlijk al leraren kunnen zijn." Dat wijst er ook weer op dat er al een hele tijd aan voorafgegaan was. De situatie voldoet dus heel sterk aan die van een tweede generatie.

Er is nog een hele boeiende aanwijzing en dat is dat in deze brief voortdurend gerefereerd wordt aan de veertig jaren — het wordt ook zo genoemd — die Israël vertoefde in de woestijn. Dat is heel karakteristiek voor deze brief; voortdurend wordt gewezen op die veertig jaren tussen de verlossing van Israël en hun aankomst in het land veertig jaar later. Feitelijk zegt de schrijver: "Jullie leven eigenlijk in dezelfde setting, ook in die veertig jaren."

Dat is heel boeiend. Want als het zo is dat de Heer stierf, opstond en ten hemel voer in het jaar 30, en je rekent veertig jaar verder, dan kom je uit in het jaar 70. Hé, dat is interessant! Want in het jaar 70 werd een hele periode afgesloten: dat was namelijk het jaar waarin Jeruzalem verwoest werd. Dat is precies de periode tussen het jaar dat Hij stierf, opstond en ten hemel voer, en veertig jaar later het moment dat Jeruzalem wordt verwoest. De tempel gaat dan helemaal in vlammen op en het is het einde van de toenmalige Joodse staat in de eerste eeuw.

Dus, wanneer is die brief geschreven? Nou, in de tijd van de tweede generatie en vlak voorafgaand aan het einde van dat geslacht, van die veertig jaren. Vandaar dat de brief inderdaad geplaatst moet worden ergens in de jaren zestig van de eerste eeuw.

Context Vraag 3: Onder Welke Historische Druk Stonden de Lezers? ↑ hoofdstukken

En dan nog een vraag, nummer drie: met het oog waarop is deze brief geschreven? Wel, dat is onder hele heftige omstandigheden. Want de lezers stonden, zo blijkt iedere keer weer, onder grote druk. Ik wil het vanmiddag toch enigszins compact houden en niet tot middernacht spreken, maar ik zou u graag eens mee willen nemen door deze brief om te laten zien hoe heftig de tijd was waarin de Hebreeën vertoefden, maar vooral ook de druk waaronder ze stonden. Er werd namelijk een enorme druk op hen uitgeoefend om de Zoon van God — zo staat het er letterlijk in hoofdstuk 10 vers 29 — met voeten te treden en het bloed van het verbond onrein te achten. Of zoals hoofdstuk 6 vers 6 zegt: om de Zoon van God opnieuw te kruisigen.

Dat is een heel sterke aanwijzing. Als u even met mij meedenkt: in het jaar 30 heeft het volk haar Messias gekruisigd, of althans overgeleverd om te worden gekruisigd. Vervolgens is Hij opgewekt uit de doden en de boodschap van de opgewekte Messias heeft geklonken onder het volk. Dat getuigenis is bevestigd met vele krachten, tekenen en wonderen. En opnieuw heeft het volk toen dat getuigenis aangaande de Messias verworpen. Ik bedoel dan ook officieel: het Sanhedrin, de Joodse Raad, de regering in Jeruzalem. Zij hebben Stefanus gestenigd. Daarmee deden ze in feite officieel opnieuw wat ze een jaar of wat eerder hadden gedaan, namelijk de Zoon van God kruisigen, door nu ook het getuigenis aangaande de opgestane Messias te verwerpen. Ze bevestigden hun eerdere daad van verwerping.

Maar, en dat moet ik er even bij zeggen, u leest in het boek Handelingen over iets dat tamelijk onbekend is: dat er een enorm groot getuigenis was ontstaan in het Joodse land. In Handelingen 21 leest u zelfs dat er tienduizenden — vergis u niet, tienduizenden! — Joden in het land waren die Jezus als Messias beleden. Ze waren allemaal, zo zegt Jacobus die als de leider van dat gezelschap gold, ijveraars voor de wet; ze hielden de sabbat, de besnijdenis en de gebruiken. Dat was voor hen volkomen vanzelfsprekend. Welnu, dit gezelschap van tienduizenden belijders kwam onder grote druk te staan. Er was in die dagen een enorme tweespalt in het jodendom over de vraag of Jezus de Messias was. De overgrote meerderheid verwierp Hem, en de belijders kwamen werkelijk in het nauw.

Er zijn heel wat passages in het Nieuwe Testament die daarover gaan, maar we lezen het ook in de ongewijde geschiedenis, vooral bij Flavius Josephus. Hij schrijft uitgebreid over wat er gebeurde in de jaren zestig, vlak voorafgaand aan de verwoesting van Jeruzalem. Er vond een Joodse opstand plaats en degenen die Jezus als Messias beleden, werden onder druk gezet. Zij moesten dat getuigenis verwerpen; ze moesten letterlijk en symbolisch de Zoon van God vertreden in de tempel en daarmee afstand doen van die boodschap. Er werd een enorme druk op hen uitgeoefend. De schrijver wijst er ook op dat God Zijn volk gaat oordelen, en hoofdstuk 10 zegt dat dit in korte, korte tijd zou gaan plaatsvinden. Het zou niet lang meer duren; het was zeer aanstaande.

Dit is historisch bevestigbaar: in het jaar 70 kwam de Joodse natie daadwerkelijk ten einde. De stad werd verwoest, de tempel ging in vlammen op en de hele eredienst hield op te bestaan. Deze brief is enkele jaren daarvóór geschreven. Wat daarbij heel opmerkelijk is, is dat het naderende oordeel waarover de schrijver spreekt, iedere keer wordt omschreven in termen van vuur en van een verschrikkelijke verbranding. Meestal wordt dit in de uitleg betrokken op de hel, omdat men denkt: de Hebreeënbrief hoort bij het Nieuwe Testament en is dus gericht aan de kerk. Maar het gaat hier heel concreet over een volk en een stad die daadwerkelijk in vlammen zijn opgegaan. Het gaat niet over de hel en het is niet gericht aan de kerk; het is geschreven aan Israël, aan Hebreeën die binnen enkele jaren zouden meemaken dat hun stad en tempel zouden verbranden.

Aan het einde van de brief worden de lezers er op het hart gedrukt dat zij "de legerplaats" zouden verlaten. Er wordt gezegd dat de Heer Jezus buiten de legerplaats heeft geleden, dat wil zeggen: buiten Jeruzalem, buiten de tempel en buiten de stadsmuren. De oproep luidt: "Gaat dan uit tot Hem buiten de legerplaats." Dat betekent: verlaat Jeruzalem, want wij hebben hier geen blijvende stad. Ook dat kun je natuurlijk vergeestelijken in de zin dat we pelgrims zijn, maar in deze concrete setting begrijp je het nog veel beter. Het wordt dan heel letterlijk: de stad Jeruzalem, de centrale plaats van de Hebreeën, zou binnen afzienbare tijd in vlammen opgaan. Het volk wordt dus gewezen op de noodzaak om wakker te zijn en de stad te verlaten. De Heer Jezus had dit trouwens in de evangeliën ook al gezegd. Een grote groep heeft de stad inderdaad verlaten; zij zijn naar Pella gegaan, even buiten het Joodse land, en vonden daar een veilig onderkomen toen de Romeinen de stad in brand staken en er een gigantische slachting plaatsvond.

Ik heb u wel eens verteld dat er in het jaar 70 in Jeruzalem tussen de 600.000 en 1,3 miljoen Joden — de schattingen variëren, maar laten we zeggen een miljoen — over de kling zijn gejaagd. Het was afschuwelijk. Wat nog resteerde, werd als slaaf verkocht en kwam met name in Egypte terecht. De aanvoer van Joodse slaven was toen zo groot dat een slaaf niets meer waard was. Flavius Josephus beschrijft hoe de prijs van slaven kelderde vanwege het enorme aanbod. In het jaar 70 vond er dus een afschuwelijk debacle plaats met de hele Joodse natie. Dat was het einde van een "geslacht" van veertig jaren, de periode die ook in het boek Handelingen wordt beschreven. In die tijd was Paulus inmiddels in Rome gearriveerd. Ik denk dat deze brief ook vanuit Rome is geschreven, want de schrijver brengt de groeten over van Timotheüs en van de broeders in Italië. Dat werpt weer veel licht op de context, maar hoewel ik beloofd had daar niet verder op in te gaan, heb ik het nu toch gedaan. Goed, dit is de achtergrond.

Wat het boeiend maakt – maar het is veel meer dan boeiend – is dat dit van belang is om deze brief überhaupt te begrijpen. Als je die setting niet snapt, dan ga je het vergeestelijken en daar ga je absoluut de fout mee in. Ik zal u vertellen: er zijn zoveel mensen, ook in ons lieve vaderland, die hevig verontrust zijn door woorden in de Hebreeënbrief. Woorden als: "Het is onmogelijk..." Het is onmogelijk iemand opnieuw tot bekering te brengen die de Zoon van God gekruisigd heeft, of die opnieuw de Zoon van God hebben gekruisigd. En wat overblijft, dat is een verschrikkelijke verbranding.

Mensen hebben dat op zichzelf toegepast: "Ben ik zo iemand? Komt het ooit nog wel goed met mij? Kom ik dan in de hel? Ben ik afgevallen?" Dat zijn de uitleggingen die ervan gegeven zijn, waardoor mensen zo enorm verontrust zijn. Dat komt allemaal doordat men die woorden direct op zichzelf toepast. Dat lijkt heel geestelijk: "Het is het Woord van God en mag ik het dan niet op mezelf toepassen?" Ja, maar daarmee misken je wat er werkelijk staat.

Het lijkt wel geestelijk, maar het is niet geestelijk. Je moet gewoon nemen wat er staat. En weet je wat écht geestelijk is? Dat is geïnteresseerd zijn in de vraag: wat staat er nou? De feiten, ja, die doen er zo toe. Daar hadden we het eerder over in de auto, op de weg hiernaartoe.

Goed. Nou, samenvattend dus even... dit is nog maar alleen de inleiding, moet je nagaan joh! Maar het is wel van groot belang. De geadresseerden in de brief zijn Hebreeën. Het is ergens rond de jaren zestig van de eerste eeuw geschreven en zij worden voorbereid op en gewaarschuwd voor de totale verbranding van Jeruzalem in 70 AD, 70 Anno Domini.

Dat dus even kortweg ter inleiding over wat die Hebreeënbrief nou eigenlijk behelst, aan wie het geschreven is, wanneer en waarom dat alles is opgetekend. Oké, nu kunnen we enigszins gewapend de brief ter hand nemen.

Hebreeën 10:24-25: de Betekenis van de Episynagoge ↑ hoofdstukken

We skippen de eerste negen hoofdstukken van de Hebreeënbrief en we komen eigenlijk halverwege in het tiende hoofdstuk terecht. Daarmee ontgaat ons natuurlijk heel veel waardevols, maar ik haak aan bij Hebreeën 10 vers 24 om vervolgens in vers 25 uit te komen en het navolgende te kunnen lezen. De schrijver zegt daar: "Laten we op elkaar acht geven tot aanscherping van liefde en voortreffelijke werken." Zoals u inmiddels van mij weet, is dit een vrij letterlijke weergave, gebaseerd op een woord-voor-woord vertaling.

Dit zijn woorden waarvan je zou kunnen zeggen dat je ze direct één-op-één op jezelf kunt toepassen. Daar heb ik op zichzelf geen enkel probleem mee, want dit zijn woorden die je ook elders in de Schrift aantreft. Maar vergeet niet de zetting: "Laten we op elkaar acht geven." Waarom? Wel, we horen bij elkaar; we vormen een gemeenschap. Dat is de kern van de gedachte in de Hebreeënbrief. Wat hen samenbond, was het geloof in de gestorven, maar meer nog: in de opgewekte en de momenteel verborgen Messias.

Deze brief gaat vooral in op het feit dat de Hogepriester verborgen is in het heiligdom. Het is in feite één grote toelichting op Yom Kippur, de Grote Verzoendag. Op die dag bracht de hogepriester eerst het offer en vervolgens ging hij het heiligdom in, één keer per jaar, tot in het binnenste heiligdom. Uiteindelijk kwam hij weer naar buiten en verscheen hij aan zijn volk. Wat de schrijver van de Hebreeënbrief zegt, is dat dit een plaatje is van de tegenwoordige tijd: het offer is gebracht, en waar is de Hogepriester nu? Hij is verborgen en dus niet te zien. Hij bevindt zich nu in het heiligdom, achter het voorhangsel, precies zoals dat in de typen en beelden al was aangekondigd. Hij heeft een nieuwe, levende weg ingeleid.

Omdat wij bij elkaar horen, zegt de schrijver: "Laten we op elkaar acht geven." We behoren bij elkaar tot aanscherping van de liefde, om die gemeenschap die we onderling vormen te beleven, en ook tot voortreffelijke werken. Dat wil zeggen: om daarin daadwerkelijk elke dag te leven en te handelen en ons daarop te oriënteren.

En dan komt het: "...en voortreffelijke werken, niet verlatend onze bijeenbrenging naar de gewoonte van sommigen." U ziet dat dit wat afwijkt van de gangbare vertalingen, maar de zin gaat grammaticaal gewoon door. Ze zouden voortreffelijke werken doen en hun bijeenbrenging — hun bijeenkomst — niet verlaten. In het Grieks, de taal waarin we deze brief aan de Hebreeën hebben ontvangen, staat hier een heel specifiek woord. Je hoeft de grondtekst niet eens te kennen om het te herkennen: er staat epi-synagoge.

Dit specifieke woord komt maar twee keer voor in het Nieuwe Testament: hier in Hebreeën 10 en in 2 Thessalonicenzen 2 vers 1. Het woord episynagoge is gebaseerd op twee woorden. Ten eerste epi, een voorzetsel dat 'op', 'boven' of 'opper' betekent (denk aan woorden als epicentrum of epigenosis). Ten tweede het woord synagoge, wat letterlijk 'vergadering' betekent. In het Nieuwe Testament komt dit woord ongeveer honderd keer voor en het heeft vrijwel altijd betrekking op de synagoge als specifieke instelling.

Er staat hier dus niet: "verlaat onze synagoge niet". Nee, er staat: "onze epi-synagoge". Als je dat heel letterlijk neemt, krijg je 'onze opperbijeenkomst'. Het is niet het gewone woord voor gemeente (ecclesia) of synagoge, wat op Israël betrekking heeft. Het is onze episynagoge: iets wat de synagoge te boven gaat. Dit is essentieel om te begrijpen. Deze Hebreeën bezochten nog steeds de tempel en hielden vast aan hun rituelen; ze hoorden bij het Hebreeuwse volk en gingen naar de synagoge. Maar daarnaast hadden ze hun onderlinge bijeenkomsten als gelovigen in de Messias. Dat was niet de gewone synagoge, maar dat wat daar bovenuit ging: onze episynagoge, de opperbijeenkomst. Welke vertaling je ook gebruikt, het gaat erom dat je inziet dat het hier niet zomaar over een willekeurige samenkomst gaat, maar over iets wat de synagoge overstijgt. En die bijeenbrenging mochten zij niet verlaten.

Het Verschil Tussen Bijeenkomsten Verzuimen en de Rug Toekeren ↑ hoofdstukken

Weet u wat de NBG-vertaling zegt? "Wij moeten niet verzuimen." En dan krijg je het idee van: wij moeten onze bijeenkomsten niet verzuimen. Maar dat is niet wat er staat hoor. Sowieso staat er niet "bijeenkomsten"; het is geen meervoud. Er staat episunagoge, enkelvoud: onze opperbijeenkomst. En er staat niet "verzuimen", maar "verlatend". Dat is echt het woord dat er staat. Het wordt bijvoorbeeld gebruikt in een aantal schriftplaatsen die ik u hier geef. Het is het bekende woord dat de Heer Jezus gebruikte toen Hij stierf: "Mijn God, mijn God, waartoe hebt Gij mij verlaten?" Dat is dit woord. Verlaten, overgelaten, in de steek gelaten.

Het gaat dus niet over bijeenkomsten zo te hooi en te gras eens bezoeken en dan regelmatig verzuimen. Daar gaat het niet over. Het gaat over de opperbijeenkomst, als ik dat even zo mag zeggen. In de steek laten, de rug toekeren, verlaten. Dat betekent dus niet dat je er af en toe nog wel naartoe gaat. Nee, het betekent: je laat het in de steek, je gaat er niet meer naartoe. Je verlaat de bijeenkomst. Maar dat is een heel andere gedachte.

Die gelovigen kwamen als Messias-belijdende Joden bij elkaar en er waren — laat ik het gewoon lezen — er waren sommigen (later trouwens velen, maar in dit stadium nog sommigen) die naar de gewoonte van sommigen deze bijeenkomst verlieten. In de zin van: ze lieten het inderdaad in de steek, ze keerden het de rug toe. Het was niet dat ze gewoon niet zo vaak meer in de samenkomst kwamen en even teruggefloten moesten worden om weer wat regelmatiger bij de les te zijn. Nee, dat is niet waar het over gaat. Ze verlieten de bijeenkomsten, ze lieten dat in de steek en ze keerden dat de rug toe. Ik zei al, er waren indertijd tienduizenden Joodse ijveraars van de wet. En sommigen dreigden nu voortaan — dat is de gewoonte waar het hier over gaat — het bijeenzijn van de Jezus-als-Messias-belijders de rug toe te keren. Dat is het verlaten van die bijeenkomst.

Nu komt er een belangrijke vraag: hoezo dan? Waarom zouden zij de bijeenkomst van deze gelovigen, deze opperbijeenkomst, de rug toekeren? Waarom zouden ze dat doen? Daar gaat vers 26 antwoord op geven. Maar eerst nog even dit. In vers 25 lezen we aan de ene kant wat ze niet zouden doen: "niet verlatend onze opperbijeenkomst naar de gewoonte van sommigen". Maar wat dan wel? "Wel elkaar aanmoedigend." Dat is het woord parakaleo: oproepen, aanmoedigen, aansporen. Ik meen dat de Statenvertaling zegt "vermanen" — hou me ten goede — maar bij vermanen denken we in het moderne Nederlands vaak aan dat opgestoken vingertje. Het is echter oproepen, bemoedigen, aanmoedigen. Ik heb trouwens begrepen dat vroeger de Doopsgezinde kerken hun eigen bijeenkomst altijd "de vermaning" noemden. Een Jood gaat naar de synagoge, een moslim gaat naar de moskee en een Doopsgezinde gaat naar de vermaning.

Het woord dat de schrijver hier gebruikt is "elkaar aanmoedigend". En hij zegt erbij: "en dat zoveel te meer naarmate jullie de dag zien naderen." Welke dag? Nou, de dag waar hij het in deze brief al zo vaak over gehad heeft, namelijk dat wat er zou gaan plaatsvinden: het oordeel dat zou voltrokken worden, de geprofeteerde verwoesting van Jeruzalem. Dat zou gaan gebeuren en die dag was zeer aanstaande. Natuurlijk kunnen wij nu zeggen: ja wacht even, wij leven nu in 2021 en wij weten dat de termijn van de terugkeer van de Heer ook aan het aflopen is. Het duurt niet lang meer, dus de dag voor ons nadert ook. Daarom is het ook voor ons des te belangrijker, aangezien we de dag zien naderen, dat we elkaar een hart onder de riem steken, vooral wakker blijven en de Schriften onderzoeken. Ik heb geen enkel bezwaar tegen die toepassing, totaal niet, want ik denk dat dit zeer ter zake is.

Maar nu weer even terug: toepassing is wat anders dan uitleg. Toepassing wil zeggen dat wij dat woord ook op onszelf kunnen betrekken en daar onze les uit kunnen leren. Altijd. Natuurlijk is de hele Schrift ons gegeven, ook ter lering en ter bemoediging van ons. Absoluut. Maar deze Hebreeënbrief gaat over een heel specifieke dag die zou komen, waarop de Heer zou komen om Zijn volk te oordelen. En als we die dag zien naderen, moeten we elkaar des te meer aanmoedigen om te betrachten wat hier in het voorgaande stond. Naarmate de tijd nadert en de dag voordert, wordt de urgentie om dit ter harte te nemen alleen maar sterker.

En nu komt het punt dat ik eerder al bedoelde: dit aspect wordt nooit genoemd wanneer Hebreeën 10:25 wordt gebruikt als die "stok achter de deur". Dit wordt nooit aangewezen. Ik heb het eigenlijk nooit zo meegemaakt, simpelweg omdat men dit niet kan plaatsen. Vers 26.

Hebreeën 10:26: Wat 'willens Zondigen' Werkelijk Inhoudt ↑ hoofdstukken

U moet goed opletten, want vers 26 sluit direct aan op het voorgaande. Sterker nog, het is een uitlichting van het vorige vers die begint met het woordje 'want'. Er wordt dus iets toegelicht wat in het voorgaande vers stond, namelijk dat wij de onderlinge — laten we het maar even op zijn Grieks zeggen — epi-sunagoge, onze opperbijeenkomst, niet zouden verlaten. De schrijver vervolgt: "Want als wij willens zondigen nadat wij het besef ontvingen van de waarheid..." Wacht even, daar staat ook nog bij dat er dan geen offer voor de zonde overblijft. Maar als je nu eens verstek laat gaan bij het bezoeken van de bijeenkomst, is dat dan hetzelfde als willens zondigen? Is het daarmee zo dat er voor ons geen offer voor de zonde meer overblijft?

De logica ontgaat u dan volledig. Het feit dat je eens 'spijbelt' en niet van de partij bent, zou dan betekenen dat je willens zondigt en dat het offer niet meer voor jou is. Ziet u hoe krom dat is? Maar u ziet ook hoe fataal het kan zijn wanneer je woorden zomaar uit hun context licht. Dit is specifiek gericht aan een volk in een bepaalde situatie. Als u dat zomaar lukraak op ons van toepassing brengt, dan klopt het van geen kant. Hier gaat het namelijk niet zomaar over het niet bezoeken van bijeenkomsten. Nee, het gaat hier over het definitief verlaten van, het terugkeren uit dat gezelschap dat Jezus als de Messias herkent. Dat is inderdaad willens zondigen. We praten hier over mensen die zich wel bewust zijn van de waarheid — namelijk dat Jezus de Messias is — maar die bezwijken onder de druk om de Zoon van God te loochenen.

Onder die druk gingen zij die samenkomst niet meer bezoeken. Ze wisten dat Jezus de Zoon van God is, maar er stond zoveel druk op hen van hun volksgenoten en van regeringswege om zich af te keren van dat gezelschap en daarmee van de boodschap. Als je onder die druk bezwijkt — wat menselijk gezien heel begrijpelijk is — dan zegt de schrijver: dat is willens zondigen. Want je wéét wat je verlaat. Dat Jezus de Messias is, stond voor hen niet ter discussie; ze wisten het, maar ze dreigden te bezwijken. Er was ook heel veel smaad mee gemoeid om bij dat gezelschap te horen. In ditzelfde hoofdstuk, Hebreeën 10, leest u dat ze zelfs de roof van hun bezittingen moesten tolereren. Het was dus niet alleen dat er kwaad over hen werd gesproken of dat er ruzie in de familie was. Nee, het was echte verdrukking waarbij zelfs hun bezittingen en hun vrijheid op het spel stonden. Hoe gemakkelijk kun je dan onder druk bezwijken en zeggen: laat ik dat hele gezelschap maar de rug toekeren, ik zal de Zoon van God inderdaad maar met voeten treden. Dat is wat van hen gevraagd werd, en dat is willens zondigen. Men wist dat wat men miskende, de waarheid was.

De schrijver zegt dan: "Want als wij willens zondigen nadat wij het besef ontvingen van de waarheid, blijft er geen offer voor de zonde over." Nu kan dat ook zo opgevat worden — en dit is de misvatting: "Jij spijbelt, dus jij neemt het geloof niet serieus. Als dat echt zo is, blijft er voor jou geen offer meer over. Die losprijs is dan niet voor jou." Ik zeg u: dit is gewoon een leugen. Het is een leugen omdat men het buiten de setting houdt. Het idee is namelijk letterlijk waar in die specifieke context. Kijk, als die Joden daar in de jaren zestig in Jeruzalem, vlak voor de verwoesting van de tempel, bezweken onder de druk en Jezus als Messias afwezen, dan wezen zij het ene grote Offer af. Dat is wat ze deden. De offerdienst die daar in Jeruzalem plaatsvond, zou bovendien binnen enkele jaren sowieso verdwijnen doordat de hele tempel verwoest zou worden en in vlammen zou opgaan. Kortom, de hele offerdienst zou ophouden te bestaan.

Als zij Jezus als Messias zouden afwijzen en het gezelschap zouden verlaten, dan bleef er voor hen inderdaad geen offer voor de zonde meer over. Want het Offer dat werkelijk telt, hadden ze miskend. En de offerdienst waar ze naar terugkeerden — het Jodendom en de ceremoniële offers in Jeruzalem — die raakten ze ook kwijt. Dan blijft er dus helemaal niets meer over. Ze raakten het Offer kwijt én de offerdienst zelf. Dat is de zetting. Natuurlijk is de losprijs betaald voor allen. Voor állen, dus ook voor die ongelovige Hebreeën. Maar in de jaren zestig gold: als zij dat gezelschap van Messias-belijdende Joden verlieten en onder druk terugkeerden naar het Jodendom terwijl ze beter wisten, dan bleef er geen offer voor de zonde over.

Je had hen dan ook niets meer te vertellen. Het was onmogelijk om hen opnieuw tot bekering te brengen, want de waarheid hoefde je hen niet meer uit te leggen; die hadden ze juist bewust verworpen. Wat moet je dan nog doen? De schrijver van de Hebreeënbrief zegt dan: wat er overblijft, is een afschuwelijke verbranding. Men denkt daarbij altijd direct aan de hel, maar dat heeft er niets mee te maken. Het wijst op het naderende oordeel over de stad en de tempel.

Hebreeën 10:27: het Letterlijke Vuuroordeel over Jeruzalem ↑ hoofdstukken

Maar een vreselijke opwachting van oordeel en felheid van vuur dat de tegenstanders op het punt staan te verteren. En u weet inmiddels, net zo goed als ik, hoe dat wordt toegepast: dit gaat over de hel en de boodschap om ernst te maken om vooral toch maar de kerkdiensten of de evangelische bijeenkomst bij te wonen. Dat kun je heel erg hard en zwaar aanzetten door te zeggen: "Ja, want als je daar geen ernst mee maakt, dan blijft dit over." Maar daar gaat het niet over. Dit is letterlijk zo gegaan.

Het offer wijst men af. Als men het offer zou afwijzen, dan had men het offer niet meer; de offerdienst zou sowieso binnenkort verdwijnen. En wat er zou gebeuren, is inderdaad een felheid van vuur, een opwachting van oordeel, en de tegenstanders die op het punt stonden verteerd te worden. Dit is letterlijk zo vervuld in het jaar 70. Legendarisch is dit zelfs; het is een van de hoofdmomenten in de Romeinse geschiedenis. Ook in de ongewijde geschiedenis is dit een van de grootste mijlpalen van de eerste eeuw geweest. Ik bedoel, een mijlpaal in de twintigste eeuw was 1940 of 1945; nou, een mijlpaal in de eerste eeuw was het jaar 70: de verwoesting van Jeruzalem.

Ik heb hier twee plaatjes. Dit is wat er gebeurde, want de Romeinen hebben de stad drieënhalf jaar lang omsingeld. Daar zit nog heel wat aan vast hoor, wat ik nu zeg, maar ze hebben de stad omsingeld. Het is trouwens ook dezelfde tijd als de geschiedenis van Massada. Want toen is een hele groep vrijheidsstrijders in de richting van de Dode Zee gegaan en heeft zich daar verscholen. Uiteindelijk zijn ze daar ook omgekomen. Maar de hele stad is uiteindelijk helemaal in vlammen opgeruimd. En er is — dat had de Heer Jezus trouwens al gezegd — geen steen op de andere gebleven. Geen steen! Dat is het lot geworden van Jeruzalem en de hele stad is ook daadwerkelijk in vlammen opgegaan.

Dit plaatje kunt u nu nog steeds in Rome vinden, want Titus, de grote veldheer, is met de gouden kandelaar en met al die attributen die in de tempel waren — een gigantische rijkdom natuurlijk — naar Rome gegaan. Hij heeft al die attributen veiliggesteld en die zijn gewoon naar Rome gebracht. Of ze daar bewaard zijn tot de dag van vandaag, weet ik eigenlijk niet, maar in ieder geval is de beschrijving van deze afbeelding al vele eeuwen oud en dateert ook uit de tijd dat dit plaatsvond. Dus dat jaar 70 is zo markant en is daadwerkelijk ook vervuld. Hebreeën 10 is dus zo concreet; daar hoef je niets aan te vergeestelijken. Het heeft niets met de hel te maken. Het is daadwerkelijk verbranding en de omkering van de stad, en ook dat er daadwerkelijk een einde is gekomen aan het oude verbond.

Dan staat er nog bij in vers 30: "Want wij weten", zegt de schrijver dan, "Wie zegt: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden." In Lucas, in de rede die de Heer Jezus op de Olijfberg ooit gehouden heeft, had Hij al gezegd: "Dat zijn de dagen van vergelding." En wederom: "De Heer zal zijn volk oordelen." Dan weet je ook meteen dat het gaat over de Hebreeën, over Israël. Dit is geciteerd uit Deuteronomium 32, waar staat: "Mij komt de wraak toe en de vergelding tegen de tijd dat hun voet zal wankelen. Want JAHWEH zal recht doen aan zijn volk en zich ontfermen over zijn knechten."

Dat is een afschuwelijke gebeurtenis geweest, maar dit was lang van tevoren al aangekondigd. Ik heb u ooit wel eens verteld over die veertig jaren en wat er daar gebeurd is in de tempel. Dat is bekend in het jodendom; dit is zo echt, dit is mindblowing hoe het jodendom inderdaad bevestigt dat vanaf het jaar 30 — dus vanaf het jaar dat de Heer stierf, opstond en ten hemel voer — vanaf dat jaar de deuren van de tempel dagelijks spontaan allemaal open gingen. Spontaan! Er ging iedere keer een licht uit. Spontaan! En de priesters hebben gezegd: "Wat is hier aan de hand?" Dat waren allemaal voortekenen van de uiteindelijke verwoesting. Dat heeft allemaal plaatsgevonden in die veertig jaren. Zo markant, zo duidelijk, zo concreet. Inderdaad over Zijn volk. En op het moment dat je dat niet begrijpt, dan ga je zulke woorden volstrekt misplaatst toepassen, met alle dramatische gevolgen van dien.

Conclusie: de Ware Waarde van Bijeenkomen Zonder Religieuze Dwang ↑ hoofdstukken

Dus conclusie. Want daar wordt het nu wel tijd voor. Kijk, het belang en de waarde van het bijeenkomen van gelovigen is boven elke twijfel verheven. Ik hoef nu niet meer te gaan aantonen hoe belangrijk het is om bij elkaar te komen. Trouwens, tegen u hoef ik het sowieso niet te zeggen, want u bent hier al.

En weet je, we hebben nou een hele tijd van die corona-toestanden gehad en het feit dat het zo moeilijk was om bijeen te komen. Dan mocht ik thuis achter het scherm de mensen toespreken. Nou ja, als je niks beters hebt dan is het prima, maar het is een drama, vind ik. Dit is gewoon een gemeenschap vormen. Dit is met elkaar spreken, elkaar zien en dat is waardevol. Dus ja, de waarde van bijeenkomsten kun je eigenlijk niet overwaarderen. Dat staat dus niet ter discussie.

Wat wel ter discussie staat, is die stok achter de kerkdeur, weet je wel, die maar zegt: "Ja, je moet wel komen, want er staat in Hebreeën 10 vers 25..." Dat heeft er niets mee te maken. De enige overeenkomst is dat de waarde van bijeenkomen inderdaad in dat vers wordt benadrukt en oké, dat is wat we daar inderdaad ook van kunnen leren. Maar voor de rest gaat de hele context over iets totaal anders. Het gaat ook niet over het verzuimen van een bijeenkomst, maar over het de rug toekeren. Een totaal ander plaatje.

Het is misplaatst, want het vers spreekt niet over het regelmatig verzuimen van bijeenkomsten, maar over het de rug toekeren van het gezelschap van Messias-belijders. En de samenhang staat helemaal in verband met het naderende debacle in het jaar 70. Nou, dat wilde ik vanavond of vanmiddag — wat is het? — dat wilde ik graag eens met u delen. Want ik vond het eigenlijk hoog tijd worden om een woord dat altijd zo misplaatst wordt toegepast, eens aan de kaak te stellen. En het is aan u vervolgens om dat te controleren en te checken of deze dingen zo zijn. En nog één ding.

Slotgedachte: het Bevrijdende Effect van de Tijden Onderscheiden ↑ hoofdstukken

Dit is het laatste. Dit is echt het laatste. Ik ben zo enorm blij dat ik een boodschap mag kennen waarbij de Schrift onderverdeeld is en onderscheiden kan worden. Augustinus zei een keer: "Onderscheid de tijden en de Schrift is in harmonie met zichzelf." Als je de dingen op hun plaats laat — dat wat aan Israël geschreven is op Israël van toepassing laat zijn en dat wat aan ons geschreven is door de apostel van de natiën, Paulus, voor ons laat zijn — dan gaat de Schrift ineens zo spreken. Het wordt zo enorm concreet, maar ook een blijde boodschap.

Want dan hoef je zulke woorden die we zojuist lazen over de felheid van een vuur, niet op jezelf toe te passen of te misplaatsen. Het gaat niet over een hel, die de Bijbel sowieso al niet kent. God is een Redder van alle mensen en daar wil ik graag mee eindigen. Want dat is de boodschap, lieve mensen. Houd dat vast en laat het je nooit ontnemen.

🎧 Hebreeën 10:25 - stok achter de kerkdeur?
Delen: