GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

hebben de apostelen zich vergist? (1)

16-06-2024 - Geplaatst door Andre Piet
16 juni 2024, Den Haag

Wie het Nieuwe Testament leest, kan het moeilijk ontgaan dat de gelovigen in die dagen de verwachting hadden dat het Koninkrijk van God in hun generatie zou baanbreken. Waarop was die verwachting gebaseerd? Was dat achteraf gezien een misverstand? Of zou de Heer met opzet aanvankelijk informatie hebben achtergehouden? Inmiddels zijn we nu bijna tweeduizend jaar verder… wat betekent dat? Waar blijft de belofte van Zijn komst?

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

De apostelen leefden in de terechte verwachting dat de komst van de Messias en het aanbreken van Gods Koninkrijk in hun dagen zou plaatsvinden. De geprofeteerde bestemde tijd was namelijk vervuld en het Koninkrijk was nabijgekomen. De openbaring van dit Koninkrijk was echter conditioneel gekoppeld aan de bekering van het volk Israël. Omdat Israël de boodschap gedurende de periode van het boek Handelingen bleef afwijzen en hun hart onontvankelijk werd, bleef de vervulling in die generatie uit. Het Koninkrijk bleef verborgen en de boodschap van redding werd rechtstreeks naar de natiën gezonden, wat verklaart waarom de belofte toen niet in vervulling ging zonder dat de apostelen zich hadden vergist.

“De terugkeer van de Messias gaat hand in hand met de bekering van Israël.”

Introductie: Hebben de Apostelen Zich Vergist in Hun Verwachting? ↑ hoofdstukken

Een hele goedemorgen allemaal. Het is goed om hier weer na precies een maand opnieuw in jullie midden te mogen zijn. Het is gewoon een beetje een vreemd gezicht als ik hier de voorste rij dan leeg zie; dat hoort helemaal niet zo. Zo ben ik dat ook helemaal niet gewend. Ik zie wel meer lege plekken, maar goed, jullie zijn er allemaal en het is goed elkaar hier te treffen.

U ziet wat het onderwerp is voor vanmorgen: hebben de apostelen zich vergist? Het plaatje dat u erbij ziet, suggereert al een beetje in welke richting het onderwerp verwijst, namelijk naar een tijd waarin je kennelijk hebt misgerekend, en dat is inderdaad de gedachte.

Kijk, de aanleiding is deze dat ik al zo vaak in deze kring gewezen heb op de bijzondere tijd waarin wij leven, gezien de dingen die zich de afgelopen eeuwen hebben voorgedaan. Met name ook dat al die landen in het Midden-Oosten weer allemaal op de kaart gezet zijn na tweeduizend jaar weggeweest te zijn. Ook in Bijbels opzicht is de tijdspanne bijna voorbij en gaat de zevende dag, de grote Shabbat voor deze wereld, aanbreken. Daar zijn hele duidelijke aanwijzingen en bewijzen vanuit de Bijbel voor te geven.

Maar ik hoorde daar een toespraak over die mij triggerde, waarin dat allemaal weggewoven werd — of weggewuifd? Daar ben ik nog steeds niet helemaal uit; misschien is beide mogelijk. In ieder geval werd dat allemaal zo’n beetje weggerelateerd. Want, en dat is het argument, het is denk ik van belang om dat eens goed te doorlichten en te bezien. Je krijgt met dat argument namelijk heel gemakkelijk en gauw te maken op het moment dat je wijst op de ernst van deze tijd. Men zegt dan: "Ach, het kan nog zo lang duren, kijk naar al die generaties die ons voorgegaan zijn." Al tweeduizend jaar heeft men gedacht en gehoopt dat het in hun dagen zou gebeuren. En sterker nog, dat dacht men in de eerste eeuw ook al, in de dagen van het Nieuwe Testament, de tijd van de apostelen. Toen dacht men ook dat het in die tijd zou gebeuren. Nou, inmiddels zijn we tweeduizend jaar verder, dus zo’n vaart zal het dan ook wel weer niet lopen.

Dit is een argument waar in dat laatste deel nog een element van waarheid in zit. Ik zal straks ook laten zien dat de apostelen dit inderdaad in hun dagen hebben verwacht. Maar dat is niet omdat zij zich hebben vergist. Nou ja, misschien zij ook nog wel, maar de Heer heeft Zich in elk geval niet vergist en het Woord is daarin ook heel duidelijk. Dat wil ik graag eens bezien, want het onderwerp is belangrijk genoeg.

De Bestemde Tijd (kairos): het Koninkrijk van God Is Nabijgekomen ↑ hoofdstukken

Laten we eerst eens vaststellen dat als je het Nieuwe Testament leest, het duidelijk is dat er in die dagen heel sterk de verwachting leefde dat het Koninkrijk van God zou gaan beginnen. De Koning zou arriveren en daarmee, mag je aannemen, dus ook het Koninkrijk van God. Je ziet dat trouwens ook al eigenlijk vanaf de aanvang van de publieke bediening van Johannes de Doper; ik verwijs daarvoor in de eerste plaats even naar Matteüs 3. Ik doe maar een greep, want er zijn vele aanwijzingen voor, maar wanneer Johannes de Doper zijn publieke bediening aanvangt — dat is vlak voordat Jezus Zijn dienst begint, nadat Hij ook gedoopt is door zijn neef Johannes de Doper — dan lees je dat Johannes een wegbereider van de Heer was. Hij zou de weg klaarmaken voor de Messias, zoals hij ook was aangekondigd. En wat zegt Johannes dan? "Bekeert u", of eigenlijk staat er letterlijk: "Bezint u". Het woord metanoia heeft te maken met je bedenken en je bezinnen. Waarom? Omdat het Koninkrijk der hemelen nabijgekomen is. Dat betekent niet een koninkrijk in de hemelen, maar een koninkrijk dat zijn oorsprong heeft in de hemelen. Dat is nabijgekomen.

Daarbij moet je iets heel belangrijks realiseren: de termijn is namelijk verstreken. Zonder daar nu te diep op in te gaan, want dat zou echt veel te ver voeren, is met name de profetie in Daniël 9 daarin heel duidelijk. Daniël krijgt daar te horen dat vanaf het moment dat het woord zou uitgaan om Jeruzalem te herstellen — we hebben het dan over de dagen van koning Kores, net na de Babylonische ballingschap — tot aan Messias de Vorst, er 69 jaarweken of 69 cycli van sabbatsjaren zouden verlopen. U weet, even kort door de bocht, dat er niet alleen in de Bijbel sprake is van weken van dagen met na elke zesde dag een sabbatdag, maar dat ook na elke zes jaar een sabbatsjaar volgt. En na zeven cycli krijg je dan ook nog een jubeljaar. Enfin, er zouden 69 cycli van jaarweken verstrijken, we praten dan inderdaad over een kleine 500 jaar, tot aan Messias de Vorst en die zou dan ook worden gedood. Er is nog veel meer over te vertellen, maar één ding is zeker: men wist dat je vanaf die tijd kon rekenen. Je kon dat rekenen als een mijlpaal en die hele periode doorrekenen, en dan kom je inderdaad uit aan het begin van onze jaartelling.

In die dagen was er dus die verwachting bij degenen die geloofden in de Hebreeuwse profeten, in het Woord van God. Die wisten: het moet nu gaan gebeuren. Misschien dat daar toen wel verschillende stromingen over waren, hoe het precies uitgelegd en berekend moest worden, maar in die dagen moest het in ieder geval gaan gebeuren. Je merkt dat aan alles. Dat merk je al bij het begin van Jezus' loopbaan — of nou, dat zeg ik niet helemaal correct — maar in ieder geval lees je dat Hij na Zijn geboorte wordt voorgesteld in de tempel en daar twee mensen ontmoet. Of in ieder geval de ouders, Jozef en Maria, ontmoeten dan een Zacharias en een Anna, een oude profetes. Van hen lees je dat zij in die dagen de vertroosting van Israël verwachtten. Dat wil zeggen: God had als grote troost en hoop gegeven dat de Messias zou komen, en zij verwachtten dat dat zou gaan gebeuren. Om die reden verkeerden zij ook in de tempel. Die verwachting was groot.

Dus als Johannes de Doper nog weer een kleine dertig jaar later optreedt — en sorry, ik heb een beetje een probleem met mijn stem, dat is niet de eerste keer, maar verdraag mij een beetje — dan zegt hij tegen het volk: "Bezin jullie, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen." Een half jaar later, wanneer Jezus ook gedoopt is en Zijn publieke bediening aanvangt, terwijl Johannes inmiddels is overgeleverd en in de gevangenis zit, lezen we in Marcus 1: "En nadat Johannes was overgeleverd, ging Jezus naar Galilea." Waarom? "Om het evangelie van God te prediken." Evangelie betekent een blijde tijding, een goed bericht. En dat goede bericht is hier heel concreet. Want ja, een goed bericht over wat? Een goed bericht voor iemand die doodziek is, is dat hij bericht krijgt dat hij genezen kan worden, of zal worden. Een goed bericht aan iemand die gevangen is, is: je wordt bevrijd. Het goede bericht nu aan het volk is: de tijd is verstreken en nu gaat Hij komen die is aangekondigd en waar al duizenden jaren op gewacht is.

Jezus ging toen dus dat evangelie van Gods wegen prediken en Hij zei: "De tijd is vervuld." Oftewel: het Koninkrijk van God is nabijgekomen. En dan ook: bezint u, of bekeert u, en gelooft dat evangelie. Weet dat deze blijde tijding zo is. God had het beloofd, maar het idee daarbij is: de tijd is vervuld. In feite staat hier nog een speciaal woord voor tijd; niet het gewone woord chronos, maar de bestemde tijd, kairos. Dat is een hele specifieke gebeurtenis, een specifieke gelegenheid die is aangekondigd en nu gaat hij komen. Waarom? Wel, de termijn is verstreken en daarmee is ook het Koninkrijk van God nabijgekomen.

Om die reden dus ook: bekeer je. Dat wordt tegen het volk gezegd. Het hele idee is — en ik zeg dat meteen ook als aankondiging voor het vervolg — dat het aanbreken van het Koninkrijk van God of het openbaar worden daarvan alles te maken heeft met de bekering van Israël. Die twee zijn aan elkaar gekoppeld. Houd die even vast. Ik zal nog een aanwijzing in diezelfde richting geven uit de Galatenbrief, waar Paulus reflecteert op wat er gebeurd is. Hij gaat met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis en zegt in Galaten 4 vers 4: "Maar toen de volheid van de tijd gekomen was..." Hier wordt trouwens wel het woordje chronos gebruikt; we zouden zeggen dat de termijn was verstreken, want dat is de betekenis van die term. "Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet," enzovoort. Het gaat mij natuurlijk om die woorden: het was de volheid van de tijd, het moest toen gaan gebeuren. De Messias is niet alleen aangekondigd als het gaat om waar Hij geboren zou worden, onder welke omstandigheden en uit welke geslachtslijn Hij zou komen; ook de tijd was voorzegd. Vandaar ook dat er al bij aanvang door Johannes de Doper zo triomfantelijk gesproken wordt, maar Jezus net zo, die in dezelfde lijn doorspreekt: de tijd is vervuld, daarom dus. Nou, en nu gaan we eventjes naar Johannes 21.

Johannes 21: het Misverstand over Jezus' Komst in Die Generatie ↑ hoofdstukken

En daar vind je de geschiedenis, helemaal aan het einde van het Johannes-evangelie. Daar lees je dat de Heer Jezus na Zijn opstanding – ergens in die veertig dagen vanaf Zijn opstanding tot aan Zijn hemelvaart – vele malen en op veel wijzen is verschenen aan de intimi, aan de broeders, aan heel wat mensen. Als Paulus er later op terugkijkt, dan zegt hij dat Hij bij een gelegenheid zelfs aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk is verschenen.

Maar goed, dan lees je dat de Heer Jezus bij het kolenvuur zit. Dat is een bekende geschiedenis daar aan het meer van Galilea, waar Johannes en Petrus met een paar anderen hebben gevist. Ze zitten daar op een gegeven ogenblik te ontbijten, want daar komt het op neer; het was vroeg in de ochtend. En dan wordt Petrus ook in ere hersteld, gerehabiliteerd. Hij had ooit gezegd: "Al zouden allen U verlaten, ik geenszins." Hij had dat in de kring van de apostelen zo gezegd, en nu wordt hij in de kring van de apostelen ook weer in ere hersteld. De Heer stelt hem een aantal vragen en dat maakt Petrus wel heel erg klein.

Ik haak aan in vers 17, want voor het verband moet ik die verzen er toch even bij lezen. Dan staat er dit: "En Hij, de Heer Jezus, zei voor de derde keer tot hem: Simon, zoon van Johannes, heb jij Mij lief?" Hou je eigenlijk wel van Me, überhaupt? De vragen worden steeds sterker. Eerst was het: "Heb je Me lief, meer dan dezen?" En dan: "Heb je Me lief?" En nu is er nog een ander woord voor lief, het minste woord: phileo. Hou je überhaupt wel van Me? Petrus wordt dan erg bedroefd. Er staat: "Petrus werd bedroefd dat Hij voor de derde keer tot hem zei: Heb je Me lief?" En hij, Petrus, zei tot Hem: "Heer, U weet alles. U weet dat ik U liefheb." En dan zegt Jezus tot hem: "Weid Mijn schapen."

Ik lees verder: "Voorwaar, voorwaar" – amen, amen staat er – "Ik zeg je: toen je jonger was, omgordde jij jezelf en je ging waar jij wilde. Maar wanneer je eenmaal oud wordt, dan zul je je handen uitstrekken en een ander zal u omgorden en u brengen waar je niet wilt." Hier wordt dus eigenlijk een profetie gegeven aan Petrus. Hij zegt: als jonge gast was je eigen gereid – ik parafraseer het nu een beetje – je ging je eigen gang en jij omgordde je en je deed wat jij wilde. Nou, je zult eenmaal oud worden. Dat is op zich al een voorzegging: "wanneer je eenmaal oud wordt." Maar dan zullen de zaken omgedraaid zijn. Dan zul jij je handen uitstrekken en een ander zal je moeten omgorden en je brengen waar je niet wilt.

Het is heel interessant dat Petrus aan het einde van zijn leven, als hij inderdaad een oud man is geworden en zijn laatste brief schrijft – in feite zijn geestelijk testament – zegt: "het afleggen van mijn tent". Hij bedoelt daarmee, dat is een beetje metaforisch, dat hij spoedig zou sterven; hij zou spoedig geëxecuteerd worden. Hij zegt erbij: "zoals ook mijn Heer dat ooit tegen mij heeft gezegd." In 2 Petrus 1 vers 14 kun je dat nagaan. Petrus heeft zich dat dus zijn hele leven herinnerd. Hij wist eigenlijk welk lot hem beschoren was.

Dat blijkt ook wel als ik weer terugga naar Johannes 21, want het klinkt wat cryptisch zoals Jezus tegen Petrus spreekt, maar Johannes, die dit optekent, voegt er verklarend aan toe: "En dit zei Hij om te kennen te geven met welke dood hij, Petrus, God verheerlijken zou." En dit gezegd hebbende, sprak Hij tot hem: "Volg Mij." In feite wordt hem aangezegd dat hij God zou gaan verheerlijken door te sterven, en niet door een natuurlijke dood, maar doordat anderen hem zouden brengen waar hij niet heen wilde. Dat wordt dus aangekondigd.

Ik lees gewoon verder: "En Petrus, zich omwendende, zag de discipel volgen die Jezus liefhad." Johannes drukt zich in zijn evangelie heel dikwijls cryptisch uit; dit is een bekende manier. Hij heeft het nooit over zichzelf en noemt zijn naam niet als schrijver, maar hij schrijft dat hij de discipel is "dien Jezus liefhad". Dat heeft te maken met naamvallen. Het betekent niet dat de discipel Jezus liefhad, maar dat Jezus Johannes liefhad. Johannes werd geliefd: "dien Jezus liefhad". Dat is de betekenis. In het Nederlands blijkt dat niet meer zo sterk, we hebben daar niet zoveel kaas van gegeten, maar zo staat het er.

Petrus draait zich dus om terwijl dat tegen hem gezegd wordt en hij zag de discipel volgen: Johannes. Die kende hij maar al te goed, want Johannes en Petrus worden heel vaak in één adem genoemd. Zij behoorden echt tot de intimi van de hele kring van twaalven. Er staat: "En Petrus, zich omwendende, zag de discipel volgen die Jezus liefhad, die zich bij de maaltijd aan Zijn borst geworpen had en gezegd had: Heer, wie is het die U verraadt?" Dat was veel eerder gebeurd en het gaat hier dus over Johannes. Toen Petrus hem zag, zei hij tot Jezus: "Heer, maar wat zal er met déze gebeuren?" Hij kon hem gewoon zo aanwijzen: "met deze, met Johannes. Wat gaat er met hem gebeuren? U hebt nu gesproken over mij, maar wat gaat er met deze gebeuren?"

Jezus zegt tot hem: "Indien Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het u aan? Volg gij Mij." Ook dat is geparafraseerd, maar de gevoelswaarde is: bemoei je met je eigen zaken. Dat gaat jou helemaal niet aan. Wat gaat het u aan? Waar bemoei je je mee? Volg jij nu maar gewoon Mij. Je hebt gehoord, als profetie, hoe het jou zal vergaan. Volg Mij nu maar, dat is de beste weg. Hoe dat dan verder gaat met die ander, dat is jouw zaak niet.

Maar nu ontstaat er wel een misverstand, of zal ik zeggen: een vergissing? Ik gebruik expres even dat woord omdat ik het ook in de titel had genoemd. Dit gerucht, dit woord, ging dan uit onder de broeders – in ieder geval de broeders die daar waren, maar ik mag aannemen dat dat veel wijder verspreid werd. Per slot van rekening waren zij degenen die een stempel zetten op dat gemeenteleven in de eerste generatie. Dit gerucht ging uit onder de broeders dat die discipel, Johannes, niet sterven zou. Met andere woorden: al die broeders hebben gedacht, of in de veronderstelling geleefd, dat Johannes in tegenstelling tot Petrus niet zou sterven.

Daaruit blijkt ook dat het gerucht onder de broeders was dat de Heer Jezus zou terugkeren, want de Messias zou terugkeren. We bevinden ons in deze geschiedenis in die veertig dagen dat Jezus opgestaan was. Die periode wordt afgesloten doordat Jezus opvaart ten hemel en aan het oog wordt onttrokken, maar Hij zou weer terugkomen. Wanneer zou dat zijn? Nou, dat zou nog een heel tijdje duren, want Petrus zou een oud man worden en sterven, maar Johannes niet. Tenminste, dat was de gedachte. Men leefde dus inderdaad in de verwachting: in deze generatie, in deze eeuw, zal de Messias terugkeren. Daar zijn ook in de brieven tal van aanwijzingen voor. Dat gerucht leefde. Had de Heer Jezus dat ook echt zo gezegd?

Nee, want er staat bij – ik lees verder: "Doch Jezus had niet tot hem gezegd..." Dit is, let op, een kanttekening die Johannes zelf plaatst. Het gaat over hem. Maar Johannes plaatst dit nu; inmiddels zijn we decennia verder. Wellicht dat Petrus inmiddels al overleden was. Maar Johannes merkt dit nu op als aantekening, en dan zijn we inmiddels tientallen jaren verder. Eind jaren zestig of in de jaren zeventig eventueel – ik weet het niet, ik denk het niet; Jeruzalem was nog niet verwoest.

Maar goed, je komt altijd in de verleiding om allerlei zijpaadjes in te slaan. Dat ga ik niet doen, want ik heb een heleboel dia's, vandaar. Maar Johannes zegt dit dus: Jezus had helemaal niet gezegd dat hij niet zou sterven. "Doch indien Ik wil dat hij blijft totdat Ik kom, wat gaat het u aan?" Dat was dus geen voorzegging dat het ook daadwerkelijk zou gaan gebeuren. Het was conditioneel. Aan welke voorwaarden moest dat voldoen? Nou, als Jezus dat inderdaad zo zou willen.

Overigens moet ik erbij zeggen dat Johannes in zekere zin in zijn dagen de dag van de Heer nog heeft meegemaakt. In feite lees je dat in het boek de Openbaring al, dat hij op het eiland Patmos is. Dan wordt hij verplaatst, zo staat het er: "En ik kwam in geestvervoering in de dag van de Heer." Eigenlijk is wat Johannes heeft meegemaakt een tijdreis, om het even te zeggen met woorden die wij zouden gebruiken. Hij werd verplaatst naar de toekomst en hij heeft de dagen gezien waarop de Heer openbaar werd: de Apocalyps. Hij heeft dat beschreven. Het hele boek Openbaring gaat over de tijd dat de Heer openbaar zou worden en Johannes is in die tijd geplaatst. Dus in zekere zin is Johannes inderdaad niet gestorven voordat hij Jezus' komst had meegemaakt. Maar u begrijpt, dat is toch een wat andere manier.

Even terug naar dit vers. Jezus had dat dus niet gezegd, maar het gerucht, de suggestie, was min of meer gewekt – in ieder geval in de perceptie van degenen die daar zaten en degenen die volgden. In die generatie zou het gebeuren. Het is ook heel opmerkelijk – dat wil ik nog even zeggen – dat in die pakweg veertig jaren, van het jaar 30 tot 70... In het jaar 30 stierf Hij, stond Hij op en voer Hij ten hemel. In het jaar 70, precies veertig jaar later, werd Jeruzalem verwoest. Dat is de periode van het boek Handelingen, even grof gerekend. Naar die veertig jaren wordt in de brieven nogal vaak verwezen als de tijd van Jezus' eerste komst tot aan zijn wederkomst. Heel eigenaardig.

Net als de woestijnreis die veertig jaar duurde: eerst werd men verlost uit Egypte. Dat is verleden tijd; dat spreekt van het grote Pascha, de eerste komst van Christus. En het moment dat ze het beloofde land in zouden gaan, zou veertig jaar later zijn. Dus ook dat lag helemaal in diezelfde lijn: veertig jaar later, in die generatie, zou het gaan gebeuren. Oké, nou, in ieder geval was dat de gedachte die men in die tijd had. Dan gaan we nu even verder naar Handelingen 1.

Handelingen 1: Herstelt U in Deze Tijd het Koningschap voor Israël? ↑ hoofdstukken

Dat is trouwens ook vlak voordat de Heer Jezus ten hemel wordt genomen op de Olijfberg. In Handelingen lezen we over een conversatie die daar plaatsvindt op de veertigste dag. Vlak voordat Jezus inderdaad aan het oog wordt onttrokken, daar vanaf de Olijfberg, hebben de discipelen nog een hele belangrijke vraag voor Hem. In vers 6 staat: "Zij dan, die daar bijeengekomen waren..." Een flink gezelschap moet dat geweest zijn, zo weten we uit andere beschrijvingen. Zij vroegen Hem: "Heer, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël?"

Dat is een boeiende vraag. De vraag is namelijk niet óf Hij het koningschap voor Israël zou herstellen. In de latere kerkelijke theologie zou dat vaak wel de vraag zijn, die dan vervolgens negatief wordt beantwoord door te zeggen dat er voor Israël geen speciale toekomst meer is. Maar voor de discipelen was dat totaal geen punt van discussie. Natuurlijk zou de Messias het koningschap voor Israël herstellen! Sterker nog, Hij is de Messias omdat Hij bestemd is om de Koning van Israël te zijn. Hij is de Zoon van David die zou zitten op de troon van David, op de locatie waar die troon hoort te staan: Jeruzalem. Van daaruit zou Hij Israël en heel de wereld gaan regeren. Dus of de Messias het koningschap voor Israël zou herstellen? Ja, natuurlijk! Dat was de vraag niet.

De eigenlijke vraag was: "Herstelt U in deze tijd het koningschap voor Israël?" Waarbij je je natuurlijk kunt afvragen wat zij met 'deze tijd' bedoelden. In ieder geval: in onze dagen. Dit is een cruciaal vers, want deze vraag loopt als een rode draad door het hele boek Handelingen heen, al die tientallen jaren door tot aan het einde in de jaren zestig van de eerste eeuw. Altijd is daar die vraag: gaat in onze tijd het koninkrijk voor Israël hersteld worden? Daarom is de prediking in de eerste plaats ook steeds bestemd voor Israël, met de oproep dat zij zich zouden bekeren. Wanneer komt de Heer? Dat hangt samen met de bekering van Israël.

Laten we verder lezen in Handelingen 1. Nadat de vraag is gesteld of Hij in deze tijd het koningschap herstelt, zegt Hij tot hen: "Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft." Ook hier geeft de Heer eigenlijk een beetje een ontwijkend antwoord. Hij zegt: dat gaat jullie niets aan, daar heeft de Vader de beschikking over en het komt jullie — in ieder geval op dit moment — niet toe om dat te weten. De tijden en gelegenheden zijn Zijn zaak.

Hier zien we dezelfde gedachte terugkeren: Ik ga niet verklappen hoe het zit met de tijden en gelegenheden, want dat is aan de Vader. Maar, zegt Hij: "Gij zult kracht ontvangen." Dat betekent niet 'jullie moeten kracht ontvangen', maar het is een aankondiging: "Jullie zóllen kracht ontvangen wanneer de Heilige Geest over jullie komt, en jullie zullen Mijn getuigen zijn." Dat is een voorzegging. Zij zouden Zijn getuigen zijn, te beginnen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan het uiterste van de aarde.

Wat was hun prediking? In de eerste plaats zouden de twaalf gaan prediken aan Israël: "Kom tot bekering!" In feite wordt de vraag of het koningschap in die tijd daadwerkelijk vervuld zou worden, gepasseerd. Ik denk dat daar een psychologische of pedagogische reden voor is geweest. Stel je voor dat zij op voorhand al hadden geweten dat het niet zou gebeuren in die tijd. Wij leven inmiddels tweeduizend jaar verder en wij weten het nu wel, maar stel je voor dat zij hadden geweten dat die hele boodschap aan Israël niet in goede aarde zou vallen. Dat had hen natuurlijk enorm gedemotiveerd. Ik geloof dat de Heer goede redenen had om daar toen nog geen expliciet antwoord op te geven.

Vervolgens lees je dat dit inderdaad vlak voor de hemelvaart was, want er staat: "En nadat Hij dit gesproken had, werd Hij opgenomen terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen." Dat is het laatste. Dus ja, zou het in deze tijd gebeuren? Het hing erom; het zou kunnen. De opdracht was: ga nu maar gewoon getuigen. Maar of het daadwerkelijk ging gebeuren, dat wist God alleen. Inmiddels weten wij hoe het gelopen is, maar destijds ging het gerucht: het gaat in onze dagen gebeuren. Men dacht: onze broeder Johannes zal niet sterven, die gaat het nog meemaken. Je kunt zeggen dat dit een onterechte conclusie was, maar dat was destijds wel de algemene gedachte.

Handelingen 3: Israëls Bekering als Voorwaarde voor de Wederkomst ↑ hoofdstukken

We gaan weer even verder in de tijd en komen uit bij Handelingen 3. Inmiddels is de Pinksterdag voorbij; ik vermoed dat dit enkele maanden na de hemelvaart is geweest. Petrus en Johannes zijn dan bij de tempel, bij de Schone Poort, en daar genezen zij een verlamde man. Deze man was de veertig gepasseerd en had zijn hele leven nog nooit gelopen, maar na de genezing gaat hij dansend en springend de tempel in. Wanneer dat gebeurt, ontstaat er een enorme volksoploop, want de mensen waren verbijsterd door wat zij zagen. Petrus gaat dan, zoals gebruikelijk, tekst en uitleg geven bij wat er is gebeurd. Ik begin te lezen in vers 17.

"En nu broeders, ik weet dat jullie uit onkunde hebben gehandeld, zoals ook uw oversten." Dit is midden in het betoog van Petrus. Hij heeft net gezegd: "Jullie hebben Jezus, de Messias van Gods wege, gekruisigd en gedood. Jullie hebben Hem overgeleverd aan de Romeinen, aan Pilatus." Maar dan voert Petrus een verzachtende omstandigheid aan. Hij zegt: "Ik weet dat jullie uit onkunde hebben gehandeld. Jullie wisten niet beter; jullie wisten niet wat je deed." Hij benadrukt dat dit niet alleen voor het volk gold, maar ook voor hun oversten.

"Maar," zegt hij, "op deze wijze heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren had geboodschapt: namelijk dat Zijn Christus moest lijden." Dat lijden hield ook in dat Hij de afwijzing door Zijn volk zou meemaken en dat zij Hem zouden doden. In diezelfde profetie in Daniël 9 wordt immers al gezegd dat de Messias zou komen na de termijn van 69 jaarweken, maar er wordt ook gezegd dat Hij zonder reden zou worden uitgeroeid. De profeten hebben gesproken over de Messias die zou komen, maar zij hebben ook gezegd dat Hij afgewezen en gedood zou worden; als een lam dat ter slachting wordt geleid en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders. Ze zouden Hem doorsteken. Tal van profetieën, bij monde van alle profeten, hebben tevoren geboodschapt dat de Christus, de Messias, de Gezalfde, moest lijden. Het was voorzegd, dus het moest gebeuren.

En dan volgt de eigenlijke boodschap. Ik vind het van belang om dit goed te onderstrepen, omdat dit de specifieke boodschap aan het adres van Israël was. In het algemeen is dit zo onbekend: waar het hele boek Handelingen over gaat, is dat Israël tot bekering moest komen. Dat dit inderdaad zo is, zie je hier heel expliciet wanneer Petrus zijn conclusie trekt: "Kom dan tot bezinning en bekering." Keer je om, dat is het woord dat hier gebruikt wordt. Bezin je, keer je om. Waarom? "Opdat jullie zonden uitgedelgd worden en opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren."

Hoe zouden die tijden van verademing dan worden gekenmerkt? Hoe zouden die tijden aanvangen? Wel, doordat God de Christus zou zenden. De Maschiach, de Messias van Israël, die voor hen tevoren bestemd was. Je kunt zeggen: de Christus is toch voor iedereen? Jawel, maar in de eerste plaats voor hen. God zou dan de Christus die voor hen tevoren bestemd was, namelijk Jezus, gaan zenden. Ziet u wat hier aangezegd wordt? "Bezin je en keer je om, opdat je zonden worden uitgedelgd." Het verleden zou inderdaad worden uitgewist en er zou een toekomst voor in de plaats komen. Er zouden tijden van verademing komen doordat de Christus zou terugkeren. Jezus zou worden gezonden.

Petrus vervolgt dat de hemel Hem moest opnemen, maar ook dat was voorzegd. Hij moest eerst inderdaad gaan zitten aan Gods rechterhand "totdat". Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van Zijn heilige profeten van oudsher. De profeten hebben gesproken over de volkeren en over de Messias, en dat zou allemaal gerealiseerd worden. Die tijden zouden aanbreken wanneer de Messias terugkeert.

Wat was dus feitelijk de conditie, de voorwaarde voor de terugkeer van de Heer? Dat is dat Israël als volk haar Messias zou aannemen. Ze hadden Hem eerst gekruisigd en gedood, wat voorzegd was, maar nu wordt Hij opnieuw aan het volk gepresenteerd, nu als de Opgewekte. "Bezin je, en als jullie dat doen, dan zal Hij terugkeren." De vraag is dus: zou dat in die dagen van het Nieuwe Testament gaan plaatsvinden? Dat hing volledig af van wat Israël met deze boodschap zou doen. Men ging er in eerste instantie vanuit dat het volk, nu de onwetendheid voorbij was, haar Messias alsnog zou accepteren. Daarmee zou het Koninkrijk van God zijn doorgebroken en al in de eerste eeuw geopenbaard zijn.

Wij leven nu echter in de situatie dat het Koninkrijk van God nog steeds even verborgen is als toen. De Koning is er wel; Hij is gesteld aan Gods rechterhand en alle macht in de hemel en op aarde is Hem gegeven. Maar Hij oefent die macht nog niet uit. Het Koninkrijk is verborgen, maar het gaat geopenbaard worden. Wanneer? Alles is direct gerelateerd aan Israëls bekering. De terugkeer van de Messias gaat hand in hand met de bekering van Israël. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de terugkeer van de Heer en de bekering van Israël samenvallen. Bekering is immers "terugkeren naar". De Heer zal terugkeren wanneer het volk naar Hem terugkeert.

Dat wordt hier met zoveel woorden door Petrus aangekondigd. Ook dat is een evangelie, maar er zit heel duidelijk die conditie in. In feite gaat het hele boek Handelingen daarover. Daarom gingen ze ook eerst naar de Joden. Zelfs Paulus, die naar de natiën gezonden is, handelt met dat doel. Ik ga nu een grote stap maken naar Handelingen 28, al voelt het bijna als een misdaad om het hele boek zo te passeren, want er zit een prachtige verhaallijn in. Het begint in Jeruzalem met de twaalf en het eindigt bij een gevangen apostel in Rome. Die lijn is heel veelzeggend. Alles in het boek Handelingen is gericht op de bekering van Israël. Zelfs wanneer Paulus naar de natiën gaat, is dat nog steeds met het oogmerk van Israëls bekering.

Handelingen 28: de Deur in het Slot en het Heil voor de Natiën ↑ hoofdstukken

Paulus is dan gearriveerd in Rome. Hij komt daar als gevangene aan, nadat hij in Jeruzalem was gevangengenomen. In Jeruzalem lag hij natuurlijk helemaal niet lekker, juist omdat hij zo'n 'heidense' boodschap had. In Rome verblijft hij vervolgens twee jaar in gevangenschap, maar hij heeft een relatieve vrijheid. Er is voortdurend een soldaat die hem bijstaat, maar hij verblijft in zijn eigen gehuurde woning. Zodra hij in Rome is gearriveerd, lees je dat hij de oversten van de synagoge bij elkaar roept — ook nu weer eerst de Jood. Hij wendt zich tot de leidslieden daar en ze spreken een datum af om bij elkaar te komen, want Paulus wil hen wat vertellen.

Om een lang verhaal kort te maken: in vers 25 staat, en ook dat is heel karakteristiek, dat zij het niet met elkaar eens werden. Het gezelschap is dan bij Paulus thuis in zijn gehuurde woning en van de vroege ochtend tot de late avond hebben ze met elkaar gediscussieerd. Paulus heeft gewoon de Schriften opengehouden: kijk, wie zou de Messias zijn? Hier staat het, daar staat het. Hij heeft het eenvoudigweg bewezen. Er waren er die gehoor gaven en zich lieten overtuigen door het bewijs, maar dat gold niet voor het hele gezelschap.

Dit is het laatste hoofdstuk van Handelingen en daarmee het slot van het boek, maar in feite gaat hier ook de deur in het slot. In die zin is het ook echt het slot van de Handelingen-periode. Eigenlijk stond de deur voor Israëls bekering altijd open. De vraag was: gaat het in onze dagen gebeuren? En dan zegt Paulus dit. Terwijl zij, zonder het eens geworden te zijn, uiteengingen nadat Paulus dit ene woord gesproken had: "Terecht heeft de Heilige Geest door de profeet Jesaja tot jullie vaderen gesproken." Tot het Joodse volk, zeggende: "Ga heen tot dit volk en zeg: met het gehoor zullen jullie horen, maar jullie zullen het geenszins verstaan. En zien zullen jullie zien en jullie zullen het geenszins opmerken."

Vergis je niet, het Evangelie werd niet alleen verteld en gehoord, het werd ook gezien. Het boek Handelingen wemelt van de wondertekenen. Dat waren gewoon zichtbare demonstraties die voor het Joodse volk overtuigend moesten zijn: dit moet de Messias zijn! Niet alleen doordat ze het hoorden en overtuigd werden vanuit de Schriften, maar ook doordat er zo duidelijk goddelijke tekenen gebeurden die alleen aan God kunnen worden toegeschreven. En niettemin: ze zagen het met hun ogen, maar ze merkten het niet op. Want, zo staat erbij: "Het hart van dit volk is vet geworden." Dat wil zeggen: het staat niet meer open. Dat heb je als je vol zit en vet bent geworden; dan heb je nergens behoefte meer aan en sta je ook niet meer open voor nieuwe dingen of voor een verandering in je denken. Het hart van dit volk is vet geworden, hun oren zijn hardhorend geworden en hun ogen hebben ze toegesloten. En let op waarom dat er staat: "Opdat zij niet zien met hun ogen en met hun oren niet horen."

Het is dus een bewuste daad. Ik moet er ter toelichting nog bij zeggen dat ook dit goddelijke regie is. Ik weet dat die twee dingen heel vaak tegen elkaar worden uitgespeeld, maar je kunt ze beide heel goed verdedigen: het volk heeft inderdaad hun ogen toegesloten, maar er staat ook dat God dat heeft gedaan. Achter alles wat er gebeurt staat een God, een Plaatser die de regie in handen heeft en alles plaatst. Ook het ongeloof van Israël in die dagen ten opzichte van hun opgewekte Messias is goddelijke regie. Want toen Paulus eenmaal daar in de gevangenis van Rome was, ontving hij ook geweldige dingen; hij mocht vanaf toen het geheimenis gaan vertellen. Vanuit de gevangenis vertelde hij die overweldigende zaken.

Even weer terug naar de tekst: "Het hart van dit volk is vet geworden en met hun oren zijn ze hardhorend geworden. Hun ogen hebben ze toegesloten omdat zij niet zien met hun ogen en met hun oren niet horen en met hun hart niet verstaan en zij zich bekeren en Ik hen zou genezen." Leest u goed wat hier staat? Hier staat: het volk van Israël zal het niet horen en kan het niet horen. Het zal het ook niet zien, en dus zal het ook niet doordringen tot het hart, zodat ze zich niet zullen en kunnen bekeren. En daarmee staat er ook dat zij niet hersteld zullen worden, niet zullen genezen. Zoals die verlamden waar we eerder over spraken. Het herstel van Israël zal in deze dagen niet gaan plaatsvinden.

Met andere woorden: de grote vraag aan het begin van het boek Handelingen — "Herstelt Gij in deze tijd het Koninkrijk voor Israël?" — wordt aan het einde van het boek beantwoord. Aanvankelijk kwam het hen niet toe om het te weten, maar nu wisten ze het: nee, het gaat niet in onze dagen gebeuren. Het boeiende is dat Petrus later zijn laatste brief schrijft en zegt dat er spotters zullen komen in de laatste dagen die zullen vragen: "Waar blijft de belofte van Zijn komst? Al die tijd hebben ze al gezegd dat Hij zal terugkeren." Maar dan zegt hij: "Eén ding mag u niet ontgaan, geliefden, dat bij de Heere één dag is als duizend jaar en duizend jaar als één dag." Hij herhaalt in feite dat statement. Waar men in eerste instantie dacht in termen van decennia, zegt Petrus aan het einde van zijn leven: denk maar gerust in termen van millennia, van duizenden jaren. Van twee keer een dag: tweeduizend jaren.

Dat is nu niet het onderwerp — misschien is het een mooi onderwerp om een volgende keer op door te gaan, want er zit hier natuurlijk meer aan vast — maar in ieder geval moet duidelijk zijn: hebben de apostelen zich in hun dagen vergist? Het antwoord is ja. Zij dachten dat het aanbreken van het Koninkrijk van God in hun dagen zou gaan gebeuren. Dat was ten dele waar, maar het was conditioneel. Ze hadden niet alle informatie en pas aan het einde van hun dagen werd dat duidelijk. Toen hebben zij ook meer vernomen en het grote geheim gehoord.

Laat ik daarmee afsluiten in Handelingen 28 vers 28. Paulus zegt daar, nadat hij dat ene woord heeft gesproken, wat in feite het slot is van het hele boek: "Het zij u dan bekend — broeders, dat mogen jullie dan bij dezen officieel weten — het is een officiële mededeling dat dit heil van God aan de natiën gezonden werd." Dat was al eerder gebeurd, maar nu volgt de bevestiging: "Die zullen dan ook horen." De bijzondere plaats die Israël tot dusver, tot aan het einde van het boek Handelingen, heeft ingenomen — de aparte rol en ook de aparte toekomstbestemming dat zij zich moesten bekeren en dat dan de Messias zou terugkeren — die is vanaf dat moment voorbij.

Oké. En dus de bediening onder de natiën die Paulus al was begonnen, die wordt voortgezet, maar nu zonder dat Israël nog een aparte positie heeft. Paulus zegt erbij dat dit heil naar de natiën gaat; de bijzondere plaats van Israël is voorlopig verleden tijd en nu zijn het de natiën die zullen horen.

Heel bijzonder: die zullen horen. Er staat niet dat ze zullen zien. In feite is de hele tijd sinds het einde van het boek Handelingen een tijd van horen. Het is allemaal verborgen; er is niets zichtbaar. Een heleboel mensen in christelijke, charismatische of pinksterkringen zeggen dat de tijd van het boek Handelingen weer in ere hersteld moet worden en dat er vandaag weer wondertekenen moeten gebeuren. Die moeten wij nu gaan verrichten, want die tijd van Handelingen moet herhaald worden.

Men ziet niet in dat dat een unieke tijd was, die juist niet herhaald wordt. Dat was een heel uitdrukkelijke termijn. Als je je dat niet realiseert, dan ga je echt de mist in. Dan onderken je die bijzondere termijn niet en begrijp je ook niet waarom in die dagen de terugkeer van de Messias verwacht werd. Dat is van groot belang om te weten.

Het betekent ook dat de Heer Zich niet vergist heeft. Dat wij vandaag — maar dat is eigenlijk een soort cliffhanger — inderdaad zoveel reden hebben om te geloven dat nu alsnog de tijd is vervuld. Er gaat nog een geweldige toekomst aanbreken, maar daarover zullen we het zeker nog bij een latere gelegenheid hebben. Trouwens, we weten er allemaal van, toch? Daar zien we naar uit. Want God heeft nog zoveel achter de hand en in petto voor ons, voor Israël, voor de volken en de wereld. Wat zeg ik? Voor heel de schepping! Ik stel voor dat we een lied gaan zingen.

🎧 hebben de apostelen zich vergist?
Delen: