GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

de zekerheid van onze ‘erfenis’

03-09-2023 - Geplaatst door Andre Piet
3 september 2023, Urk

Het begrip ‘erfenis’ (of beter ‘lotbezit’) speelt in het NT een grote rol. Het heeft gewoonlijk te maken met dat wat gelovigen in de toekomende aeonen ten deel zal vallen. Dit in tegenstelling tot ongelovigen die dit lotbezit niet zullen ontvangen. Vanwaar dat verschil? En hoe zeker is dit lotbezit? Kun je het door wangedrag verliezen, zoals sommigen beweren? Het is van groot belang om deze dingen scherp te krijgen.

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

De traditionele opvatting van een nalatenschap is onbijbels; in plaats daarvan spreekt de Schrift over een 'lotbezit'. Dit lotbezit verwijst primair naar het deelhebben aan het Koninkrijk van God in de toekomende aion. Gelovigen ontvangen nu reeds de heilige geest als onvervreemdbaar onderpand en worden daarmee verzegeld voor dit zoonschap. Hierdoor ontvangen zij een nieuwe identiteit, waardoor zij niet meer in hun element zijn als zij zondigen. Uiteindelijk zullen de gelovigen als mede-erfgenamen van Christus de gehele schepping besturen.

“Op het moment dat een gelovige in aanraking komt met het woord van God, krijg je een nieuwe identiteit.”

Introductie: de Betekenis van Lotbezit en Erfenis ↑ hoofdstukken

Een hele goedemiddag allemaal, vrienden. Ik zal me even voorstellen: ik ben André Piet. U kent mij misschien nauwelijks meer, want naar Urker begrippen is het alweer een hele tijd geleden dat we elkaar getroffen hebben. Er is een maand uitgevallen, maar ik ken de meesten van u nog wel, hoewel ik ook weer een aantal nieuwe gezichten zie. Hartelijk welkom! Ik kan alleen maar bevestigen wat Lipser daar zojuist al over zei.

Vanmiddag mogen wij onze aandacht bepalen bij het onderwerp dat u hier achter mij ziet geprojecteerd: 'De zekerheid van onze erfenis'. U ziet daar een embleem bij dat een uitdrukking is van garantie: 100% garantie. Wel, daarover zullen we het in een later stadium nog uitgebreid hebben.

Misschien moet ik eerst even iets toelichten in verband met het onderwerp 'erfenis', want u ziet dat ik het tussen aanhalingstekens heb gezet. Dat is niet voor niets; in de letterlijke zin van het woord is er eigenlijk geen sprake van een erfenis, althans niet in de Bijbelse gedachtegang. In eerste instantie had ik deze studie namelijk een andere titel meegegeven: 'De zekerheid van ons lotbezit'. Maar ik realiseerde me dat het begrip 'lotbezit' niet bepaald tot het alledaagse Nederlandse vocabulaire behoort. Daarom dacht ik: laat ik het dan over 'erfenis' hebben, want dat is de term die we in het Bijbelse jargon vanuit onze vertalingen goed kennen. Maar het is wel zo goed om dat toch even toe te lichten.

Wat verstaan we in het Nederlands onder een erfenis? Ik heb het even opgezocht om een goede definitie te hebben. Een erfenis of nalatenschap is het totaal aan bezittingen en schulden – want dat kan natuurlijk ook nog – dat iemand na zijn overlijden nalaat. Interessant is ook de oorsprong van het woord: een 'erf' is van origine de grond die bij het huis behoort. Zo spreken wij natuurlijk nog steeds over het erf; tenminste, bij ons vroeger wel, ik weet niet hoe dat hier is. In elk geval houdt een erfenis dus verband met nalatenschap en treedt zij in werking na het overlijden van iemand.

In die zin hebben we het feitelijk niet over een erfenis. Dat heeft alles te maken met het grondwoord in de Bijbel, speciaal in het Nieuwe Testament. Het Griekse woord betekent letterlijk 'lotbezit'. Het heeft te maken met loting, met iets wat je ten deel valt. Dat zie je op diverse plaatsen in het Nieuwe Testament terug. Het meest frappante voorbeeld vinden we in Handelingen 13. Daar is Paulus in Antiochië en verhaalt hij over Israëls geschiedenis, zoals we daarvan lezen in de heerlijke Bijbel. Er staat dat God zeven natiën in het land Kanaän uitroeide en vervolgens hun land door loting verdeelde. De NBG zegt dat Hij het hun 'ten erfdeel' heeft gegeven. Daar is wat voor te zeggen, want het land ging vervolgens van generatie op generatie over. Maar het woord dat er letterlijk staat – en in de Statenvertaling zie je dat ook – wordt vertaald met 'door het lot uitgedeeld'.

Als we dat vanuit de Bijbel bezien, dan was het land in feite geen erfenis. Hoewel het in onze vertalingen is binnengeslopen, is het idee niet dat God een testament opmaakt. Soms wordt het woord 'verbond' vertaald met 'testament', maar dat klopt echt niet. God maakt geen testamenten op, om de simpele reden dat Hij niet sterft. De Bijbel spreekt over verbonden. Toen God aan het volk Israël het land gaf nadat zij de Jordaan waren overgetrokken, werd het verdeeld door loting. Er zijn nog meer schriftplaatsen die dat uitdrukkelijk zeggen. Het land werd aan de stammen toegewezen en onderverdeeld onder de diverse families door middel van loting. Het was dus bezit dat hen door loting ten deel viel, vandaar de term 'lotbezit'.

De term is overigens wat breder; het hoeft niet per se altijd door loting te zijn, maar het idee is dat het je ten deel valt. Het is je lot. Wij gebruiken het woord 'lot' ook in die zin: 'Dat is mijn lot'. Dat wil zeggen: het valt mij ten deel en ik kan daar verder niets aan doen. Dat is een fundamenteel idee bij loting: dat een mens daar geen invloed op heeft. Als een mens daar wel invloed op heeft, dan is er sprake van fraude. Op het moment dat er een loterij is en daar wordt invloed op uitgeoefend, of het balletje valt op een manier die van tevoren al geregeld is, dan is dat pure fraude. Het idee bij loting is juist dat de mens er geen grip op heeft.

Er is een mooie verwijzing in het boek Spreuken: 'Het lot wordt in de schoot geworpen, maar de uitkomst daarvan is van de Heer' (Spreuken 16:25). Hier heb je het bonnetje er nog bij! Omdat de uitkomst van de Heer is, lees je ook dat er bij belangrijke keuzes die gemaakt moesten worden, geloot werd. Als men het zelf niet wist, gaf men het over aan God: 'Bewaart U het maar, wij hebben daar geen invloed op; de keuze is aan U'. Zo kwam het volk Israël aan het land en zo werd het ook onderverdeeld: door loting. Vandaar dus de term 'lotbezit'.

In onze vertalingen is dit altijd vertaald met 'erfenis'. Laten we vanmiddag afspreken dat ik de termen door elkaar gebruik. Dan weet u in ieder geval dat als ik het heb over een erfenis, ik 'lotbezit' bedoel. En als u het woord 'lotbezit' niet helemaal begrijpt, denkt u gewoon aan een erfenis. Dan hebben we dat ook weer geregeld. Bij een erfenis is het immers ook zo dat het je ten deel valt; je hebt er niets voor gedaan. Je bent er over het algemeen van tevoren wel redelijk zeker van, maar het valt je toe. Dat is de overeenkomst tussen lotbezit of lotdeel en het begrip erfenis. Tot zover deze korte toelichting op deze woorden.

Het Eeuwige Leven en het Koninkrijk als Lotbezit ↑ hoofdstukken

De term 'lotbezit' of 'erfenis' komen we nogal eens tegen in het Nieuwe Testament. Laten we eens een paar schriftplaatsen, een paar voorbeelden daarvan bezien. Dan lees je in Matteüs 19 dat de Heer Jezus spreekt naar aanleiding van een vraag die Hij kreeg: "En ieder die huizen of broeders of zusters of vader of moeder of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om mijn naam, zal vele malen meer terugontvangen en het eeuw-ige leven als lotbezit ontvangen." Of het eeuw-ige leven als erfenis beërven, zo staat het er dan.

Ik heb hier expres – dat moet ik er even bij zeggen, want dat doe ik altijd met opzet – een streepje gezet tussen het woordje 'eeuw' en de rest van het woord als ik het bijvoeglijk gebruik: het 'eeuw-ige' leven. Dat doe ik omdat wij bij het woordje 'eeuwig' natuurlijk direct denken aan iets wat eindeloos is; dat is de betekenis die we eraan toekennen. Terwijl de Bijbelse gedachte is dat 'eeuwig' te maken heeft met een eeuw of met een tijdperk, een wereldtijdperk. Toevallig heb ik daar vanmorgen op een andere locatie wat meer over verteld. Het eeuw-ige leven is het leven van de toekomende eeuw. De vraag was ook: hoe beërven we dat? Hoe valt dat ons als lotbezit toe?

Dat het eeuw-ige leven inderdaad het leven van de toekomende eeuw is, daar zien we een mooi bewijs voor. Voor zover je dat nog nodig hebt, want het grondwoord wijst ons al die weg. Maar lees het maar eens in Lukas 18; laat ik hetzelfde gedeelte nog eens lezen, maar dan vanuit de versie van Lukas. Hij echter zei tot hen: "Amen, ik zeg tot jullie dat niemand die prijsgeeft woonhuis of vrouw of broeders of ouders of kinderen om het Koninkrijk van God, niet veelvoudig terug zou krijgen in deze periode en in de eeuw die komt het eeuw-ige leven." Dan weet je meteen ook wat de Bijbel verstaat onder het eeuw-ige leven: dat is het leven van de eeuw, en wel het leven van die toekomende eeuw.

Het is het leven van dat wat er straks gaat plaatsvinden als deze eeuw beëindigd zal zijn en die nieuwe aion gaat aanbreken waarin Christus zal heersen, de duizend jaren zal ik maar zeggen. Welnu, dat is het leven van de aion of van de eeuw, en dat is dus het eeuw-ige leven. En ja, niet ieder zal dat dan beërven; daar is de Bijbel nogal duidelijk over. Voor degenen die hier vaak komen, die weten dat wij hier luid en duidelijk vertellen: God is de Redder van deze hele wereld en van alle mensen. Maar dat neemt niet weg dat dit gerealiseerd wordt in fasen. Uiteindelijk wordt God alles in allen, maar dat neemt niet weg dat in de tijd waarin Christus zal heersen, velen daar nog geen deel aan zullen hebben. Pas wanneer de dood tenietgedaan zal zijn en allen levend gemaakt zijn, pas dán zal het leven een deel worden van iedereen. Maar dat is voorbij de aionen; dat is dus ook niet meer het aionische of eeuw-ige leven. Ik geef toe, zeker voor mensen die hier voor het eerst zijn, dat je hier even heel goed over na moet denken. Doe dat dan ook vooral: check it. Want dit zijn hele fundamentele dingen.

Het gaat nu even om het beërven van dat leven van die toekomende eeuw. Trouwens, ik heb nog een schriftplaats die ik in dat verband wil noemen: de gelijkenis van de schapen en de bokken in Matteüs 25. Dat is ook aan het einde van deze eon, aan het begin van de toekomende eon. De Zoon des mensen, de Ben Adam – zo staat het ook letterlijk aan het begin van dat gedeelte – zal zitten op Zijn troon in Jeruzalem en dan zullen de volkeren voor Hem worden verzameld. Ze worden verdeeld in wat daar dan genoemd wordt de schapen en de bokken. Bepalend daarbij zal de houding zijn die men heeft ingenomen ten opzichte van de minste van Zijn broeders. Wat ze de minste van Mijn broeders hebben aangedaan, dat heb je Mij aangedaan. Het heeft alles te maken met wat er straks gaat gebeuren als God via het volk van Israël het evangelie gaat verspreiden over de hele wereld. Hoe zullen Zijn dienstknechten dan ontvangen worden? Dat zijn er 144.000 die dan uitgaan over de hele wereld en het evangelie van het Koninkrijk zullen uitbazuilen. Bepalend is dan hoe men hen heeft ontvangen.

In vers 34 staat: "Dan zal de Koning – de Koning der koningen die daar zal zitten in Jeruzalem en daar Zijn troon zal hebben ingenomen – tot hen zeggen die aan Zijn rechterhand zijn (dat is de plaats van voorrang): 'Komt hier, jullie gezegenden van mijn Vader, ontvangt als lotbezit (of beërft) het Koninkrijk dat voor jullie is bereid vanaf de nederwerping van de wereld.'" Dat is toen de wereld geboren werd, dat is een nederwerping. In ieder geval, aan hen wordt dat gegeven. Van de bokken lees je dat zij die eeuw niet ontvangen. Degenen die hen niet ontvangen hebben en die zullen sterven en omkomen, die zullen die duizend jaren niet meemaken. Maar degenen die aan Zijn rechterhand zijn, die zullen inderdaad dat Koninkrijk beërven of als lotbezit ontvangen. Zij gaan dat Koninkrijk in. Het Koninkrijk zelf, dat wil zeggen het deelhebben daaraan, dat is het lotbezit wat hen ten deel valt.

Laat ik nog eventjes wat meer voorbeelden geven, maar dan doe ik het nu even puntsgewijs. Je kunt natuurlijk gewoon een concordantie pakken, als je een concordantie op de grondtekst hebt, en het trefwoord 'lotbezit' opzoeken met alles wat daarmee verband houdt. Dan kijk je waar dat begrip voorkomt. Dat is de mooiste manier van Bijbelstudie doen, want dan vergelijk je Schrift met Schrift. Hoe wordt een woord nou eigenlijk gebruikt? Hoe wordt het gebezigd? Dat is de manier waarop je de betekenis van een woord kunt achterhalen. Dat is vrij logisch: als je wilt weten wat de betekenis van een woord is, is de kortste route natuurlijk het woordenboek pakken, maar dan moet je altijd alert zijn. De beste manier is om het zelf te checken: kijk hoe het woord wordt gebruikt.

In dit geval ook dat woord 'lotbezit'. Dat vinden we bijvoorbeeld in verband met het eeuw-ige leven, dat leven van die toekomende eeuw. Dat ontvangt niet iedereen, maar dat ontvangen sommigen als een lotbezit. Bekend is natuurlijk de tekst – de allerbekendste denk ik – Johannes 3 vers 16: dat God Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft het eeuw-ige leven hebbe en niet verloren gaat, niet omkomt, maar het eeuw-ige leven zal hebben. Dat wil zeggen: het leven van die toekomende eeuw. En het tegendeel is dus dat men voor de eeuw verloren is. Inmiddels is dit voor mij zo vanzelfsprekend als wat, en voor een heel aantal van jullie net zo goed, maar voor velen absoluut niet. Zij denken bij het eeuw-ige leven dat het eindeloos leven is, maar dat is het idee niet: het is het leven van die toekomende eeuw. Net zoals de eeuw-ige straf of de eeuw-ige verlorenheid niet betekent dat dat nooit meer een einde kent. Alleen het idee al alsof God het verlorene niet zou zoeken en ook daadwerkelijk zal vinden... Nee, de dood heeft nooit het laatste woord. Het heeft te maken met eeuwen waar God een weg doorheen gaat.

De aeonen, de tijdperken... Het eeuwige leven ontvangt men als lotbezit, of het Koninkrijk van God. Dat zijn feitelijk min of meer synonieme begrippen. Want wat er straks gaat gebeuren als deze aeon beëindigd is, dan gaat er een hele nieuwe aeon aanvangen waarin Christus zal heersen.

Trouwens, ook in de aeon die daarop zal volgen — de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waar het nieuwe Jeruzalem uit de hemel neerdaalt — ook daarin zal Christus nog steeds heersen. Niet altijd, nee, Hij moet heersen totdat de dood tenietgedaan zal zijn. Pas dan zal Hij het Koninkrijk ook weer overdragen aan Zijn God en Vader.

Maar dat zijn dus degenen — laat ik nog even dit zeggen — diegenen die dat Koninkrijk niet beërven, die maken niet die periode mee waarin Christus zal heersen. Pas wanneer de dood tenietgedaan zal zijn, dan zullen ook zij worden opgewekt en nieuw leven ontvangen. Dan wordt het een ander verhaal, maar dat is voorbij het heersen van Christus.

Nog iets dus: het lotbezit is het eeuwige leven of het Koninkrijk van God. 1 Petrus 3 vers 7 spreekt over de "genade van het leven". Dat wordt ook een lotbezit genoemd, of erfenis zo je wilt, of de zegen. Er zijn nog wat meer voorbeelden, maar ga het maar eens na. Dat kan een mens allemaal door geloof ontvangen. Dat is het gelovige kanaal waardoor men deze dingen ten deel valt.

Nou, dan nog een begrip, en dat is een mooie hoor.

Zoonschap en Mede-erfgenamen van Christus ↑ hoofdstukken

Dat is wat we in Romeinen 8 aantreffen over de erfenis, maar ook over erfgenaamschap: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus. Laten we daar eens naartoe gaan. Wat wij vanmiddag doen, is simpelweg allerlei schriftplaatsen opzoeken die van belang zijn en die allemaal gaan over dat lotbezit, over die erfenis.

In vers 17 van Romeinen 8 staat: "Indien nu kinderen, dan ook lotbezitters." Oftewel: als we kinderen zijn, dan ook erfgenamen, want een kind is er voor weggelegd om het lotbezit of de erfenis te ontvangen. In Galaten 4 zie je dat er niet over kinderen wordt gesproken, maar over zonen: "Indien nu een zoon, dan ook lotbezitter of erfgenaam." Dit is trouwens een mooi voorbeeld waarbij de begrippen lotbezit en erfgenaamschap – echt met de gedachte van een erfenis – heel dicht bij elkaar komen. Het valt je als bezit ten deel. Als je een kind bent, ontvang je straks de nalatenschap van de vader of van de ouders. In feite is in de Bijbel het woordje 'zoon' zelfs synoniem met 'erfgenaam'. Een zoon is eigenlijk niets anders dan een erfgenaam; dat is de definitie ervan.

Een zoon hoeft in de Bijbel niet eens letterlijk een kind of een lijfelijke, biologische nakomeling te zijn. Je leest bijvoorbeeld dat Elisa Elia aanroept als 'vader'. Hoezo? Was Elia de vader van Elisa? In zekere zin wel, want Elisa kreeg namelijk dat wat Elia bezat: het profeetschap viel hem ten deel. De mantel van Elia kwam terecht bij Elisa. Dat viel hem ten deel en vandaar dat Elia zijn vader genoemd wordt. Je leest ook dat David Saul aanspreekt als vader. Je zou kunnen zeggen dat dit kwam omdat Saul zijn schoonvader was, maar het is vooral ook omdat de troon van Saul terechtkwam bij David. Vandaar dat David inderdaad de zoon is van Saul. Ik bedoel hiermee te zeggen: 'zoon' is een begrip waar je in feite een 'isgelijkteken' kunt zetten met 'erfgenaam' of 'lotbezitter'. Dat valt je dan ten deel. Als je een zoon bent, ben je ook een erfgenaam.

Als je in Romeinen 8 doorleest, zie je dat aan ons de geest van het zoonschap is gegeven. Wanneer wij vandaag mogen geloven in de Heer Jezus Christus, dan ontvang je de geest – daar kom ik straks nog op terug. Je ontvangt de geest, Zijn woord, en dat is de geest van het zoonschap. Het zoonschap of de zoonstelling zelf wacht echter nog op de toekomst. In hoofdstuk 8 vers 15 lees je dat we nu de geest van het zoonschap hebben ontvangen, waardoor wij zeggen: "Abba, Vader", maar het zoonschap of de zoonstelling is letterlijk toekomstig.

Wat is dat dan precies? Dat staat in Romeinen 8 vers 23: "In afwachting van... wij zuchten ook in onszelf, wachtend op de zoonstelling: de verlossing van ons lichaam." Wanneer worden wij tot zonen gesteld? Wanneer dit lichaam verlost wordt. Op dat moment valt het lotbezit – in feite de hele schepping, waar ik straks nog op terugkom – ons ten deel. Maar de geest van het zoonschap hebben we nu al. Dat is feitelijk ook het onderpand. Dat zijn dus twee verschillende dingen. Het ligt in de lijn van de onderwerpen waar ik het vandaag over heb, maar dit zijn van die begrippen die zo vaak door elkaar lopen en verward worden. De meeste mensen hebben totaal geen idee van het verschil tussen het Bijbelse idee van kindschap en van zoonschap. Sterker nog, in onze Bijbelvertalingen – ook in de Statenvertaling – worden die begrippen vaak door elkaar gegooid. Dan staat er letterlijk 'zoonschap' en vertaalt men het met 'kindschap', terwijl dat echt verschillende zaken zijn. Bij kindschap denken we aan het feit dat we dezelfde oorsprong hebben en door God verwekt zijn. Bij zoonschap denken we aan erfgenaamschap en aan het feit dat lotbezit ons ten deel valt. Een kind wordt wel geacht een zoon te worden, maar dat zijn niettemin twee verschillende dingen.

"Indien nu kinderen, dan ook lotbezitters." Zo staat het verderop in datzelfde vers van Romeinen 8: indien kinderen, dan ook lotbezitters of erfgenamen. Lotbezitters van God en samen-lotbezitters van Christus. Als u gehecht bent aan de oude versie: we zijn erfgenamen van God, we ontvangen van God de erfenis. Maar wel samen met Christus, dat wil zeggen: mede-erfgenamen van Christus. Aan Hem valt de erfenis, het lotbezit, ten deel, maar niet alleen aan Hem, ook aan ons. En dat geldt voor de hele schepping. In ditzelfde Romeinen 8 lees je dat de hele schepping nu zucht en in barensnood is. Maar ze wacht met 'opgestoken hoofd', en waarom? Wel, de verwachting is dat deze schepping in de praktijk ten deel zal vallen aan de enige echte, ware erfgenaam: de Zoon van God, die ook de 'Ben Adam' is, de erfgenaam van Adam, en de erfgenaam van David. Hij zal de troon gaan bezitten voor Israël, de volkerenwereld en de hele schepping. Maar die positie deelt Hij met ons.

Ik denk dat we er geen idee van hebben wat dat betekent. God roept vandaag uit de natiën een volk voor Zijn naam, een ekklesia – dat is een 'uitgeroepen gezelschap'. Hij roept hen uit, en Romeinen 8 zegt dat degenen die Hij voorgekend heeft, Hij ook heeft voorbestemd, gerechtvaardigd en verheerlijkt. Dat is niets van een mens. Hij is degene die roept, en Hij roept een gezelschap dat Hij heeft voorbestemd om samen met Christus de hele schepping te gaan beheersen. Daarbij is Hij het Hoofd en wij het lichaam – dat is een andere metafoor, maar met dezelfde gedachte. Samen delen wij dat lotbezit, die erfenis. Ik lees nu meteen even een paar verzen verderop.

De Schepping Wacht op de Onthulling van de Zonen Gods ↑ hoofdstukken

Want ik linkte daar zojuist al even naar, in vers 19 staat: "Want het reikhalzend verlangen van de schepping wacht op..." Waarom? De schepping wacht met "opgestoken hoofden", zoals de Statenvertaling dat zo mooi zegt. Misschien wel met het voorgevoel dat de schepping zelf ergens aan hangt. Zelfs als men geen idee heeft van wat er eigenlijk gaat komen, is alles gericht op de verlossing. Ja letterlijk, want de schepping heeft het ook zwaar; ze is in blijde verwachting en in barensnood, maar de verlossing komt.

Er staat hier ook: het reikhalzend verlangen van de schepping wacht op de onthulling van de zonen van God. En hier heb je weer exact dezelfde gedachte waar ik zojuist al naar verwees, namelijk over die mede-erfgenamen van Christus, of die medelotbezitters. Wie zijn dat? Hij is de Zoon en wij zijn zonen Gods. Dat zegt trouwens ook Romeinen 8 – kijk het maar na, ik weet het vers even niet uit mijn hoofd – dat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen. Daar krijg je dezelfde gedachte: het is een broederschap en Hij is, te midden van dat broederschap die samen inderdaad dat lotbezit gaan krijgen dat hun ten deel zal vallen, de eerstgeborene. We zijn weliswaar broeders, maar Hij neemt in dat gezelschap de eerste plaats in. Zoals Hij ook van het lichaam het Hoofd is; hoezeer die eenheid er ook is, Hij gaat daarin voorop, zoals het hoofd ook altijd voorop gaat bij een bevalling – tenminste, als het goed gaat.

Waar op te wachten is, is inderdaad dat de schepping die nu dus nog lijdt, verlost gaat worden. Prachtige beeldspraak natuurlijk. Het wacht op de openbaring. Dat is ook een mooi woord in het Nederlands, ik weet niet of het helemaal terecht is wat ik nu ga zeggen, maar in ieder geval: de onthulling, de apokalyps. Want wat er gebeurt bij een bevalling, is dat er iets wat verborgen was, onthuld zal worden. En wat wordt er straks onthuld? De Zoon van God en samen met Hem ook de zonen Gods.

Wij zullen... ja goed, er zijn nogal wat schriftplaatsen die daarop wijzen, namelijk dat wij, terwijl Christus nu verborgen is en wij met Hem, straks geopenbaard zullen worden. Wanneer Hij onthuld zal verschijnen, dan zullen wij met Hem in heerlijkheid gaan verschijnen. Sommige mensen denken misschien in termen van: dan begint de vakantie. Maar ik denk: dan begint het werk pas echt. Ja, zo'n opinie vind ik eigenlijk een beetje teleurstellend, maar dat is de gedachte. Het idee is niet dat we vakantie gaan houden, want het is een enorme taak. We kunnen ons daar nu nauwelijks een voorstelling van vormen. Ik besef dat dit enorm groots is, maar als Christus straks op de troon gaat zitten, dan gaat Hij die positie delen met velen in de hemelen, en ik geloof dat dat ons deel is.

Hier op aarde heeft Hij daar ook Zijn woord voor; er is een volk dat als de kop van de natiën zal fungeren, namelijk Israël. In Romeinen 9 lees je dat ook aan hen het zoonschap is gegeven. Daaraan is heerlijkheid verbonden, maar dus ook het zoonschap. Hen valt dat lotbezit ten deel hier op aarde. Maar voor ons, die nu al geroepen worden, is er een nog veel groter en hoger lotbezit weggelegd, namelijk met Hem verbonden daar boven in de hemel.

Dit is zo onbekend, maar waar de schepping op wacht, is dat de zonen Gods – die nu dus verborgen zijn, want zo hoort het ook – onthuld worden. De Zoon van God, de eerstgeborene bedoel ik, die is Zelf verborgen. Dit is allemaal "ontwerp", zo hoort dat ook te zijn. Als je zegt: "Ja, maar ik zie er helemaal niets van", dan zeg ik: dat is precies wat hier uitgedrukt wordt. Daar gaat het juist over. En als het straks onthuld gaat worden, wanneer de termijn vervuld zal zijn op de datum – zal ik maar zeggen – dan zal de onthulling plaatsvinden. Die tijd is vastgesteld door God Zelf. De onthulling namelijk van de zonen Gods. Dan valt het lotbezit aan Hem ten deel, maar daarmee ook aan ons.

Wie het Koninkrijk Gods Niet als Lotbezit Ontvangen ↑ hoofdstukken

Ja, dan moet ik nog iets zeggen, want we hebben het over de zekerheid van de erfenis, van het lotbezit. Maar er zijn nogal wat plaatsen die er ook over spreken. In feite heb ik daar al impliciet naar verwezen en ik heb er ook een paar dingen over gezegd, maar er zijn een aantal schriftplaatsen, juist bij de apostel Paulus, die ons ervan overtuigen en duidelijk maken voor wie het lotbezit niet is weggelegd. Sterker nog, het wordt zodanig geformuleerd in alle drie de schriftplaatsen — in 1 Korinthe 6, in Galaten 5 en in Efeze 5 — dat Paulus ook veronderstelt dat zijn lezers hiervan op de hoogte zijn. Voor hen was dit, om zo te zeggen, gesneden koek.

Aan gelovigen valt het lotbezit ten deel en zij die niet geloven, zullen die eeuw niet meemaken. Die zullen dat Koninkrijk niet erven. Ook al is het waar — maar dat ten overvloede — dat uiteindelijk de hele wereld gered wordt, daar gaat het nu niet over. Het gaat nu over dat Koninkrijk en over die heerschappij. En dan zegt Paulus: "Of weten jullie niet dat onrechtvaardigen..." In feite is dat in de Bijbel synoniem met ongelovigen, want God rekent geloof tot rechtvaardigheid. Dus als je leest over een rechtvaardige, dan is dat per definitie een gelovige. Abraham geloofde God en het werd hem tot rechtvaardigheid gerekend. Abraham was een rechtvaardige. Waarom? Hij geloofde God op Zijn woord, op Zijn onvoorwaardelijke belofte.

Dan zegt Paulus: "Weten jullie niet dat onrechtvaardigen Gods Koninkrijk niet als lotbezit zullen ontvangen?" En dat betekent dat hen het Koninkrijk van God in de komende aeonen niet ten deel valt. Dat is de strekking van die term. Ik ga daar nu even op in omdat ik juist de laatste weken nogal wat gesprekken heb gehad en ook wat studies heb gevolgd van iemand die het anders uitlegde. Die zegt: "Ja, het valt hen wel ten deel, maar dat het hen niet ten deel valt betekent gewoon dat ze wel in dat Koninkrijk terecht zullen komen, maar daarin geen lotbezit zullen hebben." Maar dat is niet de strekking.

Ik zal dat ook laten zien aan de hand van 1 Korinthe 15. Deze uitdrukking, "het Koninkrijk Gods als lotbezit ontvangen", komen we namelijk ook een paar hoofdstukken later tegen in 1 Korinthe 15. Dan zegt Paulus dit: "Dit zeg ik met nadruk, broeders, dat vlees en bloed Gods Koninkrijk niet als lotbezit kan ontvangen." Dat is dit sterfelijke lichaam. Dat vlees en bloed slaat op dit vergankelijke lichaam, wat ook blijkt in de parallelzin: "en ook de vergankelijkheid ontvangt de onvergankelijkheid niet als lotbezit."

Vlees en bloed, dat is dit zielse lichaam. Dit lichaam waarin het bloed door de aderen stroomt. In de toekomst, in het opstandingslichaam, wordt het wel genoemd "vlees en beenderen", maar nooit "vlees en bloed". Dat opstandingslichaam — ik spreek gewoon de Schrift na — dat is een pneumatisch lichaam. U weet, in de Bijbelse gedachte is de ziel van al wat leeft in het bloed. Ziel en bloed zijn twee begrippen die min of meer synoniem zijn. Een zielslichaam is een lichaam waar bloed doorheen stroomt. Een pneumatisch lichaam is een lichaam dat beheerst wordt door pneuma. Dat lichaam dat de Heer Jezus Christus had in Zijn opstanding, dat was pneumatisch. Echt werkelijk een lichaam, vlees en beenderen. Niet een spook ofzo, wat de discipelen aanvankelijk dachten, maar concreet. Niettemin wordt het beheerst door pneuma. Hij was er, en Hij was ook zomaar weer weg. Het is onvoorstelbaar wat voor lichaam dat is. Maar dit lichaam wat we hier in deze zaal hebben meegebracht, dat is vlees en bloed. Dat is een zielslichaam. En dat kan het Koninkrijk van God niet beërven. Dat wil zeggen: het kan het Koninkrijk van God niet als een bezit ontvangen.

Paulus maakt dat dan nog wat nader duidelijk. Hij zegt: "Dwaalt niet," en dan gaat hij een heel rijtje noemen. Ik noem ze nu op — we zouden bij een andere gelegenheid, hoewel het een beetje vermoeiend is om er al te diep op in te gaan, er langer bij stil kunnen staan — om toch in elk geval te weten waar we het over hebben. Paulus zegt: "Noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch echtbrekers, noch schandknapen, noch mannen-liggers..." Dat mag je tegenwoordig eigenlijk niet zeggen natuurlijk, maar dit is gewoon de term voor homoseksuelen: mannen-liggers. "Noch dieven, noch oplichters of dronkaards of lasteraars of rovers zullen Gods Koninkrijk als lotbezit ontvangen."

Het was naar aanleiding van de gesprekken die ik over deze kwestie had, dat ik dit nu aan de orde stel. Deze waarheid wordt herhaald in Galaten 5 vers 21 en ook in Efeze 5. Daar zegt Paulus dit: "Want hiermee zijn jullie bekend en jullie weten..." Heb je het weer? Dezelfde waarheid brengt hij hier tot uitdrukking. En wat hij hier ook zegt is: "Jullie weten dat, jullie zijn hiermee bekend." Waarmee eigenlijk ook gezegd is: dit maakt deel uit van het onderwijs dat ik jullie geef. "Dat geen hoereerder of onreine of oplichter — dat is een afgodendienaar — lotbezit heeft in het Koninkrijk van Christus en van God." Het is naar aanleiding van deze tekst dat men dat dan zo uitlegt: dat het niet betekent dat ze het Koninkrijk niet ontvangen, maar dat ze in dat Koninkrijk geen lotbezit hebben. Maar dat is niet de gedachte. Het is omgekeerd: men ontvangt het Koninkrijk niet en daarom heeft men ook in dat Koninkrijk geen lotbezit.

Ik kom nu weer even terug bij 1 Korinthe 6, want nu moeten we echt goed de puntjes op de i zetten om te begrijpen wat Paulus hier zegt. Nadat hij dit naar voren heeft gebracht, zegt hij in vers 11: "En sommigen van jullie waren dat." Niet allemaal, maar sommigen van jullie waren dat. "Maar," zegt hij, "jullie werden schoongewassen." Ik vind het zo mooi dat Paulus dit schrijft aan de Korinthiërs. Ik weet niet of u een beetje op de hoogte bent van deze brief aan de Korinthiërs, maar juist daarin richt Paulus zich aan een gezelschap waar heel wat aan de hand was. Er was sprake van hoererij en ook van afgoderij; hij waarschuwt juist hen daarvoor. En toch zegt hij: "Sommigen van jullie waren dat" — als afgodendienaars, onrechtvaardigen, dieven, enzovoorts.

Nu moeten we dat heel scherp stellen. Het loutere feit dat Paulus tegen de Korinthiërs zegt dat zij dit waren — terwijl zij worstelden en tobden met allerlei zonden waarin men ook iedere keer viel — betekent niet dat zij daarna nooit meer in afgoderij of hoererij vielen. Dat bepaalt hij niet. Daarom zegt hij ook in deze zelfde brief: "Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle." Kijk het maar na in 1 Korinthe 10, dan heeft hij het over afgoderij en over hoererij. Dat kan dus wel degelijk. Maar het punt is: zij zijn niet meer zo. Een gelovige, iemand die geroepen is, die is inmiddels gerechtvaardigd en gewassen. Die heeft een nieuwe identiteit.

Een Nieuwe Identiteit: het Verschil Tussen een Varken en een Schaap ↑ hoofdstukken

U vraagt zich natuurlijk af waarom ik dit plaatje laat zien. Ik bedoel daar dit mee te zeggen: aan de linkerkant ziet u een varken en rechts is uiteraard een schaap. Wat is nu het verschil? Een varken bevindt zich nergens liever dan in de modder; daar is hij helemaal in zijn element. Kan een schaap ook in de modder terechtkomen? Jazeker, dat kan heel goed, maar dan is een schaap niet in zijn element. Vaak moet hij geholpen worden om eruit getrokken te worden. Het verschil tussen een varken en een schaap is: bij een varken hoort het, bij een schaap niet. Dan is hij niet meer in zijn element, ondanks het feit dat hij er wel degelijk in kan vallen.

Het idee van sommige mensen is dat je als gelovige helemaal niet meer in 'varkensarij' of die hele lijst van zonden kunt vallen. Dat is echter een enorm misverstand. Ik zou zeggen: lees bijvoorbeeld juist de brief aan de Korinthiërs maar eens. Paulus zegt dat je er niet in hoeft te vallen; hij zegt: "Zie toe dat je niet valt." Het grote belang is dat je altijd blijft staan op dat woord en de belofte van God. Paulus zegt in 1 Korinthe 10 dat jullie geen bovenmenselijke verzoekingen hebben te doorstaan, want God zal met de verzoeking ook zorgen voor de uitkomst, zodat je ertegen bestand bent. Met andere woorden: sta op die belofte en dan val je ook niet. Maar het kán wel.

Kijk naar het loutere feit dat Paulus over die onrechtvaardigen zegt: "Jullie wáren dat." Ook als je daar nog in kunt vallen, zijn dat incidenten; het is niet meer je element. Ik schilder wel eens — niet al te vaak en dat wil ik graag zo houden trouwens — maar ben ik daarmee ook een schilder? Nee. Ik kook ook wel eens — dat is trouwens nog minder — maar ben ik daarmee een kok? Nee, dat is toch iets anders. Het heeft te maken met wat je incidenteel een keertje doet. Ik zing wel eens, maar ben ik daarmee een zanger? Paulus zegt van die mensen op dat lijstje: "Jullie wáren dat." Ook als je er nog in kunt vallen, is het verleden tijd. Het hoort niet meer bij je identiteit; je bent schoongewassen.

Toen ik dat eenmaal zag, dacht ik: geweldig, dat is de Bijbelse gedachte. Op het moment dat een gelovige in aanraking komt met het woord van God, krijg je een nieuwe identiteit. "Sommigen van jullie waren dat", dus jullie hebben inmiddels een nieuwe identiteit. Ook al doe je zulke dingen nog eens en kún je dat doen, het hoort niet meer bij je identiteit. Jullie worden schoongewassen. Dat is het kenmerkende van een gelovige: als hij in die dingen terechtkomt, dan wordt hij ook weer gewassen en gereinigd. Hoe anders dan door het woord van God? Dat reinigt ons.

Paulus zegt verder in vers 11: "Jullie worden geheiligd en jullie werden gerechtvaardigd." Het verschil tussen de tegenwoordige tijd en de verleden tijd is hier heel interessant. De ene term heeft te maken met een proces dat plaatsvindt en nog steeds plaatsvindt, en de andere is: "Jullie werden gerechtvaardigd." Dat ligt in het verleden. Hoe dan wel? In de naam van de Heer Jezus Christus en in de geest van onze God. Dat is de karakteristiek van een gelovige. Degene die mag geloven, bij wie God de ogen daarvoor opent, wat gebeurt er dan? Dan komt het woord tot je en dat woord doet drie dingen: het wast ons — letterlijk, je gedachten worden gereinigd. Je krijgt besef van goed en kwaad. Je bent ook niet meer in je element wanneer je in de zonde zit; dat is niet meer je omgeving, dat is niet meer je thuis. Je hebt een nieuwe identiteit. Je wordt gewassen, je wordt geheiligd en je werd ook gerechtvaardigd.

Dat is allemaal iets waar God zelf garant voor staat. Op het moment dat je geroepen wordt, zijn deze drie elementen 'all-in'. Het ene kun je niet losmaken van het ander. Als Hij met Zijn woord tot je komt, dan wast Hij je, dan heiligt Hij je en dan rechtvaardigt Hij je. Eigenlijk in omgekeerde volgorde denk ik, maar goed, het maakt niet uit; alle drie horen bij elkaar. Als Hij je roept, dan is Hij het die je rechtvaardigt, dan is Hij het die jou heiligt — dat wil zeggen: apart gaat zetten — en Hij is het ook die jou gaat reinigen op Zijn wijze en op Zijn tijd. Dat doet Hij.

Degenen bij wie Hij dat niet doet, horen niet bij de Ecclesia. Zullen zij worden gered? Jazeker, zij worden wel gered, maar ze zullen geen deel uitmaken van dat Koninkrijk van Christus. De komende aionen zullen zij niet meemaken. Het ene is net zo waar als het ander. De meeste christenen leven met het idee dat als Christus straks terugkomt, het 'het einde der tijden' is. Dan is het voor hen of 'eeuwig wel' of 'eeuwig wee', een onveranderlijke toestand waar je in terechtkomt. Men heeft geen idee van het feit dat als Christus straks terugkeert, er nog wereldtijdperken, aionen, zullen aanbreken waarin Christus zal heersen.

Hebben alle mensen daar aandeel aan? Nee, zeker niet. Christus zal heersen totdat Hij de dood teniet heeft gedaan, en dan worden allen levend gemaakt. Hebben allen dáár aandeel aan? Jazeker, daar hebben allen aandeel aan, want Hij gaat allen levend maken en dan wordt God alles in allen. Maar gedurende de tijd dat Christus zal heersen, zullen er velen zijn die daar nog geen deel van uitmaken. De waarheid is niet zo moeilijk, alleen moet het je wel onderwezen worden. Je moet er weet van hebben dat er nog wereldtijdperken, nog aionen, gaan aanbreken. En dan wil ik nog graag even iets naar voren brengen.

De Uitverkiezing en Gods Plan met de Schepping ↑ hoofdstukken

En dat is eigenlijk het mooiste voor het laatst, omdat ik het ook wilde hebben over de zekerheid van die erfenis. Er is een zekerheid over de vraag aan wie dat lotbezit ten deel valt en aan wie niet; dat hebben we inmiddels wel gezien. Maar als u met mij meegaat naar Efeze 1, dan leest u dat Paulus eigenlijk meteen begint met een geweldige lofgezang: "Gezegend zij de God en Vader, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegen in Christus te midden van de hemelsen." Nou ja, en dan gaat hij uitpakken hoor. Dan zegt hij in vers 5 dat God ons tevoren bestemde, predestineerde, voorbestemde tot zoonschap – tot zoonstelling eigenlijk.

Ja, en wanneer gebeurt dat? We hadden het er al over: we hebben nu al de geest van het zoonschap en straks wordt dat daadwerkelijk realiteit als ons lichaam verlost wordt. Dan worden we daadwerkelijk ook die zonen; dat is de vervulling van het zoonschap. En hoe is dat ons ten deel gevallen? Nou ja, als een lot uit de loterij. Ik bedoel: ver voordat wij er waren. Paulus zegt nog twee verzen eerder: "voor de nederwerping der wereld" had God dat plan al en heeft Hij mensen voorbestemd, geroepen – het is onvoorstelbaar – maar Hij heeft hen uitgekozen. Waarom?

Uitverkiezing is een geweldige waarheid in de Bijbel. Namelijk: God kiest uit, omdat Hij het geheel op het oog heeft. Hij koos Abraham uit, niet omdat de wereld Hem niet interesseerde, maar om via Abraham alle volkeren van de aardbodem te zegenen. Dat is uitverkiezing. God kiest uit en Hij bestemt een gezelschap voor dat exclusief is. Als je daartoe mag behoren, als God nu al je ogen opent, dan hoor je bij een gezelschap waar je al voorbestemd bent tot het zoonschap. Waarom? Waarom ik? Nou, dan zeg ik: we zullen straks ook letterlijk zien dat het Zijn plan en Zijn wil is. Ja, en dat valt je ten deel. Het is inderdaad een lot; het is een lot uit de loterij. Het valt je ten deel en het valt je met recht toe.

En ik ben "toevallig", als u goed begrijpt wat ik nu zeg, een gelovige. Ik bedoel: ik heb daar niks aan gedaan. Hij heeft mij geroepen en dan... Wat dacht u van de apostel Paulus? Daar heb ik vanmorgen nog wat over gezegd. Hij werd geroepen. Zocht hij de Heer? Zocht hij Christus? Integendeel. Maar juist daarom: de hele wereld heeft God op het oog, maar Hij verzamelt vandaag een gezelschap dat Hij gaat inzetten om de rest te bereiken. En ik vind dat een adembenemend concept, een begrip van wat uitverkiezing en zoonschap ook is. Hij bestemt ons tevoren tot zoonschap door Jezus Christus voor Hem, naar het welbehagen van Zijn wil. Dat is plechtige taal, maar het geeft gewoon aan: Hij heeft er plezier in om het op deze manier te doen. Waarom? Omdat het naar Zijn welbehagen is.

En dan een paar verzen verder, in vers 10, leest u om het "al", ta panta, aan te duiden. Dat Griekse woord is gewoon "het al", in dit geval ook de hele schepping. Om heel de schepping samen te vatten in de Christus. "Onder één hoofd" staat er; de gangbare vertaling is dat, geloof ik. Ja, onder één hoofd samen te vatten, namelijk de Christus. En als je niet begrijpt wat "het al" is, dan staat er nog bij: "wat in de hemelen en wat op de aarde is". Kortom: de scheppingen. Dat wat God in den beginne schiep, dat gaat Hij allemaal samenbrengen op Zijn tijd onder die Ene, onder het ene Hoofd: de Christus.

En dan staat erbij: "in Hem, in Wie ook ons lot viel". Wij, die tevoren bestemd werden naar Zijn voornemen. God heeft een voornemen, God heeft een plan en Hij bestemt daarin voor – predestinatie. En in ons, zoals Paulus zegt: "in Hem, in Wie ook ons lot viel". Christus is bestemd om heel de schepping straks te onderwerpen en te onderschikken. Het valt allemaal aan Hem ten deel. En ook ons viel dit lot ten deel. Ziet u hoe dat hele begrip "lot" letterlijk ook waar is? Het valt ons ten deel. Het is een lot uit de loterij; je krijgt het zomaar, of niet. En dat is een godsgeschenk. Als je ogen daarvoor nu al geopend zijn, als Hij je nu al roept en daartoe heeft voorbestemd. Ja, en nou lees ik:

Verzegeld met de Heilige Geest als Onderpand ↑ hoofdstukken

We gaan nog een paar verzen verder, naar vers 13. In Hem werden ook jullie, toen jullie geloofden... Ik moet het vers daarvóór er eigenlijk ook nog even bij betrekken. Want dan lees je: "...toen jullie het evangelie van jullie redding hoorden." Weet je wat het evangelie van je redding is? Het evangelie van je redding is: God is jouw redder. Dat is het evangelie van je redding. Hij biedt het je niet aan om je redder te worden; nee, Hij ís jouw redder. Dat is een mededeling. Geen aanbod, dat is een mededeling. En dat is het evangelie van jullie redding. En als je dat gelooft – als je daar "amen" op mag zeggen omdat Hij je ogen, oren en hart daarvoor opent – dan geloof je. Dan overtuigt Hij je.

En in Hem werden jullie, toen jullie geloofden, verzegeld met de Heilige Geest van de belofte. Die Geest die Hij dan geeft, is in zichzelf al een belofte. En daarmee verzegelt Hij ons. Daarmee is echt aangegeven: het is vast en zeker. Het is ook onverbrekelijk; dat is het idee van een zegel. Als er iets verzegeld wordt, dan kan het niet verbroken worden. En als God Zijn zegel erop zet, dan kan geen mens daar iets aan doen of het ongedaan gemaakt krijgen.

Je wordt dus verzegeld. Als je gelooft, dan krijg je Gods Geest. Dan word je gewassen, dan word je geheiligd, dan word je gerechtvaardigd. Je krijgt dat allemaal. En het lot is je ten deel gevallen dat je hoort bij dat gezelschap van de Christus. Je bent een zoon. En dat lotbezit valt jou ten deel. En dan gaat het ook over die Geest, die het onderpand is van ons lotbezit, oftewel van onze erfenis. Waarmee dus gezegd is: als je mag geloven, dan ontvang je Zijn Geest. In feite is dat Woord ook Geest. Als dat dan in je komt, dan is dat Geest en dat is een onderpand van de erfenis.

Dat wil zeggen dat het absoluut zeker is. Een onderpand wil zeggen: het is een aanbetaling. Dat lotbezit valt ons straks ten deel als ons lichaam verlost wordt, maar we hebben nu al dat onderpand: de Geest van dat zoonschap. En dat betekent dat het absoluut zeker is, want je bent daarmee verzegeld. En dan weet je: die erfenis, dat lotbezit over de hele schepping samen met Christus – we zullen met Hem gaan zitten – is onvervreemdbaar.

Ik zeg deze dingen ook omdat ik het nu al twee keer heb aangegeven: er zijn gelovigen die beweren dat je door wangedrag dat lotbezit, die erfenis, weer kunt kwijtraken. Nee! Dat kan echt niet. Van dat lotbezit hebben wij een onderpand, en dat onderpand is de Heilige Geest. Daarmee zijn we verzegeld. Hoe zou je dat ooit kunnen kwijtraken? Men baseert dat op die teksten waar we het net al over hadden, maar het is niet zo dat je, als je valt in hoererij, daarmee je erfenis verspeelt. Dat kan helemaal niet, het is onmogelijk. We zijn verzegeld, die erfenis is onvervreemdbaar en dat lotbezit is absoluut zeker.

Daar wilde ik jullie heel graag mee bemoedigen, want het is zo'n voorrecht. Niet alleen om Hem te kennen, maar ook om zeker te weten dat die erfenis of dat lotbezit onvervreemdbaar is, gegarandeerd voor de volle 100%. Daar staan we op. Wij zijn verzekerd. En ik stel voor dat we daar een lied over gaan zingen.

🎧 de zekerheid van onze 'erfenis'
Delen: