De Strijd Van Het Geloof
04-05-2014 - Geplaatst door Andre PietPresentatie van de GoedBericht-samenkomst gehouden op 4 mei 2014 in Zoetermeer.
Veel christenen denken bij de strijd van het geloof aan de dagelijkse strijd die zij menen te moeten leveren tegen hun persoonlijke zonden. Maar zo’n strijd getuigt niet van geloof…
De strijd van het geloof heeft te maken met het uitkomen en belijden van het Goede Bericht. Wie van harte gelooft die kan het het niet nalaten daarover te spreken en dat roept (veel) weerstand op. Zie daar de strijd van het geloof…
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Inleiding: de Boze Aioon en de Misvatting over de Ware Aard van Onze Strijd
- 1 Timotheüs 6: de Goede Strijd en Homologia (hetzelfde Zeggen)
- Romeinen 10: het Onlosmakelijke Verband Tussen het Hart en de Mond
- Jezus Is Kurios: een Blijde Tijding en een Goddelijk Feit, Geen Religieuze Voorwaarde
- Doodgeloof in Johannes 12: de Waarheid Erkennen, maar Zwijgen uit Angst voor de Orthodoxie
- De Brieven van Paulus: de Genade Om voor de Zaak van Christus te Mogen Lijden
- 1 Timotheüs 4: de Ultieme Climax en Kern van de Tegenstand - God Behoudt Álle Mensen
Inleiding: de Boze Aioon en de Misvatting over de Ware Aard van Onze Strijd ↑ hoofdstukken
Het treft zo, en daar is geen opzet in het spel mijnerzijds, dat ik juist uw aandacht vanmorgen vraag voor dit thema op deze 4e mei. En dat treft dan zo toevallig, dat valt ons zo toe, zeg ik dan altijd maar. De strijd van het geloof. Wat strijd is, ja, daar worden we deze dagen erg bij bepaald, zeker op een dag als vandaag.
Deze dagen denken we aan de vrijheid waarin we in ons land sinds 1945 mogen wonen. We denken ook aan de strijd die daaraan voorafgegaan is en de vele slachtoffers die dat heeft opgeleverd. Nederland is vijf jaar een bezet land geweest. Welnu, de parallellen met het onderwerp waar ik vanmorgen over wil spreken, zijn niet zo heel moeilijk te vinden. Waarom? Feitelijk is deze wereld, deze aioon, een boze aioon volgens de Bijbel. Dit wereldtijdperk is bezet gebied. De tegenstander kan natuurlijk geen millimeter verder gaan dan de grote Plaatser, de grote God, hem heeft toebeschikt, maar dat neemt niet weg dat deze wereld bezet gebied is. De tegenstander regeert. Dat wil zeggen: hij regeert met zijn leugen. De waarheid wordt verdraaid; dat is het meest karakteristieke van deze tijd. En in die boze aioon leven wij. Dat levert, hoe geweldig die boodschap ook is, strijd op als wij geloven: de strijd van het geloof.
Hoewel ik erbij moet zeggen dat de associaties die misschien velen hier hebben bij dat woord – en dat heeft haast zeker te maken met de christelijke achtergrond die u hebt – vaak foute associaties zijn. Wanneer men denkt aan de strijd van het geloof, dan denkt men vaak aan de innerlijke conflicten van de christen die moet strijden tegen zijn vlees, tegen de zonde in hem. Dat is een dagelijks gebed, een gebed zonder eind. En dat is niet leuk, dat innerlijke conflict waar de apostel Paulus in Romeinen 7 ook over spreekt. De strijd die hij ooit streed tegen het vlees, tegen de zonde.
Welnu, ik laat u dit zeggen: dat is niet de strijd van het geloof. Sterker nog, dat is een strijd van ongeloof. Want als je weet wat het goede bericht is, dan weet je ook dat wij die geloven dood zijn voor de zonde en levend voor God. Wij rekenen daar niet mee, wij strijden daar niet tegen. Wij leven in geloof en we zien op naar Hem. Die innerlijke strijd zou helemaal niet onze strijd moeten zijn; dat is dus niet de strijd van het geloof. Wat het wél is, is niet zo moeilijk, want ik neem u meteen mee naar het Bijbelgedeelte waar de uitdrukking die u hier ziet als titel aan ontleend is, en dat is in de eerste plaats in 1 Timotheüs 6.
1 Timotheüs 6: de Goede Strijd en Homologia (hetzelfde Zeggen) ↑ hoofdstukken
In 1 Timotheüs 6, in vers 12, lezen we dit. Paulus – het is inmiddels het einde van de brief die hij schreef aan Timotheüs, zijn medewerker – zegt daar: "Strijd de goede strijd van het geloof." Wanneer ik het woord 'geloof' hoor – en u bent ook voldoende onderwezen in de brieven van Paulus – dan weet u dat hij daarmee het tegendeel van 'werken' bedoelt. Niet werken, maar geloof. Dat wil zeggen: het aanvaarden van dat goede bericht, die blijde tijding. Het is geen commando over wat we moeten doen; nee, het is een tijding, een bericht van wie Hij is, wat Hij doet en wat Hij gaat doen.
Welnu, dat brengt een strijd met zich mee. En daarvan zegt Paulus: "Dit is een goede strijd." De ideale strijd, de strijd van het geloof. Trouwens, dat woord 'strijd' – in het Engels contest – is een term die ontleend is aan de sportwereld. Vandaar dat het ook bij ons een uitgebreidere betekenis heeft gekregen. Wij denken bij een strijd, bijvoorbeeld in de sport, aan een wedstrijd. Maar vervolgens krijgt het een bredere betekenis: altijd wanneer je te maken krijgt met weerstand die je moet trotseren, is dat een strijd. Als er tegenstanders zijn, van welke aard dan ook, roept dat geloof op, maar niet zomaar.
Geloof wil zeggen dat je 'amen' zegt met je hart – ik kom daar straks nog op terug – maar vervolgens werkt dat ook iets uit. Laat ik u dit gewoon voorlezen: "Strijd de goede strijd van het geloof." En dan voegt Paulus daaraan toe: "Grijp het eeuwige leven." Of, zoals u ziet: het leven, het aionische leven. Bij het 'eeuwige leven' moet u niet denken aan een leven dat simpelweg nooit ophoudt. Natuurlijk houdt dat leven niet op, maar die aion wel.
Het aionische leven is het leven van de toekomende aion. Ik heb de tekst er even bij vermeld, dan ziet u het expliciet zo staan: het eeuwige leven. Het heeft dus te maken met een eeuw, namelijk de toekomende eeuw waarin Christus zal heersen. Nu is het nog de boze eeuw, de boze aion. Straks wordt het de aion waarin Christus, de Zoon van David, zal heersen. Paulus zegt: "Grijp dat." Dat wil zeggen: leg je hand daarop, leef daar al in, want daartoe ben je geroepen.
Dat is niet waartoe iedereen geroepen is. Ik bedoel: alle mensen zullen het leven ontvangen, maar het 'eeuwige leven' – dat aionische leven – is niet voor iedereen weggelegd. Dat is nog weer een speciaal voorrecht daarbovenop. Ik zeg dat er even tussendoor omdat het nu eenmaal in dit vers staat: "Strijd de goede strijd, grijp dat aionische leven, waartoe gij geroepen zijt en de goede belijdenis afgelegd hebt voor vele getuigen."
Het is opmerkelijk dat hier sprake is van 'de goede belijdenis'. Dat loopt natuurlijk parallel met 'de goede strijd van het geloof', waar eerder in dezelfde zin sprake van was. Paulus herinnert Timotheüs hier aan het feit dat hij niet alleen geloofde, maar daar ook over sprak. Want dat is wat belijden is: je komt uit voor dat wat je gelooft. Op het moment dat je dat doet, spreek je over wat er in je is.
Het is wel grappig om in dit geval te herinneren aan het Griekse woord voor belijden: homologia. Dat 'homo' betekent 'hetzelfde' en 'logia' heeft te maken met spreken of zeggen. Eigenlijk betekent het woord 'belijden', als je het in de Griekse componenten ontleedt: 'hetzelfde zeggen'. Belijden is hetzelfde zeggen als wat er in je hart is. Dat wat je gelooft, spreek je uit. En dat is die goede belijdenis. Namelijk: dat wat je gelooft, wat je aanvaardt van Gods leven. Op het moment dat je daarvan gaat spreken, roept dat strijd op. Zwijg niet! Want als je ervan spreekt, roept dat strijd op.
Paulus zegt: "Dat is een goede strijd." Wat ik u wil laten zien, voordat ik verderga over dat woord 'strijd', is nog wat meer over dat woord 'belijden' – het spreken ervan, het ervoor uitkomen. Dat heeft alles te maken met geloof en is eraan gekoppeld. Het zijn twee kanten van één medaille: geloven doe je met het hart en belijden doe je met de mond. En als ik het zo zeg, heb ik meteen al een mooie inleiding gegeven op het volgende gedeelte waar ik u mee naartoe wil nemen.
Romeinen 10: het Onlosmakelijke Verband Tussen het Hart en de Mond ↑ hoofdstukken
Dat brengt ons bij Romeinen 10. Ik val hier middenin een passage en ik kan natuurlijk niet helemaal gaan uitleggen waar het precies over ging, want dat doet in dit verband nu even niet ter zake. Maar Paulus had het over de gerechtigheid uit geloof. Dat wil zeggen: een mens is rechtvaardig. Waarom? Omdat hij gelooft wat God zegt en belooft.
Welnu, wat zegt die gerechtigheid uit geloof? Het volgende: "Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart." Als Paulus dit naar voren brengt in Romeinen 10, dan citeert hij Deuteronomium 30, een woord van Mozes. Dat is heel bijzonder, want dat is niet zomaar een willekeurig citaat. Ik moet er even bij zeggen dat we hier jaren geleden al eens een studie over hebben gehouden, maar Deuteronomium 30 gaat over de toekomstige bekering van Israël onder de natiën. God zal hen dan doen terugkeren naar het land; Hij zal hen daar weer brengen en Hij zal een nieuw verbond met dat volk sluiten. Het Woord zal voor hen opengaan. Hun hart, zo staat ook in Deuteronomium 30, zal besneden worden. Dat wil zeggen dat de voorhuid, de bedekking van hun hart, zal worden weggenomen. Dan weet je ook meteen waar besnijdenis een beeld van is: de bedekking van het hart wordt weggenomen.
Men zal gaan ontdekken wat er in de Schriften staat. Welnu, dat is geen wet en dat zijn geen werken, maar dat is geloof. Namelijk een tijding, een bericht. Dat is de grote clou in het hele evangelie: het is niet een last die de mens wordt opgelegd. "Dat moet jij doen" – dat zijn werken. Maar het gaat hier over iets wat je alleen maar kunt aanvaarden. Het enige wat je ermee kunt doen, is geloven en het beamen. Het is een tijding.
In dat verband haalt Paulus dus juist dit gedeelte aan: "Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart." Kijk, als het te maken heeft met werken, dan gaat het vooral over "handen en voeten geven". Hoe vaak hoor ik dat niet? Maar het gaat hier niet om handen en voeten. Natuurlijk heeft het geloof vervolgens wel zijn uitwerking, dat zal ongetwijfeld zo zijn, maar het woord komt in je hart en vervolgens is het in je mond. Of zoals het hier staat: het is in je mond en vandaar ook in je hart. Vergelijk het met eten: je neemt het in de mond en vervolgens komt het binnen. In wezen is dat ook met het Woord het geval.
Die connectie tussen hart en mond zie je iedere keer weer. Romeinen 10 is daar een heel fraai voorbeeld van. Als Paulus dat aanhaalt uit Deuteronomium 30, dan is dat niet voor niets. Het heeft namelijk te maken met dat Woord. Waar bevindt zich dat bij een mens? Welnu, in het hart en in de mond. En dan zegt hij er nog bij: "Namelijk het woord des geloofs, dat wij prediken." Met dat "wij" bedoelt hij: Mozes ooit al in Deuteronomium 30, en ik nu ook. Namelijk: geloof.
Romeinen 10 vers 9 zegt: "Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is..." Hier zie je het: het belijden heeft alles te maken met de mond. "Want indien gij met uw mond belijdt dat Jezus Heer is..."
Jezus Is Kurios: een Blijde Tijding en een Goddelijk Feit, Geen Religieuze Voorwaarde ↑ hoofdstukken
Wat betekent dat eigenlijk? Dat Hij Heer is; dat betekent dat Hij kurios is. Hij is de Rechthebber, Hij is de Eigenaar. Van wie? Ja, als je dat vraagt aan de gemiddelde kerkmens, dan krijg je wellicht het antwoord: "Nou, als jij tot geloof komt, als jij Hem belijdt, als jij Hem gaat aanvaarden, dan wordt Hij jouw Heer." Dus dan moet er eerst een actie van onze kant komen en dan wordt Hij jouw Heer. Vandaar ook dat ik ooit wel eens zo’n evangelisatiefolder in mijn handen heb gekregen. Dat heet dan een evangelisatiefolder, maar de grote vraag was: "Is Hij ook uw Heer?" Dat was dan de grote vraag: "Is Hij uw Heer?"
Nou, dat is de vraag helemaal niet. Dat zou de boodschap moeten zijn: Hij ís uw Heer! Ik kan dat tegen — er zitten hier geen zes miljard mensen — maar ik kan dat tegen ongeveer zes miljard mensen hier op aarde zeggen. Gewoon ongezien: Hij is jouw Heer, uw Heer, hoe je ook maar aangesproken wenst te worden, Hij is jouw Heer. Dat betekent: je bent van Hem. Bent u Zijn eigendom? Het antwoord is: dat is geen vraag die je aan de mens voorlegt, dat is de boodschap die je hebt. Hij is jouw Heer. Je bent van Hem. Je bent gekocht en betaald. Hij is jouw Heer.
En als u dat niet geloven wilt, dan moet u dat maar even lezen een paar verzen verderop. In hetzelfde hoofdstuk, Romeinen 10 vers 12, daar staat: "Hij is Heer van allen." Je moet het wel in de Statenvertaling lezen trouwens, want in de NBG-vertaling hebben we ervan gemaakt dat Hij "Heer over allen" is. Maar dat staat er niet; er staat dat Hij "Heer van allen" is. Dat wil zeggen: Hij is jouw Heer. En de rijkdom daarvan komt inderdaad tot je als je dat herkent en erkent dat het waar is. Maar Hij is jouw Heer.
Op het moment dat een mens dat gelooft... nou, laten we eerst nog even verder lezen. "Want indien gij met uw mond belijdt dat Jezus Heer is..." Overigens weten we dat elke tong dit gaat getuigen. Dat staat dan weer niet in Romeinen 10, maar wel in Romeinen 14 en ook in Filippenzen 2: "Elke knie zal buigen en elke tong zal belijden dat Hij Heer is, tot eer van God de Vader." Elke tong zal dat doen. Al die miljarden mensen... verreweg de meeste mensen hebben het misschien nog nooit gehoord. Dat is echt zo. De grote ellende is dat ze het in de kerkregio's in ieder geval niet horen. Hij heeft hem nu alweer gehad... Priscilla moet het later nog maar eens nabeluisteren, en Zonnetje misschien ook. "De tong zal dit getuigen", dat vind ik geweldig. Of ze het nu gehoord hebben of er nu van willen weten: eens zal niet alleen iedereen dat toegeven, nee, ze zullen het van harte zeggen, zingen en getuigen. Wie dan ook. Heerlijk!
Kijk, dat is nou een blijde tijding. Daar hangt geen prijskaartje aan, daar hangt geen voorwaardigheid aan. Maar als je dat nu al kent, dan is die behoudenis nu al jouw deel. "Indien gij met uw mond belijdt dat Jezus Heer is en met uw hart gelooft..." Zie je? Je gelooft niet met de mond. Nee, met de mond belijd je en met je hart geloof je. Van binnen. Geloof zit niet aan de buitenkant. Het is niet zo dat een gelovige iemand is die alleen maar zégt dat hij een gelovige is. Nee, geloven zit aan de binnenkant. Het heeft te maken met vertrouwen, met je denken, met je overtuiging en met wat erin zit. Mensen zeggen gewoon: "Iedereen die zegt het te geloven, is een gelovige." Nou, dat is onzin natuurlijk, want dat is geen geloof met het hart. Geloof met het hart is als alles in je zegt: "Yes, zo is dat!" Dat is geloven met het hart. "...en met je hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt."
Feitelijk staat hier twee keer hetzelfde. "Indien gij met uw mond belijdt dat Jezus Heer is." Hoe is Hij Heer geworden? Wel, doordat God Hem uit de doden heeft opgewekt. Zo staat het ook in Handelingen 2, daar zegt Petrus het zo: dat God Hem tot Heer en tot Christus gesteld heeft door Hem te doen opstaan uit de doden. Met de mond belijd je dat Hij Heer is, maar daarmee geef je aan dat God Hem uit de doden heeft opgewekt. Let op: God heeft Hem uit de doden opgewekt. Hij is een mens, Hij was dood, en als God Hem niet had opgewekt, was Hij nog steeds dood geweest.
Als je van harte gelooft, dan staat er vervolgens: "dan zult gij behouden worden." Dat is trouwens geen voorwaarde, maar het is de wijze waarop God behoudt. Ik kom daar straks aan het einde van deze samenkomst nog even op terug, maar daar staat het dan ook expliciet dat God allen behoudt. Maar hoe behoudt God dan? Hoe doet Hij dat? Is daar een voorwaarde aan verbonden? Nee. Hij geeft geloof, Hij overtuigt een mens. Maar hoe behoudt God? Wel, dat doet Hij doordat Hij een mens doet geloven en overtuigt.
En als je overtuigd bent, wat doe je dan? Als je van harte gelooft, wat is de consequentie daarvan? Dat is wat ik nu ook vooral vanuit dit vers wil laten zien. De consequentie daarvan is dat je daarvan gaat spreken. Dat is een volkomen logisch proces; iedereen weet dat het zo werkt. "Waar het hart vol van is," zeggen wij dan, "loopt de mond van over." In Markus — welk hoofdstuk weet ik even niet uit mijn hoofd — staat ergens dat de mond spreekt uit de overvloed van het hart. Natuurlijk, als het hart geraakt is en je een blijde tijding hebt gehoord... als je over iets zo blij bent wat je gehoord hebt, wat doe je dan? Houd je dat voor je? Nee, natuurlijk niet! Sterker nog, je moet moeite doen om dat in te houden. Ik weet wel dat het niet altijd een geëigend moment is om daarover te spreken, maar het ín-houden kost moeite. Het natuurlijke verloop is dat je daar expressie aan geeft, dat je erover spreekt. Het drukt zich uit, het moet eruit.
Dat is wat geloof is. Bij Paulus is geloof daarom ook levend geloof. Geloof is niet zoiets van: "Ik geloof het wel." Dat is slechts het erkennen van: "Het zal wel zo zijn, maar ach, boeiend." Kijk, dat is toegeven dat het zo is en er misschien zelfs niet onderuit kunnen, maar dan is het hart niet geraakt. Op het moment dat het hart geraakt is, spreek je erover. Dat is wat Paulus hier ook laat zien. Het zijn twee dingen: geloven doe je met het hart en de consequentie daarvan is dat je er inderdaad van spreekt. Het is heerlijk om te geloven, maar het is nog veel geweldiger om dat ook uit te spreken, om dat te delen en het niet alleen met anderen gemeenschappelijk te hebben, maar om daarover te spreken en het bekend te maken. Dat is trouwens ook wat een bericht is: een bericht is iets wat gehoord wordt en wat vervolgens ook weer doorverteld wordt. Zeker als het een goed bericht is. Wat ik hiermee wil zeggen is: geloven bij Paulus, dat is levend geloof. Ook sprekend geloof. Dat wil zeggen dat je er voor uitkomt. Ik zal u nog een schriftplaats laten zien.
Doodgeloof in Johannes 12: de Waarheid Erkennen, maar Zwijgen uit Angst voor de Orthodoxie ↑ hoofdstukken
Daarin zie je dat er ook zoiets bestaat als doodgeloof. In Johannes 12 lees je dat zelfs van de oversten velen in Hem geloofden. Dat wil zeggen: ze wisten dat het waar was wat Hij claimde; ze konden daar niets tegenin brengen. Maar was dat levend geloof? Wat is levend geloof? Dat is hetzelfde als levend water. Wat is levend water? Dat is water dat stroomt, nietwaar? Wel, levend geloof is ook geloof dat stroomt. Waarom is de Dode Zee de Dode Zee? Omdat er weliswaar levend water in komt, maar het kan er niet uit, en daardoor is die zee zo dood als een pier. Er leeft helemaal niets in, want het water stroomt niet door. Levend geloof wil zeggen: het komt erin en het gaat er weer uit. Dat is wat geloven is, namelijk geloven met het hart.
Deze mensen van de overheid geloofden het wel, maar het was een nietszeggend geloof. Ik bedoel dat letterlijk zoals ik het nu zeg: een nietszeggend geloof. Want wat lees je? Ze geloofden in Hem, maar ter wille van de Farizeeën kwamen zij er niet voor uit. In de NBG-vertaling wordt hier het woordje 'belijden' gebruikt — ik meen dat in de Statenvertaling hetzelfde staat — en dat klopt, want letterlijk staat er: ze beleden het niet. Kijk, dit is een voorbeeld van geloof dat niet in het hart zit. Als het in het hart zit, moet het eruit. Deze mensen wisten dat het waar was, maar ze 'geloofden het wel' zonder dat het een zaak van het hart werd. Ze kwamen er niet voor uit. Waarom niet? Om niet uit de synagoge te worden gebannen.
Hier komen twee dingen bij elkaar: op het moment dat je belijdt wat je gelooft, brengt dat strijd met zich mee. Altijd, dat kan niet missen, en vooral in een godsdienstige context. Natuurlijk weet ik wel dat het ook in de wereld — in een seculiere context — strijd geeft als je uitkomt voor je geloof. Je wordt dan als een soort dorpsgek gezien. Misschien overdrijf ik nu, maar in elk geval is het voor de wereld dwaasheid. Geloven dat God iemand, een dood iemand, uit de doden heeft opgewekt... dat kan toch niet? Hoewel mensen aan de andere kant natuurlijk ook weten dat God er is, en als je weet dat God er is, dan weet je ook dat niets onmogelijk is. Maar dit gaat de mensen te ver.
Ik denk aan Paulus die ooit op de Areopagus stond en hen vertelde over de God die zij niet kenden. Hij kon zijn verhaal doen zolang hij sprak over de God die alles plaatst, de Almachtige, de Schepper van hemel en aarde. Toen hoorden ze hem aan en ze konden het ook niet weerleggen. Maar op het moment dat hij ging spreken over het feit dat God Jezus, een Man, uit de doden heeft opgewekt, toen zeiden ze: "We horen u hier nog wel eens een keer over." Met andere woorden: we geloven het wel, ga nu maar weer verder. Dan ben je in hun ogen gewoon een dwaas. Het is een dwaasheid, een ergernis, een struikelblok. Het is een bron van nijd en van tegenstand binnen de godsdienst, binnen de orthodoxie.
Hier lees je een prachtig woord over de oorzaak: de synagoge. Moet u nagaan, een plaats waar wekelijks op elke sabbat de Schriften opengingen, waar die bestudeerd werden en waar men altijd bezig was met de woorden van God. Men geloofde die woorden, ja, maar nu kwam er iemand die hen op de Schriften wees en ze konden er niet onderuit dat Hij het was. Maar dat matchte niet met de traditie. Als mensen daarvoor uit zouden komen — vooral de oversten zelf, zij die aanzien hadden — dan was het hek van de dam. Als jij daar een rabbijn was of iemand met een bepaalde status of een bepaald ambt, en je zou er in de synagoge voor uitkomen Hem te geloven... ja, dan was het gedaan. Dan was daar het gat van de deur; je werd uit de synagoge gebannen. In het Grieks is dat eigenlijk één woord: je wordt eruit 'gecynagoogd'.
Dat is opmerkelijk. Mensen zeggen dan vaak: "Ja, dat was toen, hè?" Ik vind dat wel grappig. Ik heb het vaker gehoord en gelezen dat mensen zich erover verbaasden hoe dat mogelijk was in de dagen van het Nieuwe Testament. Jezus kwam daar, en later de apostelen en Paulus; ze kwamen met het Woord en men geloofde het niet! Wat een dwaasheid, hoe blind kon men zijn? Het was toch zo duidelijk? Hoe kon het in die context op zoveel weerstand stuiten? Nou, het antwoord is niet zo moeilijk: het stond haaks op de traditie.
De oversten die in Hem geloofden maar er niet voor uitkwamen, die hadden geen probleem. Nou ja, misschien klaagde hun geweten hen aan, maar ze hadden geen uiterlijke strijd. Het probleem ontstond op het moment dat ze het zouden belijden, want dan heb je ineens strijd. Zolang je je mond houdt — ik wou bijna iets anders zeggen — heb je geen probleem. Als je geen strijd wilt, heb ik bij dezen een heel goed advies: houd je mond. Maar als je je mond niet houdt, dan krijg je dit: dan word je eruit geknikkerd en uitgezien.
Degenen die zich erover verbazen dat mensen toen zo blind waren: wat dacht u nou, dat het vandaag anders is? Het feit dat men zich erover verbaast, geeft aan dat men het niet begrijpt, want je zou het moeten herkennen. Het volk dat zich vandaag de erfgenaam waant van dat volk — zij die menen dat de kerk in de plaats van Israël is gekomen — daar is exact hetzelfde proces in werking getreden. Ook daar heeft de traditie de mensen verblind, zodat ze het Evangelie absoluut niet kunnen zien. Sterker nog, als je het gelooft en er ook voor uitkomt, dan is de wereld te klein.
Ik zal u trouwens nog een voorbeeld geven, want in Johannes 9 vind je vrijwel exact hetzelfde fenomeen. In Johannes 12 gaat het over de oversten, wat natuurlijk extra moeilijk was. En dat is vandaag nog steeds zo: als jij binnen de christelijke context, binnen de orthodoxie, een naam hebt en je gelooft gewoon het Evangelie — de boodschap dat het leven de dood overwint en sterker is dan de dood, dat God van deze wereld houdt en de Redder is van alle mensen — en je komt daarvoor uit, dan is er geen plaats voor je. Zeker als je iemand van stand bent, iemand van aanzien.
In Johannes 9 gaat het over die blindgeborene die door Jezus was genezen. Dat riep veel reactie op en op een gegeven ogenblik kwamen de mensen navraag doen bij de ouders van die man. Maar die ouders hielden zich op de vlakte. Ze konden het wonder uiteraard niet ontkennen en waren daar ongetwijfeld zeer blij mee, maar nu werden ze 'uit de kast gelokt'. Ze moesten kleur bekennen, maar dat deden ze niet. Ze hielden zich op de vlakte toen hun navraag werd gedaan over wie dat dan wel was. Misschien is het goed om dat eventjes voor te lezen; ik had het beter ook even op de dia kunnen vermelden. Laten we in Johannes 9 even lezen vanaf vers 18.
De Joden dan geloofden niet van hem dat hij blind geweest was en ziende geworden was, totdat zij de ouders hadden geroepen van hem die ziende geworden was. Zij vroegen hun: "Is dit uw zoon, van wie u zegt dat hij blind geboren is? Hoe kan hij dan nu zien?" Zijn ouders antwoordden en zeiden: "Wij weten dat dit onze zoon is en dat hij blind geboren is. Maar hoe hij nu zien kan, weten wij niet. En wie zijn ogen geopend heeft, weten wij niet. Vraag het hem zelf. Hij heeft zijn leeftijd; hij zal voor zichzelf spreken."
Dit zeiden zijn ouders... Waarom hielden ze zich zo op de vlakte? Wisten zij niet beter? Nee, dit zeiden zijn ouders omdat zij bang waren voor de Joden. Want de Joden waren reeds overeengekomen dat, indien iemand mocht belijden dat Jezus de Christus was, hij uit de synagoge zou worden gebannen. Ze wisten: daar wil je niet buiten vallen. Dan kom je in een sociaal isolement, want dat betekent het in de praktijk echt hoor. Uit de synagoge geworpen worden betekent namelijk niet alleen dat je op die plek geen plek meer hebt om te wezen, maar het betekent ook dat je sociaal gezien een outcast wordt. Je telt niet meer mee.
En dat is niet leuk, dat is niet aardig. Als je van de gemeenschap van de mensen houdt en je houdt van alles wat daarbij komt – van de festiviteiten, van de hele omgang en alles wat dat met zich meebrengt – om dat allemaal aan de kant te schuiven gewoon om er voor uit te komen, dat levert strijd op. Wanneer levert het strijd op? Wanneer je belijdt. Deze ouders hebben gewoon berekend gedacht: "Laten we dat maar niet zeggen." Daarmee gaven ze ook aan dat ze het wel wisten, maar ze geloofden niet van harte in de zin van het belijden. Waarmee je dus ziet dat zolang je niet belijdt, dat geen strijd met zich meebrengt.
Ik koppel het meteen weer even terug naar 1 Timotheüs 6, waar Paulus zegt: "Strijd de goede strijd des geloofs" en "Leg de goede belijdenis af." Die twee horen bij elkaar. Ik neem u nog mee naar een paar andere schriftplaatsen. Filippi...
De Brieven van Paulus: de Genade Om voor de Zaak van Christus te Mogen Lijden ↑ hoofdstukken
Want het is opvallend – en ik beperk me vanmorgen gewoon tot de brieven van de apostel Paulus, de apostel van de naties – dat als je zijn brieven leest, ze sprankelend zijn. Dat wil zeggen: dat woord werd gesproken en natuurlijk gedeeld. Het is een goed bericht dat gehoord en verteld moet worden; hoe zou je dat voor jezelf kunnen houden? Maar dat brengt strijd met zich mee. De hele omgeving en de sfeer waarin die brieven geschreven zijn, is een omgeving van strijd. Die ecclesia’s die er waren in die dagen, dat was geen gezellige picknick. Dat was gewoon heel militant. Vandaar ook de militaire soldatentermen die gebruikt worden. Omdat je in de praktijk, op het moment dat je ervoor uitkomt, merkt dat je in een strijd verwikkeld raakt.
Is die boodschap dan zo agressief? Nee, helemaal niet. De boodschap is het geweldigste wat er is. Maar kom er maar eens voor uit. Zeg het maar eens in de Heer en stel de dingen aan de kaak; dat wat er altijd gezegd wordt, niet waar is. Vandaar ook dat als je de brieven van Paulus leest, ik geen uitzondering zou kennen waarin je die strijd niet altijd weer terug ziet. Altijd is die strijd daar.
Kijk naar Filippi 1. Dat is wel een mooie tekst, omdat het laat zien dat het een geweldig voorrecht is om in die strijd te staan. In vers 29 staat: "Want aan u – aan jullie, meervoud – is de genade verleend." Jullie zijn begenadigd; dat is eigenlijk wat het is. Het is één woord: jullie zijn begenadigd. De genade is verleend om voor de zaak van Christus, of ten behoeve van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden. En lijden wil zeggen dat je daarvoor moeite ondervindt. In de praktijk is dat tegenstand.
De blijde boodschap is precies wat het woord zegt: het is zo blijmakend. Maar op het moment dat je ervoor uitkomt, roept dat onmiskenbaar altijd strijd op. Vandaar ook het lijden: smaad, uitgescholden worden, excommunicatie, buiten de gemeenschap komen te staan of in een isolement terechtkomen. Voor gek versleten worden, een ketter zijn, noem maar op. Dat is lijden. Sommige mensen hebben een hele brede rug en een dikke huid, en dan doet het je misschien niet zo heel veel. Maar laat ik u dit zeggen: dat lijden is niet leuk en het is niet gezellig. Maar je weet – en dat is het schitterende wat Paulus in dit vers laat zien – dat het genade is.
Als je Hem mag geloven, als Hij jouw ogen geopend heeft voor die blijde tijd, dan is dat genade. Dat is toch geen eigen werk? Als je dat mag zien... Ik denk wel eens: waarom mag ik het zien en zoveel anderen niet? Het staat er zo duidelijk. Er zijn er ook velen die het wel geloven, in de zin dat ze er niet onderuit kunnen, maar hun hart is niet aangeraakt. Als je hart is aangeraakt, dan gaat het eruit. Dat kan niet anders, want het is een blijde tijding. Het is een voorrecht als God jouw hart daarvoor opent, als je ogen en oren geopend worden. Dat is een genade die jou verleend is; het is helemaal geen eigen verdienste en het is een voorrecht.
Zoals ik al eerder even aangaf, valt deze genade uiteindelijk elk mens ten deel. Iedereen zal het uiteindelijk zien, onderkennen, erkennen, belijden en ervan getuigen. Maar dat wij dat nu al mogen zien en kennen, dat is met recht een voorrecht: een recht dat we voor hebben op anderen. Het is allemaal een wonder, maar dit is een wonder bovenop. Het is een genade om in Hem te mogen geloven, maar het is ook genade om daarvan te getuigen. U zegt misschien: "Er staat hier een genade om voor Hem te lijden." Ja, maar dat is hetzelfde. Want op het moment dat je ervan gaat spreken, brengt dat lijden met zich mee.
Laat ik daar nog dit bij zeggen, voordat u denkt dat ik ga overdrijven: dat lijden hier is relatief gezien zeer gering. Wij leven in een zodanige tijd en politieke constellatie waarin ons van overheidswege zoveel vrijheid gegeven wordt, dat we hier – ik geef toe dat het heel lokaal is wat ik nu zeg – op dit moment nog niets te vrezen hebben. We kunnen deze dingen gewoon belijden en ervoor uitkomen. Je kunt zomaar een zaal huren en over deze dingen spreken of andere mensen erop aanspreken. Er zijn talloze delen van de wereld waar dat niet kan. Van politieke zijde hebben we dus geen lijden te ondervinden. Dat lijden ervaren we vooral in sociaal en godsdienstig opzicht. Dat is vooral het lijden hier, omdat we ook hier weer te maken hebben met – nou ja, niet de Joodse synagoge, maar met een christelijke synagoge die bijna in de pas loopt, waar exact hetzelfde verhaal gaande is.
Het is een genade om in Hem te geloven en ook een genade om voor Hem te mogen lijden. Dat wil zeggen: aan Zijn kant te mogen staan. Miskend te zijn zoals Hij ooit miskend was en bij Hem te horen. Denk je nu werkelijk dat als je Hem kent en belijdt, ze de rode loper voor je gaan uitleggen? Dat iedereen dat geweldig vindt en dat het geen tegenstand zou oproepen? Dat het anders zou zijn dan in de dagen van Jezus zelf, de apostelen en Paulus? Dat is toch dwaas? We leven nog steeds in exact diezelfde boze aion. Paulus zegt trouwens in de Timotheüsbrief: "Allen die godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden." Dat kan niet anders. Dan word je achterna gezeten en dan word je niet populair.
Het is een genade om in Hem te geloven en ook een genade om voor Hem te lijden. En dan staat er in vers 30: "...in dezelfde strijd." Zie je dat lijden te maken heeft met die strijd? Dat is exact hetzelfde woord als in 1 Timotheüs 6. "...in dezelfde strijd die gij eens van mij hebt gezien en nu ook van mij hoort." Paulus had daar zelf alles mee te maken, en niet alleen hij, maar ook de Filippiërs. Zij deelden immers in zijn lot; zij stonden voor de boodschap die hij uitdroeg en hadden daarmee ook te maken met dezelfde strijd. Hier zie je het weer: strijd heeft te maken met het lijden en met het uitkomen voor dat wat je mag geloven. Dat is genade en een geweldig voorrecht om daarin te delen.
Ik neem u nog mee naar een andere schriftplaats waar trouwens ook weer naar Filippi verwezen wordt: 1 Thessalonika 2 vers 2. Daar staat dit: "Immers, ondanks de mishandeling en de smaad die wij, zoals gij weet, te Filippi tevoren ondergaan hadden, hebben wij in onze God vrijmoedigheid gevonden om onder zware strijd – 'much struggle', veel strijd – het evangelie van God tot u te spreken." Dat staat er: in vrijmoedigheid. Vrijmoedigheid heeft ook weer te maken met het uitkomen voor de boodschap, het spreken ervan. Het niet voor jezelf houden, maar het moet eruit. Waarom moet het eruit? Om een heel simpele reden: het is een evangelie, een blij bericht. Daarom mag het verteld worden. En ik mag u daarin wel uit ervaring vertellen – het eindigt hier ook volstrekt logisch – het is heerlijk om een goed bericht te horen, maar het is nog veel heerlijker om het te mogen delen.
Om erover te spreken, om het door te geven vanwege een heel simpel principe. Je ziet dat Paulus zegt in Handelingen 20: "Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen." Dat geldt ook, en in de eerste plaats zelfs, voor die blijde tijding.
Het is heerlijk om een blijde tijding te horen. Het is nog veel geweldiger om dat door te geven, om het andere mensen te vertellen. Maar dan ook echt een blijde tijding, hè? Niet dat wat voor een blijde tijding versleten wordt, wat feitelijk geen blijde tijding is. Nee, het evangelie van de gelukkige God. De God die alles plaatst, en omdat Hij alles plaatst en alles in de hand heeft, is de goede afloop ook verzekerd. Daarom is het ook een evangelie, een goed bericht.
Paulus zegt dat we het vrijmoedig verteld hebben. Maar juist omdat hij het vrijmoedig vertelde, bracht dat veel strijd met zich mee. Zware strijd, smaad en mishandeling. Die zaken zijn direct aan elkaar gekoppeld: de strijd van het geloof. Ik neem u nog even mee.
1 Timotheüs 4: de Ultieme Climax en Kern van de Tegenstand - God Behoudt Álle Mensen ↑ hoofdstukken
Ik was begonnen bij 1 Timotheüs 6 en nu neem ik u nog mee naar 1 Timotheüs 4. Daar kom ik simpelweg niet onderuit, omdat daar door dezelfde apostel Paulus direct wordt aangegeven waarom hij bestreden werd en waarom hij strijd had. Het is niet de eerste keer dat ik dit schriftgedeelte hier naar voren breng, maar het heeft alles te maken met die goede strijd waar 1 Timotheüs 6 over spreekt.
Er staat een prachtige statement in 1 Timotheüs 4 waarin Paulus in een paar woorden aangeeft wat nu precies dat evangelie is: het betrouwbare woord. Hij zegt: "Dit is een betrouwbaar woord en alle aanneming waard." Vandaar dus ook dat het eruit moest; het is een solide, betrouwbaar woord en bovendien is het waard om aangenomen, aanvaard, onderkend en gehoord te worden. Want het is een blijde tijding. En het is niet zomaar een blijde tijding, maar het is zo’n geweldige tijding juist omdat het waar is. Als het niet waar zou zijn, dan stelde het helemaal niets voor, maar het mooie is juist: het is de waarheid.
Het is een betrouwbaar woord, alle aanneming waardig, en dan zegt Paulus: "Ja, hierop getroosten wij ons moeite." Dat wil zeggen dat we er zware arbeid op verrichten. Soms is het inderdaad ploegen op rotsen. We getroosten ons moeite; hiertoe arbeiden wij, zoals de Statenvertaling zegt, met grote inspanning. Het woord dat hier gebruikt wordt voor "grote inspanning" is hetzelfde woord dat in 1 Timotheüs 6 vertaald wordt met "strijd". Het ligt teksttechnisch iets ingewikkelder, want de grondteksten waar de Statenvertaling op gebaseerd is, spreken over "en worden we gesmaakt". Dat is een iets ander Grieks woord, maar daar ga ik nu geen strijd over aan, want in de praktijk maakt het namelijk geen verschil.
Paulus zegt: "Hiertoe strijden wij." Waarom? Het is een strijd om dat betrouwbare woord dat alle aanneming waard is. Je zou zeggen dat het het mooiste is wat er bestaat om door te geven, en dat is het ook, maar wees u ervan bewust: denk niet dat tegenstand vreemd is. Dat is normaal. Als je die strijd niet ervaart, dan zou je even aan je pols moeten voelen, want dat is eigenlijk niet normaal. Het is een aanwijzing dat je kennelijk niet van dát specifieke woord spreekt. Want op het moment dat je van dát woord spreekt, zal het de tegenstander onvermijdelijk oproepen. Hiertoe strijden wij; dat is die goede strijd.
En waarom is er geen verschil met wat de Statenvertaling zegt over het "gesmaakt" worden? Wel, u begrijpt: op het moment dat je uitkomt voor dat betrouwbare woord en je wordt erom gesmaakt, dan is dat een strijd. Die strijd bestaat er nu juist uit dat je wordt uitgescholden, dat men je links laat liggen of dat je zoveel weerstand ondervindt. Dat brengt de nodige moeite met zich mee. Of we nu strijden of gesmaakt worden, de reden is hetzelfde: omdat we onze hoop hebben gevestigd op de levende God. Dat is de God die leeft en die, zoals we ook in 1 Timotheüs 6 zien, levend maakt en de dood tenietdoet.
Wij hebben onze hoop gevestigd op de levende God. En omdat Hij de levende God is die alle leven maakt, is Hij een Heiland. Dat is simpelweg een Redder of een Behouder. "Heiland" is een prachtig oud Nederlands woord, maar bijna niemand weet eigenlijk nog wat het betekent, behalve dat het in de Bijbel voorkomt. Het heeft in het hedendaags Nederlands geen actuele betekenis meer, maar het staat voor een Behouder, een Redder.
Waarom is dat nou zo geweldig? Schiet nu niet meteen in de godsdienstige modus van het orthodoxe antwoord, maar lees gewoon wat er staat. Waarom levert dit zoveel strijd op? Hij is een Redder en Behouder. De vertalers hebben er vaak "voor alle mensen" van gemaakt, maar dat heeft maar één reden: ze wilden niet in de strijd staan. In feite bevestigen die vertalingen precies wat Paulus aangeeft: op het moment dat je de werkelijke betekenis weergeeft, roept dat direct weerstand op. Er staat namelijk dat Hij een Redder is van alle mensen. Dat is een cruciaal verschil. Als ik zeg dat Hij een Heiland of Redder is voor alle mensen, dan klinkt dat als een aanbod dat je mag aannemen. En als je het niet aanneemt, dan is het blijkbaar niet waar. Maar nee, Hij is niet een Behouder voor alle mensen; Hij is de Behouder van alle mensen. Dat betekent simpelweg dat alle mensen behouden worden. Ik zeg niet dat alle mensen al behouden zijn, maar dat zij behouden worden. Hij behoudt alle mensen, op welke manier of wanneer dan ook.
Inzonderheid van de gelovigen. Niet "voor", maar "van" de gelovigen. Het is een tweede naam, er is geen enkele twijfel over mogelijk. Het geldt voor degenen die dat nu al mogen geloven, want het is een genade als je dat mag zien. U vraagt zich misschien af waarom dit zoveel strijd oplevert. Nou, ik heb een goed advies: vertel het maar eens. Spreek erover en u zult het merken. Het mooie is dat dit geen verkoopartikel is; het is niet iets wat je moet slijten. Je hoeft mensen niet te overtuigen, want of ze het nu geloven, hun schouders ophalen of het verwerpen, dat maakt voor het feit zelf niets uit.
Het is de waarheid, het is een aanzegging, een bericht. Het wordt niet méér waar als mensen het geloven en ook niet minder waar als ze het niet geloven. Het is een blijde tijding: Hij is de Behouder van jou, van u, en van al die miljarden mensen van deze hele wereld. En of je het nu gelooft of niet, als je het gelooft, dan ben je bevoorrecht. Dan hoor je bij de "happy few", een bijzonder groot voorrecht. Hij is de Behouder van de hele wereld, wat je nu al mag geloven. En geloven betekent hier een levend geloof, een stromend geloof, een sprekend geloof waar je voor uitkomt.
Mensen zeggen vaak dat "geloof" hen niets zegt, en bij veel vormen van geloof is dat terecht; er gaat niets van uit. Maar hoe je er ook over denkt, men kan niet ontkennen dat áls dit waar is, het het grootste is wat er bestaat. Als Hij de Redder is van alle mensen en alle mensen dat nieuwe leven zullen ontvangen, zodat de hele wereld gered wordt en het Leven — met allemaal hoofdletters — ontvangt waar geen einde aan komt, dan is dat onmiskenbaar geweldig. Nou, dat is precies wat wij te melden hebben. En dat roept veel tegenstand op, met name in de godsdienstige wereld.
En ik zeg u, daarmee bedoel ik niet de moskeeën. De meeste tegenstand komt juist van de plek waar je zou mogen verwachten dat dit verteld wordt. Er is geen plek waar deze boodschap zo fel bestreden wordt als juist daar waar men het zou moeten verkondigen. Want u zegt: "Hoezo moeten?" Wel, Paulus zegt: "Beveel en leer dit."
Dat is geen optionele kwestie, zo van: nou, als je dat aardig vindt of als dat goed uitkomt, dan moet je dat ook maar eens een keer overwegen. Nee, dit is de waarheid. Dit is het evangelie. Dit is de blijde tijding. Hij is jouw Redder. Hij is de Redder van alle mensen.
Daarom: wijk niet af van deze boodschap. Leer dit onderwijs, spreek hierover. En dat is het geweldige om dat te geloven. Dat is een voorrecht, het is een genade om te geloven. Het is een genade om er ook voor uit te komen en in die strijd te staan.
UltimateGoodNews