GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

als God zijn aangezicht verbergt…

14-08-2022 - Geplaatst door Andre Piet
14 augustus 2022, Benthuizen

Heel dikwijls lezen we in het OT de aankondiging dat God zijn aangezicht voor Israël zal verbergen. Profetisch staat dit voor de tijd tussen de eerste en de tweede komst van Christus. De tijd waarin God zich verborgen houdt en een verborgen werk onder de natiën doet. Maar ondertussen bewaart God daar ook op een verborgen wijze het Joodse volk. Het boek (en de naam!) Esther spreken daarvan. Het wachten is op het moment dat God in zijn Zoon weer acte de présence zal geven…

Helaas is het geluid dit keer niet optimaal. Misschien dat er een iets betere versie aankomt.

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Wanneer God Zijn aangezicht verbergt voor Israël vanwege hun ongeloof, resulteert dit in verstrooiing en rampspoed. Tijdens deze periode van verborgenheid is de Schrift voor hen verzegeld en onbegrepen. God doet in deze tussentijd echter een verborgen en geweldig werk onder de natiën. Uiteindelijk zal deze tijd van verberging ten einde komen wanneer God terugkeert. Hij zal Zijn volk bijeenbrengen, de bedekking van hun harten wegnemen en Zijn aangezicht niet meer verbergen.

“Maar als God Zijn aangezicht verbergt en verdwijnt, en totaal niets meer van Zich laat merken, dan wordt het donker. Maar dat is passief. Dat is een gevolg namelijk van het feit dat Hij niet ingrijpt.”

Introductie: het Verheffen van Gods Aangezicht ↑ hoofdstukken

Ja, dan gaan we meteen maar van start met de Bijbelstudie. En u ziet het – ik had het ook op de website al aangekondigd – dat dit wat u hier achter mij ziet geprojecteerd het thema is voor vanmorgen: Als God zijn aangezicht verbergt. Degenen die vertrouwd zijn met bijbellezen en weten wat er zoal in het Oude Testament staat, die realiseren zich wel dat deze uitdrukking heel wat keren voorkomt. Ik ga ze zeker niet allemaal noemen, want dat zou echt te ver voeren, maar ik wil vanmorgen vooral wijzen op het specifieke van het verbergen van Gods aangezicht.

Laat ik eerst even iets anders zeggen, en dat is eigenlijk het contrast daarmee: namelijk niet het verbergen van Gods aangezicht, maar juist dat Hij zijn aangezicht verheft. Hoe staat het er in de hogepriesterlijke zegen in Numeri 6? Ik had het net over degenen die vertrouwd zijn met het lezen van de Hebreeuwse Bijbel, het Oude Testament, maar er zijn er hier ook heel wat die, wat een Nederlander boven de rivieren betreft, een calvinistische wortel hebben. Dan kom je in de kerk en dan wordt daar gezongen – ik heb het even nagezocht, maar in Psalm 7-1 op de berijmde vorm: "Gods vriendelijk aangezicht geeft of heeft vrolijkheid en licht voor al oprechte harten." Hij gaat nog verder: "Tentoos ons vrij van de smarte." Ja, het is zo lang geleden dat ik hem zo gezongen heb... "Tentoos ons vrij van de smarte."

Daar gaat eigenlijk de beroemde hogepriesterlijke zegen ook over. Het is de zegen die ik trouwens ook in diezelfde kerken waar ik het zojuist over had, na afloop altijd hoorde uitspreken. U moet zich realiseren, die woorden vinden we in Numeri 6 en dan wordt er dit gezegd: "Spreek tot Aaron" – dat was de hogepriester – "en zijn zonen". Dat wil zeggen: het hogepriesterlijk gezag, want zijn zoon zou vervolgens de tweede hogepriester zijn. Weet u wie dat was, de tweede? Eliezer. Lazarus eigenlijk. Oké, "Spreek tot Aaron en zijn zonen: Zo zult u de zonen van Israël zegenen." En dan volgt de zegenbede, eigenlijk niet zozeer een bede als wel de aankondiging van zegen: "JAHWEH zegene u en behoede u; JAHWEH doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig; JAHWEH verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede."

Deze woorden zijn voor velen wellicht heel erg vertrouwd. Maar dit waren woorden waarvan gezegd wordt in Numeri 6 dat het woorden zijn die de hogepriester sprak. Dit was niet zomaar iemand; een gewone priester zou dit niet zeggen. Nee, de hogepriester. En als u mij vraagt wie de hogepriester is die wij kennen? Dat is de Heer Jezus Christus. Oké, u zegt: "Maar Hij was specifiek de hogepriester van Israël." Jawel, maar niettemin is Hij de hogepriester die nu in het heiligdom is. Daar gaat de hele Hebreeënbrief over. Hij zegent, en Hij zal ook heel concreet het volk Israël gaan zegenen. Wat doet Hij dan? Dan zal Hij zijn aangezicht doen lichten, of – en dat betekent eigenlijk – zijn aangezicht verheffen en laten zien, tonen, openbaren. Dan zal het licht daarvan stralen. Dat betekent ook dat Hij zijn genade gaat bewijzen en het volk vrede gaat geven. Dit is profetisch. Dit gaat Israëls hogepriester inderdaad heel concreet voor dat volk doen.

Ik zeg dit juist ook om meteen even goed de toon te zetten. Dit is wat God voornemens is via de echte, ware hogepriester te gaan realiseren, en dan zullen de zonen van Israël, de Israëlieten, dat ook als volk zo gaan beleven. Maar het thema is dus: Als God zijn aangezicht verbergt. Want die uitdrukking vinden we, zoals gezegd, heel dikwijls. Laten we een zevental schriftplaatsen met u langsgaan en we zullen vanzelf wel zien wat er allemaal voorbijkomt. De meest voor de hand liggende...

Deuteronomium 31: de Consequenties van een Verborgen God ↑ hoofdstukken

Ik ga inderdaad op volgorde van het bijbelboek, dus we gaan daar ongeveer doorheen. Dat is in Deuteronomium 31. Deuteronomium, dat betekent eigenlijk de tweede wet. U weet het hè, 'deutero' is twee en 'nomium' heeft te maken met de wet. Israël kreeg ooit de wet, maar met die eerste zet ging het al mis, voordat de wet goed en wel bij het volk was gearriveerd. U weet hoe dat gegaan is: de wet werd gebroken, verbroken. Dat is trouwens dubbelzinnig, zowel letterlijk als figuurlijk. En toen zei God dat er een tweede wet zou komen. Daarvan weet u dat die wet in het binnenste van de ark, in het heiligdom, bewaard zou worden. Hij zou niet meer opgelegd worden aan het volk, maar in het binnenste bewaard worden van het heiligdom. Eigenlijk is dat wat de tweede wet letterlijk is; in Deuteronomium 10 wordt dat ook beschreven.

Deuteronomium is een rede die in grote lijnen is uitgesproken door Mozes, vlak voordat het volk de intrede deed in het land. Dat heeft Mozes zelf niet meer gedaan; dat deed degene die na Mozes kwam. Niet door Mozes komt men in het land, maar door degene die na Mozes komt, namelijk Jozua. Ik hoop dat u aanvoelt dat ik nu ook verschrikkelijk dubbelzinnig spreek: niet door Mozes komt men in het land, maar door degene die na hem komt. Niet de eerste, maar de tweede. Vlak voordat het volk het land ingaat – ze zijn dan in de velden van Moab, lees je – spreekt God allerlei dingen tot Israël bij monde van Mozes. Hij geeft al aan wat er allemaal zou gebeuren.

Een van de dingen die worden aangekondigd is heel apart. Voordat het volk goed en wel het land is binnengegaan, wordt al gezegd hoe het zou gaan. Namelijk dat als het volk – en niet alleen veronderstellenderwijs van 'als zij kiezen voor die optie' – maar dat het volk ook daadwerkelijk ongehoorzaam zou worden. Uiteindelijk zou het dan uit het land worden gezet en vervolgens in de verstrooiing terechtkomen. Dat wordt allemaal al gezegd voordat ze zelfs maar het land binnengegaan zijn. Dus Deuteronomium is in hoge mate profetisch, want zo is het ook daadwerkelijk in de loop der eeuwen, ik moet zeggen de millennia, gegaan. Ze zijn het land ingegaan, vervolgens werden ze ongehoorzaam en uiteindelijk zijn ze in de verstrooiing terechtgekomen. Maar daar zou het niet bij blijven.

Oké, Deuteronomium 31. "Te dien dage zal Mijn toorn tegen hen ontbranden; Ik zal hen verlaten." Ja, u zegt: maar Hij verlaat toch nooit wat Zijn hand begon? Nee, maar Hij onderbreekt het wel. Dat verlaten is nooit definitief, maar het is wel zo dat God soms loslaat. Ook daar zullen we het over hebben. Te dien dage – dat gaat hier namelijk over vers 17 van Deuteronomium 31 – en als je het voorgaande vers leest, dan lees je dat als het volk overspelig zou worden. U moet zich realiseren dat dit meer is dan beeldspraak: de Heer is getrouwd met Zijn volk en als ze andere mannen achterna gaan, dat wil zeggen andere goden, dan is dat in feite dus overspel, echtbreuk. En dan, als dat zou gebeuren – en dat zal gebeuren – te dien dage zal Mijn toorn tegen hen ontbranden en Ik zal hen verlaten en Mijn... nou komt het... en Mijn aangezicht voor hen verbergen.

Wat betekent die term heel letterlijk? Het aangezicht. Oké, die term gebruiken we niet eens zo heel erg veel meer; we spreken meestal gewoon over het gezicht. De verschijning van dat wat je ziet, eigenlijk. Het gezicht is datgene wat in het zicht loopt; dat is wat het gezicht is. Het eerste wat je van iemand ziet, normaal gesproken, en waar je naar kijkt, is het gezicht. In feite staat het voor dat wat aangezien wordt, dus voor de hele verschijning, maar heel specifiek het aangezicht. Het aangezicht verbergen, dat wil zeggen dat iemand niet meer gezien wordt. Vandaar ook dat het hier synoniem is met verlaten. De Heer zegt: als ze eenmaal zo ver zijn, te dien dage, dan zal Mijn toorn tegen hen ontbranden. En dat betekent ook: Ik ga hen verlaten en Ik zal Mijn aangezicht voor hen verbergen. Zij zien Mij niet meer. Ik ben dan voor hen verborgen.

Wat dat dan gaat inhouden, dat lees je: zodat zij verteerd worden en vele rampen en benauwdheden hen treffen. Nou, dat klinkt niet erg aangenaam natuurlijk, maar het is wel – en dat moet ik erbij zeggen – een enorm accurate beschrijving van wat er daadwerkelijk ook is gebeurd. Als God Zijn aangezicht verbergt – want zo staat het hier ook hè: Mijn aangezicht voor hen verbergen – zodat, dus met als gevolg dat, zij verteerd worden en vele rampen en bovendien ook benauwdheden hen gaan treffen. Dat is dus in feite synoniem. Als God dat doet, als God Zich niet meer laat zien, dan gaat het licht uit, om het zo maar te zeggen. Dan wordt het donker. En wat betekent dat? Nou, dat betekent dat ze verteerd worden en dat rampen en benauwdheden hen zullen overkomen.

Dan staat er in het vervolg van datzelfde vers: "En dan zullen zij te dien dage zeggen: Hebben die rampen ons niet daarom getroffen, omdat onze God niet in ons midden is?" Het antwoord is: ja! Exact! Dat is de reden! Want inderdaad, God heeft hen verlaten. Eigenlijk is het ook zo: Hij heeft hen weggestuurd, met als gevolg voor Israël die rampen. Kijk, ik weet wel, dat heeft ook te maken met het feit dat de kerk zich Israël heeft gewaand. Die dacht ook altijd – u kent die verklaring natuurlijk wel – dat als mensen allerlei ellende treft, rampen en zo, ze denken: o, dat komt omdat God toornig is ofzo. Maar ook dat heeft een kern van waarheid, omdat het namelijk specifiek te maken heeft met Israël. Voor Israël klopt het inderdaad dat als het volk nationaal wandelt in Gods wegen en luistert naar Zijn stem, ze gezegend worden. Dan is Hij in hun midden en zullen ze de zegen daarvan beleven. Dat wordt trouwens in Deuteronomium heel uitdrukkelijk gezegd.

Omgekeerd geldt dat als zij Hem verlaten en Hij Zijn aangezicht verbergt, ze Hem niet meer zien en dan is het ellende op ellende. Specifiek voor dat volk gaat dat op. En het is inderdaad zo, zo wordt dat ook beleefd. Dit is in feite een beschrijving van de afgelopen 2000 jaar. Israël is inderdaad in de diaspora terechtgekomen – ik kom daar straks nog op terug – in de verstrooiing. En we kennen het allemaal, de lotgevallen van het volk. Zet het allemaal eens een keertje historisch op een rijtje: de inquisitie, wat er is gebeurd, en meest recentelijk in de vorige eeuw, de Holocaust. Nooit was het volk veilig, waar dan ook; altijd troffen hen ellende en narigheid. Ze onderscheidden zich altijd tegen wil en dank, want ze wilden zich helemaal niet onderscheiden. Bekend is dat grapje van de Jood die zegt: "Had U niet een ander volk kunnen uitverkiezen?"

Zo van: uitverkiezing is een voorrecht. Je bent uitgekozen en dat betekent dat het exclusief is: de een wel en de ander niet. Dus als je uitverkoren bent, dan is dat een hele bijzondere positie. Ja, maar vergis je niet: dat heeft ook hele specifieke consequenties voor Israël. De afgelopen 2000 jaar... ik hecht er eigenlijk wel aan om het zo te zeggen, omdat ik daarmee ook al impliciet aangeef dat de termijn aan het aflopen is. Maar ja, al die rampen zijn hen inderdaad niet zonder reden overkomen. Waarom? In feite vind je dat ook al in Romeinen 1. Daar lees je ook dat God Zijn toorn bewijst. Wij denken bij het bewijzen van Gods toorn dat Hij dan gaat ingrijpen en dat Hij allerlei rampen stuurt of plagen, zoals je dat in het boek Openbaring leest, maar dat is niet waar in de huidige tijd. Ik voer het nu te ver om dat aan te tonen, maar in Romeinen 1 lees je...

Dat God... daar staat inderdaad: de toorn openbaart zich van de hemel. En dan staat erbij: waaruit blijkt dat? Wel, God geeft hen over. Tot drie keer toe: Hij geeft hen over. Hij laat hen los. Je wilt niet naar Mij luisteren? Oké. Je hebt ook geen last van Mij. En dan zul je ook proefondervindelijk inderdaad ondergaan wat het betekent als Ik niet in jullie midden ben, als Ik niet mijn licht laat schijnen, als je Mij niet denkt nodig te hebben. Dan zal je inderdaad zien dat het steekdonker wordt. En ook koud in je hart, met alle consequenties van dien.

Dat wordt heel specifiek ook inderdaad in verband met Israël gezegd. En dan staat er nog bij in vers 18 van datzelfde Deuteronomium 31: "Doch Ik zal te dien dagen mijn aangezicht volkomen verbergen." Dat staat in het Hebreeuws, je ziet het hier. Dat is een typisch Hebreeuwse manier van zeggen; een intensiveringsvorm noemen ze dat. Dan staat hier niet — dat is een Nederlandse weergave — 'volkomen verbergen', maar er staat letterlijk: "Ik zal mijn aangezicht verbergende verbergen." In de Statenvertaling staat dat heel dikwijls ook zo weergegeven. Dat staat er ook zo: verbergende verbergen. Daarmee wordt de nadruk erop gelegd dat de verberging compleet is, of verbergingen in het kwadraat. Maar in ieder geval ligt het accent daar ten volle op: volkomen verbergen. Je zult Me niet zien.

Dus in feite ook altijd, als je het in beschouwende termen bekijkt over wat er gebeurt in de hele wereldgeschiedenis: al duizenden jaren merken we niets meer van God en Hij laat totaal niets van Zich merken. U zegt misschien: "Ja, maar in de schepping zie je toch inderdaad dat daar Iemand is?" Jawel, maar in de geschiedenis van de volkeren en van Israël laat Hij niets van Zich zien; Hij verbergt Zich. Verbergende verbergen.

En dat is, als het hier om Israël gaat, vanwege al het kwaad dat zij dan gedaan hebben. En dat kwaad is in de eerste plaats dat ze Zijn Woord verwerpen. Aangezien in het Woord leven is en licht, betekent dat dus dat als je van het Woord verwijderd bent, het donker wordt. En wat blijft er dan over?

Ik bedoel eigenlijk ook dit te zeggen: dat is niet actief. Kijk, als straks in het boek Openbaring God gaat optreden, dan lees je over de bazuinen en die zegels, en dan lees je over de rampen die de wereld gaan treffen. Dat is actief ingrijpen. Dat is inderdaad actief. Maar als God Zijn aangezicht verbergt en verdwijnt, en totaal niets meer van Zich laat merken, dan wordt het donker. Maar dat is passief. Dat is een gevolg namelijk van het feit dat Hij niet ingrijpt. Ziet u het verschil?

In feite is die duisternis niet iets wat God brengt. Duisternis is gewoon niets anders dan dat er geen licht is. Duisternis is niets op zich. Nee, duisternis betekent gewoon: er is geen licht. Net zo goed als kou... kou is ook niets. Kou betekent gewoon: er is geen warmte. Hij ontbreekt, en de consequenties daarvan worden hier ook besproken. God verbergt Zijn aangezicht.

Deuteronomium 29: de Verborgen Dingen in de Tussentijd ↑ hoofdstukken

De tweede schriftplaats in datzelfde Deuteronomium, iets daaraan voorafgaand in Deuteronomium 29, is deze tekst; u kent hem wellicht: Deuteronomium 29 vers 29. Dat is een heel apart vers dat trouwens ook heel vaak misbruikt wordt. Het wordt vaak als een soort dooddoener gebruikt; als we dingen niet begrijpen, dan zeggen we: "Ja, de verborgen dingen zijn voor JAHWEH, onze God." Op zich is dat natuurlijk een waarheid, maar het kan een dooddoener zijn als je het verband niet ziet.

Laten we de tekst eerst eens lezen: "De verborgen dingen zijn voor JAHWEH, onze God. Maar de geopenbaarden zijn voor ons en onze kinderen, zonen Israëls, voor eeuwig — voor de aion en verder — opdat wij al de woorden van deze wet volbrengen." Dat volbrengen van de wet gaat ook nog gebeuren. Niet bij de eerste wet, maar bij de tweede wet; niet bij het oude volk, maar bij het nieuwe volk. Maar nu dit vers: "De verborgen dingen zijn..." Als je dit in zijn verband bekijkt, lijkt het echt een verdwaalde tekst.

Kijk er maar eens naar. In Deuteronomium 28 en 29 wordt uitgebreid beschreven wat er gebeurt als het lot op hen zou vallen op het moment dat ze JAHWEH verlaten. Er wordt beschreven hoe rampen hen zouden treffen, hoe ze verstrooid zouden worden onder de natiën en dat de hemel — zo staat het er — als van koper zal zijn. Dat wil zeggen: ze bidden tot God, maar er komt totaal geen respons. Er staat dat je in de morgen zult wensen dat het avond was, en in de avond dat het weer morgen was. Met andere woorden: totale onvrede, die diepe desperatie van Israël buiten het land. We kennen dat beeld ook wel van het lied — u kent hem van Boney M nog wel: "How shall we sing the LORD's song in a strange land?" Hoe zouden we Zijn lied zingen? Dan hang je de harp in de wilgen. Dat wil zeggen dat er geen reden is om je te verblijden; er is geen enkele reden om je te verheugen of om muziek te maken. Dan is het droevenis, ellende op ellende. Het zijn de zwarte, donkere tinten die daar geschilderd worden, maar ze typeren de tijd waarin God Zijn aangezicht verbergt voor Israël.

Dit wordt dus in Deuteronomium 28 en 29 uitgebreid beschreven. Daar word je niet blij van, dat kan ik u vertellen. Maar dan, in het volgende hoofdstuk... Vers 29 is het laatste vers van Deuteronomium 29. Direct daarna begint Deuteronomium 30 — ja, hier leert u nog eens wat. En waar begint dat hoofdstuk mee? Met Israëls bekering en herstel. Precies tussen die twee feiten — Israëls verstrooiing en ellende enerzijds en Israëls definitieve herstel anderzijds — staat dit vers: "De verborgen dingen zijn voor JAHWEH, onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons." Met andere woorden: de verborgen dingen zijn op dat moment niet voor Israël. De geopenbaarde dingen, die zijn voor hen; dat wat in de wet staat. En dat gaat ook vervuld worden, niet doordat zij hun best gaan doen, maar doordat God het in hun harten gaat schrijven. Ook dat lezen we in Deuteronomium 30.

Ik zal het even wat schematisch maken. Aan de ene kant heb je Deuteronomium 28 en 29, en aan de andere kant Deuteronomium 30. In Deuteronomium 29 lees je over Israëls ontrouw en hoe zij vervolgens in de diaspora, in de verstrooiing terechtkomen. God verbergt Zijn aangezicht, de hemel is als van koper en het is, samengevat, ellende op ellende. Dan krijg je in Deuteronomium 30 echt een ommekeer. Dat is met recht een ommekeer, maar het is ook dubbelzinnig, want het is in die zin ook een "omgekeerde". Israël bekeert zich, ze keren terug — teshuva betekent dat in het Hebreeuws. Ze keren weer terug naar waar ze ooit waren: bij Hém.

Dat Israël zich bekeert, kun je op twee manieren opvatten. Dit is geen foutje wat ik nu zeg: bekeren betekent letterlijk terugkeren. Ze keren terug naar de God die ze verlaten hebben, maar het betekent ook dat ze terugkeren naar het land waar ze uit uitgezet waren. In beide gevallen heet dat bekering: terugkeren. In de profeten, bij Jeremia, staat: "Heere, bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn." Dat is een tekst die in bepaalde kringen heel dikwijls gebezigd wordt. Maar het punt is: als Gód hen terugbrengt, valt dat samen met het moment dat ze zich tot Hém wenden. Beide heten een bekering.

Ik zal u trouwens nog wat anders zeggen. Het is niet alleen een bekering van het volk van harte en een terugkeer naar het land, maar ook de Heere Zelf keert terug. Er staat echt in Deuteronomium 30 — ik meen vanaf vers 3, kijkt u het maar eens na in de eerste verzen: "De Heere zal hen wederbrengen" én "de Heere zal tot hen wederkeren." Helaas staat het in de NBG-vertaling niet zo weergegeven, maar de Statenvertaling heeft het correct: de Heere zal tot hen wederkeren. Dan weet u meteen wanneer dit gerealiseerd zal worden: bij de wederkomst van de Heere. Dan zal Israëls hart worden besneden, wat simpelweg betekent dat de bedekking van het hart wordt weggenomen. Bovendien zal de Heere hen in overvloed gaan zegenen met het goede. In de tijd van de verstrooiing, waarin de Heere Zijn aangezicht verborgen hield, was er duisternis, ellende, kwaad, honger en alle mogelijke benauwdheden die je maar kunt bedenken. Dat is ook de beschrijving van de afgelopen tweeduizend jaar, en ik moet erbij zeggen: het einde is het nog niet. Maar na die ommekeer zal God hen in overvloed zegenen.

Om het schema compleet te maken: precies tussen deze twee blokken tekst, tussen deze twee hoofdstukken, vind je die zogenaamd "verdwaalde" mededeling: "De verborgen dingen zijn voor JAHWEH, onze God." Wat ligt er tussen Israëls verstrooiing enerzijds en haar herstel anderzijds? Dat zijn de verborgen dingen. Het is de tijd waarin de Heere Zich verbergt, maar ook de tijd waarin de Heere bézig is met verborgen dingen. Ik zal u vertellen: daar gaan de brieven van Paulus met name over. Hij zegt: "Aan mij is de verborgenheid bekendgemaakt." De dingen die in het Oude Testament verborgen waren, waar een sluier over lag, die onthult hij. Hij neemt de bedekking weg en laat zien wat verborgen was in de Schriften. Juist in dat tijdvak tussen Israëls verstrooiing en Israëls herstel, daar zijn die verborgen dingen. En die zijn voor Hém. Die hebben trouwens ook de hoogste bestemming.

God doet vandaag een verborgen werk. Hij verzamelt Zich een volk uit de natiën en zij hebben de hoogste bestemming. Het is voor Hém, niet voor Israël. Zie je hoe actueel dit is? En hoezeer dit juist ook te maken heeft met de tijd waarin God Zijn aangezicht verbergt? Je zou zeggen: "Dat is niet fijn, want dan wordt het donker." Ja, maar in die periode van Gods verborgenheid voor Israël — en daarmee ook voor de volkenwereld, want God handelt nu eenmaal via dit volk — doet Hij een geweldig werk. En dat is speciaal voor Hém. Pas dus op met het lukraak toepassen van zo’n tekst door te zeggen: "Ik snap het niet, nou ja, de verborgen dingen zijn voor JAHWEH, onze God." Want dan misbruik je die tekst in feite. Het gaat juist om de tijd waarin wij nu leven, in de tussentijd tussen Israëls verstrooiing en herstel. Goed.

Jesaja 8: de Getuigenis Toegebonden en de Wet Verzegeld ↑ hoofdstukken

De derde schriftplaats is Jesaja 8. Ik zei al dat er vele, vele schriftplaatsen zijn die deze term gebruiken, maar ik noem een aantal markante die we eigenlijk niet mogen overslaan. Ik lees even vanaf vers 16: "Bind de getuigenis toe, verzegel de wet onder mijn leerlingen." Wat is de getuigenis? Dat is het woord dat getuigt van Hem. Oftewel Zijn onderwijs, Zijn Torah. Kan ik dat bewijzen? Ja, dat staat gewoon in een parallelzin: "verzegel de wet onder mijn leerlingen." De uitdrukking "de getuigenis toebinden" kom je heel vaak tegen en verwijst dan naar de Schriften, de Torah of in het bijzonder de wet. De Torah, de onderwijzing.

De getuigenis toebinden wil eigenlijk zeggen dat deze ontoegankelijk wordt gemaakt. Ze wordt toegebonden zodat je het niet meer kunt openen. Het wordt een gesloten boek; het wordt niet begrepen. De wet wordt verzegeld. Verderop in ditzelfde boek Jesaja — we hebben het er ooit bij een eerdere gelegenheid ook over gehad, ik dacht uit Numeri, maar nee, het is Jesaja 29 — daar staat ook dat Hij jullie ogen verzegelt, dat wil zeggen de profeten, en jullie hoofden, de zieners, die bedekt Hij. En dan staat er ook bij: zo is het gezicht van alles voor jullie als de woorden van een verzegelde boekrol. Men geeft die te lezen aan iemand die lezen kan en dan zegt men: "Nou, lees het maar alsjeblieft." Maar hij zegt: "Ja, maar ik kan niet, want het is verzegeld." Of de boekrol wordt gegeven aan iemand die niet lezen kan, terwijl men zegt: "Lees dit alsjeblieft." Hij zegt: "Ik kan niet lezen." Dat is het. Zo zal de wet voor jullie zijn: je leest het en je verstaat het niet. Kortom, het is ontoegankelijk, het is verzegeld, het is dicht voor je. Je kunt er helemaal niets mee. En dat is wat hier geprofeteerd wordt: de wet wordt toegebonden en verzegeld en bewaard onder de leerlingen die het wel verstaan.

Dat toebinden loopt als werkwoord parallel met verzegelen, en de getuigenis is parallel met de wet. Er ligt een bedekking op de wet. En als er een bedekking op ligt, dan kun je er weliswaar kennis van nemen, maar je zult het niet begrijpen; het is bedekt. Dat is precies wat Paulus ook zegt in 2 Korintiërs 3: tot de dag van heden ligt er een bedekking op hun aangezicht en ze verstaan het niet. Dan kun je nog zozeer vertrouwd zijn met alle dingen en het toch niet begrijpen. Hoe komt dat? Omdat die bedekking slechts verdwijnt in Christus. Op het moment dat Israël gaat ontdekken waar heel de wet van spreekt — niet van wat zij moeten doen, maar van wat God in Hem gedaan heeft en zal doen — dan wordt de bedekking weggenomen. Ja, dat is wel geweldig. En dat is trouwens ook precies de besnijdenis van hun harten. De besnijdenis is fysiek gezien het wegnemen van de voorhuid, van een bedekking. De besnijdenis van het hart wil zeggen dat de bedekking van het hart wordt weggenomen. En dat is met recht een ontdekking. De ontdekking die Israël letterlijk zal doen, is dat heel de Schrift, heel de Torah, spreekt van Hem, de Opgewekte uit de doden. Op het moment dat dat licht gaat schijnen, dan wordt de bedekking weggenomen.

Maar hier wordt gezegd: "Bind de getuigenis toe, verzegel de wet onder mijn leerlingen." En dan staat erbij: "En ik zal wachten op JAHWEH, die zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, ja, op Hem zal ik hopen." Er is dus sprake van een gelovig overblijfsel, de leerlingen, degenen die wel wachten op JAHWEH. Zij zullen verstaan waar de wet en de getuigenis over gaan. Maar voor de rest van het volk is Hij verborgen. Maar ook, en dat is het aparte, niet alleen Hijzelf verbergt zich, maar ook het Woord dat Hij heeft gegeven is verborgen. Het is ontoegankelijk, ze begrijpen het niet. Dan kun je er nog zoveel kennis van nemen en al die lettertjes gegeten hebben, maar als de betekenis je ontgaat, dan weet je helemaal niente, niets, helemaal niets.

Ook hier weer voor het huis van Jakob. Heel apart. Jakob is de term voor die man die daar twintig jaar in het buitenland was, weet u wel. En toen hij weer terugkwam en de zon opging, was het zover. Je leest van Jakob als hij naar het buitenland gaat dat hij bezig was met zoveel werken en zo, maar dat bracht hem niets op. Vervolgens gaat hij naar buiten en de zonsondergang komt; daar lees je die geschiedenis van Betel, waar God hem Zijn beloften geeft. Twintig jaar lang is hij daar bij zijn oom Laban en op een wonderlijke manier wordt hij daar toch weer gezegend, ondanks alles. Uiteindelijk keert hij na die twintig jaar weer terug en dan staat er: de zonsopgang komt. En dan verschijnt de Heer ook aan hem. Letterlijk. Hij verschijnt aan hem en hij worstelt met die Man. En hoe noemt hij die plek? Pniël. Dat betekent: het aangezicht van God. "Pni" is het aangezicht. "Ik heb het aangezicht van God gezien." En dan wordt Jakob Israël. "Je zult niet meer Jakob heten, maar Israël."

Zie je hoe logisch dit is? Dit is precies wat de Schrift in typen al aangeeft, maar ook profetisch werkelijk expliciet heeft aangekondigd. Wat daadwerkelijk ook in de loop van de historie, van de wereldhistorie en van Israëls historie, is vervuld. We wachten op het moment dat Hij Zijn aangezicht weer laat zien, dat de Heer gaat verschijnen: Pniël. Dat is het einde van die twintig jaar, wanneer Jakob terugkomt in het land en geen Jakob meer heet, maar Israël. Wat een uitzicht, man! Ik deel dit perspectief met velen hier en ik vind het zo geweldig dat we aan het einde van die twintig jaar zitten — u begrijpt wat ik bedoel: twintig eeuwen.

Jesaja 45, 54 en 59: een God Die Zich Verborgen Houdt ↑ hoofdstukken

In Jesaja 45 vinden we de vierde schriftplaats die we behandelen. Daar staat: "Voorwaar, U bent een God die Zich verborgen houdt, de God van Israël, een Verlosser." Voor Israël is Hij inderdaad in een deel van hun historie de God die Zich daardoor laat kenmerken: Hij houdt Zich verborgen. Maar dat is tijdelijk, want dit is in feite ook een aankondiging van de toekomst, namelijk dat Hij Zich verborgen zal houden. Het staat echter ook in contrast met het verleden.

Als we doorlezen in Jesaja 45 vers 17, dan zien we dat Israël uiteindelijk, na die verborgenheid, door JAHWEH zal worden verlost met een eeuw-ige verlossing. U weet inmiddels waarom ik "eeuw-ig" zeg: niet omdat het nooit stopt, maar omdat dit woord te maken heeft met een eeuw (een aioon) en niet met "eeuwigheid" in de zin van eindeloze tijd. Met een eeuw-ige verlossing zal Israël niet meer beschaamd staan, noch zal er schande zijn in toekomende eeuwen. In hoofdstuk 45 vers 19 staat vervolgens: "Want Ik heb niet in het verborgene gesproken, noch ergens in het land dat duister is." Dat is apart. Toen zij nog in het land waren, heeft God altijd acte de présence gegeven. Dat wil zeggen: als Hij aanwezig was, bewees Hij Zich ook.

Denk aan de tijd dat Israël uit Egypte trok en door de woestijn trok; JAHWEH heeft veertig jaar lang voor hen gezorgd. Vervolgens kwamen ze op een wonderbaarlijke wijze in het land. Zelfs alle inwoners van Kanaän wisten ervan. Er was daar toen geen enkele atheïst, want het bestaan van God en het feit dat Hij de God van Israël was, was zelfs voor de buitenlanders volstrekt helder. Dat zegt Rachab dan ook in Jericho tegen de verspieders: "Ja, wij weten dat jullie God Zich bewijst." Zij vreesden met grote vreze dat zij zich tegen die God zouden keren, want dan leg je het altijd af. Ze hadden gehoord van al die daden, van de wonderen bij de doortocht door de Schelfzee en de Jordaan. Dat waren wonderen die volstrekt evident waren; dat was niet menselijk of natuurlijk, dat was Gods weg. God had ooit Zijn woord gegeven aan dat volk en dat was in die tijd niet in het verborgene. Hij bewees Zich, zodat het zintuiglijk waarneembaar en "wetenschappelijk" evident was. In die tijd was het ook niet: "Zoekt Mij tevergeefs." Nee, het was duidelijk: Hij was daar en Hij bewees Zich.

Maar goed, de tijd dat Hij Zich verborgen zou houden, breekt aan op het moment dat zij in het buitenland belanden, in de diaspora. Op dat moment is de hemel van koper. Waar is Hij dan? Dat duurt totdat op een gegeven ogenblik het kwartje valt: "Dat is omdat wij Hem verlaten hebben en omdat Hij Zijn aangezicht verborgen heeft." En als ze dan in hun benauwdheid Zijn aangezicht gaan zoeken — hoezo zoeken? Ja, Hij heeft Zich verborgen, anders hoef je niet te zoeken.

In Jesaja 54, de vijfde schriftplaats, wordt er profetisch teruggekeken op de tijd dat JAHWEH Zich verborgen hield voor Zijn volk. Er staat: "Een kort ogenblik heb Ik u verlaten, maar met groot erbarmen zal Ik u tot Mij nemen." U zegt misschien: "Ik vind tweeduizend jaar geen kort ogenblik." Nee, dat hangt ervan af waarmee je het vergelijkt. Kort en lang zijn relatieve begrippen; iets is kort ten opzichte van iets wat lang is. Bepaalde termen zijn betrekkelijk, je moet het zien in betrekking tot iets anders. Waarom is het een kort ogenblik? Omdat het in verhouding staat tot de tijd en de kwaliteit van Zijn erbarmen. Dat is trouwens altijd zo. Psalm 30 zegt: "Een ogenblik duurt Zijn toorn, maar een leven lang Zijn goedertierenheid." Dat zijn de verhoudingen.

Daarom zeg ik ook altijd zonder enige schroom — ook al trap ik daarmee tegen schenen: de leer van een eindeloze helstraf komt regelrecht uit de afgrond. Dan ken je God namelijk niet. Gods toorn en het feit dat Hij verlaat, is een bijbelse waarheid waar je niets aan af moet doen. Dat laat ik vanmorgen ook zien. Alleen moet je het wel kunnen relativeren, wat wil zeggen: het staat altijd in verhouding tot het heil dat Hij hoe dan ook gaat brengen. Hoe verhoudt Gods toorn zich tot Zijn goedertierenheid? Als een ogenblik tot een lang leven. Jesaja heeft daar ook een mooie tekst over: de dag van de wraak en het jaar van Zijn welbehagen. Dat is een verhouding van één op driehonderdvijfenzestig. Maar de vergelijking met "een leven lang" is nog veel beter, want het leven dat ik ken, is een leven dat eindeloos is.

"Een ogenblik heb Ik u verlaten, maar met een groot erbarmen zal Ik u tot Mij nemen. In een uitstorting van toorn heb Ik mijn aangezicht een ogenblik voor u verborgen, maar met eeuw-ige goedertierenheid ontferm Ik Mij over u, zegt uw Losser." Uw Boaz, degene die het land loskoopt en jullie bevrijdt, dat ben Ik. Hier wordt teruggeblikt op de tijd dat Israël inderdaad weer in het land is; dan zullen ze dit beamen en dan zal JAHWEH dit ook zeggen.

Tot slot Jesaja 59, een tekst die dikwijls algemeen wordt toegepast, maar specifiek over Israël gaat: "Uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding brengen tussen u en uw God, en uw zonden doen Zijn aangezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort." Daar heb je weer die hemel van koper. Waar is Hij dan? Hij is toch liefde? Waar is God? Hoe vaak vind je dat ook niet in de Psalmen? "Hoe lang nog, HEERE, houdt U U verborgen?" Er is dan totaal geen communicatie. Maar wat zal het zijn als Hij Zijn aangezicht weer voor hen verheft en Zijn aangezicht over hen doet lichten? Dan hoort Hij.

Ezechiël 39: Gods Aangezicht Niet Langer Verborgen ↑ hoofdstukken

En dan komen we bij de laatste schriftplaats: Ezechiël 39. Ezechiël 37 is dat bekende hoofdstuk dat gaat over de dorre doodsbeenderen. U weet wel: dat Israël hersteld wordt als uit de dood en opstaat op de derde dag. Ezechiël 38 en 39 zijn profetische hoofdstukken die gaan over Gog en Magog, de volkeren die zich in het uiterste noorden van Israël bevinden. Als je een landkaart pakt, een wereldkaart, en je kijkt naar het land van Israël en trekt een rechte lijn naar boven, naar het uiterste noorden, dan kom je echt uit in Rusland. Sterker nog, je komt rechtstreeks in Moskou terecht; kijk maar eens na.

Over dat volk lees je in Ezechiël 38 en 39 — daar moeten we het nog een keer apart over hebben — dat God hen zal trekken met haken. Hij zal hen brengen in het land en hen op de bergen van Israël verslaan. Dat zal zo’n enorme veldslag zijn dat ze zeven maanden nodig hebben om al die oorlogsbrandstapels te verbranden. Dat is ook wel handig, die goedkope energie. Magog zorgt dan voor de brandstof. Een warmte-aardappel misschien ook een beetje? Vind je dat nodig, Priscilla? Dat is wel lekker.

Maar even zonder dollen: Ezechiël 39 gaat dus over Gog en Magog. Het gaat ook over de tijd — ik kan dat nu verder niet toelichten — dat het volk Israël inmiddels inderdaad verzameld is in het land. Maar dan krijgt de volkerenwereld nog te maken met God. Israël is dan op zijn bestemming gekomen, maar de volkerenwereld moet nog zover komen. Via Israël gaat God dat ook realiseren en daarom brengt Hij Gog en Magog in het land.

Dan staat er: "En de volkeren zullen weten, dat het huis Israëls om zijn ongerechtigheid in ballingschap is gegaan." De volkeren zullen dat dan ook weten. We hebben het hier dus over een tijd waarin het volstrekt evident is voor de natiën in het algemeen dat Israël ooit om haar ongerechtigheid en ongeloof uit het land is gezet, maar ook weer vanwege geloof is teruggebracht. De volkeren zullen dat weten; zij worden daar hardhandig met hun neus op de feiten gedrukt.

Omdat zij Mij ontrouw geworden waren, had Ik mijn aangezicht voor hen verborgen en hen overgegeven. Dat is precies waar ik het zojuist over had: Hij geeft hen over, Hij laat los. Dat is dat passieve. Hij gaf hen over in de macht van hun tegenstanders, zodat zij allen door het zwaard vielen. Nou, zo is het inderdaad gegaan. Ook hier staat weer: "Mijn aangezicht voor hen verborgen." Naar hun onreinheid en hun overtredingen heb Ik hen behandeld en mijn aangezicht voor hen verborgen. God had ook gezegd dat het zo zou gaan, en zo is het gegaan. En die termijn loopt nu ten einde; daar gaat Ezechiël 39 over.

Het Boek Esther: God Incognito in de Verstrooiing ↑ hoofdstukken

Ja, en nou wil ik nog een dingetje erbij zeggen. Ik moet het kort doen, maar ik wil hem toch even vermelden, want hier staat in het Hebreeuws hetzelfde woord als het woord Esther. En dat is de naam van het Bijbelboek. Esther betekent letterlijk vanuit het Hebreeuws – het wordt vaak een beetje verdonkermaand omdat men het in verband brengt met andere talen – maar in het Hebreeuws betekent het: ik zal verbergen. Dat is Esther. Haar Hebreeuwse naam was trouwens Hadassa, maar Esther vanuit het Hebreeuws betekent dus inderdaad: ik zal me verbergen. Ja, je ziet het hier ook: ik verberg of Esther.

En dat is ook weer zo frappant, want heel het boek Esther gaat daarover: over God die zich verbergt. Het is het enige Bijbelboek waar Gods naam niet in voorkomt. Er wordt trouwens ook in het hele boek niet gebeden. Nou ja, wel gevast trouwens, maar geen priester, helemaal niets. Het volk bevindt zich in de diaspora en de totale uitroeiing van het volk dreigde. We kennen dat allemaal, het verhaal over Haman. En ja, door toevalligheden wordt het noodlot afgewend. Maar iemand zei ooit eens een keer – ik heb het niet van mezelf, maar ik vind hem wel mooi: toeval, dat is eigenlijk gewoon God incognito. Je denkt: "O, het valt mij zomaar toe", een toeval. Ja, maar wie doet dat toevallig?

Toevallig kon Ahasveros een nacht niet slapen. Toevallig! Dat gebeurt iedereen wel eens een keertje. En toen liet hij maar een stuk voorlezen uit de documenten en uit het archief. Hij zal ook niet zo'n actief geheugen hebben gehad ofzo – dat heb je wel eens vaker met machthebbers: geen actieve herinnering. En toen liet hij voorlezen: "O wacht even, zo was dat." En dan krijgt het verhaal een hele ommekeer en wordt het noodlot afgewend. Maar dat is het boek Esther: de Heer verbergt zich. En terwijl het volk inderdaad de grootste dreiging ondervindt, is het God die op een wonderlijke wijze zijn volk niettemin bewaart. Dat is het boek Esther. Hij verbergt zich. Er gaat dus een heel Bijbelboek over. Wat doet dat boek in de Bijbel? Gods naam staat er niet in. Nee, dat is nu juist het hele punt. Zijn naam staat er inderdaad niet. Hij verbergt zich. Daar gaat het over.

En dan heb ik het laatste vers nog dat ik wil lezen vanmorgen, en dat is: "En Ik zal mijn aangezicht niet meer voor hen verbergen." Aha, dat betekent dus dat hier het begin van het Messiaanse Rijk is. Israël is teruggebracht, ook de volkeren zullen inmiddels weten wie Hij is en ze zullen weten hoe de vork aan de steel is. En dan zegt God: "Ik zal mijn aangezicht niet meer voor hen verbergen." En dat zal zijn wanneer Ik mijn Geest over het huis Israël heb uitgestort – Pinksteren voor Israël. Jazeker, luidt het woord van de Heer JAHWEH.

Nou, en je kunt er donder op zeggen – sorry dat ik het zeg – dat als Hij dat zegt, dan gebeurt dat. In de Schrift vinden we een hele goede track record van hoe Hij zijn woord per definitie en altijd accuraat tot in de details waarmaakt. Kijk, dat is de God waar we mee van doen hebben. En als Hij zegt: "Ik ga Mij verbergen", dan doet Hij dat ook. En als Hij zegt: "Dan betekent dat duisternis en ellende en benauwdheid", dan is dat ook zo. En dan kun je dat leuk vinden of niet – nee, dat vind ik nooit leuk natuurlijk. Leuk is het sowieso niet, het is een drama. Maar het geweldige is: daar komt een eind aan. Dat is altijd zo, ook weer per definitie. Dat is onze God. En het komt zover dat Hij inderdaad niet alleen Israël, maar heel de wereld laat delen, en dan zal zijn aangezicht over hen lichten en daar zal er vrede zijn.

Ik zal de samenvatting ook nog even voorlezen en op internet zetten: God verbergt zijn aangezicht voor Israël vanwege ongeloof. Ze komt terecht in de diaspora, wat veel onheil treft, maar ze blijft ook wonderlijk bewaard. De Schrift zal voor hen verzegeld zijn. Deze tijd van verborgen dingen is speciaal van en voor JAHWEH. En na die termijn zal Hij terugkeren en het volk bijeenbrengen vanuit de natiën, de voorhuid van hun harten besnijden – oftewel de bedekking wegnemen – en dan is de tijd van verberging definitief ten einde.

Ik heb nog nooit zeven dia's zo snel behandeld. Goed, zullen we het daarbij laten voor vanmorgen.

🎧 als God zijn aangezicht verbergt
Delen: