11. Kolosse 3:6-11
15-11-2012 - Geplaatst door Andre PietPresentatie van studieavond gehouden op 15 november 2012 in Rijnsburg
Studieavond over Kolosse 3:6-11(NBG):
6 om welke dingen de toorn Gods komt.(SV: over de kinderen der ongehoorzaamheid).
7 Daarin hebt ook gij eertijds gewandeld, toen gij erin leefdet.
8 Maar thans moet ook gij dit alles wegdoen: toorn, heftigheid, kwaadaardigheid, laster en vuile taal uit uw mond.
9 Liegt niet meer tegen elkander, daar gij de oude mens met zijn praktijken afgelegd,
10 en de nieuwe aangedaan hebt, die vernieuwd wordt tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper,
11 waarbij geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar en Skyth, slaaf en vrije, maar alles en in allen is Christus.
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Terugblik op Vers 1-5: het Versterven van de Aardse Leden
- Vers 6: de Toorn van God over de Zonen van de Ongehoorzaamheid
- Vers 7: Onze Vroegere Wandel in de Oude Leefwereld
- Vers 8: Gedrag Afleggen als een Ongepast Kledingstuk
- Toorn en Heftigheid: een Onbijbels Godsbeeld Gecorrigeerd
- Kwaadaardigheid, Laster (blasfemie) en Vuile Taal uit Uw Mond
- Vers 9: Liegen en de Leugenachtige Tijd (aion) Waarin Wij Leven
- De Oude, Afgedankte Mens Uittrekken als een Versleten Schoen
- Vers 10: het Aandoen van de Nieuwe, Jeugdige Mens
- Epignosis: de Verdieping van Kennis Naar Geestelijk Besef
- Anakainoo: de Opwaartse Vernieuwing en Transformatie van het Denken
- Gevormd Worden Naar het Beeld (icoon) van de Schepper
- Vers 11: Geen Aards Onderscheid Meer, Christus Is Alles in Allen
Terugblik op Vers 1-5: het Versterven van de Aardse Leden ↑ hoofdstukken
Zoals u op het scherm ziet, kunt u de conclusie trekken dat we inmiddels al tien avonden hebben besteed aan de bestudering van de Kolossenzenbrief. Inmiddels zijn er een tweetal hoofdstukken besproken en we zijn nu bezig in hoofdstuk drie. De vorige keer waren we aangekomen bij vers 5 van Kolossenzen 3. Om het geheugen een klein beetje op te frissen, lijkt het me een goed idee om nog even bij vers 1 te beginnen, dat wil zeggen: om het voor te lezen. Zo komen we een beetje in de sfeer van waar Paulus het over heeft.
In vers 1 begint hij met dit te zeggen – en ik lees voor uit de NBG-vertaling: “Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God. Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, dan zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.”
Dan begint er een nieuwe pericoop in vers 5: “Dood dan de leden”. Ik heb de vorige keer al aangetoond dat Paulus hier eigenlijk niet het woord “doden” gebruikt, maar het woord “versterven”. “Doe versterven” of “versterf dan de leden”. Dat is een groot verschil. “Versterf dan de leden die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die niet anders is dan afgoderij.” Dat was het laatste waar we het over hebben gehad.
Om die gedachte meteen weer op te pakken: Paulus gaf in de eerste verzen aan dat wij onze gedachten zouden bepalen bij Hem met wie wij immers verbonden zijn. Hoofd en lichaam; we zijn eengemaakt met Hem. Dat is een van de grote thema’s van deze brief. Aangezien ons leven met recht daar is – namelijk de Opgestane – bedenk dan ook de dingen die boven zijn en niet die op de aarde zijn. Het idee is: als je aandacht dáár is en je de dingen zoekt die boven zijn, dan betekent dit dat de aandacht voor de dingen hier op aarde versterft. De aandacht verdwijnt en daarmee krijgen ze geen voeding meer. Dat verklaart meteen dit woord “versterven”. Die dingen worden genegeerd aangezien de aandacht naar heel andere dingen uitgaat, namelijk naar Hem die ons leven is.
En al die dingen… Stoort het niet al te zeer, de kinderen hier? Hooguit voor de opname die op het internet gaat. Dan denk je: “Goh, wat een jeugdig publiek was er toch op die Bijbelstudie, maar wat praten ze er toch allemaal doorheen!” Dat versterf dan de leden die op de aarde zijn; daar hoeven we nu niet te veel aandacht aan te geven. Je moet weten waar hij het over heeft – wat betekenen zulke woorden überhaupt: hoererij, onreinheid? Daar hebben we het even over gehad, maar ik haast me erbij te zeggen: als we weten wat die begrippen betekenen, moeten we weer snel verder gaan. Voor de rest is het namelijk niet interessant. Dat is juist het punt dat Paulus hier maakt: als je de dingen bedenkt die boven zijn, dan bedenk je dus niet déze dingen. Laten we ons daar dus niet al te zeer mee bezighouden.
Die hebzucht, dat “meer willen hebben”, getuigt trouwens ook van onvrede. Van al deze dingen kun je zeggen dat als je enigszins een idee hebt van waar het over gaat, je ook meteen begrijpt waarom dat zou versterven. Het is niet verbonden met de dingen die boven zijn; die staan echt met recht tegenover elkaar. Hebzucht betekent letterlijk “meer willen hebben”. Dat geeft aan dat je onvrede hebt en dus niet dankbaar bent. Maar aangezien wij leven uit dat wat gegeven is – we leven uit genade – zijn wij ook tevreden. Daarin heeft hebzucht geen plaats. Je geeft God daarin de eer en als je gedreven wordt door hebzucht, dan is het feitelijk afgoderij. Goed, dat is een mooi punt om meteen verder te gaan.
Vers 6: de Toorn van God over de Zonen van de Ongehoorzaamheid ↑ hoofdstukken
In vers 6 zegt Paulus om welke dingen de toorn Gods komt. In de NBG-vertaling staat daar een punt en gaat de zin niet verder, maar als u een Statenvertaling heeft – en dat geldt voor de oudere vertalingen in het algemeen – dan gaat de zin verder. Laat ik dat er ook meteen even bij zeggen: de grote handschriften, de Sinaïticus en de Alexandrinus (voor de liefhebbers en voor degenen die een klein beetje weet hebben van hoe de Bijbeltekst die wij hebben tot stand is gekomen of overgeleverd is), deze grootste handschriften voegen er iets aan toe. Helaas hebben de moderne vertalingen dit weggelaten, maar dit is wat er eigenlijk nog staat en ook inhoudelijk klopt dat helemaal.
De weglating waar de NBG voor gekozen heeft, is geen vertaalkwestie, maar dat noemen ze tekstkritiek: staat dat in het origineel of niet? Ik geloof niet alleen op basis van het feit dat die grote getuigen die tekst hebben dat dit correct is – hoewel dat het belangrijkste is – maar ook inhoudelijk matcht dat. Het punt is namelijk dat Paulus juist leert dat wij verbonden zijn met Christus en dat wij bevrijd zijn van de toorn Gods. Wij hebben daar dus helemaal niet mee te maken. Paulus spreekt hier over welke dingen de toorn Gods komt en dan staat er bij: “over de zonen van de ongehoorzaamheid”. Als u een Statenvertaling heeft, dan ziet u: “over de kinderen der ongehoorzaamheid” of “van de weerbarstigheid”. Dat is ook zo: de toorn Gods komt daarover, niet over ons.
Dat is een van de ABC’tjes van het evangelie: als je een gelovige bent, dan ben je gerechtvaardigd en dus geen voorwerp van de toorn Gods. Vandaar ook dat Paulus daarmee aangeeft dat dit een heel andere wereld is. Wij zijn verbonden met Hem en dus is dit niet onze omgeving, dit is onze wereld niet. Ik bedoel dat letterlijk, maar vooral ook figuurlijk. Dat is niet ons leven; wij hebben een echt leven, om zo te zeggen. Maar die toorn van God zal komen over de zonen der ongehoorzaamheid.
Voor het woord “toorn” ziet u in de Concordant Version “the indignation”. Dat is de verontwaardiging. Dat is niet hetzelfde als de boosheid zelf, want dat is de emotie, maar de toorn is de uiting van die boosheid. Het is wat er naar buiten komt: het tonen van je afkeer. God heeft daar een afkeer van en zal dat ook demonstreren t.z.t. Trouwens, ik zeg t.z.t., maar eigenlijk is dat nu al zo, want dat is een onderwerp apart. In Romeinen 1 vers 18 lees je ook dat de toorn Gods zich van de hemel openbaart over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden.
Waarin komt die toorn dan tot uitdrukking? Niet door lichtstralen, bliksemflitsen en donder, zoals dat bijvoorbeeld in de dag van de toorn wel het geval zal zijn – lees het boek Openbaring maar eens na. De toorn van God over die goddeloosheid en over de ongerechtigheid van de mensen komt tot uitdrukking doordat God Zijn handen daarvan aftrekt. Er staat drie keer in Romeinen 1 dat God de mensheid overgeeft; Hij laat het los. Juist in het feit dat God Zijn handen daarvan aftrekt – zo van: “ga je gang maar” – daarin blijkt Zijn afkeer. Daarin demonstreert Hij Zijn toorn daarover. Daar heeft Hij dus niets mee, dat is het idee. Over de zonen van de ongehoorzaamheid.
Vers 7: Onze Vroegere Wandel in de Oude Leefwereld ↑ hoofdstukken
Goed, we gaan verder met vers 7: “Daarin hebt ook gij…” Ja, en dat is dus een beetje afhankelijk van of je de uitgebreide versie neemt, die correct is, of de verkorte versie. Dat is namelijk afhankelijk van hoe je dat woordje “daarin” leest. Betekent dat “daarin” te midden van wie, of te midden van die zonden? Volgens mij kan het beide en ik zou daar niet eens een keuze in willen maken. “Daarin hebt gij”, of: te midden van hen hebt gij ook eertijds gewandeld toen gij daarin leefde. Dat wil zeggen: het was jullie leven destijds ook; het was jullie hele leefwereld. Dat is wat Paulus zegt: waarin jullie leefden in deze dingen.
U ziet, ik heb de interlineaire studie maar gewoon voortgezet. Ik denk dat ik enigszins mijn vorm daarin ook gevonden heb en ik vind het heerlijk om u zo gewoon vers voor vers, regel voor regel, zinsdeel voor zinsdeel te wijzen op niet alleen de vertaling, maar met name ook op de interlineair. Dichter bij de grondtekst kunnen we niet komen. Kijk, dit zijn de woorden die Paulus geschreven heeft, zelfs in het lettertype van wat hij optekende.
Ik zeg het misschien nog even ten overvloede voor de meesten, maar niet voor iedereen: die tweede regel is de Concordant Version. Dat wil zeggen: de meest letterlijke concordante weergave in het Engels. Helaas in het Engels, maar goed, dat is denk ik het enige wat je erop zou kunnen aanmerken. Voor de meesten zal het niet een al te groot probleem zijn en in elk geval, als het van belang is, dan wijs ik u daarop. Dit is dus die groene regel; dat is de concordante, de meest letterlijke weergave. Daar moet je eigenlijk naar kijken. Als je geen Grieks kent, dan moet je hiernaar kijken.
De laatste regel is de NBG-weergave, zoals het in de vertaling is weergegeven. Soms is dat heel goed en soms wat minder. Op die verschillen wijs ik u graag; dat is een van de dingen die ik juist wil doen. We lezen allemaal de NBG-vertaling of misschien leest u de Statenvertaling, dat maakt me even niet uit, maar om te wijzen op wat er precies staat, dat is wat werkelijk interessant en krachtig is. Het is belangrijk om die verschillen ook op te merken.
Ik ben blij dat we vandaag zulke geweldige technische middelen hebben om deze dingen te demonstreren. We hebben een prachtig bijbelprogramma waar ik dit aan ontleend heb: het ISA-programma (Interlinear Scripture Analyzer). Met dank aan Andreas de Mol; hij heeft dat allemaal zo fantastisch gemaakt. Dat zeg ik niet om hem nu voor het publiek te loven, maar het programma is echt fenomenaal. Ik werk er dagelijks mee en wat je hiermee op het spoor komt, is fantastisch. Ook Menno Haayman heeft een ongelofelijk werk verricht door al die data in te voeren. Dat gaat nog steeds door, maar zoals het er nu staat en zoals we er nu mee kunnen werken, is geweldig. Dat ik nu gewoon bij deze gelegenheid een interlineaire Bijbelstudie kan geven, is toch schitterend? Jaren geleden zou dat op deze manier niet gekund hebben. Wat dat betreft wordt er wel eens geklaagd over de tijd waarin we leven en dat vroeger alles beter was, maar mij hoort u dat niet zeggen. Zeker niet als het hierover gaat; dit zijn zulke schitterende dingen.
U kunt het nu gewoon zien en controleren. Het wijst niet op alles, maar als er dingen zijn waarvan u zegt: “Hé André, dat klopt niet”, dan moet u me daarop wijzen. We doen zo samen studie, nietwaar? Goed, dat was even een opmerking terzijde. “Daarin hebt ook gij eertijds gewandeld, toen gij erin leefdet.”
Het is trouwens wel grappig om meteen nog even iets toe te lichten: in het Nederlandse woord “gij” of “u” blijkt niet of het meervoud of enkelvoud is, maar in het Grieks blijkt dat wel degelijk. “Gij leefdet” – dat zou in het Nederlands enkelvoud of meervoud kunnen zijn, maar hier staat duidelijk: you lived, plural. Er staat een ‘p-tje’ bij, wat meervoud betekent. Dus: júllie leefden. Paulus heeft het hier dus niet over het enkelvoud, maar over het meervoud. Al dat soort kleine bijzonderheden zijn haarfijn op te merken.
Goed, we gaan verder.
Vers 8: Gedrag Afleggen als een Ongepast Kledingstuk ↑ hoofdstukken
Vers 8. “Maar thans moet ook gij dit alles wegdoen.” En zoals wij inmiddels… nou, het begint haast traditie te worden, maar ik wijs er dan toch ook maar weer een keertje op: het woordje ‘moeten’ dat in de vertaling weer is ingeslopen. Ze zijn zo gek op ‘moeten’. Oh, ja, dit is echt opmerkelijk. Je moet eens een concordantie pakken en dan alle keren bekijken dat de NBG-vertaling… met name de NBG-vertaling, daar moet ik op wijzen, die heeft er helemaal een potje van gemaakt. En ik heb gemerkt dat de NBV-vertaling het nog sterker doet – ik heb het niet statistisch nagegaan, maar de NBV-vertaling doet het nog sterker. Dat is eigenaardig, hè?
De Statenvertalingen, die oude vertalingen, hebben de reputatie dat ze zo wettisch zijn, maar in werkelijkheid blijkt dat juist de modernere vertalingen zogenaamd losser en moderner zijn, terwijl er in werkelijkheid veel meer dat woord ‘moeten’ in staat. Hoe de Statenvertaling hier is, weet ik even niet uit mijn hoofd. Wie kan dat zeggen? Wie heeft er hier een Statenvertaling? Nou, ik kan het trouwens zelf ook wel zien… we zullen even kijken… we waren in Kolosse 3 vers 8. Ja, kijk, dit is dus de Statenvertaling: “Maar nu legt ook gij dit alles af.” Niet “moet”, maar dat is de Statenvertaling: “legt af”. Zie je? En dat is me al ontzettend vaak opgevallen, dat de Statenvertaling dat inderdaad correct weergeeft. Dus waarvan akte? Maar nu leggen ook jullie dit alles af.
Het woord voor ‘wegdoen’ is een woord – je ziet het in de Statenvertaling of in de Concordant Version: ‘putting away’ – dat te maken heeft met afleggen. Dat blijkt heel duidelijk, want ditzelfde Griekse woord wordt ook gebruikt in een context die Paulus maar al te goed kende. Hij was zelf ooit zo’n man geweest bij wie de jassen werden afgelegd. Het is de eerste keer dat de figuur Saulus in de picture komt in het Nieuwe Testament: in Handelingen 7 vers 58, bij de steniging van Stefanus. En toen gingen ze de jassies allemaal even uitdoen. Dat was een heel officieel gebeuren, want het was notabene het Sanhedrin dat deze man Stefanus, die een vlammende rede had gehouden, stenigde. Bij die gelegenheid lees je: “en de getuigen legden hun mantels af”. Dit woord wat hier in het Grieks staat, is hetzelfde woord als hier ook: afleggen, zoals je een mantel of een jas afdoet aan de voeten van een jongeman, Saulus genaamd. Dat was dus ooit zijn functie; ik zeg weleens gekscherend dat hij daar de functie had van jasbeschermer.
Hier wordt dus dat woord van wegdoen of afleggen gebruikt. En dat is opmerkelijk, want wat Paulus hiermee aangeeft, is dat het gedrag waar hij het nu ook in het vervolg over gaat hebben – over de dingen die je zou afleggen – gedrag is waarbij hij het verband legt tussen een gedrag en een kleed. Gedrag is niet iets wat bestreden moet worden of waarvoor je in therapie moet. Nee, hij geeft gewoon aan: bepaald gedrag past niet, zoals een jasje je niet past of een kleed je niet past. Dat leg je gewoon af, en een andere uiterlijke vorm die wel passend is, die wel mooi is en goed is, die past bij jouw status. Dat is het idee.
Het is nu eenmaal zo dat we onze kleren met zorg kiezen; de een wat meer, de ander wat minder. Ik hoor bij de laatste categorie, maar ik heb gelukkig een vrouw aan mijn zijde die dat allemaal enigszins stuurt. Maar goed, ik bedoel dit te zeggen: je hebt kleding die bij je past en die past bij je identiteit, bij de vorm en ook bij de gelegenheid. Daar geef je aandacht aan. Wat Paulus zegt – en dat zal hij in het vervolg ook laten zien – is dat jij een uitverkorene van God bent met zo’n status. Daar hoort een bepaald gedrag, een bepaalde buitenkant, een bepaalde kleding bij. Die kleding vergelijkt hij dus met gedrag. Een bepaald gedrag hoort wel bij je status en bij je identiteit, en ander gedrag niet. Dat lijkt mij vrij duidelijk.
Dan wil ik op nog iets wijzen. Hij zegt: “maar thans”. Hij gaat nu namelijk nog iets toevoegen. We hadden in vers 5 al gezien dat hij sprak over dat versterven. In dat rijtje in vers 5 noemde hij dingen die gelieerd zijn aan of te maken hebben met begeerten: seksuele begeerten, maar niet per se alleen dat, ook de begeerten naar meer in het algemeen, hebzucht. Gewoon begeerten, onreinheid en die dingen die hij noemde. Daarvan zegt hij: laat ze versterven. Hier in vers 8 gebruikt hij het woord niet in verband met begeerte, maar heeft hij het allemaal over uitingen van agressie in verschillende vormen. We komen daar nu vanzelf op. En daarvan zegt hij: leg dat af als een kleed. In verband met die begeerte spreekt hij over “doe het versterven”, maar als het gaat om die agressieve uitingen, daarvan zegt hij: dat past niet bij je en leg het als een mantel af.
Ik vind dat toch wel een opmerkelijk verschil. Het ene: laat het versterven. Het andere: dat past domweg niet bij je en als een jasje doe je het uit. Ik vind dat toch wel opmerkelijk om nog eventjes op dat beeld van dat afleggen en het uitdoen van een kleed te blijven staan. Het staat namelijk mijlenver af van de concepten die wij daar in onze tijd bij hebben, namelijk dat je bij bepaalde gedragingen in therapie moet en allerlei psychologische modellen moet volgen. Paulus vat dat veel laconieker op: nou, dat is gewoon een jasje. Het ene doe je uit, het andere doe je weer aan. Het ene past wel, het andere past niet. That’s it. Goed. Nou, wat dan? Over dat afleggen. Ik zei al: over al die negatieve dingen moeten we niet al te veel zeggen, maar goed, Paulus vermeldt het niet voor niets. In de eerste plaats…
Toorn en Heftigheid: een Onbijbels Godsbeeld Gecorrigeerd ↑ hoofdstukken
Hij spreekt over toorn, en ik zei al: het zijn uitingen van agressie. Dat blijkt ook al uit de eerste twee begrippen die hij noemt: toorn en heftigheid. Ik moet er trouwens bij zeggen dat deze begrippen niet per definitie altijd negatief hoeven te zijn. Dat geldt voor toorn, en dat geldt trouwens zelfs voor die heftigheid of vurigheid.
Kijk, dit noemen ze in het ISA-programma een ‘concordant view’. Dan kijk je naar een bewust Grieks woord en dan krijg je zo’n raampje voor je; ik heb dat hier op de dia afgebeeld. Dan zie je dit bewuste Griekse woord dat hier vertaald wordt met heftigheid. Dat woord komt een heel aantal keren voor. Je ziet hier dat het zes keer wordt vertaald met gramschap, althans in deze vorm. Meestal wordt het weergegeven met gramschap, maar ook met hartstocht, met toorn, met opwinding, grimmigheid of uitbarstingen van toorn. Dat is het leuke van zo’n programma: je ziet direct hoe discordant onze vertalingen zijn. Een bewust Grieks woord geeft men op talloze manieren weer, en dat maakt Bijbelstudie erg lastig. Je moet iedere keer zeggen: in de grondtekst is het hetzelfde woord. Waarna natuurlijk de geïnteresseerde Bijbellezer zegt: “Maar waarom hebben ze dat dan niet op dezelfde manier vertaald?” Daar komt dan een hele batterij aan excuses voor, maar geen van alle zijn ze valide. Ik weet wel dat er bij vertalen soms keuzes gemaakt moeten worden — het Grieks is nu eenmaal niet hetzelfde als het Nederlands en het is niet altijd één-op-één over te zetten — maar zo discordant als dit, dat is echt volstrekt onnodig.
Maar goed, heftigheid dus. Je ziet uit zo’n lijstje wel in welke sfeer je moet denken: grimmigheid, heftigheid. Ik zei al dat die woorden niet per se negatief hoeven te zijn. Paulus zegt in Efeze 4, als we het even beperken tot het woordje toorn: “Wordt toornig, maar zondigt niet; laat de zon niet ondergaan over een opwelling van toorn.” Ik zeg het niet helemaal zoals het er staat, maar ongeveer wel. Dat wil zeggen: er is plaats voor toorn. Toorn — boosheid of een uiting van boosheid — kan zeer op zijn plaats zijn. Maar beheers het en laat het ook altijd tijdelijk zijn.
Terwijl ik dit zeg, beginnen mijn gedachten weer enorm rond te draaien, want ik heb juist vandaag een blogje geschreven naar aanleiding van een artikel dat ik had gelezen. Daarin werd het godsbeeld verdedigd dat God eindeloos toornt. Omdat ik dat in een radio-uitzending had bestreden — ik zei dat Gods toorn altijd tijdelijk is en nooit een doel op zich — werd ik voor dwaalleeraar uitgemaakt. Maar het is zo evident en zo duidelijk. We begrijpen het zelfs los van de Bijbel op menselijk niveau al: toorn heeft een functie. Je wordt boos op iets om iets te corrigeren. Het is een middel tot een doel, maar nooit een doel op zich.
En dan te bedenken dat we groot geworden zijn — ik ga er nu gemakshalve van uit dat we tenslotte allemaal groot geworden zijn in een calvinistisch Nederland, in een christelijke wereld voor wat daarvoor door mag gaan — met het idee van een God die eindeloos toornt. Nou, dat is een demonisch idee; ik aarzel zelfs niet om dat woord in dit verband te gebruiken. Ik zeg het mijn moeder na, die ik toch echt inschat als een zeer calvinistische vrouw, maar zij zei vroeger altijd tegen mij: “André, kwaad worden is menselijk en zelfs heel Bijbels, maar kwaad blijven is duivels.” Ja, dat is toch zo?
Maar die eigenschap wordt wel God in de schoenen geschoven. Dat God kwaad zou blijven, dat is toch absurd? Ook over Gods toorn hebben we het nu al een paar keer gehad: het is een Bijbels gegeven, maar Zijn toorn duurt een ogenblik, terwijl Zijn goedertierenheid een leven lang duurt. Dat zijn de Bijbelse proporties en verhoudingen.
Goed, we begrijpen toorn en heftigheid in het algemeen wel, maar mensen hebben dat vaak niet in de hand en niet in de juiste proportie. We kennen allemaal het gezegde: “Word je boos, tel dan eerst tot tien.” Dat wil zeggen: beheers het, zodat er geen uitbarstingen van toorn zijn. Paulus zegt: doe dat weg, leg dat af. In de wereld mag het dan heel gebruikelijk zijn om jezelf maar te laten gaan in agressiviteit naar elkaar toe, maar Paulus zegt: het past niet bij ons, die de liefde van God hebben leren kennen. Toorn en heftigheid moeten we afleggen.
Kwaadaardigheid, Laster (blasfemie) en Vuile Taal uit Uw Mond ↑ hoofdstukken
Kwaadaardigheid, dat is ook weer zo’n merkwaardig begrip, zeker in het Nederlands. Kwaadaardig, boosaardig. Als je goed over zo’n woord nadenkt: wat is het nou eigenlijk? Het is net zoiets als waterstofgas; wat is het nou, vloeibaar of een stof? Kwaadaardig. Of “knap lelijk”. Ja, je bent knap of je bent lelijk, maar je kan ook nog knap lelijk zijn. Ik heb iets met taal en daarom val ik over dergelijke begrippen. Kwaadaardig: in de aard is het kwaad. Het idee is, en dat zie je trouwens ook uit zo’n lijstje bij een Concordant View: kwaadwilligheid, boosheid.
Het woord wordt ook gebruikt in verband met Simon de Tovenaar, die ook van die kwade vermoedens heeft. Kwaadwilligheid, boze intenties bij de ander veronderstellen. Altijd maar het negatieve uitleggen. Als je het gedrag van een ander negatief kunt uitleggen, dat vooral niet nalaten. In de wereld is dat gewoon, dat heet dan laster. Daar komen we trouwens ook nog op. Of kwade vermoedens, roddel. Want roddel is in wezen ook kwaadaardig: namelijk de ander bewust in een negatief daglicht plaatsen. Ja, kwaadaardigheid.
Laster, daar hebben we dit woord waar ik het net over had. Trouwens, dat is wel leuk, want u ziet: wat hier staat is eigenlijk het Griekse woord blasfemie. Dat komt uit het Grieks en blasfemie is eigenlijk gewoon laster. Dat kan godslasterlijk zijn; in die betekenis gebruiken wij blasfemie meestal, maar blasfemie is eigenlijk gewoon laster. U ziet het ook hier: meestal vertaal je het met laster en zo af en toe met godslasterlijk. Dat hangt af van de context. Gevloek.
De precieze betekenis heeft te maken met “harm”. Het is leuk om daarop te wijzen: “harm”, dat wil zeggen beschadigen. Dus het heeft te maken met uitspraken, met beweringen die je doet die een ander beschadigen. Nou, dat is precies wat laster is. Blasfemie. Uiteraard is dat een jasje dat ons niet past en daarom zegt Paulus: leg dat af.
En vuile taal uit uw mond. Ik heb altijd gedacht dat Paulus daarbij doelde op schunnige taal. Dat klopt, maar dat hoeft niet per se – en zeker in deze context niet – te gaan over seksueel getinte opmerkingen of iets dergelijks. Wij denken dan meteen dat dat vuile taal is, maar dat is helemaal niet zo. Vuile taal is eigenlijk gemene taal, schandelijke of lelijke taal. Zo wordt het woord ook weergegeven in het Engelse woord “vile”: dat is gemeen. Gemene taal uit uw mond.
U ziet, dit past dus ook helemaal in dat lijstje, in dat rijtje van vers 8 van agressie: toorn, heftigheid, kwaadaardigheid, laster en gemene taal uit uw mond. Ik had het net even over dat woord roddel, nou, dat zit daar toch heel dichtbij. Gemene taal, laag, schandelijk, lelijke taal. En dan vers 9.
Vers 9: Liegen en de Leugenachtige Tijd (aion) Waarin Wij Leven ↑ hoofdstukken
Liegt niet meer tegen elkaar. Nou ja, “liegt niet meer” staat er eigenlijk niet letterlijk; er staat: “Wees niet liegende”. Wees niet liegende naar elkaar toe. Dat woord liegen is in het Grieks pseudo. Dat kennen we allemaal wel. In het Nederlands zit zoveel Grieks; zoveel begrippen en woorden zijn tot het Griekse te herleiden. Dat is het woordje “pseudo”, en dat betekent “vals” of het heeft te maken met “schijn”. Paulus spreekt over pseudo-apostelen, schijnapostelen. Ze hebben de schijn mee, maar het is vals, onecht en daardoor ook bedrieglijk. Het is een voorstelling van zaken geven die niet conform de waarheid is.
In de wereld is dit normaal. Ik denk dat het ook het meest karakteristieke is voor de aion waarin wij leven. Het is een boze aion. Waarom? Omdat de mensheid de waarheid in ongerechtigheid ten onder houdt. Ik noemde het zojuist al toevallig uit Romeinen 1 vers 18. Omdat de mensheid de waarheid in ongerechtigheid – dat wil zeggen: willens en wetens – ten onder houdt. Daar moet je altijd moeite voor doen. De waarheid heeft de natuurlijke neiging om altijd aan het licht te komen. Dat is waarheid. Het is net als bij de meest treffende vergelijking: een voetbal die je onder water probeert te houden. Dat kan, je kunt een bal onder water houden, maar zodra je hem loslaat, komt hij naar boven.
Maar wat de mensheid doet… deze aion is boos. Waarom boos? Omdat het gekenmerkt wordt door leugen. Men houdt de waarheid ten onder en als het niet mogelijk is, verdraait men haar. Meestal is een leugen niets anders dan een verdraaide waarheid. Het woordje diabolos – wat wij “duivel” noemen – betekent eigenlijk “door elkaar gooien”. De dingen gewoon zo presenteren en neerzetten dat niemand er meer wijs uit wordt en dat je de waarheid niet meer onderkent. In de wereld worden we voortdurend bedrogen, juist ook door de media. Die liegen dat het gedrukt staat. Dat weet u. Ik ken mensen die zeggen: “Ik heb het op internet gezien, dus het zal wel waar zijn”, of: “Het stond in de krant”. Ja, dat zegt Nick, maar het is allemaal leugen. Er is zo enorm veel leugen en dat is ook wat deze aion onwaarachtig en zo boos maakt.
Uiteraard hebben wij de waarheid leren kennen. Dat is toch wat de Schrift is, Gods Woord: dat is de waarheid. Hij heeft gesproken: solide en betrouwbaar. Als er een soort gedrag is dat bij ons past, wij die de waarheid geloven, dan is het dat we de waarheid spreken en ook waarachtig zijn. Geen valse voorstellingen geven, maar gewoon eerlijk zijn. Dat zijn zeldzame eigenschappen. Ik ben er ook van overtuigd dat er niets zo dodelijk is in de communicatie op het microniveau – dat we zeggen: gewoon in huis, in een huwelijk, in een gezin, maar ook in een bedrijf of een geloofsgemeenschap. Er is niets zo belangrijk als juist dat je elkaar kunt vertrouwen. En dat kan alleen als daar waarheid gesproken wordt.
Maar omdat we natuurlijk zelf al liegen – zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten – geloven we de anderen ook niet. We liegen zelf en dus schatten we de anderen net zo leugenachtig in. Nou, dat werkt niet. De hele wereld stapelt zo bedrog op bedrog; het wordt zo complex. Want dat is de grote ellende van de leugen: je moet ook nog eens een keer heel veel onthouden en je begrijpt er toch helemaal niks meer van. Is dit een aanwijzing? Nee. Nou, nog even door: wees niet liegende tegen elkaar. Dat lijkt mij een zeer voor de hand liggende tip. Een aanwijzing van de apostel Paulus voor iedereen die de waarheid liefheeft. “Daar gij…” – over het motief heb ik eigenlijk al wat gezegd, maar wat Paulus hier zegt, lijkt me nog veel mooier.
De Oude, Afgedankte Mens Uittrekken als een Versleten Schoen ↑ hoofdstukken
“Daar gij de oude mens met zijn praktijken afgelegd…” Letterlijk staat er een ander woord, dat is ook weer leuk. Hier wordt hetzelfde woord gebruikt als eerder, dat wil zeggen in de vertaling, maar in het Grieks gebruikt Paulus hier een ander woord en dat is: uitgetrokken. Stripping off. Zoals je een schoen uittrekt, of eventueel een kleed kan ook, maar het is een iets ander woord wat hij gebruikt: daar is de oude mens met zijn praktijken afgelegd. De oude mens is afgelegd. Ook hier moet ik erbij zeggen — nou, ik kom er straks wellicht nog op bij een andere dia, hier beperk ik me even tot deze opmerking — dat hij dus spreekt over uittrekken zoals je een schoen uittrekt. Ik gebruik expres ook dit beeld omdat Paulus het over de wandel heeft en daarom vind ik schoenen eigenlijk wel een mooi beeld. Oude schoenen.
Die uitdrukking ‘oude mens’ komen we nog wel een paar keer meer tegen in de brieven. Even over dat woordje ‘oud’. Ook dat kennen we wel. Nou, dat is niet een al te bekend woord, maar de meesten van u zullen wel eens gehoord hebben van paleontologie. Paleontologie is een studierichting die zich bezighoudt met uitgestorven dieren en planten. Paleo betekent oud, maar dan in de zin van tegenover jong. Ik kom er straks nog even op terug, maar dat is het woord wat hij gebruikt: oud in de zin van antiek, afgedankt, wat inmiddels eigenlijk over de datum is. Verouderd.
Diezelfde uitdrukking die hij hier bezigt, bezigde hij ook in Romeinen 6 vers 6. Daar schrijft hij dit: “Dit weten wij immers, dat onze oude mens mede gekruisigd is.” Dit zijn dezelfde gedachten die ook in de Kolossensenbrief weer meekomen; altijd weer vind je dat terug in de brieven van Paulus. Christus stierf, Christus werd gekruisigd en aangezien wij als gelovigen verbonden zijn met Hem, zijn we dus samen met Hem mede gekruisigd. Zo rekent God. Dat is de waarheid van ons leven; we kennen Hem en we zijn verbonden met Hem en dus mede gekruisigd, en dus ook mede opgewekt, levend gemaakt en mede doen zitten in de hemelse gewesten. We zullen weer met Hem verschijnen in heerlijkheid, compleet één met Hem. Dit weten wij, dat onze oude mens mede gekruisigd is, opdat aan het lichaam van de zonde — dat wil zeggen het lichaam dat beheerst wordt door de zonde — zijn kracht zou ontnomen worden. Letterlijk staat er gewoon dat het tenietgedaan zou worden, vernietigd wordt, omdat het namelijk een andere leiding heeft gekregen.
En dan nog één, in vers 22 van Efeze 4, ook die uitdrukking ‘oude mens’: “Dat gij wat uw vroegere wandel betreft de oude mens aflegt, die ten verderve gaat.” Ik had het net over die schoenen; dat gij wat uw vroegere wandel betreft de oude mens aflegt. Dat woord oud heeft te maken met dat wat inderdaad heel oud is in de zin van niet meer jong. Die oude mens die dateert al van duizenden jaren, van Adam, maar is ook een die van voorbijgaande aard is, gelukkig. Die gaat ten verderve. Deze oude mensheid zoals we die nu zien, gewoon in het algemeen ook de mensen zoals we die kennen, dat is een voorbijgaande mensheid in zijn huidige vorm. Dat is een oude mensheid en inmiddels is er een nieuw mensensoort. Sinds de opstanding van Christus is er een nieuwe, jonge mens. Maar daarover gaan we het straks nog even hebben. Ik stel voor dat we nu eerst pauzeren.
We waren gebleven in vers 9 om over de oude mens te spreken. Daar moet je het nooit al te lang over hebben, want ik heb het veel liever over de nieuwe mens. Over die oude mens wordt een woord gebruikt dat te maken heeft met iets wat wij associëren met dat wat uitgestorven is, of in ieder geval uitdreigt te sterven, en dat is feitelijk ook een beetje het idee hier. De oude mens. Oud staat tegenover jong. Dat is een beetje vreemd in onze Nederlandse taal; wij hebben ‘oud’ als tegenstelling van ‘nieuw’, maar we hebben ook ‘oud’ als tegenstelling van ‘jong’. Het Grieks is daarin preciezer en heeft verschillende woorden voor jong en oud en voor nieuw en oud, zoals het eigenlijk ook hoort. Dat moet je vervolgens, als je dat in het Nederlands omzet, toch even toelichten. Het gaat hier dus over die oude, afstandse mens. Dat is het idee. Ik liet al een paar schriftplaatsen daarover zien en we gaan nu verder.
Vers 10: het Aandoen van de Nieuwe, Jeugdige Mens ↑ hoofdstukken
En de nieuwe aangedaan hebt. Ook hier – dat is wat ik voor de pauze ook al even wilde aangeven, maar bij dezen is hier het diaatje dat ik daarvoor gemaakt heb – staat het in de aorist. Dat is een Griekse werkwoordsvorm die een feit uitdrukt. Het is tijdloos, ongeacht wanneer. “En de nieuwe aandoet”, wellicht dat je het zo het beste kunt weergeven in het Nederlands. Ik bedoel, wij hebben werkwoorden waarbij je iets in het verleden, in het heden of in de toekomst zet, maar het Grieks heeft ook nog een werkwoordsvorm waarbij het tijdloos is. Gewoon het feit wordt gesteld, ongeacht wanneer. Nou, dat is de aorist. Dat komt heel vaak voor en dat is de werkwoordsvorm die hier gebruikt wordt: een tijdloos feit, de nieuwe mens aandoen als feit.
En dat woord “nieuw”, ik zei het zojuist al, dat is hier ook het woordje neo. Dat kennen we wel, de neo-nazi’s, de “nieuwen”. Maar dat neo is dus in de zin van jong, vers en jeugdig; als tegenstelling van wat oud en afstands is, antiek. En hier wordt dus gesproken over een oude mens, die je hebt afgelegd zoals je een jas hebt uitgedaan, en dat je de nieuwe aandoet. Dat wil zeggen: de nieuwe, de jonge, de verse, de jeugdige. Het is die nieuwe mens die eigenlijk aan het licht trad bij de opstanding van Christus. Toen begon het, toen werd de laatste Adam verwekt en in Hem kwam er daarmee ook een hele nieuwe mensheid aan het licht. Dat wil zeggen: Hij is het Hoofd van een totaal nieuwe mensheid. Je hebt de Adam als hoofd van de mensheid die doodgaat, en je hebt de laatste Adam – de echte, de definitieve versie. Vandaar ook niet “de tweede Adam”, zoals heel vaak foutief gezegd wordt. Nee, dit is de laatste Adam, de definitieve versie. Waarom? Wel, Hij brengt leven aan het licht dat nooit meer voorbijgaat, dat jong blijft. En ook al is dat inmiddels tweeduizend jaar geleden, het is nog steeds de kersverse nieuwe mens die vitaal is en blijft: jong, vers, jeugdig.
De nieuwe aandoet, die vernieuwd wordt. Ik word op mijn wenken bediend, want hier wordt nou weer… Ja, ik ben taaldocent, maar goed, ik geef altijd Nederlandse les aan Polen en dan moet je echt op een heel laag niveau Nederlands praten. Dus ik vind het wel eens leuk om wat meer op niveau Nederlands te spreken. Dat doe ik nu bij dezen, want ik had het net over die twee vormen van nieuw. Terwijl hier wordt niet gesproken over nieuw in de zin van jong, vers of jeugdig; nee, hier wordt over nieuw gesproken als tegenstelling van oud. Bent u er allemaal nog?
Epignosis: de Verdieping van Kennis Naar Geestelijk Besef ↑ hoofdstukken
Nou, dat is wat hier gebruikt wordt: die vernieuwd wordt tot volle kennis. Laat ik eerst even daar de aandacht voor vragen. Over dat woord ‘volle kennis’ hebben we in een veel eerder stadium al eens nagedacht, toen we in hoofdstuk 1 bezig waren. Dat is dit woord: epignosis. Herinnert u zich dat nog? Dat is letterlijk epi – dat is een voorzetsel dat ‘op’ betekent – en gnosis, dat is kennis, kennen. Eigenlijk dus ‘op-kennen’. Dat is boeiend als je op zulke woorden wat meer let en wat inzoomt, dan gaat er een wereld open. Waarom? Omdat je aan de ene kant kennis hebt, dingen die je weet, maar er gaat iets bovenuit, boven het weten. Dat is wat epignosis is.
We kennen dat allemaal wel: dat is het beseffen, iets je werkelijk realiseren. Je kunt iets weten, dat is één ding. Dat is wat je op school leert; je neemt informatie tot je. Maar dat is niet genoeg. Het gaat erom dat die kennis ook werkelijk landt, zoals wij dat dan zeggen. Ik ben zelf in bevindelijke kringen groot geworden en daar werd altijd gezegd: “Ja, maar het gaat er niet alleen om dat je dingen weet, maar dat je ook dingen gaat bevinden.” Dat wil zeggen: gaat beseffen, gaat realiseren, dat je het je in je hart ook eigen maakt.
Nou, dat is het woord wat Paulus hier gebruikt: epignosis, echt besef. Er zijn zoveel dingen die je kunt weten zonder dat het al echt ‘daar’ is; we kennen daar allemaal de voorbeelden van in ons eigen leven. Dat het kwartje nog niet gevallen is, zoals we dat dan zeggen. En dan ineens: “Ik heb altijd geweten dat dat vers er stond, ik wist het wel, maar nooit drong het werkelijk tot mij door.” Dat is besef. Dat is dus meer; het gaat letterlijk boven kennis uit. Epignosis – het woord geeft al aan dat het boven kennis uitgaat, het ligt erop. Het veronderstelt natuurlijk wel dat je eerst moet weten. Je kunt niet beginnen bij besef; je moet eerst gewoon dingen leren, gewoon de feiten kennen en weten waar het over gaat. En vervolgens gaat het erom – en meestal is het zo dat je dat in de praktijk ook door ervaringen leert.
Ik noem maar wat, misschien wel juist een voorbeeld waar ik het vandaag nog over gehad heb: als het gaat om het feit dat God degene is die alles in de hand heeft. Hij is ook de Schepper van goed en kwaad. Dat is iets wat je moet weten. Ja, maar het is een hele diepe waarheid. Het is zo’n kolossale waarheid, je kunt het wel weten, maar tot echt besef kom je alleen wanneer je de ervaring van het kwaad ook opdoet. Ik bedoel dat je echt lijden ondervindt. En ik vraag me af terwijl ik hier sta: weet ik werkelijk waar ik het over heb? Er zijn dus ook weer gradaties in, dat je het steeds meer gaat beseffen wat het werkelijk betekent dat Hij echt degene is die alles een plek geeft.
Het is één ding om het te weten, maar het is iets heel anders om het te realiseren. En dat geldt voor zoveel Bijbelse waarheden die je juist in de praktijk leert ondervinden. Ja, zo is het. Dat leer je dus niet op school. Daar begint het, want hoe zou je het kunnen beseffen als het je nooit verteld is, als de informatie je gewoon niet is aangedragen? Die nieuwe mens, die wordt vernieuwd – ik kom nog even op dat woord terug – maar nu dus even dit woord: tot volle kennis. Ja, dat is prima, maar het is dus tot besef, tot realisatie.
Anakainoo: de Opwaartse Vernieuwing en Transformatie van het Denken ↑ hoofdstukken
Nu dat woord vernieuwen, dat is ook een mooi woord. Dat is ‘anakainoo’. Dat woord ‘ana’ — zoals in analogie, dat kennen we wel — is een voorzetsel in het Grieks dat betekent: naar boven gaan. Wat wij noemen: opwaarts. ‘Ana’ betekent naar boven gaan, op; dat is wat oplicht en wat naar boven gaat. Nou, dit woord wat hier staat, betekent dus ‘naar boven vernieuwd worden’. Dat is geen Nederlands woord en je kunt het nooit zo weergeven, maar dat is wat er in dat Griekse woord zit. Het is dus niet alleen maar ‘vernieuwd worden’, maar het is een opwaartse vernieuwing. Dat lijkt me een understatement in dit geval; het is inderdaad een vernieuwing naar boven toe. Prachtige associaties brengt dat met zich mee.
Het is bovendien een passieve werkwoordsvorm. Dat betekent dat je die vernieuwing niet zelf doet, maar dat je haar ondergaat. Het is een vernieuwing tot besef. Ik zal twee voorbeelden geven waarin dat woord vernieuwen ook gebruikt wordt en waarbij exact dezelfde gedachten worden opgeroepen. In Romeinen 12 vers 2 staat — ik heb er meteen maar even de interlineaire tekst bij gehaald: ‘En wordt niet gelijkvormig aan deze aion’. Er staat eigenlijk gewoon het woordje ‘aion’, dus: wordt niet gelijkvormig aan dit wereldtijdperk waarin de leugen regeert, maar wordt hervormd. Ook hier staat: ‘wordt hervormd’. Dat wil zeggen: wordt getransformeerd. Ziet u wat hier staat? Zelfs zonder de Griekse letters te kunnen lezen, zie je met enige fantasie: ‘metamorfose’. Ja, dat is een metamorfose. Word dus niet gelijkvormig aan deze aion, maar wordt getransformeerd.
Hoe vindt die transformatie plaats? Dat doen we niet zelf, zoals een metamorfose sowieso nooit eigen werk is. Een rups gaat op een gegeven ogenblik hangen en dan is het niet zo dat hij zijn best zit te doen om een vlinder te worden. Nee, hij wordt gewoon een vlinder; hij ondergaat het. Hij wordt getransformeerd. En dan staat er hierbij: ’tot vernieuwing’. Ik wijs daar even op, want hier wordt hetzelfde woord gebruikt als wat Paulus in Kolossense 3 vers 10 gebruikt. Dat is die opwaartse vernieuwing. Wordt getransformeerd door de vernieuwing, de opwaartse vernieuwing van het denken van jullie. Zie je dat die vernieuwing en de transformatie die dat tot gevolg heeft, allemaal beginnen bij de ‘mind’, bij de kennis?
Want hoe vindt vernieuwing van denken plaats? Hoe ga je anders denken? Het antwoord is heel simpel: je krijgt nieuwe dingen te horen, je krijgt data. Dat klinkt misschien heel computerachtig, maar je krijgt andere informatie. Je neemt de Schrift bij zijn woord en daardoor worden je gedachten totaal veranderd; je perspectief verandert. Je gaat heel anders tegen de dingen aankijken. Je krijgt heel andere gegevens en daardoor wordt jouw denken compleet veranderd. Dat is een proces; het is niet zo van: ‘Gisteren had ik nog dat oude denken en vandaag ben ik nieuw en dat is het.’ Nee, je ziet ook hier dat het een voortdurend proces is. Je hoort telkens weer nieuwe dingen en dat besef — zelfs al hoor je geen nieuwe dingen — blijft doorgaan, ook door de ervaringen waar ik het zojuist over had.
Maar het begint bij kennis. Dat zagen we trouwens ook al in Kolossense 1, waar Paulus iedere keer spreekt over kennis. De Here waardig wandelen begint gewoon bij Hem leren kennen en weten wie Hij is. Alleen als je weet wie Hij is, kun je Hem ook waarderen en krijgt je wandel waarde. Ik hou ervan om woorden heel letterlijk te nemen. Als ‘de Here waardig wandelen’ wil zeggen dat je wandel — je leven, je gedrag, je gang — waarde gaat krijgen, dan wordt het waardevol. Je wordt rijk. Hoe kan jouw wandel rijk worden? Dat is niet een kwestie van je keurig gedragen; dat zijn kunstjes. Dat is wat Martin Gaus een hond leert, maar dat is niet wat wij doen. Wij leren geen kunstjes in de Bijbel. Ik weet dat vele christenen het wel zo opvatten en naar discipelschapscursussen gaan waardoor je leert je keurig te gedragen, maar dat is totaal buiten de orde. Paulus denkt daar heel anders over en laat het heel anders zien: je wordt vernieuwd, je leert Hem kennen, je leert Zijn waarde zien en daardoor gaat jouw leven en jouw wandel steeds meer waarde krijgen. Je leert steeds meer dingen verstaan en kennen; dat wordt steeds rijker.
Ik weet ook dat dit tijd nodig heeft. Soms ontmoet je iemand of krijg je een mailtje — zo gaat het mij dan — en een hele tijd hoor je niets meer. Later hoor je dan weer: ‘Ik moest dat allemaal eens een keertje goed verwerken.’ Zo werkt dat ook in de praktijk. Mensen horen ineens iets nieuws, zeker als ze altijd in een bepaald stramien geleefd hebben — bijvoorbeeld godsdienstig — en als ze daaruit loskomen, gaat er een compleet nieuwe wereld open. Dat gaat niet van de ene op de andere dag, dat kan ik u vertellen. Het is een proces; geef elkaar daarin de ruimte. Leg elkaar niet de meetlat langs of neem elkaar de maat niet.
Het is heerlijk om te doen wat we nu ook doen: het begint gewoon bij studie. Een ecclesia is een plaats als een leerschool waar je dingen leert en waar de Schrift open gaat. In het algemeen is het zo dat als je onder elkaar bent en de Schriften open gaan, je de Schrift tot onderwerp hebt. Daarin leer je van elkaar en wijs je elkaar op dingen: ‘Weet je dat dat er staat? Goh, ik heb nu dit gelezen.’ Ongeacht over welk onderwerp het gaat — of het nu de toekomst is, Israël, de profetie, of de wetenschap, wat altijd erg leuk is — alles komt voort uit het Woord. Je leert het verstaan en je wordt zo vernieuwd door kennis. Die transformatie is een machtig proces waar we ons helemaal niet druk over hoeven te maken, want dat is een metamorfose die God voor Zijn rekening neemt. Het begint bij het denken.
Ik heb hier nog een tekst van Paulus waarin hij dit woord ‘anakainoo’ gebruikt: 2 Korinthe 4 vers 16. Daar schrijft hij — ik laat even het verband voor wat het is: ‘Daarom verliezen wij de moed niet, maar al vervalt ook onze uiterlijke mens…’ Daar hadden we het over: die oude mens. In de pauze hadden we het er nog even over dat je ouders worden ouder, met alle tragische begeleidende verschijnselen; mensen takelen af. Dat is een heel verdrietig proces en we hoeven de dingen wat dat betreft helemaal niet mooier te maken dan ze zijn. Die aftakeling van de uiterlijke mens is niet leuk. Ik zeg het nu nog een beetje met een knipoog, want ik ben nog een jonge man, nietwaar? Maar ik hoor mijn vrouw wel erg hard lachen. Ik moet gelijk denken aan de jaren en ik hoop maar niet dat ze zichzelf bedoelt…
Ja, Petra wil je echtgenoot wel een beetje in ere houden daar, zo in het publiek. Maar goed, over de uiterlijke mens. Dat zijn nog leuke grapjes, maar als het echt serieus wordt en een mens wordt ouder met alle verschijnselen, dan lach je daar in eerste instantie nog om, maar daarna wordt het moeilijk. Die uiterlijke mens is in verval.
Overigens moet ik erbij zeggen, als ik het zo toepas: dat is ongetwijfeld de waarheid, maar Paulus heeft het hier trouwens niet over het verouderingsproces, waarop dit overigens wel van toepassing is. Daarom zeg ik het nu ook even. Maar hij heeft het hier vooral over de druk waaronder hij leefde en de vervolgingen die hij had doorstaan; hoe hem dat benauwde en hoe dat de uiterlijke mens ook deed aftakelen.
Wij verliezen de moed niet, maar al vervalt ook onze uiterlijke mens, de mens aan de buitenkant, nochtans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd. Ook hier weer die passieve vorm: hij wordt vernieuwd. En we weten nu inmiddels — twee getuigen hebben dat al heel duidelijk laten zien — hoe vindt die vernieuwing plaats? Wel, door kennis, door bovenkennis, door besef. Eerst weten en dan ook tot realisatie komen; zo vindt die vernieuwing plaats. Dagelijks, dag aan dag, steeds meer.
En dat is het heerlijke. Ik vind het geweldig om dat van anderen te horen en om dat zelf ook te beleven. Er is inderdaad sprake van een aftakeling, maar ach, al te zeer maken wij ons daar niet druk over, want die innerlijke mens… dat contrast wordt daardoor juist des te sterker. Hij wordt alleen maar vernieuwd. Je gaat hem steeds beter leren kennen en in die stijl wordt het bestaan alleen maar rijker. Ja toch? Want de binnenkant, die leer je steeds beter kennen. Je wordt je steeds meer bewust van de waarde van Hem.
En dat is ook het geheim van een waardige wandel. Want als je Zijn waarde kent, dan gaat je wandel dat ook laten zien. Dat wil zeggen: daar komt die waardering gewoon onwillekeurig tot uiting. Don’t worry about that, zou ik zeggen. Daar hoef je helemaal geen zorgen over te maken. Dat gebeurt allemaal automatisch.
Gevormd Worden Naar het Beeld (icoon) van de Schepper ↑ hoofdstukken
En u hebt de nieuwe mens aangedaan, die vernieuwd wordt tot besef naar het beeld van zijn Schepper. En dat woord ‘beeld’, eikōn, waar ons woord icoon weer vandaan komt natuurlijk — in het Nederlands is dat tegenwoordig ongeveer hetzelfde — dat woord had Paulus een paar hoofdstukken eerder al gebezigd. Daar had hij ook precies verteld wie het icoon is, of zonder lidwoord: wie ‘beeld’ is van die Schepper. In hoofdstuk 1 vers 16 schrijft hij dit (hij heeft het daar over de Zoon van Gods liefde, Kolosse 1 vers 13): “Hij is het beeld”, of “Hij is beeld van God de Onzienlijke”, zo staat het er letterlijk. De eerstgeborene van elk schepsel, want in Hem zijn alle dingen geschapen, enzovoorts. Dat betekent niet dat Hij als eerste is geschapen, maar dat Hij van elk schepsel de eerste plaats inneemt. Daar ga ik nu verder niet op in, maar het is genoeg om nu hier op te merken dat het beeld van de Schepper uiteraard niemand anders is dan Christus Zelf. God Zelf is de onzienlijke, maar Hij heeft een beeld: Christus is Zijn icoon en Hij vertegenwoordigt Hem.
Welnu, wij worden vernieuwd tot besef naar dat beeld. ‘Naar’ betekent hier in overeenstemming met dat beeld van de Schepper. Hij is het icoon en ik moet er meteen aan denken — en dat staat trouwens ook in 2 Korinthe — waar Paulus zegt dat als wij Hem zien, het beeld van God, wij naar hetzelfde beeld veranderd worden. Het woord metamorfose staat daar dan ook. Ik bedenk het nu even ter plekke, maar ik realiseer me dat dat woord daar ook staat, in 2 Korinthe 3 vers 18. Wij allen, die geen aangezicht hebben dat bedekt is — niet meer de wet, want die is weggedaan — en wij aanschouwen de heerlijkheid. Ik zal het u eens laten zien, dan doen we het even goed.
Kijk hier: metamorfose. “Wij allen die met een aangezicht waarop geen bedekking (dat is de wet in dit verband) meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen (dat wil zeggen: reflecteren), worden veranderd naar hetzelfde beeld.” Maar dat ‘veranderen’ kunt u wel doorstrepen. Er staat niet ‘veranderen’, er staat: wij worden veranderd. Hier staat weer dat woordje metamorphoō en dan in de passieve vorm: wij worden veranderd. Niet actief, maar passief. Wat is ons aandeel daarin, voor zover je dat kunt zeggen? Het punt is dat wij Hem zien; wij weerspiegelen Hem. Het hele beeld is dat van een reflectie: een reflector die gericht is op de lichtbron, ontvangt licht en weerspiegelt dus ook dat licht. Dat is geen activiteit, dat is gewoon een proces. En als wij zien op Hem, dan worden we naar hetzelfde beeld — dat is wat hier staat: icoon — naar hetzelfde beeld, namelijk van de heerlijkheid des Heren, getransformeerd van heerlijkheid tot heerlijkheid, door de Here die Geest is.
De verleiding zou groot zijn om daar nu meer op in te gaan, maar het punt is dat ik erop wil wijzen dat hier ook over dat beeld gesproken wordt. We worden naar hetzelfde beeld getransformeerd en het hele idee is dat we daarop zien. Eigenlijk is dat hetzelfde als dat ik kennisneem van iets: ik hoor daarover of ik lees daarover, ik neem Zijn Woord tot mij. Maar dat Woord richt ons op Hem, zodat we Hem zien en getransformeerd worden. Dus welk zintuig je ook benadert, of dat nu via het oor is of dat je het ziet of leest: we houden ons bezig met Hem, we zijn op Hem gericht. En dat zet die transformatie in werking. En dat gaat door, dat gaat door; door kennis, door besef, door te zien op die heerlijkheid. Ja, we worden getransformeerd naar hetzelfde beeld, naar het beeld van zijn Schepper. Dat is uiteraard de Zoon van God.
Vers 11: Geen Aards Onderscheid Meer, Christus Is Alles in Allen ↑ hoofdstukken
Waarbij geen onderscheid is, zo staat er, maar eigenlijk staat dat woord ‘onderscheid’ er niet eens. Het idee is: het heeft geen enkele betekenis. De dingen die Paulus nu gaat noemen, spelen daarin geen rol. Hij somt een lijst van tegenstellingen op die in deze wereld conflict veroorzaken; verschillen die barrières vormen. Griek en Jood, dat is een cultureel en nationaal verschil. Het waren twee compleet verschillende werelden: de Joodse wereld en de Griekse wereld. De ene draaide om godsdienst, de andere met name om cultuur. Het waren compleet verschillende werelden, maar dat verschil speelt in de ecclesia, voor degenen die geloven, geen enkele rol. Als je vernieuwd wordt door die kennis waar we het over hadden, door dat besef van wie Hij is, dan is daar geen onderscheid. Griek en Jood spelen geen rol. Let trouwens op die volgorde; dat is ook interessant. Bij Paulus heeft de Jood daarin niet eens meer voorrang. In dat lichaam wordt zelfs de Griek eerst genoemd. Dat is heel onlogisch als je bedenkt dat de Jood normaal gesproken de eerste plaats inneemt, maar hier speelt het geen rol. Griek en Jood, het is om het even.
Het doet er namelijk niet toe: besneden of onbesneden. Dat is echt een typisch godsdienstig verschil. In de praktijk is dat altijd een enorme barrière. De besnedenen… kijk, voor een deel loopt dit natuurlijk synchroon met Jood en Griek, besneden en onbesneden, maar het hoeft niet per se. Het zijn verschillende werelden: cultureel en nationaal, maar ook godsdienstig qua ceremonie. Mensen die koosjer leven en besneden zijn, met alle godsdienstige consequenties, gaan niet met elkaar om. Dat zijn twee werelden die niets met elkaar te maken hebben en ze conflicteren ook met elkaar. Maar in Christus, dus in die nieuwe, verse mensheid — ik gebruik expres even die termen — speelt dat onderscheid geen rol. Natuurlijk hebben we allemaal onze achtergronden en die nemen we mee, maar in de ecclesia, in die nieuwe mens, doet dat niet ter zake. Of je nou protestants, katholiek of uit een moslimachtergrond komt, het legt totaal geen gewicht in de schaal. Of je nu atheïstisch bent opgegroeid; het is allemaal om het even.
Besneden of onbesneden, barbaar en Skyth. Dat is trouwens geen tegenstelling, maar eigenlijk meer een versterking. Elders, in Romeinen 1, spreekt Paulus over Grieken en barbaren. De Grieken zijn de beschaafden. We weten allemaal: barbaren klinkt niet erg beschaafd. Zo wordt het ook spreekwoordelijk gebruikt: iemand die ‘barbaars’ eet, heeft bij wijze van spreken geen mes en vork, maar eet gewoon met zijn handen. Een barbaar is synoniem met onbeschaafd, en de Skyth was daar het summum van. Zij leefden buiten de Romeinse wereld en men zegt wel dat de Skythen barbaren in het kwadraat waren. Maar ook dat speelt geen rol. Paulus had al over Grieken gesproken, dus die tegenstelling kon hij hier niet meer gebruiken, daarom spreekt hij nu over de barbaar en de Skyth.
Slaaf en vrije, dat zijn weer maatschappelijke verschillen. Dat heeft te maken met of je beschaafd bent of niet. Wij kennen nu geen slavernij meer, maar je kunt denken aan het verschil tussen een werknemer of een werkgever. Of je nu een hoge status hebt op de maatschappelijke ladder, of hoe dat maar heten mag, of een lage: slaaf of vrije. Maar Paulus zegt: alles en in allen is Christus. Want om Hem gaat het. Dat nieuwe leven, dat zoeken wij. Tot die kennis worden we ook vernieuwd, naar boven toe. Alles en in allen is de Christus, dat wil zeggen: de Opgewekte, de Levende.
Ik stel voor dat we het daar voor nu bij laten, want ik zie dat we nu zouden aankomen bij vers 12. Dat is trouwens het positieve gedeelte. Vers 12 begint dan als een opzetje voor de volgende keer, over twee weken bij leven en welzijn. Dan gaan we hier verder en dan gaat Paulus spreken over dat wat we aan zouden doen. We hebben gesproken over het gedrag van de oude mens, wat bij de oude mens past, en nu gaat hij specifiek spreken over dat wat past bij de nieuwe mens. Dat is een mooi onderwerp voor over twee weken, dus ik stel voor dat we het hierbij laten.
Laten we nog met elkaar danken. Machtig God en Vader, we danken U dat we Uw Woord mogen bezitten en dat we ons bezig mochten houden met deze verzen die ooit, tweeduizend jaar geleden, in de gevangenis werden opgetekend door die gezant van U. Wat een rijkdom, wat een waarde en wat een perspectieven openen zich wanneer we ons daarmee bezighouden. We danken U dat Uw Woord altijd weer fris is, jong en jeugdig, en dat het in staat is ons te vernieuwen. Het brengt ons kennis bij en leert ons nieuwe dingen, zodat we door de praktijk van alledag ook tot besef mogen komen waardoor we worden getransformeerd. Here, we danken U dat dit Uw werk is. Dat we geen kunstjes leren, maar dat we werkelijk van binnenuit worden vernieuwd. We danken U, hemelse Vader, dat we ons niet hoeven blind te staren op de uiterlijke mens en ook niet op de omstandigheden of onze status waar we het zojuist over hadden, of onze achtergronden. Het speelt allemaal geen rol, want er is maar één om wie het werkelijk gaat en dat is Hij die het graf leeg achterliet en opgestaan is uit de doden. We danken U dat we Hem mogen kennen en alles mogen bedenken wat bij Hem te vinden is. We zien uit naar die toekomst van U en we danken U, Here, dat we onderweg en in die tussentijd geheel afhankelijk zijn van U en naar U mogen opzien. We dragen onszelf zo op voor de rest van deze avond. We bevelen ons aan bij U; neemt U ons voor Uw rekening. Breng ons veilig daar waar we verwacht worden. En we danken U voor alles wat we mogen bezitten in Uw Zoon, Christus Jezus. Amen.
UltimateGoodNews