7. Kolosse 1:29-2-7
20-09-2012 - Geplaatst door Andre PietPresentatie van studieavond gehouden op 20 september 2012 in Rijnsburg
Studieavond over Kolosse 1:29-2-7(NBG):
29 Hiervoor span ik mij ook in, onder zware strijd, naar zijn werking, die in mij werkt met kracht. 1 . Want ik stel er prijs op, dat gij weet, hoe zware strijd ik te voeren heb voor u, en voor hen, die te Laodicea zijn en voor allen, die mijn aangezicht niet hebben gezien in het vlees, 2 opdat hun harten getroost en zij in de liefde verenigd worden tot alle rijkdom van een volledig inzicht, en zij het geheimenis Gods mogen kennen, Christus, 3 in wie al de schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn. 4 . Dit zeg ik, opdat niemand u met drogredenen misleide. 5 Want al ben ik naar het vlees afwezig, naar de geest ben ik bij u en ik zie met blijdschap de orde, die bij u heerst, en de hechtheid van uw geloof in Christus. 6 Nu gij Christus Jezus, de Here, aanvaard hebt, wandelt in Hem, 7 geworteld en dan opgebouwd wordend in Hem, bevestigd wordend in het geloof, zoals u geleerd is, overvloeiende in dankzegging.
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Terugblik op de Verborgenheid van Christus Onder de Natiën
- Paulus' Inspanning Onder Zware Strijd Naar Zijn Krachtige Werking
- Gebedsstrijd voor de Gelovigen in Colosse en Laodicea
- Harten Bemoedigd en in de Liefde Verenigd (ahava en Echad)
- Tot het Volle Besef (epignosis) van het Geheimenis Gods
- De Verborgen Schatten van God in Christus
- Wijsheid (sofia) Begrepen als Hemels Uitzicht (tsofim)
- Kennis (gnosis) en de Allesomvattende Liefde van God
- Waarschuwing voor Misleiding Door Menselijke Drogredenen
- Aanwezig in de Geest: Blijdschap over Orde en Stabiliteit
- Wandelen in Christus: de Afdoende Rijkdom van het Woord
- Geworteld, Opgebouwd en Overvloeiend in Dankzegging
- De Wil van God: Verblijdt U te Allen Tijde en Dankt Onder Alles
Terugblik op de Verborgenheid van Christus Onder de Natiën ↑ hoofdstukken
Inmiddels zijn wij voor de zevende keer bij elkaar om de Kolossenzenbrief te bespreken. Dat betekent dat wij inmiddels zes avonden hebben afgerond. Die zes avonden hebben we besteed aan het eerste hoofdstuk; daar komt het ongeveer op neer, want we hebben net het laatste vers van Kolossenzen 1 nog niet afgerond. Dat betekent dus dat we zo goed als het eerste hoofdstuk hebben besproken. Zes avonden hebben we daarover gedaan en hoe het met het vervolg zal zijn, dat weet ik niet. Maar we hebben nog heel wat avonden wellicht voor de boeg, zo God ons de tijd, de gelegenheid en de gezondheid daarvoor geeft.
Zoals gezegd pakken we de draad gewoon weer op waar we hem de vorige keer, een kwartaal terug, hebben losgelaten. Maar voordat we dat doen, stel ik voor dat we onze geheugens nog even opfrissen en het gedeelte gaan lezen vanaf hoofdstuk 1, vers 24, waar Paulus dit schrijft. Ik lees voor uit de NBG-vertaling:
“Thans verblijd ik mij over hetgeen ik om uwentwil lijd, en vul ik in mijn vlees aan wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus, ten behoeve van zijn lichaam, dat is de gemeente. Haar dienaar ben ik geworden krachtens de bediening, die mij door God is toevertrouwd, om onder u het woord van God tot zijn volle recht te doen komen, het geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest, maar thans geopenbaard aan zijn heiligen. Hun heeft God willen bekendmaken, hoe rijk de heerlijkheid van dit geheimenis is onder de heidenen: Christus onder u, de hoop der heerlijkheid. Hem verkondigen wij, wanneer wij ieder mens terechtwijzen en ieder mens onderrichten in alle wijsheid, om ieder mens in Christus volmaakt te doen zijn. Hiervoor span ik mij ook in, onder zware strijd, naar zijn werking, die in mij werkt met kracht.
Want ik stel er prijs op, dat gij weet, hoe zware strijd ik te voeren heb voor u, en voor hen, die te Laodicea zijn en voor allen, die mijn aangezicht niet hebben gezien in het vlees, opdat hun harten getroost en zij in de liefde verenigd worden tot alle rijkdom van een volledig inzicht, en zij het geheimenis Gods mogen kennen, Christus, in wie al de schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn. Dit zeg ik, opdat niemand u met drogredenen misleide. Want al ben ik naar het vlees afwezig, naar de geest ben ik bij u en ik zie met blijdschap de orde, die bij u heerst, en de hechtheid van uw geloof in Christus. Nu gij Christus Jezus, de Here, aanvaard hebt, wandelt in Hem, geworteld en dan opgebouwd wordend in Hem, bevestigd wordend in het geloof, zoals u geleerd is, overvloeiende in dankzegging. Ziet toe, dat niemand u medeslepe door zijn wijsbegeerte en door ijdel bedrog in overeenstemming met de overlevering der mensen, met de wereldgeesten en niet met Christus, want in Hem woont al de volheid der godheid lichamelijk; en gij hebt de volheid verkregen in Hem, die het hoofd is van alle overheid en macht.”
Tot zover even. Ik kan natuurlijk doorlezen, maar ik vrees dat ik dan een beetje te optimistisch de draad oppak. Dat wil zeggen: ik denk niet dat we helemaal bij dit tiende vers zullen aankomen, maar we zien wel hoe ver we komen. We worden niet opgejaagd. Er is geen reden om snel te gaan; er is ook geen speciale reden om langzaam te gaan. Dat wat nodig is om te bespreken — tenminste, dat is uiteraard mijn eigen oordeel — dat wat ik nodig acht om te bespreken of toe te lichten, dat doen we.
Zoals gezegd waren we gearriveerd bij het negenentwintigste vers, het laatste vers van het eerste hoofdstuk, en daar pakken we dan ook maar gewoon de draad op. Ik ga natuurlijk niet nog eens een keertje het eerste hoofdstuk dunnetjes overdoen en een korte samenvatting daarvan geven. Ik ga er gemakshalver van uit dat u dat allemaal inmiddels hebt opgepakt. Ik realiseer me ook dat er nu weer nieuwe gezichten zijn. Wat zal ik tegen hen zeggen? Bijvoorbeeld dat er nog een zestal mp3’s op internet beschikbaar zijn die je allemaal nog gewoon kunt beluisteren. Dus laat ik me er op zo’n gemakkelijke wijze vanaf maken.
Maar aan een kleine samenvatting ontkom ik toch niet. Want als Paulus in vers 29 zegt: “Hiervoor span ik mij ook in,” dan refereert hij uiteraard aan wat hij daarvoor geschreven heeft. Dat moet ik dan toch even zeggen. In die voorgaande verzen heeft Paulus uiteengezet dat hij gesteld is om het woord van God te completeren. We hebben dat uitgebreid toegelicht: dat hij het woord van God zou completeren, maar ook dat hij gesteld is om Christus te verkondigen. Zo noemt hij Hem ook in vers 27: Christus, de verborgenheid van God. En er staat bij: “Christus onder de natiën, de hoop der heerlijkheid,” of de verwachting van de heerlijkheid.
Dat woord ‘verborgenheid’ of ‘geheimenis’ dat u hier ziet staan, komen we in het voorgaande al een paar keer tegen, maar we zullen het ook vanavond nog een aantal keren tegenkomen. Het is een sleutelbegrip, niet alleen in deze Kolossenzenbrief, maar met name ook in die brieven die hij heeft opgetekend in de gevangenis. Ik moet erbij zeggen dat hij een aanloop daartoe ook in zijn andere brieven al heeft gemaakt. Want al in de eerste Korinthebrief spreekt hij over de verborgenheid of het geheimenis. Dat zal ik vanavond ook nog even laten zien bij een latere gelegenheid.
Dus als hij hier zegt: “Hiervoor span ik mij ook in,” dan bedoelt hij het uiteenzetten, het doorgeven of, zoals hij het letterlijk zegt in het voorgaande vers, het verkondigen — het herauten — van die boodschap van de verborgenheid van God. Hij had daarover gezegd dat het gedurende de voorgaande generaties en de aionen die geweest zijn, altijd verborgen is geweest in God. God heeft dat niet geopenbaard. En als het al in de Schrift staat, dan staat het er verborgen. Het was dus altijd in de voorgaande generaties verborgen, niet geopenbaard. Paulus schrijft hier — maar hij zegt dat ook in de Romeinenbrief en de Efezebrief — dat het aan hem door openbaring bekendgemaakt is.
Daarmee plaatst Paulus zich ook op een niveau — ik weet niet of ik dat helemaal correct zeg — maar in elk geval is daarmee wel iets heel belangrijks gezegd over de aparte plaats die hij als apostel inneemt. Aan hem is de verborgenheid bekendgemaakt en dat heeft alles te maken met wat hij beschrijft als Christus onder de natiën. Hij zegt: “Hun heeft God willen bekendmaken hoe rijk de heerlijkheid van dit geheimenis is onder de natiën.” Of zoals de Statenvertaling zegt: “onder de heidenen.” “Christus onder u, de hoop der heerlijkheid.”
Wat is die verborgenheid? Wat is dat geheimenis? Dat is Christus onder de natiën, en wel verborgen ook. En dat is echt een verborgenheid, want weliswaar is de Christus, de Mashiach, rijkelijk aangekondigd door de profeten in het Oude Testament — heel de Schrift spreekt daarover — maar dat Hij te vinden zou zijn onder de natiën en niet in Israël, dat was de verborgenheid. Want wat was de gedachte? De Messias zou komen en Hij zou Zijn koninkrijk vestigen in Israël.
En vanuit Israël zou Hij over de volkerenwereld regeren. Nu is de situatie een heel andere: Hij is niet onder Israël. Israël heeft Hem afgewezen en daardoor is het heil, de boodschap, naar de natiën gegaan. En daar is Christus nu verborgen.
Maar het is de verwachting der heerlijkheid. Het is weliswaar in zekere zin een fiasco vanuit het oogpunt van Israël bezien. Dat wil zeggen: zij zijn gestruikeld, maar daardoor is het heil naar de natiën gegaan, en des te overvloediger. En dat omschrijft Paulus hier met de woorden: “Christus onder u, de natiën, de hoop der heerlijkheid.”
Een geweldige verwachting, waar hij trouwens ook in het eerste hoofdstuk al geweldige dingen over had geschreven; over dat God door Christus de hele schepping tot Zich gaat verzoenen (Kolossenzen 1 vers 20). Over hoop gesproken, over verwachting gesproken… Nou, dat zijn de dingen die ik zomaar even, min of meer lukraak, verzamel uit dit hoofdstuk, maar die allemaal zo karakteristiek zijn voor de boodschap die hij onder de natiën mocht prediken.
Dus nu ga ik weer eventjes terug naar vers 29.
Paulus' Inspanning Onder Zware Strijd Naar Zijn Krachtige Werking ↑ hoofdstukken
Hiervoor, om die boodschap onder de aandacht te brengen, om dat te prediken, span ik mij ook in onder zware strijd naar Zijn werking, die in mij werkt met krachten. Onder zware strijd. Wat kun je daarover zeggen? Want ook daar krijgen we heel dikwijls in zijn brieven toch wel een inkijkje in. Wanneer Paulus in zijn persoonlijke brieven vertelt over de dingen die hij heeft meegemaakt, de tegenstand — want dat is waar de strijd natuurlijk mee te maken heeft — dan doelt hij op de zware strijd en de tegenstand waar hij mee te maken had bij het uitdragen van die boodschap.
Het loutere feit dat Paulus deze brief optekende vanuit de gevangenis is in wezen al veelzeggend genoeg. Dat was strijd. Hij had al een paar jaar — ervan uitgaande dat hij deze brief heeft geschreven in de gevangenis van Rome — eerst in Caesarea gevangen gezeten, vanwege Israëls verwerping trouwens. Die boeien die hij droeg waren een embleem van Israëls verwerping; Israël had hem overgeleverd aan de Romeinen en daardoor is Paulus uiteindelijk terechtgekomen in Rome. Hij spant zich in onder zware strijd.
Ik zal u daarvan een voorbeeld geven om het even te visualiseren of om u een goede voorstelling te kunnen vormen van wat dat allemaal zoal kan inhouden. In de tweede Korinthebrief spreekt hij daarover — dat was al jaren daarvoor — en ik val midden in de zin binnen: “In slagen, in gevangenschappen” — toen al meervoud. Er zouden nog heel wat gevangenschappen volgen. “In slagen, in gevangenschappen, in oproeren, in moeite.” Eigenlijk van al die dingen die hij hier noemt… Jawel, ook in Handelingen 19 lees je over oproeren waar hij tegen wil en dank meestal in betrokken raakte. Nee, niet tegen dank, want hij dankte onder alles, maar in oproeren, in moeite, in nachten zonder slaap en in dagen zonder eten. Ik stop hier even, want het gaat nog verder, maar dit is zomaar om een indruk te geven van de strijd waar Paulus op doelde.
Om nog een voorbeeld te geven uit 1 Thessalonika 2 vers 9 — dat was ook jaren voordat hij deze brief aan de Kolossers schreef. Dan schrijft hij: “Want gij herinnert u, broeders, onze moeite en inspanning.” Inspanning heeft natuurlijk te maken met dit “ik span mij in”, maar ook met die moeite, met name vanwege de tegenstand. Dat is niet alleen lichamelijk, maar ik denk dat dat vooral ook een psychische moeite is. Alle tegenwerkingen, psychisch of geestelijk, dat vreet aan je; dat is een uitputtingsslag. Hij zegt tegen de Thessalonicenzen: “Want gij herinnert u, broeders, onze moeite en inspanning, terwijl wij nacht en dag werkten om niemand van u lastig te vallen hebben wij u het evangelie van God gepredikt.” Hij hield dus nooit zijn hand op. Hij heeft nooit gevraagd of gebedeld en hij heeft ook altijd in zijn eigen levensonderhoud voorzien. Ik zeg het niet helemaal goed, want Paulus werd weliswaar ondersteund, maar nooit heeft hij een beroep gedaan op anderen. Dat was ook heel kenmerkend voor zijn bediening.
Die zware strijd dus. Maar, zegt hij er dan bij: “Ik span mij in onder zware strijd, maar naar Zijn werking.” Zijn werking, met een hoofdletter uiteraard, want het gaat over Hem. “Naar Zijn werking die in mij werkt met kracht.” Paulus klaagt niet, integendeel. Paulus heeft weliswaar te maken met massieve tegenstand en spreekt over zware strijd, maar hij spande zich in en was zich zo bewust van de enorme kracht die hem terzijde stond, die in hem werkte met kracht.
Het zou niet moeilijk zijn om eens eventjes in zijn brieven te gaan grasduinen en een hele verzameling aan te leggen van voorbeelden daarvan, waarbij hij soortgelijke termen gebruikt als hier. Ik zal één voorbeeld geven uit Efeze 3 vers 7, een gedeelte waar hij ook uitgebreid spreekt over dat wat hem door openbaring bekend is gemaakt: het geheimenis, de verborgenheid. Hij zegt daar: “…waarvan ik een dienaar geworden ben naar de genadegave Gods die mij geschonken is en naar de werking van Zijn kracht.” Denk daar niet gering over, over de kracht die in Paulus werkzaam was.
Dat klinkt misschien alsof dat alleen de kracht was die in hem als apostel werkzaam was, en dat het voor ons slechts mooi is om aan te denken. Nee, het is een kracht die eigen is, zoals hij dat trouwens ook zegt in Efeze 1: “naar ons die geloven”. Allen namelijk. Die kracht is eigen aan dat evangelie, aan dat goede bericht dat een kracht Gods is voor eenieder die gelooft. Op het moment dat je dat woord tot je neemt, dan gaat het zijn werk doen. Aangezien het een krachtig woord is, doet het ook krachtig zijn werk. Paulus getuigt daarvan. Het is die kracht die krachtig in hem werkte, en daarvan was hij zich bewust. Welke tegenstand je ook hebt, de kracht die Hij geeft is altijd zoveel groter. Ik durf zelfs te zeggen: die staan niet eens in verhouding tot elkaar. Daar hoef je dus ook helemaal niet bang voor te zijn.
Het is zelfs zo — en dat vind ik misschien wel een van de mooiste gedeelten — dat Paulus persoonlijke ontboezemingen doet in de tweede Korinthebrief. In 2 Korinthe 12 zegt hij dat hij dan wel zwak mag zijn, maar dat hij had geleerd door de ervaringen om juist in die zwakheden te gaan roemen. “Want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.” Dat zijn de woorden die hier ook gebezigd worden. “Ik beroem mij in benauwdheden, want als ik zwak ben…” Wie helpt mij nu eventjes dat vers goed te citeren? “Dan ben ik sterk”, ja. Maar ik bedoel specifiek 2 Korinthe 12 vers 10. Minnie, help mij eens, lees hem eens voor… Ik ben nogal dyslectisch. Oh oké. Misschien Tineke? Nou, weet je wat, jij bent misschien een beetje dyslectisch, maar ik ben een beetje bijziend en dit is een heel klein lettertype. Oh nee, dat lukt me echt niet.
Goed, ik zal hem nu voorlezen, al was het maar voor de opname. Ik lees nu halverwege vers 9 van 2 Korinthe 12: “Zeer gaarne zal ik dus in zwakheden nog meer roemen, opdat de kracht van Christus over mij kome. Daarom” — het zijn Paulus’ woorden, niet die van mij — “daarom heb ik een welgevallen in zwakheden, smaatheden, noden, vervolgingen en benauwdheden ter wille van Christus; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.” Dat bedoelde ik te zeggen. Dankjewel. Daar beroemde Paulus zich dus op. Hoe meer zijn zwakheid aan het licht trad, des te meer was dat een gelegenheid dat de kracht van Christus gedemonstreerd zou worden in zijn leven. Dat vind ik zulke prachtige tegenstellingen: die zware strijd, maar toch dat enorme vertrouwen, die veerkracht, die standvastigheid en de stabiliteit die hij kende. Al zijn kracht onttrok hij aan die bron waarvan hij in deze brief en in al zijn brieven getuigt. Goed, tot zover die kracht die in hem werkt met kracht.
Gebedsstrijd voor de Gelovigen in Colosse en Laodicea ↑ hoofdstukken
Want nu zijn wij gearriveerd in het tweede hoofdstuk, vers 1. Want, zegt hij: “Ik stel er prijs op dat gij weet” – want letterlijk staat er: “Ik wil dat jullie weten” – “hoe zware strijd ik te voeren heb voor u en voor hen die te Laodicea zijn, en voor allen die mijn aangezicht niet hebben gezien in het vlees.” Misschien is het goed om er even aan te herinneren: Kolosse was een stadje in het huidige Klein-Azië, dat lag op pakweg twintig kilometer afstand van Laodicea. Je vindt dat die beide plaatsen ook elders worden genoemd; ze lagen dus dicht bij elkaar.
Paulus was daar nooit geweest. Die gemeenschap van gelovigen die daar was, was niet ontstaan door zijn eigen arbeid. We hebben al bij een eerdere gelegenheid, in het eerste hoofdstuk vers 6 of 7, gezien dat het Epafras was die daar de boodschap van het evangelie had doorgegeven en waardoor die gemeente, die ecclesia, ontstaan was. Maar ondanks het feit dat die gemeente niet de vrucht was van zijn eigen persoonlijke evangelieprediking – en trouwens, Paulus is er ook naderhand nooit geweest – zegt Paulus over hen: “Ik stel er prijs op dat gij weet hoe zware strijd ik te voeren heb voor u en voor hen die te Laodicea zijn en voor allen die mijn aangezicht niet hebben gezien in het vlees.”
Hij gaat dat in het navolgende nog toelichten, maar om iets te zeggen over die zware strijd heb ik hier al geprojecteerd: hoofdstuk 4 vers 12. Daar brengt Paulus die medewerker van hem, waardoor de ecclesia van Kolosse ontstaan was, weer even ter sprake. Hij voert hem weer op en zegt: “Epafras laat u groeten.” Epafras had Paulus persoonlijk geïnformeerd en daardoor was Paulus op de hoogte van de situatie daar in Kolosse. Paulus was buitengewoon blij met al het nieuws dat hij van Epafras hoorde, maar hij was niettemin ook enorm… bezorgd is niet het goede woord, maar hij was zich bewust van de grote gevaren die daar dreigden.
Daarover gaan wij juist deze avond, maar vooral de komende avonden, uitgebreider spreken, dus ik ga daar nu niet op vooruitlopen. Paulus was zich bewust van de gevaren die daar dreigden van misleiding, bedrog, traditie en filosofie; termen die hij allemaal gebruikt in vers 8. We hebben het trouwens nog gelezen ook. Hij zegt: “Ik stel er prijs op dat je weet hoe zware strijd ik te voeren heb.” Maar die Epafras, die hem daar had geïnformeerd en die ook had gesproken over datgene waardoor de gemeenschappen in Kolosse en Laodicea bedreigd werden, Epafras groette hen. Hij zegt: “die een der uwen is, een dienstknecht van Christus Jezus”, en dan zegt hij: “altijd in zijn gebeden voor u worstelende, dat gij moogt staan, volmaakt” – of eigenlijk staat er: volwassen – “en verzekerd bij alles wat God wil.”
Die Epafras maakte zich geen zorgen over materiële omstandigheden. Nee, daar gaat het gebedsleven van Paulus nooit over, en ook dat van Epafras niet, die Paulus daarin gekopieerd had. Zijn gebedsleven was gericht op het steeds meer gaan ontdekken van de wil van God. Dat wil zeggen – we zullen dat later vanavond nog zien – weet u wat God wil? Ja, God wil dat alle mensen behouden worden. We kunnen het lijstje lang maken, maar ik ga straks nog even wijzen op een vers in 1 Thessalonicenzen 5. Daar staat: “Verblijdt u te allen tijde.” Dat is trouwens het kortste vers in de hele Bijbel, als u tenminste de Griekse Bijbel neemt. “Verblijdt u te allen tijde”, dat zegt hij vaker. “Bid zonder ophouden, en dankt onder alles. Want,” zegt hij, “dit is de wil Gods in Christus Jezus ten opzichte van u.”
Wat is Gods wil? Ik bedoel nu dus in de praktijk, niet alleen over het grote geheel. God wil dat alle mensen gered worden en komen tot erkentenis van die waarheid, absoluut. Maar nu, als het gaat om ons leven: dat we mogen staan, volwassen en verzekerd bij alles wat God wil. Dat had Paulus trouwens ook al in het voorgaande gezegd in Kolossensen 1. Dat we met blijdschap zouden danken in alles. Het automatische gevolg daarvan is dat we ons te allen tijde zouden verblijden in die rijkdom van Hem en dat we verlichte ogen des harten zouden hebben, zodat we de rijkdom gaan zien. Lees het maar na in de Efezebrief, de Kolossensenbrief of de Filippenzenbrief. Paulus schrijft er altijd over; als hij bidt, dan gaat het daarom.
Kijk, God doet sowieso alle dingen meewerkend ten goede in ons leven. Wat er ook gebeurt, het gaat altijd goed. Maar waar het nu om gaat, is dat we die rijkdom die Hij geeft en die we hebben in Christus, zouden gaan zien. Ik ga daar vanavond nog veel meer over zeggen: over alle schatten van rijkdom in kennis en van wijsheid in Christus. Dat we dat zouden gaan zien en dat we steeds meer daarvan zouden gaan ontdekken. Kortom, dat we steeds rijker worden… nee, ik zeg het nog niet goed. Het valt niet mee om zulke dingen goed te zeggen. Niet dat we rijker worden, want we hébben al die rijkdom, maar dat we steeds meer gaan beseffen hoe rijk we zijn.
Al die rijkdom hebben we namelijk al. Maar de vraag is eigenlijk: is het dood kapitaal? Je kunt wel steenrijk zijn, maar als je het niet weet, dan kun je het ook niet gebruiken. Het gaat erom dat je een rijk leven hebt. En een rijk leven wil gewoon zeggen dat je steeds meer gaat beseffen wat ons potentieel is, wat ons kapitaal is. We zijn, met een woordspeling op de adressering van deze brief, kolossaal rijk. We hebben daar geen idee van. Absoluut, daar ben ik vast van overtuigd: we hebben geen promille kennis van de rijkdom die we werkelijk bezitten. Alleen dat al vind ik… ja, dat is zo enorm.
Het gaat erom dat we die rijkdom steeds meer gaan beseffen en daarom ook God gaan danken en ons verblijden. Want dat heeft alles met elkaar te maken. Als je God gaat danken, dan word je blij. En als je blij bent, dan ga je in alle opzichten veel beter in het leven staan, ook gewoon in de positie waarin God je heeft geplaatst: als vader, als moeder, als kind, als werknemer of werkgever. Als je je verheugt in de dingen, dan gaat alles zoveel makkelijker en relaxter; je functioneert in alle opzichten veel beter. Ook daarover schrijft Paulus in de Kolossensenbrief, over vaders en moeders enzovoort. Moet je eens lezen wat voor beschrijving hij van die mensen geeft. Niet omdat ze allerlei dingen moeten doen, nee, hij spreekt over wat genade uitwerkt in een mensenleven.
Dat is waar het om gaat: dat we zelf steeds meer daarvan gaan ontdekken. Maar het gebedsleven is er ook op gericht – en dan heb ik het over het voorbidden voor anderen – dat anderen het ook kennen. Dat is in de eerste plaats waar je heel concreet voor bidt: dat die anderen – je kinderen, je ouders, je familieleden of vrienden – de rijkdom gaan verstaan van wie Hij is.
Goedenavond! Wij zijn alvast maar begonnen, als u het niet erg vindt. Zo, in het middelpunt. Wat wil je nog meer zeggen? Ja, zo gaat het altijd: de laatste wordt de eerste. Maar kijk, dat is die zware strijd. En omdat daar misleiding dreigde in Kolosse, ervoer Paulus dat ook gewoon aan den lijve.
Dat wat zij, de bedreigingen die daar waren, en het was zijn vurige wens. En beden – ja, dat is het woord – zijn vurige beden dat ze zouden staan, verzekerd en volwassen in dat wat God wil. Dat was het geval bij Epafras, maar voor Paulus was dat niet anders.
Want Paulus leefde gewoon met hen mee, ondanks het feit dat hij er nooit was geweest. Ondanks het feit dat ze hem persoonlijk, van aangezicht in het vlees, niet eens kenden. Ik stel er prijs op dat gij weet hoe zware strijd ik te voeren heb voor u en voor hen die te Laodicea zijn – in het naburige Laodicea dus – en voor allen die mijn aangezicht niet hebben gezien in het vlees.
En als ik het zo wijd trek, dan zeg ik: dan zijn wij daar ook nog bij betrokken. Want wij hebben hem ook nooit gezien in het vlees. Opdat… Hij vervolgt dan in vers 2.
Harten Bemoedigd en in de Liefde Verenigd (ahava en Echad) ↑ hoofdstukken
Opdat hun harten getroost en zij in de liefde verenigd worden tot alle rijkdommen van een volledig inzicht en zij het geheimenis van God mogen kennen, Christus. Nou, dat is een hele mond vol hoor. Dat heb je al vaker bij de brieven van Paulus; dan moet je echt even moeite doen om te begrijpen wat hier nu staat. De beste manier om daarachter te komen is gewoon de zin eventjes in stukjes te hakken. Waar gaat het nu eigenlijk over? Wat zegt hij nu? Het zijn namelijk nogal vaak volzinnen, en dan ook nog vaak weer met tussenzinnen die Paulus optekent.
“Opdat hun harten getroost…” Ik heb dat even onderstreept waarom. Nou, er staat in het Grieks het woordje — ik heb er wel vaker wellicht op gewezen maar ik doe het bij deze gelegenheid graag nog eens — daar staat het Griekse woordje parakaleo. Dat betekent letterlijk ‘naastroepen’. Er bestaat wat discussie over, maar de mooiste manier om daaraan te denken is voor mijzelf als uitbeelding dat wat toeschouwers doen bij een wedstrijd: die roepen daarnaast. De gedachte is niet die van troosten, ook niet van vermanen. Want het is heel gek, dit woord parakaleo wordt heel dikwijls vertaald met vermanen, meestal als ik me goed herinner, en bij andere gelegenheden met troosten. Maar de gedachte is altijd die van bemoedigen of aanmoedigen. Ik begrijp dat ook wel heel goed als je dat woord ‘naastroepen’ eventjes goed probeert voor te stellen. Het idee is dus van bemoedigen, aanmoedigen; niet zozeer van vertroosten en al helemaal niet van vermanen. Het is een heel mooi, krachtig woord waar Paulus ook de hele tijd mee bezig was. Opdat hun harten bemoedigd of aangemoedigd worden en zij in de liefde verenigd worden.
Ik heb het niet helemaal goed gedaan, want u ziet nu twee keer dertien staan, maar dat moet ik wel even toelichten. Kijk, er staat hier: “de harten”, opdat hun harten dus bemoedigd en zij in de liefde verenigd worden. Laat ik eens eventjes een uitstapje maken naar het Hebreeuws; dat is namelijk wel heel fraai om dat op die manier toe te lichten. Want liefde, daar hoef je helemaal geen Hebreeuwse symboliek voor te kennen, maar in het algemeen weten we natuurlijk allemaal dat liefde te maken heeft met eenheid. Liefde is eigenlijk niets anders dan eenheid of het verlangen naar eenheid; maar het is in ieder geval eenheid en daarmee ook eenwording. Dat is heel mooi.
Nu wil ik dan toch iets over de Hebreeuwse symboliek zeggen, want het woord voor liefde in het Hebreeuws is Ahava. Ik spreek het eventjes op de moderne Hebreeuwse manier uit. Trouwens, zo staat het met die klinkertekens inderdaad: Ahava. En als u het niet weet, dan zeg ik het bij deze: Hebreeuwse woorden hebben ook een getalswaarde. Hebreeuwse letters zijn ook cijfers. Vergelijk het een beetje met onze Romeinse letters die ook cijfers vertegenwoordigen. Dat geldt voor Hebreeuwse letters ook. Wel, die Hebreeuwse letters, als je die bij elkaar optelt, vertegenwoordigt dat woord Ahava het getal dertien.
Hetzelfde is het woordje Echad. Dat is een bekend Hebreeuws begrip; een gelovige Jood zal dat elke dag een aantal keer op zijn lippen nemen als belangrijkste belijdenis uit Deuteronomium 6 vers 4: “Hoor Israël, de Heere onze God, de Heere is één.” Daar staat Echad. De Ene en eenheid heeft alles te maken met wie God is. Hij is de Ene, en God is liefde, en God is één, zodat die twee uiteindelijk toch bij hetzelfde uitkomen. Dat klinkt misschien wat filosofisch, maar ik kan het ook op een andere manier zeggen. Uiteindelijk komt alles uit één en bestaat alles door één en gaat ook allemaal weer tot één. Maar dat is feitelijk wat liefde is, namelijk eenheid. En God laat nooit varen de werken van Zijn handen; maar is dat juist niet wat liefde is? Zijn liefde die zoekt. En als Hij het losgelaten heeft, dan is dat juist om het weer te vinden. Maar ook dat is liefde. Altijd weer dat zoeken daar waar scheiding is, maakt Hij weer één. Dus liefde maakt inderdaad één en dat wordt in die Hebreeuwse symboliek ook uitgedrukt, want beide zijn een vertegenwoordiging van het getal dertien.
En waarom zou dat nu in onze westerse wereld een ongeluksgetal zijn? Dat is me nog steeds een raadsel. Ik heb er wel een verklaring voor, maar in ieder geval Bijbels gezien deugt dat echt niet. Nee, en ik denk dat Paulus als dertiende apostel het daar ook niet mee eens was. En als je trouwens — ja, je kunt heel lang doorgaan hoor, dat gaan we nu niet doen — maar ik wil toch eventjes wijzen, want ik zie nu hier twee keer dertien staan, maar dat is dus zesentwintig precies. Dat is de getalswaarde van de naam van God: Yahweh. Dat is zesentwintig. De Hebreeuwse symboliek is zo geweldig. Waarom zeg ik dat nu even? Om daarmee te illustreren en daarmee ook te onderstrepen wat hier staat, namelijk dat de liefde inderdaad verenigt. Als zij het geheimenis van God gaan leren verstaan — ik moet het even goed zeggen — als zij in hun hart worden aangemoedigd en bemoedigd, dan zullen zij in de liefde één worden. Dat is trouwens ook zo met de waarheid. Er is maar één waarheid, maar waarheid maakt ook één. Ik zou haast daar filosofisch over worden, maar dat is heel grappig. Waarheid; er is maar uiteraard één waarheid. Als ik zeg tien plus tien is twintig, dan is er maar één waar antwoord op. Van de leugens zijn er vele; ik kan ook negen zeggen, dat is een oneindige veelheid. Maar waarheid maakt daarom ook één, brengt bij één. In de liefde worden ze verenigd. En dan staat erbij, laat ik nu maar gewoon even verder gaan.
Tot het Volle Besef (epignosis) van het Geheimenis Gods ↑ hoofdstukken
In de liefde verenigd, en dan staat erbij: “tot”. Dat is een lastige of een hele lange zin. Er staat: “tot alle rijkdom van hun volledig inzicht en zij het geheimenis Gods mogen kennen, Christus.” Letterlijk staat er dit — een aantal van u kan dat misschien meelezen, al is het voor degenen achterin wat lastig omdat het wat klein geprojecteerd is. Maar voor mij als spreker is het wel makkelijk als ik daarop kan aansluiten. Letterlijk staat er: “tot alle rijkdommen” (meervoud) “van de volledigheid van het begrip.” Want dat woord voor inzicht is “begrip”. Het heeft te maken met de dingen in hun verband zien. Het woord begint met “samen”: de dingen samen zien, het verband zien. Dat is trouwens ook wat echt inzicht is: het geheel zien en de verbanden verstaan.
Een volledig begrip, tot besef, realisatie, epignosis. We hebben daar op een van de eerste avonden nog wat uitgebreider bij stilgestaan. Epignose betekent — dat is een begrip dat bovenop kennis ligt; letterlijk “op-kennis”. Het veronderstelt kennis, maar het is meer dan dat: het is besef. Je kunt dingen weten, maar het is wat anders als je het beseft. Paulus bidt juist iedere keer dat we niet alleen zouden kennen of weten — de informatie tot ons nemen — maar dat we zouden beseffen. Dat is het woord dat hier gebruikt wordt: epignosis. Tot besef van de verborgenheid van de God van Christus; zo staat het er rechtstreeks. Dat we een besef zouden krijgen van de verborgenheid van God.
Ik zei al eerder: die verborgenheid was aan Paulus geopenbaard. Om het even kort samen te vatten: het heeft alles te maken met de huidige tijd, met die onderbreking in de heilsgeschiedenis waarin het heil naar de natiën is gegaan. Israël staat op een zijspoor en het Koninkrijk, Christus en alles is verborgen. Welnu, dat wat God vandaag in die tussentijd doet, dat was voorheen verborgen. Paulus is degene die het beheer van die verborgenheid heeft en dat ook uitstalt. Hij spreekt daarover, opdat zij niet alleen tot kennis, maar tot besef van die verborgenheid zouden komen en het geheimenis van God zouden mogen kennen: Christus. Want uiteindelijk blijkt die verborgenheid niet alleen een waarheid of een verzameling waarheden te zijn; Paulus zegt dat het gewoon Iemand is. Let maar op, want dan zegt hij: “en zij het geheimenis Gods zouden kennen.”
Nog even iets anders. Ik noemde al dat Paulus ook al in een van zijn eerste brieven over die verborgenheid spreekt. 1 Korinthe 2 is daar een prachtig voorbeeld van. Daar schrijft Paulus over wat wij spreken als een geheimenis. In de Statenvertaling staat daar altijd “verborgenheid”; ik vind verborgenheid net even mooier, denk ik. Maar goed, wat wij spreken als een geheimenis of verborgenheid, dat is de verborgen wijsheid Gods. Een term die heel dicht aanligt tegen wat hij hier zegt: het geheimenis van God, de verborgen wijsheid Gods, die God reeds… ja, in onze vertaling staat “van eeuwigheid”, maar er staat letterlijk: “vóór de aionen” voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid.
Dus voordat de aionen, de wereldtijdperken, hun beslag kregen en aanvingen, had God al een plan en heerlijkheid voor ons voorbeschikt. Aan Paulus zijn die dingen geopenbaard en hij heeft het opgetekend in zijn brieven. En wij nu, in 2011 — pardon, van de week zei iemand nog: “Jij lijkt wel een beetje achterlijk.” Dat was niet zo erg bedoeld hoor, maar inderdaad, het is inmiddels 2012. Ja, dat heb je als je zo in die wereldtijdperken denkt; dan ben je even niet meer nagegaan in welk jaar we nu precies zitten.
Goed, het gaat dus over dat geheimenis van God en dat we dat zouden kennen. Ik zei al: dat geheimenis Gods is uiteindelijk Iemand. Je kunt natuurlijk verdedigen dat het een waarheid is; het is eigenlijk een schat of diamant met heel veel facetten, met allemaal kanten en waarheden die daarin liggen opgesloten. Maar het is ook wel degelijk Iemand.
De Verborgen Schatten van God in Christus ↑ hoofdstukken
En dat brengt Paulus hier in Kolossense tot uitdrukking als hij zegt in vers 3: “in wie — dat is Christus — al de schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn.” Daarmee zie je dus dat die verborgenheid, of de verborgenheden, al die schatten van wijsheid en kennis, worden belichaamd door of in Christus. Er staat hier “schatten”. We hadden al eerder gezien dat er letterlijk “rijkdommen” staat, maar hier spreekt hij over “schatten”. Het Griekse woord is thesauros. Dat kennen we trouwens wel, want het wordt ook in het Nederlands gebezigd in de vorm van een thesaurus, een naslagwerk. Maar letterlijk — en dat is wel opmerkelijk als je dat woord ontleedt en terugbrengt naar de elementen waaruit het is opgebouwd — betekent het “geplaatst tot in morgen”. Het heeft te maken met het feit dat je iets weglegt voor de toekomst, voor morgen. Dat is eigenlijk wat een schat is: het is kapitaal dat je op een later tijdstip kunt gaan aanspreken en dat daarom wordt bewaard.
Ik heb hier een verwijzing opgeschreven naar Matthäus 13 vers 44. Dat is een van die gelijkenissen over de geheimenissen van het koninkrijk, waarin de Heer spreekt over een man die een schat in de akker vond. Hij kocht de akker om die schat te bezitten. Waarom noem ik dat nu even? Nou, om twee redenen. In de eerste plaats vond hij een schat, maar kocht hij de akker. Als u dan eerder in Matthäus 13 in de uitleg leest, dan staat er dat de akker de wereld is. Dus Hij kocht de hele wereld, maar dat was vanwege die schat. En ook dan is de gedachte: die schat ligt daar verborgen in die akker. Mensen lopen daar achteloos aan voorbij en hebben daar geen benul van.
Wel, dat is nu ook het geval met de rijkdommen waar wij het vanavond over hebben en de rijkdommen die Paulus heeft opgetekend. Geen mens — nou ja, dat is overdreven natuurlijk — maar in ieder geval de wereld in haar algemeenheid, en ook de godsdienstige wereld en de christelijke wereld, heeft geen idee van wat Paulus heeft opgetekend. Het is inderdaad verborgen. Ondanks het feit dat iedereen er zo vrijuit kennis van kan nemen, is het nog steeds verborgen. Ten eerste wordt het niet gezien met de ogen. Nee, want we hebben het over Iemand die vandaag ook verborgen is daarboven. Bedenk de dingen die boven zijn, waar Christus is, en niet de dingen die op aarde zijn. Het onttrekt zich aan ons gezichtsvermogen.
Het is ook niet erg strelend allemaal; we praten over geestelijke dingen die niet zienlijk zijn. Mensen gaan er ook aan voorbij. Het is de grootste rijkdom, maar wie heeft er weet van? Het is verborgen. Dat is misschien wel een van de meest karakteristieke dingen en waarheden van de huidige tijdsperiode, van de huidige huishouding. Het heet ook niet voor niets de huishouding of de bedeling van de verborgenheid. Deze hele huishouding wordt gekenmerkt door verborgen zaken. Niet alleen maar omdat het voorheen nooit bekendgemaakt was, maar het is ook thans niet zienlijk. Al de dingen waar we het over hebben, dat zijn waarheden, maar er valt niets te zien. Wat zeer tegen het zere been is van velen, ook velen die zich christen noemen. Of dat nu terecht of ten onrechte is, daar gaat het nu niet om, maar ze willen allemaal zien. Maar daar gaat het niet om; er valt helemaal niks te zien.
De bedeling van de verborgenheid gaat juist over verborgen zaken. Het gaat erom dat we zouden kennen de schatten van al de wijsheid en kennis in Hem. Want over Hém hebben we het: Christus, in wie al de schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn. Ja, ik zie dat het inmiddels vijf voor negen is. Ik wil nog wat meer gaan vertellen over dat woord “wijsheid”, want dat is een prachtig begrip, maar ik stel voor dat we eerst even de gelegenheid nemen om een kopje koffie te gaan drinken. Wij gaan daarna weer verder. Ik wilde net bij de pauze nog daar wat over zeggen, maar dat was net even te veel, dus ik heb het eventjes over de break heen getild.
Wijsheid (sofia) Begrepen als Hemels Uitzicht (tsofim) ↑ hoofdstukken
Over dat woord wijsheid. Want we hadden het dus over Christus — uiteraard, over wie anders zouden we het hebben? — in wie al de schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn. Het ging dus over die schatten van wijsheid, maar ik wil dan nog even wat zeggen over dat woord wijsheid. Over kennis kom ik straks ook nog even te spreken, maar het woord wijsheid is in het Grieks, dat kennen we allemaal wel, sophia. Je hebt dames die deze mooie naam dragen en je hebt zelfs een stad in Bulgarije die zo heet. Wat zeg ik, een stad? Het is dé hoofdstad van Bulgarije: Sofia.
Dat woord sophia is dus het Griekse woord voor wijsheid. We kennen het trouwens ook allemaal vanwege het woord filosofie. Philo betekent liefde voor, en filosofie betekent dus liefde voor wijsheid. Maar over dat woord sophia kwam ik recentelijk iets te weten: het wordt afgeleid van een Hebreeuws begrip. Dat vond ik heel opmerkelijk, want dat was mij nog nooit verteld. Ik stuitte daarop in een neutraal woordenboek of lexicon dat daarop wees. Er werd gesteld dat het hoogstwaarschijnlijk — er werd dus een slag om de arm gehouden — is afgeleid van een Hebreeuws begrip, namelijk tsophiem.
Tsophiem, dat zegt u waarschijnlijk niets. Maar ik ga u vertellen dat dit Hebreeuwse woord heel dikwijls in de Hebreeuwse Bijbel voorkomt. Ik zal u een paar voorbeelden geven. In 1 Samuel 14 vers 16 wordt gesproken over de uitkijkposten van Saul te Gibea. Het wordt nog wel eens een keertje zo vertaald: met uitkijkposten. Nog één voorbeeld: in Hooglied 7 vers 4 gaat het over de toren van de Libanon, uitziende op Damascus. Ik zei al, het wordt heel wat keren in de Hebreeuwse Bijbel gebezigd, maar altijd heeft het te maken met uitzicht. Het wordt ook wel vertaald met wachters, maar de kern is het uitzicht. Dat zie je hier duidelijk: een wachttoren die zicht geeft, die uitzicht biedt, om welke reden dan ook. En wat dacht u van Micha 7 vers 7: “Ik zal uitzien naar de HERE.” In al die gevallen — en ik beperk me tot deze voorbeelden, maar u kunt het zelf nagaan met een concordantie — heeft het te maken met uitzicht.
Dat geeft zo’n Grieks begrip een Hebreeuwse lading en daarmee een enorme betekenis. Want wat is wijsheid daarmee, heel basaal, als je het terugbrengt naar de etymologie? Dan heeft dat te maken met uitzicht. Dat geeft zo’n woord een enorme diepte, want het is in elk geval iets anders dan inzicht. Inzicht breng je vooral in verband met kennis: dat je ergens inzicht in hebt. Maar wijsheid heeft te maken met overzicht of, nog mooier, uitzicht. Daarmee is het dus niet zomaar een ander woord voor kennis of voor inzicht; het is met recht uitzicht. Wanneer je het Woord van God kent, dan geeft dat inzicht, verstand en informatie — al klinkt dat laatste misschien te klinisch en te koud. Het is veel meer: het geeft inzicht en begrip. Dat je het verband van de dingen ziet en dat je grip krijgt op het geheel.
Maar dit woord uitzicht gaat verder. Het Woord van God geeft wijsheid, maar dat wil zeggen: het geeft overzicht. Dat je het geheel overziet. Maar uitzicht is een woord met recht van perspectief. Het geeft uitzicht op Gods toekomst. Het Woord van God stelt ons ‘op de hoogte’. Als je diep nadenkt over zulke woorden, dan zie je dat dit precies is zoals het is. Het Woord van God stelt ons met recht op de hoogte, op een hoge plaats. En de hoogste plaats die ik ken, wordt momenteel ingenomen door de persoon over wie het hier gaat: Christus Jezus. Hij is gezeten boven alle overheid en macht. Dat is de hoogste plaats, en in Hem zijn wij geplaatst. Dus als er één type mens vandaag op de hoogte gebracht is, dan zijn wij het wel.
Daarmee mogen we dus ook uitzicht hebben op dat plan van God. Of we nu terugkijken op de plannen van God — we hadden zojuist al even een inkijkje in wat God beschikt had voor de aeonen — of uitzicht hebben op wat er na de aeonen, bij de voleinding van de aeonen, gerealiseerd zal worden: dat God weer alles wordt in allen en de hele schepping insluit. Kortom: uitzicht. Of je het nu hebt over dat uitzicht in verband met het volk Israël, of uitzicht met betrekking tot de Ecclesia die Hij in onze dagen uitroept: altijd is het uitzicht, en dat is wijsheid.
Iemand merkte op dat ik zei dat Hij ‘weer alles wordt’. Waarom weer? Omdat Hij voor de aeonen alles was in Zichzelf. Dat was de gedachte die ik zojuist had. God was voor de aeonen alles, maar dan in Zichzelf, want er was nog niets anders. En straks is Hij weer alles, maar dan in alles wat Hij heeft voortgebracht — alles in allen, moet ik misschien beter zeggen. Dat je heel erg goed luistert en elk woord van de Schrift serieus neemt, is een goede zaak, maar u moet zich er ook van bewust zijn dat mijn woordkeuze soms gebrekkig is.
In elk geval, dat woord wijsheid heeft dus te maken met sophia en tsophiem: uitzicht. Als je die betekenis meeneemt wanneer we in het Nieuwe Testament over sophia lezen, geeft dat zoveel meer betekenis. Christus, in wie al de schatten — een enorme rijkdom — van wijsheid zijn weggelegd. Dat is uitzicht naar alle kanten toe. Sterker nog, niet alleen naar alle kanten toe, maar naar elk creatuur. Wij hebben uitzicht en perspectief voor elk mensenkind, voor elk schepsel. Het is hoop; het was niet voor niets ‘Christus, de hoop der heerlijkheid’. Als je Hem kent, dan heb je uitzicht. Dat is het mooiste en rijkste wat er is. Ik vind inzicht hebben en steeds meer gaan verstaan van het Woord van God heerlijk, maar dat je echt elke dag uitzicht hebt en daaruit mag leven, dat perspectief… er is niets mooiers en heerlijkers dan dat. Goed, dat dus even wat die wijsheid betreft.
Kennis (gnosis) en de Allesomvattende Liefde van God ↑ hoofdstukken
Ik ga verder, want er is nog een woord dat hij gebruikt: kennis. Dat woord kennen we trouwens ook allemaal wel: gnosis. Ik had het net al even over epignosis, over dat wat op de kennis ligt, maar dat woord kennis is dus gnosis. Ik wilde dat even linken met een ander woord uit de Korinthebrief waar ik al eerder uit citeerde, 1 Korinthe 13. Paulus heeft het daar over geheimenissen en verborgenheden, maar ook over gnosis. Dat wordt daar vertaald met ‘wat te weten is’. Ja, dat is eigenlijk wat kennis is: dat wat je kunt weten. Wijsheid is uitzicht; kennis is dat wat te weten is.
Wel, ongeacht of we het nu hebben over uitzicht of over inzicht, over dat wat te weten is: het ligt allemaal besloten in Hem, in wie al de schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn. Inderdaad, verborgen, dat is waar. Het ligt niet voor het oprapen, je leest het niet in de krant, maar het is beschikbaar. En wij zijn met recht op de hoogte gesteld, zodat we besef zouden krijgen van die dingen.
Maar even terugkomend op 1 Korinthe 13. Paulus zegt daar: “Al ware het dat ik profetische gaven had.” Dat wil zeggen: kon voorzeggen. Profetie betekent in het Grieks letterlijk ‘voorzeggen’. Al kon ik voorzeggen en wist ik alle geheimenissen, alle verborgenheden en alles wat te weten is — kennis, gnosis, alles wat te weten is — en al had ik al het geloof, zodat ik bergen verzette… want dat is wat geloof doet. Als je staat op het Woord van God, dan is er geen berg te hoog, maar die wordt verzet door het Woord Gods. Als je daarop staat, is het het geloof dat bergen verzet. Maar, zegt Paulus — en daarom noem ik het nu even — “had ik de liefde niet, ik ware niets.”
Dan zie je dat die dingen toch allemaal weer bij elkaar komen. Want wat is nu het geweldige van het kennen van die geheimenis, van de verborgenheid van God? Daarin zijn alle schatten van wijsheid, van uitzicht en van kennis — van wat er te weten is — besloten. Maar het raakt ook het hart. Ik heb het al eerder even aangehaald: dat de harten bemoedigd worden en dat we in de liefde tezamen, als je daar samen kennis van neemt en samen je daarvan op de hoogte stelt, dan ga je verstaan wat liefde is. Want uiteindelijk bepalen al die geheimenissen Gods ons bij die ene essentie, en dus bij liefde.
Als je dat niet begrijpt, dan kun je weten wat er te weten is en dan kun je profetische gaven hebben, maar het betekent niets, zegt Paulus. In de essentie komt het er namelijk allemaal op aan dat je werkelijk gaat verstaan dat, wat er ook te weten is, wat er voorzegd kan worden en wat er ook allemaal aan verborgenheden ligt, de essentie is dat je gaat verstaan dat er Eén is die… want dat is dat woordje liefde: agape. Onvoorwaardelijke liefde die alles tot een goed einde brengt en die alles ook omsluit, omarmt en liefheeft. Hij heeft de wereld, de schepping, lief. Hij laat het nooit varen.
Nou, dat is waar dat geheim uiteindelijk ook allemaal over gaat als we het hebben over Christus. Dat bevredigt hart en hoofd. Ik las van iemand die zei: de grote vragen en de raadsels van het heelal, van het universum, van de schepping en het hele raadsel van het bestaan… wel, dat wordt bevredigd. Nee, ik moet het goed zeggen: het antwoord vinden wij gewoon in Christus. In Hem zijn alle dingen geschapen — we hebben het daar eerder over gehad — en door Hem wordt het gedragen, en tot God zal het uiteindelijk allemaal terugkeren.
Maar dat geeft niet alleen inzicht, dat geeft uitzicht, maar het doet je hart werkelijk kloppen. Waarom? Wel, het bepaalt je bij wat werkelijke liefde is voor heel de schepping. Ja, wat is er groter dan dat? En dan begrijp je ook waarom Paulus die beeldspraak gebruikt van rijkdommen en van schatten; dat is het ook. Alles ligt besloten in Hem. En waarom Paulus dit ook zegt? Wel, laten we meteen verder gaan.
Waarschuwing voor Misleiding Door Menselijke Drogredenen ↑ hoofdstukken
In vers 4 gaat Paulus zijn woorden namelijk zelf motiveren. Hij zegt: “Dit zeg ik, opdat niemand u met drogredenen misleide.” Waren de gelovigen in Kolosse dan al voor dat gevaar gevallen? Nee, ook dat zullen we in de navolgende verzen zien, maar het dreigde wel. Paulus zegt dit opdat niemand u met drogredenen misleidt. Drogredenen zijn bedrieglijke redenen, en daar zijn er heel wat van. Er zijn hele verzamelingen van typen drogredenen; u moet het maar eens een keertje op internet nazoeken wat voor soorten er allemaal zijn.
Ik kan er wel een paar voorbeelden van geven. Een drogrede wordt gekenmerkt door onjuiste aannames — het uitgangspunt deugt dan niet — of door misleidende conclusies, of soms een combinatie van beide. En zeg niet dat je daar niet gevoelig voor bent. Juist als je intellectueel bent ingesteld, ben je er vatbaar voor. Dat heeft ermee te maken dat een mens zich gemakkelijk laat bedriegen.
Laat ik een paar voorbeelden geven, want dit klinkt misschien wat abstract. Een drogreden is bijvoorbeeld: “Ieder weldenkend mens weet toch dat…”, en dan volgt er iets waarvan algemeen geaccepteerd wordt dat het zo is. De aanname is dat aangezien iedereen dat denkt, het dus wel zo zal zijn. Maar het is een drogreden. Sommige mensen redeneren precies de andere kant op, wat trouwens ook een drogredenering is. Dat zijn de mensen die wat tegendraads zijn, de recalcitranten. Zij redeneren juist: “Als iedereen het zegt, zal het dus wel niet waar zijn, maar als niemand het denkt, dan zal het dus wel waar zijn.” Ook dat is natuurlijk een drogredenering. Ik moet zeggen dat het iets dichter bij de waarheid ligt, want het is inderdaad een Bijbels gegeven dat de meerderheid misleid is. Maar het punt is: iets is waar of het is niet waar. Dat heeft te maken met de feiten en dat staat volkomen los van aantallen. Waarheid is niet democratisch. Het is niet zo dat iets waar is omdat de meerderheid dat denkt, maar het is ook niet zo dat iets waar is omdat de minderheid dat denkt. Het heeft niets met aantallen te maken.
Een ander voorbeeld: “Jij gelooft in God, dus jij gelooft dat er ergens op een wolk een oude kerel zit.” Ja, dit is wel een hele simpele, maar je hoort hem wel eens. Dit is een drogredenering, want de aanname is dat God een oude kerel op een wolk zou zijn. Ik krijg het moeilijk uit mijn mond, want ik vind het bespottelijk, maar er zijn veel mensen die er inderdaad zo over denken. De aanname is dat aangezien ze dát niet geloven, ze dus ook niet in God kunnen geloven. Maar het is natuurlijk een drogredenering en vrij simpel te doorprikken. Als je er even over nadenkt, dan voel je wel aan dat dit heel onlogisch is, maar het zal je gedacht zijn hoeveel mensen zo onlogisch denken.
Je komt drogredeneringen ook in het alledaagse leven tegen; je staat er dagelijks op. Allerlei gedachten hebben een schijn van logica. We hebben net de verkiezingen achter de rug en in de politiek word je er ook mee doodgegooid. Je kunt je erin bekwamen om via retorica bepaalde typen redeneringen te gebruiken die voor mensen een schijn van logica hebben. Ik hoorde van de week een hele grappige tussendoor. Die ging zo: “Bij 25% van alle dodelijke ongevallen — ik mag er eigenlijk helemaal niet bij lachen natuurlijk — maar bij 25% van alle dodelijke ongevallen is alcohol in het spel. Bij 60% van alle dodelijke ongevallen is koffie in het spel. De conclusie is: koffie is gevaarlijker dan alcohol.” Dat is dus echt een drogredenering. Die is erg, sorry dat ik erom lach, maar deze is wat komisch.
U begrijpt dat je door dit soort redeneringen, als je niet alert bent, zomaar meegesleept kunt worden, zoals Paulus dat ook zegt: door drogredenen. Of wat dacht u van deze: “Professor X heeft dat gezegd en jij weet het beter?” Dat is een drogredenering, namelijk een beroep op autoriteit. Aangezien die autoriteit geleerd heeft, zou het dus waar zijn wat hij zegt. Maar daar zit een onjuiste aanname achter en het leidt tot een misleidende conclusie. Ik had een hele lange lijst kunnen maken, maar het is interessant om je er eens mee bezig te houden hoe mensen bedrieglijke redenen kunnen opvoeren ter motivatie van een bepaalde overtuiging of gedachte.
Soms hoor je: “Oh, dat zeggen de Jehova-getuigen ook…” Je zegt bijvoorbeeld iets over dat de dood echt dood is, en dan zegt iemand: “Oh, maar dat zeggen de Jehova-getuigen ook”, met de gedachte dat omdat zij dat zeggen, het dus niet waar is. Want die groep wordt beschouwd als een secte of ketterij. Ik noem nu de Jehova-getuigen, maar ik had natuurlijk net zo goed iets over de rooms-katholieken kunnen zeggen, of welke richting dan ook. Of men zegt over een bevolkingsgroep: “Oh, maar dat zeiden de nazi’s ook.” Zulke dingen zijn niet beslissend in een discussie. Het loutere feit dat Hitler iets zei, wil niet zeggen dat het dus onwaar is. Begrijpt u wel? Dat zijn bedrieglijke redenen.
Ik geef zomaar een paar voorbeelden, en de een spreekt misschien wat meer tot de verbeelding dan de andere, maar ik wil er maar mee zeggen dat we daar dagelijks op getrakteerd worden. En laat ik het nog even dichterbij brengen: het zijn niet alleen maar dingen die op je afkomen, het zijn ook dingen waar je een ander mee opzadelt. Sterker nog, het zijn dingen waar je jezelf mee bedriegt: met drogredenen, met bedrieglijke redenen. Paulus zag dat gevaar in Kolosse levensgroot voor zich. Hij zegt: “Dit zeg ik.” En wat bedoelt hij met “dit”? Nou, dat in Christus alle schatten van wijsheid en kennis verborgen liggen. Waarom zegt hij dit? Hij zegt: “Dat zeg ik omdat niemand u misleidde.”
Wat was namelijk het geval? Dat zullen we later nog wat meer in detail zien. Er waren mensen in Kolosse die daar een podium kregen en die de gelovigen met drogredenen van filosofie en traditie probeerden te misleiden om hen zo van Christus af te voeren. Vers 8 is een sleutelvers, daar vind je beide begrippen. Het idee was: “Ja, wat we nu kennen in Christus is geweldig, maar vergis je niet, die Griekse filosofen waren ook geen domme jongens. Die hebben ook geweldige dingen nagelaten, een enorme literatuur.” Of wat dacht u van de Joodse wijsheid die in de loop der eeuwen is voortgebracht en vastgelegd in boeken? Men zei: “Daar kun je zoveel kennis van nemen. Het is geweldig wat we in Christus hebben, natuurlijk, dat kun je gewoon laten staan, maar dit verrijkt alleen maar je geloof.” Paulus zegt echter dat dit er haaks op staat. Wat Paulus zegt, is: in Christus is alles. Zoek dus geen wijsheid buiten Christus om, want het is er niet. Daarom benadrukt hij iedere keer — ik ben vergeten dat eerder te onderstrepen — dat woord “volledig”: alle schatten van wijsheid en kennis. Dat wil zeggen: zoek je schatten van wijsheid en kennis, dan moet je bij Christus wezen.
Aanwezig in de Geest: Blijdschap over Orde en Stabiliteit ↑ hoofdstukken
Dat wil zeggen bij de tekst van vers 5. Want al ben ik, zo schrijft Paulus, naar het vlees afwezig… Nou, daar hadden we het al over: Paulus is nooit in Kolosse geweest. Ze kenden hem ook helemaal niet naar het vlees. Maar, zegt hij: al ben ik naar het vlees afwezig, naar de geest ben ik bij u. Want hij was op de hoogte gesteld door Epafras en hij leefde met hen mee. In de geest was hij bij hen.
“En ik zie, met blijdschap,” zegt hij, “de orde die bij u heerst en de hechtheid van uw geloof in Christus.” Al veel eerder, bij een van de eerste avonden, hebben we er al bij stilgestaan dat Paulus zo verheugd was over het nieuws dat hij over de gelovigen in Kolosse te horen had gekregen. Daar staat ook dat hij God dagelijks en voortdurend dankte voor dat wat hij over hen te horen had gekregen: over hun geloof, over de verwachting en over de liefde die ze onderling hadden. Kortom, hij was enorm enthousiast en blij met wat hij over hen had vernomen.
Hier onderstreept hij dat nog eens: “Ik zie met blijdschap.” Hij ziet dat gewoon door dat wat hem ter oren was gekomen via Epafras, zijn medewerker. “Ik zie met blijdschap de orde die bij u heerst”, wat trouwens ook aangeeft dat het een hele gezonde geloofsgemeenschap was, “en de hechtheid van uw geloof in Christus.” Letterlijk staat daar een woord dat te maken heeft met – je ziet het hier ook – stabiliteit of vastheid; de vastheid van uw geloof in Christus. Dat zag hij, althans dat had hij over hen vernomen, en met blijdschap stelde hij dat vast en dankte hij God daar ook over.
Wandelen in Christus: de Afdoende Rijkdom van het Woord ↑ hoofdstukken
“Nu gij Christus Jezus de Heer aanvaard hebt,” zegt hij. Dat woord ‘aanvaarden’ is betekenisvol; elders wordt het weergegeven met ‘ontvangen’. ‘Aanvaarden’ klinkt iets actiever, als iets wat je aanneemt of accepteert, terwijl ‘ontvangen’ passiever is. Het is toch wel mooi, want het hele idee is natuurlijk dat wij Christus Jezus hebben ontvangen. Je kunt zeggen: we hebben Hem aanvaard of geaccepteerd, maar laten we wel wezen: we hebben Hem gewoon ontvangen. Hij heeft immers onze ogen geopend. Zo was het ook bij Lydia; God opende de ogen van haar hart, zodat dat woord gewoon naar binnen ging. Zij zag het. Haar oren waren geopend. Als ze niet geopend worden, gaat het woord ook niet naar binnen. Maar wie is degene die dat doet? Wie opent ogen en oren? Wie opent het hart? Dat doet Hij toch? Dus je ontvangt Hem gewoon. Het is heerlijk om daar zo aan te denken.
Nu u Christus Jezus de Heer ontvangen hebt, wandel in Hem. Dat wil zeggen — en ook hier zie je weer wat ik al even aangaf — dat ze zouden blijven bij dat wat ze hadden. Paulus gebruikt telkens woorden die in dat stramien liggen; hij spreekt over ‘stabiliteit’, maar ook over ‘welgegrond’ in Kolossensen 1 vers 23. Wandel in Hem. Het is de derde keer dat ik nu dezelfde apostel aanhaal, maar nu uit de Korinthebrief. Daar staat: “Uit Hem is het” — dat wil zeggen: uit God — “dat gij in Christus Jezus zijt.” Waarom zijn wij in Christus Jezus? Is dat onze keuze? Nee, dat is uit Hem. Uit Hem is het dat u in Christus Jezus bent, die ons van God is geworden als wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing.
Als ik het goed versta, is Christus Jezus ons geworden tot wijsheid en uitzicht. Dat is rechtvaardiging in het verleden — we zijn gerechtvaardigd. Heiliging heeft te maken met wat er nu gebeurt, wat God door ons heen doet. En verlossing heeft te maken met de toekomst: de verlossing van ons lichaam. Dus verleden, heden en toekomst; dat is die wijsheid, dat uitzicht dat wij hebben, en dat hebben we allemaal uit Hem. Daarmee zie je dus dat het bij Hem begint, het hele proces uit Hem en in Hem plaatsvindt, en de voltooiing eveneens: de verlossing van ons lichaam.
Het idee is: Hij is genoeg. Wandel in Hem. Ik word op mijn wenken bediend, want dit is precies ook het woord dat Paulus hier weer bezigt. Hij zegt: wandel in Hem, geworteld en dan opgebouwd wordend, bevestigd wordend — dat wil zeggen: vastgesteld worden — in het geloof zoals u geleerd is. De gedachte is: toen zij ooit gelovig werden, ontvingen zij Christus Jezus de Heer. Ze ontvingen nieuw leven. Mensen zijn stervelingen, maar zij ontvingen de boodschap van nieuw leven en van hoop. Toen was Hij genoeg. Welnu, als dat toen de waarheid was, dan verandert dat helemaal niet. Hij was toen genoeg, en Hij is ook nu voor jullie genoeg. Als jullie op willen groeien, wijs willen worden en meer willen verstaan, dan staat dat allemaal tot uw dienst. Daar gaat het inderdaad om, maar vergis u niet: het is in niemand anders dan in Hem. Denk niet dat u wijsheid buiten Hem moet gaan zoeken.
Juist deze week kreeg ik nog een uitgebreide mail van iemand die zich wat zorgen maakte over de gemeente waar hij naartoe ging. Er waren daar mensen die zich bezighielden met allerlei psychologische technieken. Dat zijn psychologische scholen die in de wereld opgang doen: hoe je zelfverzekerd kunt worden, maar ook hoe je omgaat met schuldgevoelens en met het verleden. Kortom, ook in het pastoraat wordt dat dan allemaal geïntroduceerd. Maar het zijn gewoon wereldse modellen. Men zegt dan: “Het is geweldig wat we hebben in het Woord” — dat klinkt heel vroom — “maar vergis je niet, die psychologie is ook niet niks, daar kunnen we ons voordeel mee doen.” En dat soort technieken worden dan allemaal losgelaten op gelovigen. Dit vind ik nou een typisch voorbeeld van wijsheid elders zoeken.
Het Woord van God is genoeg. Als we als gelovigen bij elkaar komen, wat hebben we anders dan de Schrift? Zodra je iets anders nodig hebt dan de Schrift, zouden alle waarschuwingslampen moeten gaan knipperen en oplichten. Oplichten, ja, want je dreigt opgelicht te worden. Dat is echt zo. Het Woord van God is afdoende, het is voldoende. Dat zegt Paulus ook in Timotheüs: “Al de Schrift is van God geïnspireerd,” en dan gaat hij verder: “nuttig tot opbouw en tot wederligging, opdat de mens Gods volkomen zou zijn, tot alle goed werk volkomen toegerust.” De Schrift is alles. Het hele idee dat je buiten die Schrift ook je licht zou moeten opsteken — of dat nu het jodendom is, andere religies of andere filosofieën — ik weet het ook uit eigen ervaring. Ik zeg dat helemaal niet vermanend, maar het is gewoon de waarheid: het Woord van God is alles.
Op het moment dat je denkt… ik heb zelf ook een tijd gehad dat ik in bepaalde psychologische richtingen erg geïnteresseerd was. Achteraf denk ik: het is eigenlijk alleen maar tot schade van je geloof in Christus. Want het idee is namelijk altijd dat Christus feitelijk niet voldoende is. Maar wat is er krachtiger, rijker, sterker en meer afdoende dan het Woord van God? Het is toch een absurde aanname dat er iets anders nodig zou zijn? Daarom spreekt Paulus ook over drogredenen. In Christus is alles. Daarom zegt Paulus: als dat zo was bij de aanvang, laat het ook nu zo zijn. Nu u Hem ontvangen hebt: wandel in Hem.
Geworteld, Opgebouwd en Overvloeiend in Dankzegging ↑ hoofdstukken
En dan zegt hij nog: geworteld en dan opgebouwd wordend in Hem, bevestigd worden in het geloof zoals u geleerd is. Dat wil zeggen door die Epafras, die het woord van de apostel Paulus daar had gebracht. Geworteld. Dat is dezelfde terminologie als wat hij ook al gebezigd had in een vers dat we al eerder besproken hebben, Kolosse 1 vers 23: “indien gij slechts wel gegrond en standvastig blijft in het geloof”. Niet werken, maar geloof. En u niet laat afbrengen van de hoop van het evangelie, alsof er nog iets anders zou zijn dat beter zou zijn of iets daaraan zou kunnen toedoen. Dat is een drogredenering. Daarom zegt hij dat je je wortels zou uitslaan in die rijkdom van de Schrift. Daar raak je niet in uitgestudeerd; het is het grootste wat er is.
Ik zei het bij de aanvang van deze avond al ongeveer: we hebben nog geen promille verstand of besef – nou ja, ook geen verstand denk ik – van wat er allemaal in die schatkamer van God ligt. We hebben er geen idee van. Wat een dwaasheid is het als je, terwijl je nog geen benul hebt van al die schatten, vervolgens zegt: “Ja, we moeten ons licht ook maar eens een keertje buiten die Schrift opsteken.” Dat is toch dwaas? Als ik het zo zeg, dan is dat dwaas, maar het is een drogredenering waar je zomaar in trapt. Met recht zegt Paulus daarom dat je geworteld, gegrond en standvastig moet zijn. Laat je er niet van afbrengen. Zo word je ook opgebouwd in Hem en bevestigd. Dat wil zeggen: je wordt er alleen maar meer vast in bevestigd. In het geloof vastgesteld, zoals u geleerd is.
En dan is er nog een laatste punt waar ik nog even op wil wijzen, waarna we de volgende keer inderdaad bij vers 8 zullen beginnen. Maar nog even deze woorden: “overvloeiende in dankzegging”. Als er iets is wat typerend is voor het leven uit genade en voor de boodschap van genade, dan is het dit: genade en dankzegging. In onze taal ontgaat die link ons, maar in het Grieks ligt het er duimendik bovenop. Het woord voor genade is charis en het woord voor danken of dankbaarheid is eucharistia. Daar zit trouwens ook die link met vreugde in; dat ligt allemaal in elkaar besloten.
De boodschap van genade, wat roept dat op? Op het moment dat je die rijkdom ontvangt, dan zeg je: “Dank U.” Dat is wat je doet. De reactie als je iets ontvangt en je beseft dat je het ontvangt, is dat je dankbaar wordt. Ik denk trouwens dat het begrip “overvloeien” te maken heeft met wanneer het naar buiten komt, zoals wij dat ook wel zeggen. Dankbaarheid is een houding, iets wat in het hart zit. Maar waar het hart vol van is – dat is trouwens ook een Bijbelse uitspraak uit Mattheüs – daar loopt de mond van over. Dus dat overvloeien van dankzegging is niet alleen een attitude of een hartsgesteldheid van dankbaarheid; het loopt er ook van over in woorden van dankzegging. Als er één God is die van ons houdt en Hij alles beschikt en er nooit iets misgaat… ja, als je dat gaat beseffen, dan maakt dat dankbaar en ook enorm blij. Daarom: overvloeiende in dankzegging. Als je geworteld bent in die waarheid van Hem en daarin bevestigd wordt, dan is dat het automatische gevolg. Overvloeiende in dankzegging. En nu doe ik alsnog wat ik al eerder heb beloofd.
De Wil van God: Verblijdt U te Allen Tijde en Dankt Onder Alles ↑ hoofdstukken
Ik haalde het al even aan en dat lijkt me een hele mooie tekst om mee af te sluiten: 1 Thessalonika 5. “Verblijdt u te allen tijde.” Ik ben haast geneigd om het aan te vullen zoals hij het in de Filippenzenbrief zegt: “Nog eens zeg ik u: verblijdt u.” Te allen tijde. We hebben zoveel reden om ons te verheugen in Hem; inderdaad, in de Heer. Verblijdt u te allen tijde.
“Bid zonder ophouden.” Waarom bidden? Nou, voor die geopende ogen, zodat we echt zouden gaan beseffen hoe rijk wij zijn. Dat is het gebed dat ik voor mezelf heb en dat is het gebed dat ik voor u en iedereen die me lief is heb, namelijk dat de ogen opengaan en we tot erkentenis der waarheid komen. Dat we besef gaan krijgen van wat we hebben in Hem. Bid zonder ophouden, dat we dat zouden gaan beseffen.
En “dankt onder alles”, of “dankt in alles”. In welke omstandigheden dan ook, dat kunnen we doen. Ook de minnetjes in ons leven, de negatieve dingen. We weten gewoon op grond van het Woord van God — niet omdat een of andere ‘Mr. Chaka’ dat zegt of Emiel Ratelband, dat je altijd moet doen alsof alles positief is. Want wij hoeven helemaal niet te doen alsof alles positief is. Dat is ‘pep’, gewoon doen alsof alles positief is. Nee, wij weten dat elk minnetje — want die zijn er in het leven genoeg — dat er eigenlijk geen minnetjes zijn. Wij weten dat elk minnetje een plus wordt. Dus wij zijn met recht positieve denkers, niet omdat we onszelf daartoe ‘oppimpen’ ofzo, maar omdat het gewoon de waarheid is. Er is namelijk een God die alle dingen doet medewerken ten goede.
En dus kun je danken in alles. Dit is echt zo elementair in de praktijk van je leven. Dan zegt Paulus ook: “Verblijdt u te allen tijde, bid zonder ophouden, dank onder alles, want dat is de wil Gods in Christus Jezus ten opzichte van u.” Nou, dat lijken mij prachtige woorden om deze avond mee af te sluiten; met deze wil van God. Het is het mooiste wat er is om daaraan te denken en om zo’n leven te mogen leven wat Paulus hier ook beschrijft: die rijkdom van genade.
Ik stel voor dat we deze avond zullen afsluiten, uiteraard met dankzegging. Machtig God en Vader, we danken U dat U ons zo’n rijk Woord hebt gegeven en woorden van genade. Zoals we dat van de Kolossers lezen, dat zij de genade Gods in waarheid hadden leren kennen. En Heer, dat wij nu, zoveel jaren later, met diezelfde boodschap van genade in aanraking zijn gekomen. Dat wij dat Woord hebben ontvangen, want U hebt onze ogen daarvoor geopend, ons hart daarvoor geopend. U vult ons daar ook mee, want het is zo rijk.
En het is ons gebed, onophoudelijk, dat we verlichte ogen van het hart hebben, zodat we steeds meer daarvan gaan verstaan. Dat we werkelijk gaan beseffen hoe schathemelrijk we zijn. Met recht ‘hemelrijk’. En dat U ons op de hoogte gesteld hebt, letterlijk en figuurlijk, en dat we uitzicht hebben. Zo geweldig dat we zo’n enorm rijk Woord hebben. En Heer, als we daar enig besef van hebben, dan zou het ook niet in ons opkomen om ons licht elders op te steken. Want dat is per definitie dwaallicht, maar bovendien hebben we die schatkamer van U bij lange na nog niet ontdekt. We zijn nog maar nauwelijks de deur binnengekomen.
En Heer, alleen dat besef al, dat is zo spannend en ook zo avontuurlijk, want ons leven is daarmee inderdaad een ontdekkingstocht om steeds meer te gaan ontdekken. Want ook die Schriften zijn zo rijk. We danken U, Heer, dat we bij elkaar mochten zijn bij deze gelegenheid en dat we deze dingen mochten overdenken. Zegen zo Uw Woord aan ons hart. Geef dat de wil van God, zoals we er zojuist aan het einde bij hebben stilgestaan, dat die wil van God — dat we ons in alles verblijden te allen tijde en danken onder alles — dat dat de praktijk van ons leven is, dag in dag uit. In de naam van Uw Zoon, Hij die de dood overwon en de grote Overwinnaar is. Amen.
UltimateGoodNews