24. Hebreeën 11:22-32
05-06-2014 - Geplaatst door Andre PietPresentatie van studieavond gehouden op 5 juni 2014 in Rijnsburg
Deze avond ging over onderstaand gedeelte in Hebreeën 11.
22 Door het geloof heeft Jozef aan het einde van zijn leven gewaagd van de uittocht der kinderen Israels en voorschriften gegeven over zijn gebeente.
23 Door het geloof is Mozes na zijn geboorte drie maanden door zijn ouders verborgen gehouden, omdat zij zagen, dat hij een schoon kind was, en zij hebben het bevel des konings niet gevreesd.
24 Door het geloof heeft Mozes, volwassen geworden, geweigerd door te gaan voor een zoon van Farao’s dochter,
25 maar hij heeft liever met het volk Gods kwaad verdragen, dan tijdelijk van de zonde te genieten;
26 en hij heeft de smaad van Christus groter rijkdom geacht dan de schatten van Egypte, want hij hield de blik gericht op de vergelding.
27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, zonder de toorn des konings te duchten. Want hij bleef standvastig, als ziende de Onzienlijke.
28 Door het geloof heeft hij het Pascha gehouden en het bloed doen aanbrengen, opdat de verderver hun eerstgeborenen niet zou aanraken.
29 Door het geloof zijn zij door de Rode Zee gegaan als over droog land, terwijl de Egyptenaars, toen zij het ook beproefden, verzwolgen werden.
30 Door het geloof zijn de muren van Jericho neergestort, nadat het volk er zeven dagen lang omheen getrokken was.
31 Door het geloof is Rachab, de hoer, niet met de ongehoorzamen omgekomen, daar zij de verspieders met vrede had opgenomen.
32 . En wat moet ik nog verder aanvoeren? Immers, de tijd zou mij ontbreken, als ik ging verhalen van Gideon, Barak, Simson, Jefta, David en Samuel en de profeten,
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie: Wat Geloof Is
- Jozef Herinnert in Geloof aan de Uitocht
- Mozes Na Zijn Geboorte Verborgen Door Zijn Ouders
- Mozes Kiest voor het Volk van God en de Smaad van Christus
- Het Verlaten van Egypte, Ziende de Onzienlijke
- Door Geloof het Pascha Gehouden
- De Doortocht Door de Rode Zee als over Droog Land
- De Muren van Jericho Storten Neer
- Raghab de Hoer Gespaard Door Geloof
- De Tijd Ontbreekt: de Richters, David en de Profeten
- Conclusie: Geloof Is Staan op het Woord van God
Introductie: Wat Geloof Is ↑ hoofdstukken
Wij gaan verder met de bespreking van de Hebreeënbrief, de 24e avond. We hebben inmiddels al een tweetal avonden gespandeerd — of zeg ik drie misschien — aan Hebreeën 11 en daar gaan we vanavond mee verder. Hebreeën 11 is nogal een groot hoofdstuk trouwens; de Hebreeënbrief telt sowieso nogal veel verzen. Het is een uitgebreide brief en we zijn inmiddels toch wel in een redelijk vergevorderd stadium van onze bespreking van de brief. Het is wellicht goed om nog even scherp te krijgen waar we het de vorige keren over hadden en ons dan even te beperken tot het elfde hoofdstuk.
Daarbij wil ik erop wijzen dat het eerste vers van Hebreeën 11 eigenlijk een heel bekend vers is en feitelijk ook de basis vormt van het hele hoofdstuk. Dat is juist wat ik even wilde laten zien, want ik geloof niet dat ik daar in de voorgaande avonden al op gewezen heb. In Hebreeën 11 vers 1 staat dit (en ik lees het nu in een wat meer letterlijke, concordante weergave): “Geloof nu is een aanname van wat men verwacht en een overtuiging van zaken die men niet ziet.” Het is geen definitie, maar deze beschrijving van wat geloof is — niet het geloof, maar wat geloof is — zie je vervolgens in het hele hoofdstuk gedemonstreerd. In de eerste verzen worden een aantal personen genoemd: Abel, Henoch, Noach; daar wordt min of meer de basis uitgewerkt.
Vanaf vers 8 tot en met 22 zie je vervolgens de figuur Abraham, die vier keer ten tonele gevoerd wordt; dat wil zeggen om vier verschillende redenen. Verder worden ook nog genoemd: Sara, Izak, Jakob en Jozef. In hen wordt gedemonstreerd dat geloof voorwaarts ziet. Dat wil zeggen: naar de toekomst. Dat correspondeert dus met het eerste deel van de beschrijving: het is een aanname van wat men verwacht. Vervolgens krijgen we vers 23 tot 31, het gedeelte dat we vanavond vooral onder ogen zullen zien. Ik weet niet hoe ver we zullen komen, maar in elk geval wordt daar het tweede deel gedemonstreerd van wat geloof is, namelijk: het is een overtuiging van zaken die men niet ziet. Dat wordt inderdaad benadrukt in wat we deze avond zullen zien in Mozes, in Jozua en in Rachab. Het is trouwens interessant dat Abraham en Mozes de twee hoofdrolspelers zijn in Hebreeën 11. Abraham wordt om vier verschillende redenen genoemd en Mozes eveneens.
In het eerste gedeelte zien we dus geloof dat ziet in de toekomst; ‘verwachtende de stad’ wordt er van Abraham bijvoorbeeld gezegd. Telkens weer staat dat element van hoop, verwachting en toekomst voorop, terwijl het in het tweede gedeelte er juist om gaat dat geloof opwaarts ziet en ‘de Onzienlijke’ ziet. Dat zie je dus in dit gedeelte gedemonstreerd. Dat correspondeert precies met de tweeledige beschrijving van geloof waar het hoofdstuk mee aanvangt. Over Abraham, Sara, Izak, Jakob en Jozef hebben we het de vorige keer gehad. We zijn inderdaad geëindigd met Jozef in vers 22. Of zeg ik het nu goed? Ja, vers 22. In vers 21 wordt er gesproken over Jakob, en dat is inderdaad het laatste wat we hebben gezien: door geloof heeft Jakob bij zijn sterven ieder van de zonen van Jozef gezegend en hij heeft aangebeden, leunende op het uiteinde van zijn staf.
Dat was het slot van de voorgaande avond. Hij leunde op zijn staf als embleem ook van de opstanding die hij verwachtte. En hij heeft, geheel tegen de menselijke verwachting in, de zonen van Jozef gezegend. We hebben er toen ook bij stilgestaan dat hij zijn armen kruiste en Efraïm het eerstgeboorterecht gaf. Dat is het structurele verhaal in het hele boek Genesis. Abraham, Izak, Jakob, Jozef en Efraïm waren allemaal geen eerstgeborenen en toch werden ze tot eerstgeborenen gesteld. Niet de eerste, maar de tweede werd de eerste. Dat is eigenlijk het verhaal. Daarmee zagen we ook iets anders geïllustreerd, namelijk wat we ook al eerder zagen in Hebreeën 10: dat God het eerste wegneemt om het tweede te stellen. Niet de eerste offerdienst, maar de tweede; daar gaat het om. Het eerste dient eigenlijk alleen maar ter introductie van het tweede.
Jozef Herinnert in Geloof aan de Uitocht ↑ hoofdstukken
We gaan nu naar Jozef, in vers 22. Dit gedeelte hoort eigenlijk nog bij het ‘A’ waar ik het op de voorgaande dia over had: de verwachting, het uitzien op de toekomst. Dat zie je hier inderdaad heel duidelijk in het leven van Jozef gedemonstreerd. Of laat ik het anders zeggen, zoals Jozef hier neergezet wordt: door geloof heeft Jozef aan het einde van zijn leven… er staat eigenlijk een woord dat consequent weergegeven dient te worden met ‘overlijdende’ of ‘stervende’… gewaagd van de uittocht van de kinderen Israëls. Dat was door geloof.
Hoe wist Jozef dat dan? Wel, dat was van vader op zoon doorgegeven. Ooit had God al tegen Abraham gezegd dat zijn nageslacht naar Egypte zou gaan, daar verdrukt zou worden en na vierhonderd jaar zou terugkeren. Dat is op het jaar nauwkeurig vervuld. Jozef bevond zich aan het einde van de eerste helft van die periode. De hele periode van de belofte aan Abraham tot aan de uittocht uit Egypte is 430 jaar. Die periode is onderverdeeld in twee gelijke helften van 215 jaar. Wel, aan het einde van die eerste 215 jaar vinden we Jozef.
Hij heeft toen gewaagd van, of eigenlijk herinnerd aan de uittocht. Dat onderstreept precies wat ik net zei: hij herinnerde aan wat God eertijds vroeger al aan zijn overgrootvader had voorzegd. In Genesis 15 vind je die precieze belofte al. Wanneer de schrijver van de Hebreeënbrief dat zo naar voren brengt, refereert hij aan wat we lezen in het slot van het boek Genesis. Er staat in Genesis 50 dat Jozef tot zijn broeders zei: “Ik ga sterven.” Letterlijk staat er: “Ik sterf” of “ik ben stervende”. Dat betekent dus precies wat we zojuist ook zagen: hij was aan het overlijden. Hij lag op zijn sterfbed en wat zeg je dan? Dat zijn altijd de belangrijkste woorden. Je hebt dan niet veel tijd meer en als je nog wat te zeggen hebt, dan zeg je het ook. Het is trouwens opmerkelijk dat mensen op hun sterfbed pas echt eerlijk worden; dan zeggen ze de dingen die er werkelijk toe doen. Tijdens je leven kun je een heleboel onzin verkondigen, maar op je sterfbed doe je dat niet zo erg meer.
Hij zegt dus dit: “Ik sterf en God zal zeker naar u omzien en u uit dit land voeren.” Ze bevonden zich in Egypte, maar hij heeft herinnerd aan de exodus. Exodus is een Grieks woord dat ‘uittocht’ betekent. Hij herinnerde aan de uittocht van de zonen van Israël. Moet je nagaan: ze waren in wezen nog maar betrekkelijk kort daar. Het hele huis van Jakob, zeventig zielen, was naar Egypte getrokken. Jozef sterft nu en hij heeft deze woorden gesproken: “Dit gaat gebeuren.” Dat duurt weliswaar nog een paar honderd jaar — ongeveer 215 jaar — maar het zal gebeuren. God zal hen uit dit land voeren naar het land dat Hij aan Abraham, Isaak en Jakob, Jozefs eigen vaderen, onder ede beloofd heeft.
Daarom was hij er ook zo zeker van. God beloofde het en God zwoer een eed, wat Hij slechts zelden doet. Het is opmerkelijk dat als er ergens commentaar geleverd wordt op de eedzwering van God, dat in de Hebreeënbrief is. Als je wilt weten hoe dat nu zit met de eedzwering, dan moet je echt de Hebreeënbrief opslaan. Want het is juist in de Hebreeënbrief dat ik meen dat vier van de vijf keren dat God überhaupt een eed zweert, dat verhaald wordt. De belofte aan Abraham waar het hier over gaat, en de eedzwering die God deed bij Melchizedek: “Gij zijt koning-priester naar de ordening van Melchizedek.” Dat wordt van de Messias gezegd en wordt in de Hebreeënbrief aangehaald. Er is trouwens ook een bekende eedzwering in Jesaja 45, waar God zegt dat voor Hem elke knie zal buigen en elke tong zal belijden. Dat staat zo absoluut vast. Niet dat het andere niet vaststaat, maar dit wordt nog eens dubbel bevestigd.
Zodat wanneer de schrijver zegt dat Jozef herinnert aan de uittocht van de kinderen Israëls, dat correct is. En het is door geloof, dat is natuurlijk de clou. Hij wist dat het hier om het Woord van God ging en daarom was hij er zeker van. Aan het einde van zijn leven kon hij over het graf heen kijken en hij wist wat er over ruim honderd jaar zou gebeuren. En er staat nog bij: “en voorschriften heeft hij gegeven over zijn gebeente.” Niet over zijn as, maar over zijn beenderen. Dat spreekt inderdaad van verwachting. In Genesis 50:25 staat dat Jozef de zonen van Israël deed zweren. Hij liet hén nu zweren, want dat geeft aan hoe belangrijk dit voor Jozef zelf was. “God zal zeker naar u omzien,” ook daar is hij dus zeker van, “en dan zult gij mijn gebeente van hier meevoeren.” Hij geeft hier inderdaad voorschriften over en hij laat hen deze belofte doen.
Waarom zijn gebeente? Hij wilde bij zijn vaderen begraven worden, daar bij Hebron en Sichem. Daar, niet in Egypte. Daarom heb ik dit plaatje er ook bij gedaan. Die man had een riante begrafenis kunnen krijgen; als onderkoning had hij misschien wel een piramide kunnen krijgen. Maar dat heeft hij niet gedaan. Jozef wist hoe het zat en heeft voorschriften gegeven aangaande zijn gebeente. Zijn gebeente moest niet in Egypte blijven, maar naar het beloofde land. Daar had God Zijn belofte aan verbonden, aan dat land, en daar zou Zijn volk wonen. Dit onderstreept dat geloof te maken heeft met wat je ziet in de toekomst. Hoe weet je dat zo zeker? Dat heeft niets met voorspellingen of statistiek te maken, maar het is puur het naspreken van wat God heeft gesproken.
Er staat nog bij: “En Jozef stierf, honderdtien jaar oud, en men balsemde hem en hij werd in een kist gelegd in Egypte.” Ik heb dat woord ‘kist’ even onderstreept. In het Hebreeuws staat daar het woord ‘Aaron’. Dat is de eerste keer dat dit Hebreeuwse woord gebruikt wordt. Alle navolgende keren dat het vervolgens gebezigd wordt — en dat is vele tientallen keren — wordt het vertaald met ‘ark’, de ark van het verbond. Maar hier wordt het vertaald met ‘kist’. Het is echter exact hetzelfde Hebreeuwse woord dat gebruikt wordt voor de ark van het verbond. We weten dat de ark in alle opzichten, in alle details — alles wat erin was, hoe het gemaakt was, de afmetingen, het hout met goud overtrokken wat spreekt van onvergankelijkheid — dat alles spreekt van Christus. Hij werd in een kist gelegd in Egypte, in de ark. Daarmee zie je eigenlijk ook al een verborgen heenwijzing naar Jozef en dat waar hij in kwam.
Dat heeft ook alles hiermee te maken. Het woord aron komt voor… ja, we zullen trouwens nog een keer een kist tegenkomen. Een kistje, maar dat is het biezenkistje en dat is weer een ander woord. Daar kom ik straks trouwens nog wel even op terug. Ja, dat is tebah, als u mij de uitspraak vergeeft.
In de tekst wordt dat woord voor de ark van Noach gebruikt. Dat woord wordt ook gebezigd in Exodus 2, wanneer je leest dat Mozes in een biezen mandje gelegd wordt. Daar staat ‘een biezen kistje’ en dat is hetzelfde woord dat ook gebruikt wordt voor de ark van Noach. Er zijn dus twee verschillende Hebreeuwse woorden.
Hij werd weliswaar gebalsemd en hij werd voorlopig bijgezet in Egypte, in een Egyptisch graf, maar met de uitdrukkelijke toezegging dat hij na verloop van tijd meegenomen zou worden om begraven te worden in het beloofde land. God had Zijn belofte gegeven. Zo zie je dat die man een toppositie had bereikt daar in Egypte, maar zijn hart lag dáár waar God Zijn woord aan verbonden had en Zijn belofte aan had gegeven. Dat zijn prachtige voorbeelden die exact demonstreren waarom de schrijver deze uiteenzettingen geeft. Het zijn allemaal mensen die leefden uit geloof en ook stierven in dat geloof. Dat is het enige wat telt: het Woord.
Daar wil ik ook nog even op wijzen: Exodus 13. Want dan zie je inderdaad dat zoveel honderd jaar later de uittocht plaatsvindt. Dan lees je: “En Mozes nam het gebeente van Jozef mee.” Dat is dus de geschiedenis van de uittocht. Mozes nam het gebeente van Jozef mee, omdat deze de zonen van Israël plechtig had doen zweren: “God zal zeker naar u omzien en dan zult gij mijn gebeente van hier met u meevoeren.”
Gedurende die hele woestijnreis hebben ze Jozef dus meegenomen. Ze hadden de ark die ze meevoerden — daar zit ik ineens aan te denken — en ze hadden nog een andere ark, namelijk de kist van Jozef. Er zijn verschillen, maar ik zou haast vragen: zoek ook de overeenkomsten, zodat je de gemeenschappelijke delen en de typen daarin ziet. Het is daadwerkelijk ook zo gegaan.
We gaan dan verder. “Door geloof” — ik heb iedere keer het woordje ‘het’ doorgestreept. Het gaat dus niet om de geloofswaarheid, dat wat geloofd wordt, maar het gaat over geloven: het werkwoord geloven. Ik zeg weleens dat ik er altijd een beetje moeite mee heb om geloven een werkwoord te noemen. Grammaticaal klopt dat, maar Bijbels is daar natuurlijk wel wat op aan te merken. Nou ja, ik heb er eigenlijk bij nader inzien toch wat minder moeite mee, want Gód is het die geloof werkt. Dan hebben we het toch weer voor elkaar en is het toch een werkwoord. God doet dat; Hij overtuigt de mens.
Mozes Na Zijn Geboorte Verborgen Door Zijn Ouders ↑ hoofdstukken
Door geloof is Mozes na zijn geboorte drie maanden door zijn ouders — opmerkelijk trouwens, er staat letterlijk ‘door zijn vaders’, ‘door de vaders van hem’ — verborgen gehouden. Waarom dat er zo staat… de NBG-vertaling heeft er dan maar ‘ouders’ van gemaakt en wellicht is dat ook idiomatisch de betekenis, maar er staat dus letterlijk ‘vaders’. Trouwens, Mozes had verschillende opvoeders, zo blijkt uit de geschiedenis, want zijn zus Miriam hoorde er ook nog bij. Die moederde of vaderde misschien over hem; ik weet niet precies wat de gedachte daarbij is.
Maar in elk geval: door geloof is Mozes verborgen gehouden. Hij heette trouwens toen nog helemaal niet zo; de naam Mozes krijgt hij pas later, maar daarover wil ik straks nog wat zeggen. Door geloof is Mozes na zijn geboorte drie maanden door zijn ouders verborgen gehouden. Dat is geloof geweest, hoewel het wat ondoorzichtig is om dat precies te achterhalen. Ik zeg ‘precies te achterhalen’, want het wordt wel met redenen omkleed, alleen is het niet helemaal helder wat hier precies bedoeld wordt. Er staat dit: ‘omdat zij zagen — de ouders, de vaders — omdat zij zagen dat hij, Mozes, een schoon kind was’. Een knap kind was.
Dat is eigenaardig. Want je zou zeggen: elke ouder is toch ontzettend blij en elk kind dat geboren wordt, is het mooiste kind. Nou ja, ik niet trouwens. Ik moet nu aan een gevoel denken waar ik haast een jeugdtrauma aan heb overgehouden. Mijn broertje was bij de geboorte een prachtig ventje, dat was anderhalf jaar voordat ik geboren werd: zwart haar, een slank mannetje. Toen mijn moeder in het ziekenhuis van mij beviel — dat was onder narcose — en ze mij later te zien kreeg, was haar eerste reactie: “Dat is mijn kind niet!” Want mijn broertje was slank en heel mooi en hij had ook heel veel krullen, en ik had ongeveer zo’n hoofd, zeg maar. Vandaar dat ik later ‘Unica’s kop’ werd genoemd. Ik had geen haar op mijn hoofd.
Laten we even nog verdergaan met de gekkigheid. Er werd later tegen mij gezegd — dat was opvoedkundig, nou, ik gooi die frustratie er maar meteen eens even uit, je moet het van je af praten zeggen ze dan — ze hebben tegen mij gezegd toen ik een jaar of vijf, zes was: “Stel je voor dat je echte ouders nu hier zouden komen. Wat zou je doen? Zou je met hen meegaan of bij ons blijven?” En dan kregen ze me helemaal aan het huilen. Ja, ik heb het nu gezegd en ik voel opluchting. Dat was pedagogische wijsheid! Maar goed, we hebben er wel een grapje aan overgehouden.
Even terug naar Mozes. Zij zagen dat hij een schoon kind was. In het Hebreeuws staat in Exodus 2 dat hij ’tof’ was. Het Hebreeuwse woord ’tof’ wordt daar gebruikt: goed, een goed kind. Waarom? Dat is trouwens ook opmerkelijk, want als je in de rede van Stephanus leest in Handelingen 7 — ook een lang hoofdstuk waarin Stephanus de geschiedenis van Israël en de hoogtepunten daarin bespreekt — dan staat daar in datzelfde verband over Mozes: ‘hij was mooi voor God’. In Handelingen 7 vers 20 staat het zo: ‘Te dien tijde werd Mozes geboren, hij was schoon voor God’. Drie maanden werd hij in zijn vaders huis gevoed en hebben ze hem verborgen gehouden.
Maar wat hebben zij onderkend? Was hij zo uitzonderlijk mooi? Duidt dat alleen maar op fysieke schoonheid? Daar geloof ik niets van. Hij was ‘schoon voor God’. Dus op de een of andere wijze — en dat is wat ik bedoelde met dat het toch wat onduidelijk is — hebben ze iets gezien dat als geloof wordt aangemerkt, waardoor ze hem verborgen hebben gehouden. Realiseert u zich trouwens ook dat Amram en Jochebed, de ouders van Mozes, door geloof leefden en dat zij ook wisten dat de tijd aanstaande was dat ze uit Egypte zouden trekken. Dat wisten ze; dat zou nog een jaar of veertig duren, vrij precies zelfs. Hebben zij op de een of andere manier iets in die baby gezien waardoor zij een aanknopingspunt vonden? Het heeft er alle schijn van, laat ik het voorzichtig zeggen. In elk geval was hij, dat is het commentaar van Stephanus, ‘schoon voor God’. Goddelijk schoon betekent dat wellicht. In elk geval wordt dat door Stephanus zo geformuleerd.
Welnu, dat hebben zij onderkend en gezien, en zij hebben het bevel van de koning niet gevreesd. Want u weet wat er moest gebeuren: al die jongetjes moesten in de Nijl geworpen en verdronken worden. Ondanks het feit dat zij wisten dat — zoals Paulus trouwens ook schrijft — elke ziel de overheid onderdanig moet zijn, konden ze dit in dit geval niet doen. Ze konden dit niet gehoorzamen en het was geloof dat zij het bevel van de koning niet hebben gevreesd.
Ze hebben hem eigenlijk in geloof in een kistje gelegd. En dan hebben we weer dat kistje, dat is dus dat andere woord: de ark. Waardoor ooit de mensheid door de dood heen op een nieuwe aarde terechtkwam. Hoort u wat ik zeg? Door de kist waarin de hele mensheid zich bevond — acht zielen maar — is de mensheid getransporteerd van de oude aarde naar een nieuwe aarde. Door de dood heen, want de wateren van de zondvloed staan natuurlijk voor de dood. Er was één groot graf, die vloed. Welnu, in feite zie je datzelfde fenomeen bij de Nijl, want de Nijl was ook een graf. Alle Israëlitische jongetjes werden daarin geworpen en dat was een graf. En zij hebben hem in een kistje gelegd, in een ark, zoals Noach. Is dat ook geen geloof?
Het loutere feit dat Miriam gaat kijken wat er met Mozes gebeurt — of hij toen nog niet zo heette — geeft aan dat ze daar ook verwachting van hebben gehad. Het is van belang om dat te benadrukken, want dat is precies de reden waarom dit naar voren gebracht wordt: het is geloof geweest wat de ouders, Jochebed en Amram, heeft bewogen om het zo te doen. Eerst drie maanden verbergen en dan vervolgens aan het water toevertrouwen door hem in een kistje te leggen. Dat is geloof geweest.
In diezelfde tijd is hij — u kent de geschiedenis, ze is bekend genoeg — gevonden door Farao’s dochter. Toen werd hij uit het water getogen en daarom heette hij Mozes. Zo wordt het ook echt in Exodus 2 gezegd. Mozes betekent namelijk: ‘uit het water getrokken’. En als u het mij vraagt, is dat feitelijk, net als waar we het net over hadden met de ark, een embleem van opstanding. Zoals de ark rust vond op de 17e Nisan — de dag van de opstanding — zo kun je ook van deze Mozes zeggen: hij was aan de dood toevertrouwd. Het was een graf, hij lag daar in een kist, maar hij werd juist uit het water getrokken. Uit de dood kwam hij weer tevoorschijn. In de derde maand ook nog… jawel, let op dat woordje: de derde. En toen kwam hij aan het hof van Farao terecht. Dat is waar het volgende vers over handelt.
Mozes Kiest voor het Volk van God en de Smaad van Christus ↑ hoofdstukken
Door geloof heeft Mozes… Hij was volwassen, of eigenlijk staat er: ‘groot wordend’. Dat kun je fysiek opvatten; hij werd inmiddels volwassen, zoals de NBG dat ook vertaalt. Maar je kunt het ook wat figuurlijker opvatten: hij werd groot. Zoals wij spreken over de ‘groten der aarde’. Dan bedoelen we niet de fysieke grootheid, maar dat hij een hoge positie had. Hij was een groot man.
Dat hij groot werd, is niet zo verbazingwekkend als je het vanuit dat oogpunt bekijkt, want hij bevond zich aan het hof van de Farao, het wereldrijk in die dagen. Dat was een geweldige positie, maar juist in Mozes zie je zoiets prachtigs gedemonstreerd. Denk aan de wonderlijke wijze waarop hij als baby wordt gevonden in de Nijl en op die manier aan het hof terechtkomt. Je zou zeggen dat hij daar zijn hart aan zou verpanden, want wat lezen we dan?
Voordat ik mijn verhaal voortzet, laat ik eerst lezen wat hier staat: “Door geloof heeft Mozes, groot wordend, geweigerd door te gaan voor een zoon van Farao’s dochter.” Dat is eigenaardig. Probeer je te verplaatsen in de situatie. Hij is natuurlijk gevoed door Jochebed; dat was de afspraak tussen Farao’s dochter en de ouders van Mozes. Zij zou hem voeden en als hij groot zou worden, zou ze hem afstaan aan Farao’s dochter. Daar zou hij verder opgroeien om een zoon van de Farao te zijn.
Maar hij is in die eerste jaren gevormd door zijn ouders, door zijn vader en zijn moeder. Ik denk in de eerste plaats door zijn moeder, want zij moest hem voeden per slot van rekening. Welk stempel heeft zij op hem gezet? Zij heeft uiteraard gesproken over wat zij wist: over de belofte van God. Zij wist van een volk waaraan God honderden jaren tevoren Zijn belofte had gegeven aan de vaderen. Daar leefde zij uit. Mozes heeft dat gehoord en hoe klein hij ook was, het heeft een stempel op zijn leven gezet.
Het andere vond hij kennelijk helemaal niet interessant. Hij heeft geweigerd; laatdunkend heeft hij zich ervan afgekeerd. Dat is het idee van dat woord: hij weigerde om een zoon te zijn van Farao’s dochter. Dat is nogal wat als je een geweldige positie hebt. We lezen in Handelingen 7, in de rede van Stefanus waar we het eerder over hadden: “Toen hij te vondeling was gelegd, nam de dochter van Farao hem aan en liet hem als haar eigen zoon opvoeden.” Dat was dus nadat hij gevoed was door zijn bloedeigen moeder.
Hij was ook in dat opzicht een groot man. Een knap man – en dat bedoel ik dubbelzinnig: knap in fysieke zin, maar ook qua geleerdheid. Hij werd onderwezen in alle wijsheid van de Egyptenaren. Later kregen de Grieken die reputatie van wijsheid, maar toen was het nog Egypte. Als er ergens wijsheid gevonden werd – niet alleen architectuur, maar ook filosofie, kortom alle geheimen van de schepping – dan was het daar. Hij werd daarin onderwezen; in alle wijsheid van de Egyptenaren, machtig in woorden en werken. Een geweldig hoge positie.
Desondanks staat er: hij heeft geweigerd door te gaan voor een zoon van Farao’s dochter. De woorden die hij als klein ventje heeft gehoord, zijn blijven hangen. Ik zeg niet dat al die andere dingen geen betekenis in zijn leven hebben gespeeld, maar niettemin is dit waar het Mozes om ging. Dat blijkt ook uit vers 25: “Maar hij heeft liever met het volk Gods kwaad verdragen.” Let op, er staat ‘het volk Gods’. Er staat niet ‘met zijn volk’, want dan zou je het nog kunnen opvatten als een soort natuurlijke affectie. ‘Back to the roots’, weet je wel; daar kwam hij vandaan en daar had hij sympathie voor. Nee, het gaat erom dat het het volk van God is. Hij wist: dit volk van de Hebreeën, die doortrekkers, dat pelgrimsvolk, daar heeft God Zijn belofte aan verbonden.
Het was volstrekt onaantrekkelijk om in zijn situatie je hart daaraan te verpanden. Het was een volk dat onderdrukt werd, een volk dat in kwade reuk stond aan het hof van de Farao zelf. Per slot van rekening was het de Farao die het edict had gegeven, het bevel om alle Hebreeuwse jongens te vermoorden. In zo’n vijandig milieu vertoefde hij. Desondanks, met al die wijsheid en alle motieven waarmee de Egyptenaren zich rechtvaardigden – hij heeft het allemaal gehoord en zijn gedachten erover laten gaan – gaf hij er de voorkeur aan om met het volk van God kwaad te verdragen.
Wat dat kwaad is, lijkt me niet zo moeilijk: dat is wat het volk van de Hebreeën allemaal onderging in die dagen. Een vreselijke verdrukking. De eerste hoofdstukken van het boek Exodus laten dat zien. Ze werden verdrukt in Egypte; niet alleen de jongetjes werden vermoord, maar ze kwamen ook in een vreselijke slavernij terecht. Maar God bewaarde hen. Ik moet eraan denken dat Mozes later – hij was inmiddels tachtig jaar, zijn leven is immers in drie keer veertig jaar onderverdeeld – bij de berg Horeb kwam. Daar zag hij een brandende braamstruik. Het woord Sinaï betekent trouwens ‘braamstruik’.
Die brandende braamstruik was een uitbeelding van het volk van God. Ze stonden in de brand, in de hitte en de heftigheid van de verdrukking en de oordelen, en toch werd de struik niet verteerd. God bewaarde hen. Vanuit die brandende braamstruik spreekt God dan tot hem. Hij moest naar zijn volk in de verdrukking gaan, waar God hen in die brandende hitte bewaarde. Welnu, hij heeft liever met het volk van God kwaad verdragen dan tijdelijk van de zonde te genieten.
Bij ‘zonde’ denken wij misschien meteen aan allerlei uitspattingen, maar zonde betekent gewoon ‘doel missen’. Wat was het hele idee? Die hoge positie aan het hof, met alle voordelen van rijkdom, aanzien en macht, die was tijdelijk. Als hij daar zijn hart aan had verpand en daarvoor had gekozen, dan had hij tijdelijk van de zonde genoten. Dan had hij daar inderdaad genot van gehad, maar dat is slechts voor even.
Hij heeft de smaad van Christus grotere rijkdom geacht dan de schatten van Egypte. Wonderlijk zoals het hier geformuleerd wordt: de smaad van Christus. Het is dezelfde smaad die ook Christus onderging. Eigenlijk is het zo dat de smaad die Mozes onderging, te maken heeft met Christus. Het leed dat het volk onderging en de belofte die God aan dat volk had gegeven – de reden waarom ze in zo’n verdrukking waren – dat heeft allemaal te maken met het feit dat God aan dat volk Zijn Messiaanse belofte had verbonden.
Dat wil zeggen, aan dat volk zou eens de Messias toekomen en de Messias zou via dat volk de wereld gaan zegenen. Maar dat betekent dus dat als Mozes voor dat volk koos, dan koos hij feitelijk voor de Christus die via dat volk zou voortkomen. Vandaar ook dat hij het al ‘de smaad van Christus’ noemt. Dat lijkt een beetje… met een mooi woord noemen ze dat een anachronisme: iets in een andere tijd geplaatst. Maar dat is het niet, want dit is namelijk wat het in essentie is. De smaad die hij droeg, dat was in feite de smaad van Christus. Zo kun je dat achteraf rustig noemen.
Hij heeft die smaad, de miskenning ook, toen hij eenmaal weer aan het hof kwam… Hij was natuurlijk de man die zoveel smaad onderging, want hij was daar grootgeworden in het huis van Farao. En nu had hij de zijde gekozen van het volk van God. Dat het het volk van God was, wist hij toen misschien nog niet op die manier, maar die smaad kon hem allemaal niets schelen, zeg ik even met mijn eigen woorden. Hij achtte die smaad in elk geval een grotere rijkdom dan al die schatten van Egypte. Nou, en die zijn er wel hoor, tot op de dag van vandaag. Als je praat over rijkdommen en schatten en wat er alleen al bewaard is gebleven van Egypte, dat is een gigantische rijkdom.
Wel, hij heeft het geminacht omwille daarvan. Want, zo staat er, hij hield de blik gericht op de vergelding. U ziet hier in de interlineair dat ‘hij hield de blik gericht’ letterlijk ‘wegkijken’ betekent. Hij heeft daarvan weggekeken, van die schatten van Egypte, de positie, de tijdelijke genieting en alle voordelen die het met zich meebracht. Hij heeft daarvan weggekeken. Hoe doe je dat? Wel, hij keek namelijk naar de beloning, naar wat het uiteindelijk zou opleveren. Ja, dat is het verschil. Zie je iets bijzonders? Ja, hij keek er weg. Waarom? Met het oog op de vergelding. Dus hij keek weg van de rijkdommen en de schatten van Egypte. Oh, is het omgekeerd? Ja, de volgorde van de zin… ja, oké.
Voor Jochebed? Nou, ongetwijfeld, ja. Maar die heeft gehandeld. Wij weten natuurlijk niets daarvan. Nee, dat is eigenlijk een beetje een vergelijkbaar verhaal als wat ik de vorige keer, of die keer daarvoor, heb overwogen in verband met Abraham. Dat verhaal kun je natuurlijk heel dikwijls vertellen. Je kunt het van de psychologische kant benaderen: wat moet er door zulke mensen heen gegaan zijn om dat allemaal zo mee te maken? De Bijbel verhaalt er niet van. De Bijbel spreekt gewoon: het was geloof en dat was meer dan genoeg. Het was het Woord van God waar ze aan vasthielden. Alle emoties die dat ook gegeven heeft… ja, dat zal wel, maar daarvan wordt weggekeken. Dat is het.
Hij heeft daarvan weggekeken en hij hield zijn blik gericht op de vergelding. Want uiteindelijk was het dan toch zo dat toen Mozes met dat volk wegging bij de uittocht, Farao met zijn hele leger ten onder ging. Het volk werd droogvoets door de Rode Zee geleid. Wie het laatst lacht, lacht het best, maar dat zie je hier ook: inderdaad die beloning. Hij had ervoor kunnen kiezen om gewoon aan het hof van Farao te blijven. Dat heeft hij niet gedaan. Wat hadden we dan nu nog van Mozes geweten? Misschien een of andere hiëroglief waar nog een regeltje aan hem gewijd was, en dan hadden we hem nog kunnen bezichtigen als een mummie in Londen, daar in een archeologisch museum.
Maar nu weten we wie Mozes was. En Mozes heeft daar allemaal niet… Ik weet wel, wij praten nu achteraf, dat is altijd makkelijk praten. Maar je moet in die situatie praten. Denk aan alle adviezen die Mozes had kunnen inwinnen. Iedereen zou hebben gezegd: “Man, je bent hartstikke gek wat je doet.” Naar de mens gesproken was elke stap die hij hierin heeft gezet gewoon ridicuul, gewoon belachelijk. Ja, hij heeft het gedaan, maar hij trok aan het langste eind. Dat wist hij al wel op dat moment, maar het was niet gebaseerd op ervaring. Hij heeft overal van weggekeken en hij heeft zijn blik gericht op de beloning. Nou, daar staat er nog bij…
Het Verlaten van Egypte, Ziende de Onzienlijke ↑ hoofdstukken
Door geloof heeft hij Egypte verlaten, zonder de toorn van de koning te duchten. Eerst waren het zijn ouders die het bevel van de koning niet vreesden, en nu lees je dat hijzelf daar evenmin last van had. Hij heeft door geloof Egypte verlaten. Want er staat: hij bleef standvastig, al die veertig jaren lang. Ik bedoel toen ze eenmaal uit Egypte waren getrokken. Ik zet bij die veertig jaren expres even ‘puntje, puntje, puntje’. Wat bedoel ik ermee? Omdat ook hier weer – en ik vergeet het soms erbij te vermelden – bij elk voorbeeld dat hier in Hebreeën 11 genoemd wordt, een les ligt en een link naar de situatie van de Hebreeën.
Want de schrijver van de Hebreeën-brief zit niet zomaar in het wilde weg wat voorbeelden op te sommen. De geschiedenis kenden zij ook wel. Nee, hij noemt ze systematisch met een bepaald oogmerk. Al die voorbeelden van geloof die hij hier opsomt, staan in relatie tot en zijn een les voor de Hebreeën. Voor die Hebreeën was er namelijk ook een periode van veertig jaar, gerekend vanaf het jaar 30, toen de Heer Jezus stierf en opstond uit de doden, tot aan het jaar 70 – precies veertig jaren. In die tijd leefden zij ook, of althans: konden ze leven uit geloof. Mozes was standvastig, maar zijn deze Hebreeën dat ook? Dat is de vraagstelling die hier feitelijk onder ligt: Mozes was standvastig in die veertig jaren; zijn jullie dat ook?
En “ziende de Onzienlijke”, daar zit ook weer een link in naar de situatie van de Hebreeën, want die Hebreeën moesten leren dat de zichtbare dingen kwamen te vervallen. In de eerste plaats al die krachten, tekenen en wonderen die in aanvang zo demonstratief en massaal gezien en waargenomen werden. Het geldt ook voor de tempeldienst en Israël als politieke entiteit; het zou allemaal verdwijnen. Wel, en wat er over zou blijven, dat was verborgenheid, in de dubbele zin des woords – in vele dubbele zinnen des woords zelfs. Wat er over zou blijven is de verborgenheid: ziende de Onzienlijke.
Je moet er ook aan denken wat er in Hebreeën 2 staat, want daar staat dat Jezus – om goed te citeren – ja: “Maar thans zien wij nog niet dat alle dingen Hem onderworpen zijn.” Integendeel zelfs, wij zien helemaal niets. Maar: “wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden des doods, met heerlijkheid en eer gekroond.” Ja, wij zien niets en toch zien wij Hem zitten – ook lekker dubbelzinnig – met eer en heerlijkheid. Dat is ziende de Onzienlijke. Met ogen van geloof, met verlichte ogen van het hart. Niet met deze fysieke ogen, maar toch zien we het, gewoon via de Schriften. Met je ogen dicht kun je zoveel zien. En hij bleef daarin standvastig, al die veertig jaar, als ziende de Onzienlijke.
Ik stel voor dat we straks met vers 28 verdergaan, maar dat we eerst nu even gaan pauzeren. Laten wij de studie voortzetten. We hadden het over Mozes, die nogal prominent in Hebreeën 11 naar voren gebracht wordt. Hij verliet Egypte zonder de toorn van de koning te duchten; hij bleef standvastig al die veertig jaren als ziende de Onzienlijke. Dat was het laatste vers wat we voor de pauze bespraken, en dan…
Door Geloof het Pascha Gehouden ↑ hoofdstukken
Vers 28: “Door geloof.” Het is het weerkerend refrein: telkens “door geloof”. Door geloof heeft hij – Mozes – het paasgaan gehouden, of gemaakt, gedaan. In sommige vertalingen staat “gevierd”, maar dat staat er eigenlijk niet. Hij heeft het gemaakt, maar dat is ook een vrij logische formulering. Het is namelijk via hem ook een gebruik geworden in Israël en toen ook daadwerkelijk gevierd. Dus via hem, door geloof, heeft hij het gehouden of eigenlijk gemaakt en het bloed doen aanbrengen.
Pascha, dat woord betekent letterlijk overspringen. Dat heeft te maken met wat er gebeurde met die verderfengel die langs de huizen ging, maar oversprong bij de huizen van de Israëlieten. Ons woord Pasen komt daar niet rechtstreeks, maar wel indirect vandaan. Denk ook aan aanverwante woorden zoals “passeren”; dat is eigenlijk ook gewoon voorbijgaan. “To pass” in het Engels. “Pass over”, ja, “Passover”, dat is dus eigenlijk ook eroverheen gaan. Dat is het paasgaan. Dat is het feest, de hoogtijd bij uitstek waar het jaar mee begint.
Maar het is door geloof dat hij dat gedaan heeft. Daar gaat het hier over. Het is niet alleen maar zo dat ze het land van Egypte hebben verlaten, maar het is eerst en vooral via het Pascha. Eerst dat lam dat geslacht werd; dat was de essentie waar het allemaal op gebaseerd is. Wat er gebeurde op die 14e Nisan, exact de datum waarop het ware Pascha geslacht zou worden.
Het is door geloof, en ook dit is weer niet moeilijk te koppelen aan de situatie van de Hebreeën. Want ook zij moesten weten dat wat in de dagen van Mozes al het geval was – namelijk de prominente en, sterker nog, de fundamentele betekenis van het lam dat geslacht werd – dat hun lijden daar feitelijk over ging. Hun hele situatie had alles daarmee te maken. En dat wat zij beleden, dat was maar niet zomaar een verzinsel of een gedachte. Dat is precies de leidende draad, anders gezegd de rode draad die door de hele Wet, door Mozes en de profeten heen loopt.
Door geloof heeft hij het paasgaan gemaakt en het bloed doen aanbrengen. “Uit doen gieten” staat er eigenlijk in Exodus 12. Vervolgens zal men van het bloed nemen en dit strijken aan de beide deurposten en de bovendorpel aan die huizen waarin men het eet. Dat is het eerste gebruik. De deur werd feitelijk een embleem van bloed, maar juist door dat bloed was er leven in dat huis. Nou ja, als ik het zo zeg, dan begrijpt u meteen waar het naar verwijst: door bloed is er juist leven. Er staat dat de verderver – elders staat “de verderfengel”, maar hier staat inderdaad de verderver, de ombrenger – hun eerstgeborenen niet zou aanraken.
Hij ging langs alle huizen en zou alle eerstgeborenen treffen: die van Israël en die van de Egyptenaren. Maar aan Israël wordt het gebruik gegeven van dat paasgaan. “En als Ik het bloed zie, dan zal Ik ulieden voorbijgaan,” wordt er dan gezegd. En de eerstgeborenen zouden niet aangeraakt worden, zij zouden niet worden omgebracht.
Waarbij je trouwens ook moet realiseren dat de eerstgeborenen natuurlijk zo’n hoge positie hadden. Dat was in het land Egypte ook zo; vanouds is dat altijd zo. De eerstgeborene, dat wat de baarmoeder opent, die heeft een hoge positie. Maar juist de eerstgeborenen werden getroffen – maar niet bij Israël dus. Dit doet trouwens weer denken aan wat we lezen in Hebreeën 12 vers 23. Daar lees je dat de Hebreeën deel uitmaken van een ecclesia, een gemeente van eerstgeborenen.
De Doortocht Door de Rode Zee als over Droog Land ↑ hoofdstukken
Door geloof, ik ga verder, zijn zij door de Rode Zee gegaan als over droog land. Ik vond het een mooi plaatje en er blijken heel veel mooie plaatjes van te zijn, zelfs video’s van die doortocht. Dat spreekt natuurlijk enorm tot de verbeelding, maar het is een geweldig groot wonder. Terwijl de Rode Zee feitelijk toen ook voor hen een graf was, want de Egyptenaren zaten hen op de hielen en ze zouden in de zee omkomen. Ze zouden in de zee verdreven worden. De functie die de Nijl in aanvang voor de jongetjes had, die functie kreeg de Rode Zee vervolgens later toen ze daarvoor stonden. Dat wil zeggen, ook hier lees je over een wonder. Hier weliswaar worden ze niet zozeer uit het water getrokken, maar hier gaan ze zó door de Rode Zee heen als over droog land.
Want wie gelooft… hoe zegt dat lied het ook alweer? Nooit kan het geloof te veel verwachten. De woorden van de Heiland zijn gewis. Een vriend als Jezus is… maar dan gaat het nog verder. Voor wie op ’s Heren wegen wachten, zijn bergen vlak en zeeën droog. Zeeën droog! Dat is uiteraard een woord dat hieraan ontleend is. Wat er trouwens precies gebeurde, dat is nog een verhaal apart. Daar zijn ook alternatieve ideeën over. Zo heb ik me ooit beziggehouden met wat dokter Ernest Martin uit Amerika erover gezegd heeft. Hij zei dat het een ijsbrug was. Ze gingen niet over de bodem, maar er was een oostenwind — ik meen dat je dat leest, een oostenwind — en dat het water gewoon ijs werd en zo verhard werd dat ze gewoon over het ijs gingen. Aardig gevonden, maar ik moet u zeggen: het is daar niet zo vaak zo koud. Nee, maar dat was dan het wonder: dat ze over het ijs gingen. En ja, zij gingen als over droog land. Droog land, ook dat.
Er zijn natuurlijk heel veel theorieën. Dit is weer net iets anders, maar ik herinner me ooit iets gelezen te hebben over een vrijzinnige predikant die uiteenzette dat het helemaal niet zo was dat Israël door de Schelfzee ging… nou, dat was gewoon een klein laagje water, zo diep was het helemaal niet. Oh, dat zou best kunnen, het zou me niet verbazen, want er zijn wel meer dominees die zo denken. Het was allemaal wegredenerend. Dat deed dokter Martin absoluut niet hoor, dat had meer te maken met de wijze waarop het precies plaatsvond. Maar sommigen zeggen dus: “Ja, dat was eigenlijk helemaal niet zo’n groot wonder.” Waarop een meisje dat die predikant aanhoorde zei dat zij het wonder eigenlijk dan des te groter vond. Want dat in zo’n klein plasje het hele volk van de Egyptenaren omkwam! Dus linksom of rechtsom, je komt toch op een wonder uit, hè? Dat kun je toch niet wegredeneren.
Ja, het maakt me eigenlijk niet uit. Eén ding weet ik zeker: ze gingen door de Rode Zee. Door de Rode Zee, niet door een moeras. Ik geloof dus echt dat die Rode Zee daar bij Nuweiba is en dat ze richting Saoedi-Arabië gingen, naar Arabië. Nou, over de locatie gaan we het verder ook niet hebben, dit is genoeg. Door geloof zijn zij door de Rode Zee gegaan. Ook hier tref je in feite weer het verhaal dat je altijd weer tegenkomt: door de dood. Want daar is de zee met zijn water altijd een beeld van. Door de dood heen komen zij aan de andere kant aan. Dat is trouwens een verhaal dat zich veertig jaar later herhaalt. Want dan gaan ze niet door de Rode Zee, maar dan gaan ze door de Jordaan. Maar wat dacht je wat? De Jordaan is bij uitstek een uitbeelding van de dood: de doodsjordaan. En ze gingen door de doodsjordaan en kwamen vervolgens in het beloofde land. Op de derde dag was dat trouwens ook. En daarom doopte Johannes de Doper natuurlijk ook in de Jordaan: erin gaan en weer naar boven komen. Dood en opstanding.
Door geloof zijn ze door de Rode Zee gegaan als over droog land. En dat vind ik dan weer bijna humor: terwijl de Egyptenaren, toen zij het ook probeerden, verzwolgen werden. Ze dachten: “Hé, dat is een mooie truc, dat gaan we ook doen!” En toen beproefden zij dat ook en toen werden ze verzwolgen. Eerst lees je wat God deed, dat de wielen daarin… hoe staat het precies in Exodus 14 en 15? Dat de wielen daarin vastliepen en ze konden niet meer verder. En toen werden ze verzwolgen. Heel het leger van de farao is daarin omgekomen, inclusief hijzelf. Verzandden die wielen dan in het ijs? Dat lijkt mij ook niet, of het zou smeltend ijs moeten zijn. Nee, begrijp me goed, ik was een tijdje erg gecharmeerd van de theorie van Martin, maar later dacht ik: dat is niet de wijze waarop het zich aandient. Nee, ik denk inderdaad dat ze gewoon over de zeebodem heen gegaan zijn. Als het een ijspad was, dan zou dat er toch ook staan? Lijkt mij ook. Dus laten we het simpel houden.
Maar goed, zij probeerden het. Maar “proberen”… u weet, dat is wat anders dan geloof. Geloof zegt: zo gebeurt het. Ongeloof is juist het “ook proberen”. God probeert nooit, en mensen die in geloof leven die proberen het niet; die weten gewoon: zo is het. De Egyptenaren probeerden het, ze beproefden het, en ze werden verzwolgen door geloof. En nu gaan we weer stappen in de geschiedenis zetten. Ik had het net over de doortocht door de Jordaan; wel, in die fase zijn we nu aangekomen in vers 30.
De Muren van Jericho Storten Neer ↑ hoofdstukken
Want dan lees je: door geloof zijn de muren van Jericho neergestort. Dat was dus pal nadat ze door de Jordaan gegaan waren. Dan wordt hier gewoon met zevenmijlslaarzen door de geschiedenis van Israël heen gegaan. En toen stuitten ze, als eerste om vervolgens hun weg te vinden in het beloofde land en om het beloofde land in bezit te nemen, op die ommuurde vesting van Jericho.
En ja, wat moet je daartegen doen? Nou, er was ook weer zoiets: menselijke berekening speelt daar dus totaal geen rol. Want ze deden iets volstrekt belachelijks; ze gingen om de muren van Jericho heen lopen. Door geloof zijn de muren van Jericho neergestort, nadat het volk er zeven dagen lang omheen getrokken was. Iedere keer een omtrekkende beweging. Ik kan me voorstellen dat die Israëlieten zichzelf ook wel eens heel erg belachelijk hebben zien bezig zijn: waar zijn we mee bezig? Denk ook even aan de spot van al die mensen die daar op de muren van Jericho stonden. Zeven dagen lang zijn ze er omheen getrokken.
Het getal zeven speelt in die geschiedenis trouwens een heel grote rol. Want op de zevende dag doen ze het zeven keer. Zo’n grote stad is het dus ook weer niet geweest. Dus in totaal zijn ze er dertien keer omheen getrokken. Zes keer plus zeven, zo moet ik het zeggen. Dus dertien keer zijn ze er omheen getrokken en bij de dertiende keer, dan weet je het, dan krijg je een omwenteling. Na de twaalf krijg je een omwenteling, dat is ook weer zo’n Bijbels principe. Zou daar het idee vandaan komen dat het een ongeluksgetal is?
Dit was dus de zevende dag dat dit gebeurde. En dan staat er ook nog bij: op die zevende dag de zeven keer. En het waren zeven priesters die zeven ramshorns droegen. De bazuin, de shofar; en het was de bazuin die klonk en toen stortte de stad Jericho in. Dat is een beeld van het koninkrijk van deze wereld dat inderdaad op de zevende dag — ik bedoel ook het zevende millennium, het Messiaanse rijk — ten onder zal gaan als de ramshoorn geblazen zal worden onder leiding van Joshua.
Ja… misschien kan hij even dicht? Er zijn belangwekkende gesprekken die daar plaatsvinden. En dan, als we het dan toch over de geschiedenis van Jericho hebben, dan krijgen we er nog een getrakteerd.
Raghab de Hoer Gespaard Door Geloof ↑ hoofdstukken
Dat is de laatste trouwens in dit verband, als ik me niet vergis. Ja, ik geloof het wel. Door geloof is Raghab de hoer – dat wordt er nog even uitdrukkelijk bijgezegd – niet met de ongehoorzamen omgekomen. Hier zie je ook weer hoe de menselijke berekening faalt. Eigenlijk is heel Hebreeën 11 één grote opsomming van hoe de woorden van God haaks staan op alle menselijke filosofie en berekening; hoe God dat alles trotseert en er een lange neus naar trekt. Dat zie je hier ook, maar dan op een nog wat andere manier.
Naar menselijke maatstaven deugde Raghab natuurlijk totaal niet. Dan bedoel ik niet alleen het feit dat ze een hoer was, maar bovendien was ze naar menselijke maatstaven gewoon een landverraadster, toch? Zij heeft haar eigen volk verraden; tenminste, dat zou je zeggen. Maar hier wordt naar voren gebracht dat het door geloof is geweest dat Raghab gespaard is gebleven en niet met de ongehoorzamen is omgekomen. Let op: er staat trouwens ‘de ongehoorzamen’. Er staat niet ‘de ongelovigen’. Nee, ze waren ongehoorzaam. Het volk van Jericho – en dat gold trouwens voor alle inwoners van Kanaän – wist donders goed hoe de vork aan de steel zat.
Wanneer Raghab de verspieders heeft opgenomen in haar huis, lezen we: “Wij hebben vernomen wat God allemaal gedaan heeft.” De inwoners waren op de hoogte van de wonderlijke wijze waarop Israël uit Egypte is geleid. Ze zijn op de hoogte; zij is op de hoogte. We zouden het eens moeten nalezen in Jozua 2. Ik heb er nu geen dia van, maar het is een opmerkelijk verhaal hoe ze die mannen een schuilplaats verleent en de leidslieden van het volk – de gemeenteraad, zeg maar – op het verkeerde been zet.
Er staat dat zij zegt: “Ik weet dat de HEERE u het land gegeven heeft en dat de schrik voor u op ons gevallen is en dat alle inwoners van het land voor u sidderen.” Zie je, dat wisten ze. Alle inwoners vreesden gewoon de komst van het Hebreeuwse volk. Want, zo zegt ze: “Wij hebben gehoord dat de HEERE” – ze noemt gewoon de Godsnaam – “de wateren van de Schelfzee, de Rode Zee dus, voor uw ogen heeft doen opdrogen toen gij uittoogde uit Egypte, en wat gij gedaan hebt aan de beide koningen van de Amorieten aan de overzijde van de Jordaan, Sihon en Og, die gij met de ban geslagen hebt.” En dan staat er in vers 11: “Toen wij dat hoorden, versmolt ons hart en vanwege u bleef bij niemand meer enige moed over, want de HEERE, uw God, is een God in de hemel boven en op de aarde beneden.”
Zij wist het dus, maar niet alleen zij; dat wist heel het volk. En dan is het Raghab die, ondanks de opinie onder het volk, daar totaal tegenin gaat. Je kunt inderdaad zeggen dat het in politieke termen landverraad was, en in morele termen was ze een hoer, maar ze geloofde! Ze wist hoe het zat en door geloof is Raghab de hoer niet met de ongehoorzamen omgekomen, daar zij, zoals er staat, de verspieders met vrede had opgenomen. Wat ook toentertijd, als je het puur op het moment zelf bekijkt, een hoogst onverstandige daad was. Ze riskeerde daarmee haar leven, want men was immers op zoek naar die verspieders. Ik weet niet of u de geschiedenis nog een beetje voor de geest staat, maar daar kwam het op neer. Dat lees je dus in Jozua 2. Het is het geloof geweest dat de doorslag gaf. En dan komt de schrijver uiteindelijk bij een andere opmerking, min of meer afsluitend – hoewel het hoofdstuk nog lang niet is afgesloten – en vervolgt hij in vers 32.
De Tijd Ontbreekt: de Richters, David en de Profeten ↑ hoofdstukken
En wat moet ik nog verder aanvoeren? Immers, de tijd zou mij ontbreken. Kijk, als de schrijver op deze voet verder zou gaan door de geschiedenis, dan was de Hebreeënbrief natuurlijk drie, vier, vijf keer zo dik geweest. Maar de schrijver zegt dat met de voorbeelden die hij tot dusver heeft gegeven, ze nu feitelijk in het beloofde land zijn aangekomen, en daar houdt hij op. De tijd van de belofte aan de aartsvaders is gememoreerd. De tijd van de woestijnreis van Mozes is breed uitgemeten. Nu zijn ze aangekomen in het beloofde land en nu stopt de beschrijving.
Ook dat is weer van betekenis in verband met de Hebreeën. Zij waren op reis, ze leefden met de belofte. De aankomst in het beloofde land en het feit dat ze zich daar vestigden, speelt even geen rol. Het gaat erom dat ze nog steeds leven in geloof; we zijn op reis, we zijn pelgrims. Wel, dat is de situatie van die Hebreeën en de voorbeelden die in Hebreeën 11 gegeven worden, sluiten daarop aan. Er wordt niet gerefereerd aan het volk dat zich gevestigd heeft, nee, aan een volk van pelgrims. Dat correspondeert met de situatie van de Hebreeën. Ik wil dat echt nog wel een keertje benadrukken: alle voorbeelden die gegeven worden in Hebreeën 11 over leven in geloof, sluiten direct aan bij de situatie van de Hebreeën en zijn met opzet uitgekozen.
Hier houdt de concrete invulling van wat geloof is, wat betreft het beschrijven van de verhalen, op. Het enige wat hij nu nog wel doet, is de persoonsnamen noemen. Hij zegt: “Als ik ging verhalen van…”, en wat hij dan vervolgens noemt zijn vier richters: Gideon, Barak, Simson en Jefta. Ook dat was voordat Israël een koninkrijk was. De tijd zou hem ontbreken als hij dat nog breder uit zou gaan meten. Gideon, Barak, Simson en Jefta worden genoemd in een opmerkelijke volgorde, want het is niet chronologisch. Chronologisch had je eerst Barak en toen Gideon, en vervolgens Jefta en toen Simson. Maar de twee grootste richters worden eerst genoemd: Gideon en vervolgens Barak. En Simson was groter dan Jefta; er wordt over hem ook veel meer uitgeweid.
Kent u de geschiedenis van Gideon? Bekend is vooral dit plaatje: het leger van 32.000 man moest gereduceerd worden tot een legertje van slechts 300 man. Het leger moest niet groter, maar juist veel kleiner worden. Er bleven 300 man over. Dat waren degenen die dronken als een hondje, ze slurpten het water op. Gebeurde dat met de hand? Nee, juist niet. Laten we het even opzoeken in Richteren 7 vers 5. Daar zegt de HEERE tegen Gideon: “Al wie met zijn tong het water opslurpt als een hond, die zult gij afzonderen van al degenen die op hun knieën gaan liggen om te drinken.” Het getal nu van degenen die slurpten met de hand aan de mond bedroeg 300 man. Hij heeft gelijk! Maar al het overige volk ging op de knieën liggen om water te drinken. Dus bij dezen hebben we dat vastgesteld: de schrijver beslist, u gaat door naar de volgende ronde!
Maar goed, de schrijver van de Hebreeënbrief zegt dat hij er verder niet over gaat uitweiden hoe het geloof in het leven van Gideon een rol speelde. Denk trouwens ook nog even aan die schapenvachten op de dorsvloer; hij ontving twee keer dat teken, een geschiedenis vol typologie. Dan krijg je de geschiedenis van Barak. Wij zouden trouwens eerder zeggen: de geschiedenis van Debora. Maar de man wordt hier als eerste genoemd. Debora was de richteres, maar de overwinning kwam door de hand van Barak, de legerleider. De generaal, zeg maar — niet Obama trouwens, hoor. In Richteren 4 en 5 lees je die geschiedenis.
Vervolgens komt de geschiedenis van Simson. We lieten zojuist de naam van Rachab de hoer al opvallen, en hier hebben we Simson. Dat was toch ook niet zo’n brave man? Nee, maar hij wordt hier in Hebreeën 11 wel genoemd in die lange galerij van mannen en vrouwen die leefden door geloof. Vier hoofdstukken worden aan hem gewijd. Een bekend voorval is dat hij de leeuw verscheurde, waarin vervolgens honing gevonden werd. En wat dacht u van die ezelskaak waarmee hij duizend man versloeg? Prachtige geschiedenissen, vooral ook vanwege de verwijzingen naar Hem die zoveel krachtiger zou zijn.
En dan Jefta, die is wat onbekender. Je leest dat hij een zoon van een hoer was. Hier zit ook weer prachtige typologie in: de zoon van een hoer wordt verstoten uit zijn vaders huis. Zo staat het in Richteren 11. Wanneer het volk vervolgens onder vreemde macht komt en in benauwdheid verkeert, komen ze uiteindelijk bij Jefta uit met de vraag of hij hun leider wil zijn. Eerst werd hij dus miskend, maar later hebben ze hem nodig. Je leest ook dat in die tijd dat hij miskend was, hij een leger van nietswaardige lieden om zich heen verzamelde. Wij zouden zeggen: struikrovers. Ik moet dan meteen denken aan de geschiedenis van David, die ook de verworpen koning was. In de tijd dat David verworpen was, verzamelde hij ook mannen om zich heen. Waren dat er 300? Nee, dat waren er 400 zeker? Ja, als we het even niet meer weten, dan komen we bij jou uit natuurlijk! Maar in die tijd dat David verworpen was, kwamen die mannen bij hem die een schuldeneiser hadden, die het niet meer zagen zitten of die om andere redenen hulp nodig hadden. Een stelletje ongeregeld.
Dat stelletje ongeregeld had Jefta dus ook in de tijd dat hij verworpen was door zijn broeders. Wanneer zijn broeders in benauwdheid komen, kloppen ze bij hem aan. De naam Jefta betekent trouwens “Hij die opent”. Hij opent de deur, hij opent het venster. Hij wordt inderdaad Israëls richter en bevrijdt hen van de vijandelijke macht. Het is weer een prachtig plaatje: verworpen door zijn broeders. Dan denk ik ook aan Jozef, die uiteindelijk toch een koning bleek te zijn. Ziet u hoe je dat soort structuren iedere keer weer terugziet? Dat is Jefta.
Jefta wordt hier overigens niet zozeer opgevoerd vanwege deze typologische betekenis, maar vanwege het feit dat deze mensen hebben geleefd door geloof. Daar gaat het om. En wat dacht u van David? Wellicht wordt hier vooral gerefereerd aan de tijd voordat hij koning was, voor de vestiging van het koninkrijk, waarin hij ook leefde in geloof. Hij was gezalfd en wist dat Gods oog op hem rustte; daarom vreesde hij niet voor zijn leven. Hij wist dat hij de gezalfde was. Daarom kon hij het zich ook permitteren om Saul te sparen toen hij hem in de nacht zomaar had kunnen doden. Dat werd hem ook geadviseerd, maar David deed het niet. Hij wist: “Dat hoef ik helemaal niet te doen. Ik hoef een gezalfde van de Heer niet te doden. God heeft mij de troon beloofd en op die troon zal ik komen.”
Nou ja, na de eerste verworpen koning komen we bij Samuel. Samuel was overigens de laatste richter en de eerste van de profeten. Als u dat bevestigd wilt zien, dan leest u dat in Handelingen 13 vers 20. En vervolgens de profeten.
Er staat van hen dat zij door het geloof koninkrijken hebben onderworpen, gerechtigheid hebben geoefend, de vervulling der belofte verkregen hebben en muilen van leeuwen hebben dichtgesnoerd.
Ik denk dat het verstandig is om de volgende keer hier de draad op te pakken, want ik wil hier graag nog even wat nader aandacht aan besteden.
Conclusie: Geloof Is Staan op het Woord van God ↑ hoofdstukken
Ik wil er alleen nog dit van zeggen: als deze voorbeelden hier gegeven worden, dan zie je daarin dat geloof geen theorie is. Geloof is staan op het Woord en de overtuiging van zaken die je niet ziet. En het is de aanname van de verwachting.
Maar dat heeft zulke consequenties voor wat het doet in een mensenleven. Nou, we hebben het vanavond alleen al gehad over Jakob, over Jozef en over Mozes, bij allerlei gelegenheden. Het waren allemaal mensen die leefden door geloof. Ook Rachab, naar menselijke maatstaven misschien volstrekt miskend en belachelijk, maar haar handelen was gebaseerd op de Schriften. Niet godsdienstig, want dat zegt niet zoveel.
Juist in de pauze werd er nog even over gesproken hoe bijvoorbeeld ook de hele Joodse traditie en Joodse godsdienstigheid zich helemaal gefixeerd heeft op mensenwoorden en menselijke bedenksels, waarbij de Bijbel er gewoon maar een beetje bij hangt. Dat is exact hetzelfde verhaal als in het christendom, waar de Bijbel vaak alleen maar dient ter bevestiging van de eigen traditie. Dat wat we toch al dachten of wat we bedacht hebben, wordt ermee geïllustreerd. Feitelijk hebben we dan zelf onze gedachten en daar wordt dan een Bijbeltekst aan opgehangen als een soort kapstok, maar waarbij de Bijbel niet gewoon het uitgangspunt is en de basis waarop je staat.
Kijk, al die mensen die we nu vanavond de revue hebben laten passeren en die we in Hebreeën 11 zien, dat zijn allemaal mensen die uitgingen van wat er staat geschreven, van wat God gesproken heeft. Ja, dan moet je niet denken dat je in de termen van de wereld populair wordt of geëerd wordt. Maar wat maakt het uit? We kijken gewoon zoveel verder. We zijn mensen die met perspectief op de hoogte zijn gesteld. Zullen we het daarbij laten voor vanavond?
UltimateGoodNews