GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

8. Hebreeën 4:14 – 5:9

16-05-2013 - Geplaatst door Andre Piet
Presentatie van studieavond gehouden op 16 mei 2013 in Rijnsburg

Het onderstaande gedeelte uit Hebreeën 4 en 5 is besproken:

14 Daar wij nu een grote hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij aan die belijdenis vasthouden.
15 Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze als wij is verzocht geweest, doch zonder te zondigen.
16 Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd.
1 Want elke hogepriester, die uit de mensen genomen wordt, treedt voor de mensen op bij God, om gaven en offers te brengen voor de zonden.
2 Hij kan tegemoetkomend zijn jegens de onwetenden en dwalenden, daar hij ook zelf met zwakheid omvangen is,
3 die hem verplicht evenzeer als voor het volk, voor zichzelf offers voor de zonden te brengen.
4 En niemand matigt zichzelf die waardigheid aan, doch men wordt ertoe geroepen door God, zoals immers ook Aaron.
5 Zo heeft ook Christus Zichzelf niet de eer toegekend hogepriester te worden, maar Hij, die tot Hem sprak: Mijn Zoon zijt Gij; Ik heb U heden verwekt;
6 zoals Hij ook op een andere plaats spreekt: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchisedek.
7 Tijdens zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood kon redden, en Hij is verhoord uit zijn angst,
8 en zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden,
9 en toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden,

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Deze studie behandelt de positie van Jezus als de grote Hogepriester in het hemelse heiligdom. Er wordt benadrukt dat Hij kan meevoelen met onze zwakheden, omdat Hij tijdens Zijn aardse leven in alles is beproefd. Een belangrijk kernpunt is dat Hij niet tijdens Zijn aardse leven, maar pas door Zijn opstanding de Gezalfde en Hogepriester is geworden. Dit hemelse priesterschap is niet naar de ordening van Aäron, maar naar de ordening van Melchisedek. Het volbrachte offer is daarbij geen strafbetaling voor zonden, maar een bedekking die voor gelovigen leidt tot aionische redding.

“Hij was Jezus van Nazareth sinds Zijn geboorte in Bethlehem, maar Hij is de Christus geworden in Zijn opstanding.”

Inleiding en Lezing van Hebreeën 4:14 – 5:9 ↑ hoofdstukken

Inmiddels zijn wij aangekomen in het vierde hoofdstuk van de Hebreeënbrief. Ik stel voor dat we eerst even het gedeelte zullen lezen; niet het voorgaande wat we de vorige keer hebben gelezen en besproken, maar juist het gedeelte dat ik vanavond onder de aandacht wil brengen. Dat is Hebreeën 4, om te beginnen. We waren gebleven bij het veertiende vers, dat hebben we nog helemaal niet besproken. Ik denk dat wij niet verder zullen komen dan hoofdstuk 5 vers 10. In ieder geval niet verder. Ik stel voor dat we dat gedeelte eerst even met elkaar zullen lezen.

Daar wij nu een grote hogepriester hebben die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij aan die belijdenis vasthouden. Want wij hebben geen hogepriester die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar één die in alle dingen op gelijke wijze als wij is verzocht geweest, toch zonder te zondigen. Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd.

Want elke hogepriester die uit de mensen genomen wordt, treedt voor de mensen op bij God om gaven en offers te brengen voor de zonden. Hij kan tegemoetkomend zijn jegens de onwetenden en de dwalenden, daar hij ook zelf met zwakheid omvangen is, die hem verplicht, evenzeer als voor het volk, voor zichzelf offers voor de zonden te brengen. En niemand matigt zichzelf die waardigheid aan, doch men wordt daartoe geroepen door God, zoals immers ook Aäron. Zo heeft ook Christus Zichzelf niet de eer toegekend hogepriester te worden, maar Hij die tot Hem sprak: Mijn Zoon zijt Gij; Ik heb U heden verwekt. Zoals Hij ook op een andere plaats spreekt: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchisedek.

Tijdens zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem die Hem uit de dood kon redden, en Hij is verhoord uit zijn angst. En zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden. En toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen die Hem gehoorzamen een oorzaak van eeuwig heil geworden, door God aangesproken als hogepriester naar de ordening van Melchisedek.

Tot zover dan maar even dit gedeelte. Zoals dat in de NBG-bijbel althans ook wordt aangegeven, is dit een aaneengesloten gedeelte. Er staat boven in mijn bijbeltje althans: ‘Jezus als hogepriester’. Of dat een erg treffende omschrijving of beschrijving is van dit gedeelte, dat staat te bezien. Want feitelijk gaat het ook in de navolgende hoofdstukken, hoofdstuk 6 en vooral hoofdstuk 7, eveneens over Jezus Christus als hogepriester. Maar goed, laten we eerst even kijken.

Korte Terugblik op Hebreeën 1 tot en met 4 ↑ hoofdstukken

Om de draad weer helemaal goed op te kunnen pakken, geef ik even een totaaloverzicht van waar we het ook alweer over hadden. Kortweg Hebreeën 1: dat is het hoofdstuk waarin beschreven wordt dat de Zoon hoger is dan de engelen. In de praktijk betekent dit, en dat wordt in dat hoofdstuk ook uiteengezet, dat Hij dus ook alle Godsverschijningen van het Oude Testament overtreft. God verscheen in het Oude Testament altijd via engelen; de wet werd op de Sinaï ook gegeven via engelen. Welnu, de Zoon is hoger dan de engelen en daarmee overtreft Hij dus het Oude Testament. Dat is Hebreeën 1.

Dan krijg je Hebreeën 2. De Zoon is hoger dan Adam, de Ben-Adam. Een grote rol speelt in dat hoofdstuk Psalm 8, waarin dat ook zo gezegd wordt. Het is een profetische psalm waarin Jezus Christus wordt voorgesteld als de zoon van Adam, de Ben-Adam, en daarmee ook de erfgenaam van Adam.

Hebreeën 3: de Zoon hoger dan Mozes, die gesteld was over het huis Gods, toentertijd de tabernakel. Maar wij kennen de Zoon en Die is ook gesteld over het huis Gods. Dat is niet een gebouw gemaakt van stenen, maar van levende stenen, van mensen, en hier specifiek is het het gelovig Israël.

En dan Hebreeën 4. Daar hadden we het de vorige keer over en we zijn daar eigenlijk een beetje in blijven haken, doordat we straks de draad weer oppakken bij vers 14. Maar in het voorafgaande wordt de Zoon – en dit is een grove indeling, dat begrijpt u – beschreven als hoger dan ook Jozua, die het volk weliswaar in het land Kanaän bracht, maar niet in de beloofde definitieve rust. Dat doet de echte Jozua, dezelfde naam overigens als Jezus, maar ook daar hebben we het de vorige keer over gehad. Dus dit is in een pennenstreek de inhoud van het voorgaande gedeelte van Hebreeën 4.

Het Levende Woord Beamen (hebreeën 4:12-13) ↑ hoofdstukken

Laten we kijken naar het direct voorafgaande; dat zijn de laatste twee verzen die we de vorige keer hebben besproken: vers 12 en 13 van Hebreeën 4. Het is goed om dat nog even te lezen, want we hebben daarbij, als je het mij vraagt, best wel een grote ontdekking gedaan, waarover straks nog even meer.

In Hebreeën 4 vers 12 staat dit: “Want het Woord van God” – en dat gaat hier over de belofte van God; Gods Woord is een belofte, namelijk van rust – “het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard. En het dringt zo diep door dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift de overleggingen en gedachten van het hart. Geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij…” En dan staat er in de vertaling, en vrijwel alle vertalingen geven dit soortgelijks weer: “voor wie wij rekenschap hebben af te leggen.”

Maar dat staat er niet. Dat is een interpretatie. Er staat exact hetzelfde woord als aan het begin van dit hele statement. Het is eigenlijk één hele lange zin, en aan het einde staat exact hetzelfde als aan het begin, namelijk: “voor wie wij het Woord hebben.” Het is misschien vreemd om dat zo te lezen, maar het is heel bijzonder. In het Grieks staat hier niet “geen rekenschap hebben af te leggen”, dat is een hele interpretatie, maar exact hetzelfde woord als in het begin.

Het betekent: God heeft Zijn Woord gesproken, namelijk de belofte van rust. Dat Woord is levend en het is krachtig. Neem het tot je en het zal zijn werk doen. Het is een zeer diepgaand werk; we hebben het gelezen: het dringt zo diep door. Bovendien doet het ook zeer trefzeker, microscopisch en scherpzinnig zijn werk. Dat is wat hier beschreven wordt. Je neemt dat Woord tot je en je geeft er gehoor aan. En wat zou de Heer dan in ons vinden? Niet onze werken, maar Zijn Woord. Voor wie wij het Woord hebben. Wat hebben wij de Heer te vertellen? Het is geen kwestie van rekenschap hebben af te leggen voor onze daden; dat is hier totaal niet de gedachte. Wat hebben wij voor Hem? Nou, het Woord. Wij beamen dat wat Hij zegt.

Dat is precies wat je ooit van Abram leest, waardoor hij gerechtvaardigd werd. Abram geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. Hij zei “amen” op Gods belofte. Dus waar het mee begon in dit gedeelte, zo eindigt het ook: namelijk met het Woord. God spreekt Zijn Woord en dat wat Hij bij ons vindt – namelijk bij degene die gelooft – is het Woord. Niets anders, namelijk het beamen van wat Hij gesproken heeft. De rest doet Hij. Want dat is juist het hele punt: dat Woord is levend en het is krachtig. Als je dan bij jezelf zoveel zwakheid of doodsheid vaststelt: Zijn Woord is levend, het is bovendien krachtig en dat ondervangt alles wat wij tekortkomen. Het is “amen” zeggen op Zijn belofte.

Dat is waar we de bespreking de vorige keer mee hebben afgesloten. Het betekent dus dat alles van Hem afhangt, en dat is precies ook de strekking van heel Hebreeën 4. In mijn Bijbeltje staat er boven: “De rust die God geeft.” Daar gaat het over. En de rust die Hij geeft, is Zijn Woord, Zijn belofte. Daarin kunnen we steunen. Hoezo rekenschap afleggen? Nee, het is het Woord dat wij voor Hem hebben.

Een Grote Hogepriester Die de Hemelen Is Doorgegaan (hebreeën 4:14) ↑ hoofdstukken

We pakken nu de draad op bij vers 14 en beginnen met de eigenlijke bespreking. We lezen daar: “Daar wij nu een grote hogepriester hebben.” Wij. Ik herinner er maar weer even aan – dat zal ik gedurende deze avonden blijven doen: wie zijn die “wij”? Dat zijn de Hebreeën, het Israël Gods. Hoezeer het ook in veel opzichten op ons van toepassing is, het wordt in de eerste plaats gezegd tegen de Hebreeën, waarvan akte. Het “Israël Gods” is een uitdrukking die Paulus gebruikt en het gaat daarbij om het gelovig Israël.

Daar wij nu een grote… er staat letterlijk in het Grieks “mega”. Je herkent het woord nog wel: een mega-hogepriester hebben wij. In het woord hogepriester zit sowieso al een overtreffende trap; je hebt priesters en je hebt de hogepriester. Maar wij kennen een mega-hogepriester. Dit onderwerp van het priesterschap werd al even aangesneden in hoofdstuk 2, maar eigenlijk gaat het vanaf dit vers, Hebreeën 4:14, pas echt van start. Het onderwerp van de hogepriester die wij hebben, wordt vanaf hier uitvoerig uiteengezet, ook in het komende hoofdstuk en met name in Hebreeën 7. Daar zullen we het dus nog veel over hebben. Het is een geweldig onderwerp. De schrijver zegt later ook: “Over hem – namelijk die hogepriester – hebben wij veel te zeggen.” Dat kun je inderdaad zo formuleren.

“Daar wij een grote hogepriester hebben die de hemelen is doorgegaan, Jezus de Zoon van God.” Hij is de Zoon van God, letterlijk door God verwekt, zelfs in dubbele zin, maar daar hebben we het straks nog over. Hij is de Zoon van God, maar Hij is ook de hemelen doorgegaan. Dat is een term die hier helemaal past bij het hogepriesterschap. Met “die hemelen” neemt de schrijver een voorschot op wat hij later, in Hebreeën 9, gaat uiteenzetten: dat de hemelen uitgebeeld worden door de tabernakel, door de beide heiligdommen, het Heilige en het Heilige der Heiligen. Hier zinspeelt hij daar al op door te zeggen dat Hij de hemelen is doorgegaan.

Wat doet een hogepriester? Die gaat het heiligdom in. Hij begint hier en onttrekt zich dan aan het oog. Ik heb het nu vooral over de Grote Verzoendag. Elke dag ging de priester het heiligdom in, maar eens in het jaar ging de hogepriester het achterste gedeelte binnen. In dit plaatje zijn de gordijnen van de tabernakel even opzij geschoven, zodat u een inkijk heeft in wat zich daar bevindt: de kandelaar, het reukofferaltaar, de tafel van de toonbroden en in het achterste, binnenste heiligdom de ark van het verbond. De hogepriester ging dus met recht de heiligdommen door. Van de Heer Jezus wordt gezegd dat Hij de hemelen is doorgegaan. Dat zijn begrippen die parallel lopen, want het één is een beeld van het ander.

Hij bracht het offer, namelijk Zichzelf. Ook dat is een onderwerp dat pas in Hebreeën 10 echt wordt uitgediept: dat Hij het ware offer is. Hij bracht het offer en dat wordt in de schaduwdienst afgebeeld bij het brandofferaltaar. Hier werd een dier geslacht, waarna het op het altaar terechtkwam en tot God opsteeg als een welriekende reuk. Dat is een beeld van Zijn sterven, Zijn opstanding, Zijn hemelvaart en alles wat daarbij hoort. Ik zeg dat er even bij, want meestal zegt men dat die offers alleen slaan op het sterven van Jezus. Dat moet u vergeten; dan moet het offer feitelijk nog beginnen. De slachting van het dier verwijst naar het sterven van Jezus, maar alles wat daarna plaatsvond bij de offerdienst – het brengen op de verhoging van het altaar en het opstijgen tot God – is een beeld van Zijn opstanding. Dit alles vindt niet plaats in het heiligdom, maar daarbuiten, wat overigens een beeld is van de aarde.

Vervolgens ging de hogepriester het voorhangsel voorbij en werd hij letterlijk onzichtbaar. Men zag hem niet meer, al liet hij nog wel van zich horen door de belletjes aan de zomen van zijn kleed. Dat hij het voorhangsel voorbijging, is de positie van Christus vandaag. Dat is een belangrijk thema dat al aan de orde is gekomen, maar vooral nog aan de orde moet komen: Christus vandaag in het heiligdom. Daar is Hij, onttrokken aan het oog, achter het voorhangsel. Niettemin is Hij daar met belangrijke dingen bezig. Hij ging door de beide heiligdommen, dat wil zeggen de hemelen door, en naderde tot het binnenste: de troon van God. Dat is een van de termen die vaak in deze Hebreeën-brief naar voren komen, namelijk dat Jezus Christus is gezeten aan de rechterzijde van de troon Gods. De ark is een uitbeelding van de troon van God. Ik laat dat straks nog op een dia zien, dus dat laat ik nu even voor wat het is. De troon van God wordt uitgebeeld in die ark. Dus als hier staat dat wij een mega-hogepriester hebben die de hemelen is doorgegaan, dan vindt dat een perfecte parallel in de hogepriester die de heiligdommen binnenging. Let op het meervoud: de hemelen, niet de hemel. Er zijn er meerdere, in ieder geval drie; Paulus spreekt ook over de derde hemel.

De schrijver zegt vervolgens: “Laten wij aan die belijdenis vasthouden.” We bevinden ons hier in een kerkelijke omgeving en dan is het heel gebruikelijk om dat te zeggen. Maar als de schrijver van de Hebreeën-brief dit zegt, bedoelt hij echt iets anders dan wat men in een kerkelijke zetting onder “belijdenis” verstaat. Daar denkt men aan documenten en geschriften die door mensen zijn opgesteld, afspraken over wat men zegt te geloven en waar het kerkvolk zich aan moet houden. Dat is hier echter helemaal niet de gedachte. De belijdenis zijn geen mensenwoorden; de belijdenis is het Woord van God Zelf, de Schriften. Meer specifiek is het de belijdenis van Wie wij kennen. Feitelijk is het niet alleen het Woord van God, maar het gaat om Hém over wie het Woord van God gaat. Laten we dat vooral niet loslaten, want dat is waar het allemaal om draait, ondanks alle andersluidende beweringen. Dat is altijd weer het punt; dat is ook de strijd waar we mee te maken hebben. Wij zoeken geen strijd, maar je raakt er onwillekeurig bij betrokken wanneer je staat op Zijn Woord. Er zijn genoeg beweringen, leringen, gedachten en winden van leer die je in een andere richting proberen te bewegen of waardoor je deze belijdenis zou loslaten, waardoor je Hem zou loslaten. Daarom: houd vast!

Een Hogepriester Die Meevoelt met Onze Zwakheden (hebreeën 4:15) ↑ hoofdstukken

De schrijver motiveert dit vervolgens met: “Want wij hebben geen hogepriester die niet kan meevoelen met onze zwakheden.” Meevoelen – letterlijk staat daar, en je ziet het hier trouwens ook in de Concordante Vertaling zo weergegeven, in het Grieks staat er zelfs ‘sympathiseren’. Ons woord sympathiseren komt daar ook echt vandaan. Als je met een beetje fantasie leest, zie je dat ons woord sympathiseren ervan is afgeleid, en dat is ook precies wat de schrijver hier gebruikt. Het betekent eigenlijk ‘medelijden met’; ‘sun’ betekent samen of mede, en ‘pathos’ heeft te maken met lijden. Hij kan dus meevoelen, Hij kan zich inleven. Die grote hogepriester die nu de hemelen is doorgegaan en die zich achter het voorhangsel bevindt – jawel, Hij is een grote hogepriester – maar het is er wel zo één die ons in alles kan begrijpen. Dat is het: Hij verstaat en begrijpt ons in alles. Hij kan meevoelen met onze zwakheden, en zwakheden hebben we allemaal. Ik zeg nu ook even ‘we’, want dat geldt uiteraard niet alleen voor de Hebreeën, maar voor ons allemaal. We zijn allemaal maar zwakke mensen.

Welnu, de hogepriester die wij kennen, kent dat ook. Hij kan daarin meevoelen, Hij heeft daar alle begrip voor. Hij kan daarin sympathiseren en meelijden met ons. Er wordt dus nadrukkelijk gezegd dat het niet iemand is die níét kan meevoelen met onze zwakheden. Je zou dat haast kunnen denken: als het een hogepriester is die daar in de hemel is, dan zal dat wel iemand zijn die zó ver van het aardse toneel verwijderd is, dat Hij totaal geen idee heeft van wat wij hier moeten doormaken. Nee, zegt de schrijver, dat is absoluut niet het geval. Het is er één die in alle dingen – zo staat het er echt: naar alles, according to all – op gelijke wijze als wij verzocht is geweest. Uitgeprobeerd, beproefd. Dit woord, dat hier vertaald wordt met ‘verzocht’, wordt elders vertaald met ‘beproefd’. Eigenlijk is dat vaak nog een betere weergave: Hij is uitgeprobeerd, beproefd, verzocht.

Het verschil tussen beide begrippen is niet zo groot. Ik heb vroeger weleens geleerd dat je door God beproefd wordt en door de satan verzocht, maar in de taal van de Bijbel bestaat dat verschil helemaal niet; beide woorden gaan terug op exact hetzelfde grondwoord. Maar degene die wij kennen, die hogepriester, is op een gelijke wijze als wij verzocht. Toen was Hij nog geen hogepriester; toen was Hij hier op aarde in wat vers 7 noemt ‘zijn dagen in het vlees’. Hij was mens. Hij is nog steeds mens, maar Hij was toen ook mens op aarde, echt mens. Niet een ‘godmens’ zoals de theologie ervan gemaakt heeft, als ‘God de Zoon’ op aarde. Nee, Hij was mens, verwekt uit Maria en een mens. En Hij is verzocht geweest, en er staat bij: in alles zoals wij, maar zonder zonde.

Waarom was dat zo? Ik kan daar twee antwoorden op geven. Hij was natuurlijk de Zoon van God, wat Zijn identiteit anders maakte. Maar gedurende Zijn leven op aarde werd Hij verzocht, en wat deed Hij dan altijd? Hij steunde altijd op het Woord. De geschiedenis is bekend; wat mij direct voor ogen komt, is de passage die je zowel in Mattheüs, Markus als Lukas vindt, waarin Hij veertig dagen lang verzocht werd in de woestijn. Dat was een heel uitdrukkelijke verzoeking, een hele serie van verzoekingen zelfs. Hij was mens en Hij heeft dat ondergaan. Hij was ook zwak, Hij was mens. Hij heeft dat ondergaan en Hij heeft ook de verleiding daarvan geproefd. Maar waar lag Zijn kracht? Iedere keer weer zei Hij: “Er staat geschreven.” Dat is nooit anders geweest. Hij kan meevoelen met onze zwakheden omdat Hij op dezelfde wijze als wij daarin verzocht is geweest. Noem een verzoeking of noem een zwakheid: Hij kent het uit ondervinding. Voor Hem was het ook werkelijkheid waar ik al eerder op wees: Hij leefde uit het Woord van God, dat levend en krachtig is. Daar steunde Hij op. Hij zei altijd: “Er staat geschreven,” en dat was het einde van alle tegenspraak.

Vandaar ook dat er staat: “toch zonder te zondigen”. Letterlijk staat er nog korter: “zonder zonde”. Zonde wil eigenlijk niets anders zeggen dan je doel missen, maar ook het geen gehoor geven aan Zijn Woord. God spreekt en belooft, en zondigen wil zeggen dat je daaraan voorbijgaat. Hij is juist altijd degene geweest die gehoor gaf. In Hebreeën 12 komt dat pas echt aan de orde, daar lees je dat Hij het kruis op Zich genomen heeft. Hoe kon Hij dat doen? Al dat lijden op Zich nemen? Er staat bij dat Hij dat gedaan heeft om de vreugde die Hem was voorgesteld. Hij heeft hier op aarde als mens gelezen. Sommige mensen denken dat Hij een online verbinding had met God of zo, dat er briefjes uit de hemel kwamen, maar dat was helemaal niet zo. Hij leefde uit de Schriften en kende ze.

Dat is trouwens ook Hebreeën 10. Daar lees je een citaat uit de psalm – uit Psalm 40 – waarin Hij Zich aanbiedt. Daar staat over Zijn komst in de wereld (Hebreeën 10 vers 5): “Slachtoffer en offergave hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam bereid.” En toen zeide Ik (vers 7): “Zie, hier ben Ik, in de boekrol staat over Mij geschreven om Uw wil, o God, te doen.” De Heer Jezus heeft hier op aarde gewandeld en Hij heeft Zichzelf in de boekrol herkend, in de Schrift. Als kleine jongen – het enige wat we van Zijn jeugd weten – hield Hij Zich al bezig met de Schriften en was Hij altijd bezig met de dingen van Zijn Vader. Hij heeft Zichzelf in de Schriften herkend en daarom zei Hij: “Hier ben Ik, Heer, in de boekrol staat over Mij geschreven.” Hij wist wie Hij was en dat Hij de Messias was, en wat Hem te doen stond. Hij is die weg gegaan in geloof en in overgave: “Er staat geschreven.”

Hij wist ook waar het op uit zou lopen en daarom heeft Hij dat kruis op Zich genomen, met alle moeite die Hij heeft gehad – daar komen we vanavond nog over te spreken. Toch heeft Hij dat gedaan in de wetenschap: dit komt allemaal goed. Vanwege de vreugde die Hem was voorgesteld, kon Hij het allemaal op Zich nemen, steunend op wat er geschreven staat. En dat is dus ook “zonder zonde”. Zo’n hogepriester hebben wij dus. Voordat Hij tot hogepriester gesteld werd, was Hij hier in Zijn dagen in het vlees iemand die in zwakheid was. Daarom kan Hij meevoelen met al die verzoekingen die op onze weg komen en op ons afkomen, gewoon omdat wij net zo goed mensen en stervelingen zijn – zwak. En dan vers 16.

Met Vrijmoedigheid Toegaan tot de Troon van de Genade (hebreeën 4:16) ↑ hoofdstukken

Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon van de genade. En nu hebben we het toch weer even over die troon. Want als hier gesproken wordt over de troon van de genade, dan gaat het over dat wat zich in het heiligdom bevond, waar de hogepriester eens per jaar binnenging. Als hij de heiligdommen doorgegaan was, dan kwam hij bij de ark, en die wordt de troon genoemd. Je leest heel vaak in het Oude Testament – en ik geef hier een citaat uit Psalm 80, maar het staat op heel wat meer plaatsen – dat van die ark wordt gezegd: “Gij, die troont op de cherubs.” U weet, die ark is daar een uitbeelding van. Of het er inderdaad precies zo heeft uitgezien, is nog maar de vraag, maar het is in elk geval een voorstelling ervan. Je ziet dan het deksel, het verzoendeksel, waar het bloed op gesprenkeld werd. Het was een houten kist, waarin zich de stenen tafelen bevonden – de tweede set trouwens. Op die gouden plaat, op dat verzoendeksel, bevonden zich cherubs waarvan de vleugels waren uitgebreid. En dan lees je iedere keer in het Oude Testament dat God troonde op de cherubs. Dat staat op heel wat plaatsen; Psalm 80 is vrij bekend, vooral vanwege de berijmde versie daarvan. Zo is die ark dus een uitbeelding van Gods troon.

Het was ook het hele centrum van Israëls eredienst. U moet zich voorstellen dat Israël in de woestijn op een heel speciale manier was gegroepeerd: twaalf stammen, met drie stammen aan elke zijde. In het midden van Israëls opstelling bevond zich de tabernakel. Als je de tabernakel binnenging, zoals ik zojuist aangaf, kwam je uiteindelijk in het binnenste heiligdom, in het absolute centrum. En wat stond er in dat centrum? De troon. Die troon wordt hier de troon van de genade genoemd; een prachtige uitdrukking. Die ark stond centraal en alles was eromheen gegroepeerd. Die ark zelf, in al zijn onderdelen, is weer een uitbeelding van Christus. Waar het nu om gaat, is dat die troon in het centrum staat en dat die troon wordt gekenmerkt door genade. In feite is dat ook een uitbeelding van de tegenwoordige tijd. Christus is in het heiligdom, Hij zit op de troon en Hij heerst in genade. Hier kan ik zomaar weer een link leggen met Romeinen 5, waar we lezen over de heerschappij van de genade. Genade heerst vandaag. God grijpt niet in met oordeel; genade heerst. Hij laat ook Zijn woord van genade klinken, het woord dat Hij gaf aan de apostel Paulus over de genade en de verzoening van de wereld.

De troon van de genade waarover hier wordt gesproken, wordt dus uitgebeeld in de ark. Wat de schrijver hier zegt, is: laten wij toegaan tot die troon. Het hele idee is dat de hogepriester is ingegaan in het hemelse heiligdom, en wij kunnen er zo achteraan gaan. Dat was in het Oude Testament natuurlijk volstrekt ondenkbaar, maar de weg is vrijgemaakt. Ook dat is een onderwerp dat in Hebreeën 10 weer wordt uitgelegd: er is een weg vrijgemaakt in het heiligdom, zodat wij gewoon vrije communicatie hebben met God. we kunnen Hem recht in de ogen zien. Daarom staat er ook: laten we met vrijmoedigheid, zonder enige schroom, toegaan tot die troon van de genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen. Letterlijk staat er trouwens ontferming, want dat is wat barmhartigheid eigenlijk is. Ontferming heeft te maken met moeilijke, deerniswekkende omstandigheden; dan heb je ontferming nodig. Je leest over de man die op de weg naar Jericho was; hij was uitgekleed en lag daar halfdood langs de weg. Dan lees je dat de Samaritaan langskwam en met ontferming over hem bewogen werd. Die man kon helemaal niets, en ontferming heeft dus alles te maken met die zwakheid. Als je te maken hebt met je zwakheid: so what? We hebben een hogepriester die met ons kan medevoelen, die weet hoe het is en die zich ontfermt. Hij geeft je wat je nodig hebt.

Laten we dus met vrijmoedigheid toegaan tot die troon van de genade als je de zwakheid ondervindt. Laten we dan toegaan opdat wij ontferming verkrijgen, zullen beleven en genade vinden. Dat is vreugde om niet. Het is een troon van genade, dus wat vind je bij die troon? Dan vind je vreugde. Dan word je blij, en dat is op zichzelf weer kracht. Er is geen grotere kracht dan weer hoop te krijgen, want hoop doet leven. Op het moment dat je naar die troon van de genade gaat, weet je dat er Eén is die Zich om je bekommert, bij wie je terechtkunt, die jouw belangen behartigt, die je begrijpt, die je kent en die geeft wat je nodig hebt. We hebben Zijn woord sowieso, en dat woord doet zijn werk ook; het woord van die hogepriester.

Ik had net even dat plaatje van de hogepriester, maar ik heb er toen niets over gezegd. Ik wil hem nu alsnog even onder de aandacht brengen, want het is een schitterend beeld. Hij droeg zijn volk op zijn borst, dat wil zeggen: op zijn hart. Zo staat het er echt. Hij droeg zijn volk stuk voor stuk; al de namen van de zonen van Jakob worden hier genoemd. Bovendien droeg hij hen op zijn schouders: zijn kracht en zijn hart. In het binnenste heiligdom hebben wij een mega hogepriester die begrijpt wat we hieronder doormaken en daarmee kan sympathiseren. Hij behartigt onze belangen en geeft ons alles wat we nodig hebben. Want als ik nog even naar dat zestiende vers ga, dan lees je: “opdat wij ontferming ontvangen en genade vinden” – vreugde om niet – “om hulp te verkrijgen te gelegener tijd.” Letterlijk staat er: tot gelegen-komende hulp. Met andere woorden: precies dat wat je nodig hebt. Kom je hulp tekort? Er is er Eén die geeft, die Zich om je ontfermt en Zich over jou bekommert. Hij behartigt jouw belangen, geeft wat je nodig hebt en maakt je bovendien weer blij. Hij geeft hoop, en dat doet je weer leven. Kortom, er wordt gewezen op die troon van de genade, en daar vindt een mens alles wat hij nodig heeft. We gaan verder.

Offers en het Bedekken van Zonden (hebreeën 5:1) ↑ hoofdstukken

Hebreeën 5 vers 1, het volgende hoofdstuk. Er gaat nu namelijk iets uitgelegd worden over die hogepriesters. Want elke hogepriester die uit de mensen genomen wordt – en dat is nogal logisch, want een hogepriester is per definitie een mens – is iemand die bemiddelt tussen God en mensen. Hij wordt uit de mensen genomen en treedt voor de mensen op bij God. Eigenlijk staat er dat hij is aangesteld; hij is aangesteld voor de mensen naar God toe, ten behoeve van de mensen.

Hij treedt dus op, of is aangesteld, ten behoeve van de mensen naar ‘de God’. ‘De God’, dat is een prachtige term. Niet alleen maar ‘God’, maar Hij is dé God, degene die alles plaatst. En dan staat er nog bij wat die hogepriester dan doet: om gaven en offers te brengen voor de zonde. Dat staat er niet correct; het is geen correcte weergave, want dit suggereert alsof die gaven ook betrekking hebben op die zonden, maar daar gaat het helemaal niet om. Er staat letterlijk: ‘om aan te bieden’, te offreren zeggen wij ook. Om aan te bieden: naderingsgeschenken. ‘Gaven’ is een wat platte vertaling; het zijn geschenken waarin men tot God nadert.

Ik zal u een voorbeeld geven: als de hogepriester dagelijks het heiligdom inging, dan nam hij ook reukwerk mee. Dat was een liefdelijke reuk, uiteraard ook vanwege het beeld, maar dat was geen offer. Het was wel een naderingsgeschenk; iets dat aan God werd aangeboden zonder dat zonde daar helemaal aan de orde was. Aan de ene kant is er dus sprake van gaven. Dat reukwerk is daar een voorbeeld van. Er schiet me niet direct een ander voorbeeld te binnen, maar misschien is dat de olie waar de hogepriester mee inging in het heiligdom om die kandelaar daar telkens weer bij te vullen. Dat is net zo goed zo’n naderingsgeschenk.

En vervolgens ook: om offers te brengen voor de zonde. Want dat is ook wat een priester natuurlijk per definitie deed. Hier gaat het over de hogepriester, en dan vooral over wat de hogepriester jaarlijks deed op Grote Verzoendag. Misschien mag ik bij deze gelegenheid nog even zeggen dat wij daarover spreken als de Grote Verzoendag, maar ik heb er altijd wat moeite mee. Met wat ik nu weet over verzoening, heb ik er moeite mee om dat wat de hogepriester of de priester deed ook ‘verzoening’ te noemen. Dit is een typisch Nederlands manco; andere talen kennen dit probleem niet. Maar dat komt omdat wij twee totaal verschillende begrippen allebei verzoening noemen.

Verzoening aan de ene kant is vijanden tot vrienden maken; dat is verzoenen, twee vijanden die zich verzoenen of waarbij de één wordt verzoend. Dat is verzoening. Maar verzoening in een andere zin zijn bijvoorbeeld de offers die gebracht worden voor de zonden. Dat wordt ook verzoening genoemd, maar dat heeft niets met verzoening te maken. Dat is het begrip bedekken. In het Hebreeuws is dat kafar of kippur – denk aan Jom Kippoer, Verzoendag. Maar dat kafar betekent bedekken. Dat is dan misschien alleen een probleem dat ze in de theologie voeren, want in het normale taalgebruik is verzoenen altijd hetzelfde. Alleen in de zin van offerdienst en zonden die verzoend worden, is het een theologisch begrip. Dus: vijanden worden verzoend, maar zonden worden niet verzoend; zonden worden bedekt. Dat is het woord wat de Bijbel daarvoor gebruikt.

De zonden werden bedekt door bloed. Daarbij wil ik nog één ding zeggen over dat bloed dat bedekt. In zekere zin herhaal ik wat ik zojuist ook al zei: dat bloed slaat op het slachtoffer. Maar bij het slachtoffer moet je niet alleen denken aan dat sterven, aan de slachting. Alleen een dier of bloed verzoende niet wanneer het dier enkel geslacht was. Nee, het dier werd geslacht, het bloed werd opgevangen en vervolgens werd het in het heiligdom gebracht. Daarna dus. En dat was niet ter verzoening, maar ter bedekking. Een slachtoffer – we gebruiken dat woord natuurlijk ook in het algemene spraakgebruik – verwijst dus feitelijk eerst naar de slachting en vervolgens naar het offeren. Dus eerst het sterven en vervolgens dat het opstijgt tot God. En dat bedekt. Dat verwijst dus naar dood, slachting en opstanding. En dat bedekt de zonden, waardoor de zonden niet meer gedacht worden. Dat is voorbij, er is iets nieuws voor in de plaats gekomen. Het oude is voorbij, het is overtrokken.

Ik had het zojuist even over de ark van het verbond. Dat was een houten kist, maar dat was ook een kist die bedekt was, namelijk overtrokken met louter goud. Dat proces zie je heel vaak in de Bijbel, maar dat is wat God doet. Hout, een beeld van vergankelijkheid, dat wat uit de aarde voortkomt, wordt overtrokken met goud, dat niet aan vergankelijkheid onderhevig is. Nou, dat is wat God doet: bedekken, overtrekken met goud, met nieuwheid des levens, met opstandingsleven. Kijk, dat bedekt. Ik hoop dat ik dat in ieder geval heb overgebracht. Dat is namelijk een heel ander idee dan wat we altijd gehoord hebben: dat die zonden moesten worden betaald en gestraft, en dat God Zijn toorn over Zijn Zoon heeft uitgegoten waardoor Hij niet meer over ons hoeft te toornen. Dat is een volkomen karikatuur; daar heeft het niets mee te maken. In al zijn onderdelen klopt er niks van die voorstelling dat God Zijn toorn heeft uitgegoten over Zijn Zoon.

Bovendien: dat bloed dat bedekt, verwijst naar de Gestorvene en, wat meer is, de opgewekte Heer. Hij bedekt het verleden door er een toekomst voor in de plaats te stellen. Nou, dat is even een lange aantekening bij deze uitdrukking over wat een hogepriester deed, namelijk dat hij inderdaad gaven – naderingsgeschenken – bracht, maar ook offers voor de zonde. Ik stel voor dat we straks verder gaan bij vers 2 van Hebreeën 5.

Zwakheid en de Roeping van de Hogepriester (hebreeën 5:2-4) ↑ hoofdstukken

Laten we weer verder gaan. We waren gebleven bij Hebreeën 5, vers 2. Het ging over die hogepriester. Laat ik dat nog even voorlezen: “Want elke hogepriester die uit de mensen genomen wordt, treedt voor de mensen op bij God, om gaven te brengen en offers voor de zonden.” Zo staat het er. En dan vang ik in vers 2 aan: “Hij kan,” zo’n hogepriester dus, zo’n hogepriester in het algemeen, “kan tegemoetkomend zijn.” Dat is een woord dat sterk lijkt op het “sympathiseren” in hoofdstuk 4 vers 15, waar ik het al eerder over had. Hij kan tegemoetkomend zijn, hij kan begrip hebben voor de onwetenden en de dwalenden, degenen die afgedwaald zijn. Waarom? Wel, omdat hij ook zelf met zwakheid omvangen is. Het gaat hier nog specifiek over een hogepriester in de dagen van het Oude Testament, de hogepriesters sinds Aäron.

Dan vervolgt vers 3 dat die zwakheid hem verplicht – het feit dat hij zelf niet alleen zwak is, maar ook een zondig mens – om niet alleen voor het volk offers te brengen, maar ook voor zichzelf. Dat was omdat hij zelf net zo goed een zondig mens was; er moesten ook voor hem en zijn huis offers gebracht worden. Sterker nog, als je je even zou verdiepen in de hele offerdienst in het Oude Testament, dan zie je dat de offers die gebracht werden voor het huis van Aäron, voor de priesters, grotere offers waren dan voor het volk. Om een voorbeeld te noemen: op de Grote Verzoendag werd er voor het volk, zoals bekend, het lot geworpen over twee bokjes. De zondebok werd de woestijn in gestuurd en dat andere bokje werd geslacht. Maar voor het huis van Aäron werd er een stier geofferd; letterlijk een veel groter offer. Dus hij moest niet alleen voor het volk offeren, maar ook voor zichzelf.

Wat je hier ziet – en dat is soms wat lastig in de bespreking van Hebreeën 5, je moet goed in de gaten houden hoe het betoog precies loopt – is dat hij wijst op de overeenkomsten tussen de hogepriesters in de dagen van het Oude Testament en de hogepriester die wij kennen, de grote hogepriester. Maar hij wijst net zo goed ook op de grote contrasten. Ik bedoel, de grote hogepriester die wij kennen, heeft inderdaad Zichzelf geofferd voor Zijn volk, sterker nog, voor heel de wereld, maar dan gaat het hier niet zozeer om het feit dat Hij voor Zichzelf moest offeren. Hij hoefde niet voor Zichzelf te offeren; Hij was namelijk Zelf dat volmaakte Lam. Je ziet hier trouwens allerlei dingen door elkaar komen. Alles in de Schrift, in de Tenach, in het Oude Testament, verwijst naar Hem. Zowel de hogepriesters en de priesters in het algemeen verwezen naar de Priester die wij kennen, maar de offers verwezen net zo goed naar Hem. Zodat Hij ook het ware Lam is dat geslacht werd en het ware bokje. Maar Hij hoefde niet voor Zichzelf te offeren, want Hij was namelijk perfect. Zoals je ook leest over het Paaslam dat geslacht werd: het moest een volkomen lam zijn. Er mocht niets aan mankeren. En dan moest het op die bewuste datum geslacht worden. Het moest volmaakt zijn, zonder mankementen. Aan dat profiel beantwoordde Hij volkomen.

En dan vers 4: “En niemand matigt zichzelf die waardigheid aan,” namelijk om hogepriester te zijn. Daar word je, zoals er vervolgens staat, toe geroepen. Men wordt ertoe geroepen door God, zoals immers ook Aäron. Dat lees je inderdaad op meerdere plaatsen, maar Exodus 28 vers 1 weet ik zo even uit mijn hoofd. Daar staat dat Aäron en zijn huis – dat wil zeggen ook zijn zonen en vervolgens hun zonen weer – werden aangesteld. Het was een kwestie van erfrecht. Uiteindelijk werd Aäron letterlijk geroepen; hij was de eerste hogepriester. En vervolgens werden allen die uit hem voortkwamen, zijn zonen, vanwege zijn roeping automatisch ook hogepriester. Maar het was in ieder geval niet iets wat men zichzelf toe kon schrijven of zichzelf kon aanmatigen. Het was iets wat je verkreeg. En dat wordt hier gezegd van de eerste hogepriester Aäron, en nu gaat het om de overeenkomst met Christus.

Christus als Hogepriester Gezalfd in Zijn Opstanding (hebreeën 5:5) ↑ hoofdstukken

Zo is ook Christus de Gezalfde, wat overigens weer alles te maken heeft met het feit dat Hij Hogepriester werd. Want wanneer een hogepriester werd geroepen – denk aan Aäron – dan werd hij gezalfd. Hij werd een gezalfde. In het Grieks zeg je dan dat hij werd gemaakt tot een Christus, in het Hebreeuws tot een Maschiach. Al die termen betekenen simpelweg ‘gezalfd’. Dit gebeurde met olie, een beeld van onvergankelijk leven. Het loutere feit dat een priester of koning gezalfd werd met olie, is een beeld van de Christus. Maar hoe werd Hij de Christus? Door Zijn opstanding. Hij werd overgoten met olie, een uitbeelding van geest en leven. Olijfolie is het product van een boom die niet doodgaat; het is een beeld van diverse zaken. Olijfolie werd gebruikt in de dienst van het heiligdom, bijvoorbeeld om de kandelaar brandende te houden en licht te geven. Ook diende het voor de instandhouding van het leven; bijna niets werkt zo vitaliserend als olijfolie. Zonder in alle details te treden: olie in de Bijbel is nooit aardolie. Het is olie die niet uit de aarde komt, maar als het ware uit de hemel wordt geplukt. Het is een uitbeelding van onvergankelijk leven. Hij werd de Christus doordat Hij overgoten werd met geest en leven in Zijn opstanding.

Ik ben daar nu wat mee bezig omdat ik komende zondag in Den Haag spreek. Het is dan Pinksteren en het thema is: ‘De Geest maakt levend’. Dat heeft hier alles mee te maken. Geest wordt uitgebeeld door olie; dat is wat leven is en wat levend maakt. Hij is dus Hogepriester geworden doordat Hij is gezalfd. Hij heeft Zichzelf dat niet aangematigd, maar Hij is het geworden. Let op: ik hoor en lees zo vaak dat Jezus Christus de Hogepriester is, waarbij men denkt dat Hij dat is sinds Zijn geboorte als mens hier op aarde. Maar wie de Hebreeënbrief nader bestudeert, ziet dat dit juist niet het geval is. Het wordt heel sterk onderscheiden van Zijn dagen in het vlees hier op aarde. Dat was voorbereidend, maar Hij werd tot Hogepriester gesteld en gezalfd juist in Zijn opstanding.

Vandaar dat hier staat dat Christus Zichzelf de eer niet heeft toegekend om Hogepriester te worden, maar dat Hij het werd in Zijn opstanding. Ik geef vast een paar schoten voor de boeg, want we komen dit later in de brief nog tegen. Er zijn twee gegevens waarin je duidelijk ziet dat Jezus Christus Hogepriester is vanwege Zijn opstanding. In hoofdstuk 8 vers 4 lees je: ‘Indien Hij nu op aarde was, dan zou Hij niet eens priester wezen, daar er hier reeds zijn om volgens de wet de gaven te offeren.’ Was Hij op aarde, dan was Hij geen priester. Waarom niet? Een priester kwam uit de stam van Levi, specifiek uit het huis van Aäron. Wij weten echter heel duidelijk uit de Bijbel dat Jezus Christus voortkwam uit de stam van Juda. Dat is de koningsstam, niet de priesterlijke stam. Hij is dus geen priester naar de ordening van Aäron; dat is een ding dat zeker is. Op aarde was Hij geen priester. In hoofdstuk 7 vers 16 lees je dat Hij het niet geworden is krachtens een wet met een voorschrift betreffende vleselijke afkomst – je moet daar even doorheen prikken, want dat betekent simpelweg dat Hij het niet is geworden vanwege Zijn stamboom – maar Hij is Hogepriester geworden krachtens onvernietigbaar leven. Vóór Zijn sterven kon Hij dus nog niet eens Hogepriester worden; Hij is juist Hogepriester geworden krachtens onvernietigbaar leven.

Sinds Zijn opstanding sterft Hij niet meer; de dood ligt achter Hem en uit hoofde daarvan is Hij Hogepriester geworden, de Gezalfde. Hij is Christus geworden juist in Zijn opstanding. Ik realiseer me dat ik dit heel dikwijls naar voren breng in mijn bijbelstudies, maar dat doe ik om een misverstand recht te zetten. Ik merk alom dat de focus altijd maar ligt op Jezus hier op aarde en op Zijn sterven, terwijl men Zijn opstanding vergeet. Maar dat is nu juist de essentie. Juist in Zijn opstanding is Hij de Christus geworden en juist in Zijn opstanding is Hij het offer. Dat is vaak onbekend. Misschien overaccentueer ik het daarom, maar dat doe ik omdat het niet alleen onderbelicht wordt, maar vaak zelfs niet eens gekend wordt. Men weet het niet. Wanneer mensen het hebben over het offer van Jezus Christus, denken ze altijd aan het sterven. Vraag het een willekeurige christen – misschien weet u dat uit uw eigen achtergrond ook nog wel: ‘Wat is het offer?’ en het antwoord is ‘Zijn sterven’. Maar sinds wanneer is Jezus de Christus? Hij was Jezus van Nazareth sinds Zijn geboorte in Bethlehem, maar Hij is de Christus geworden in Zijn opstanding. Hij is Hogepriester in Zijn opstanding, krachtens onvernietigbaar leven. Niet hier op aarde, maar sinds Zijn opstanding en hemelvaart is Hij als Hogepriester het hemelse heiligdom binnengegaan.

Hij heeft Zichzelf die eer niet toegekend; dat is een ding dat zeker is. Hij is van Godswege geroepen. Dat is niet iets wat je jezelf aanmatigt of aantrekt. Nee, God is het die tot Hem sprak. Hier wordt verwezen naar Psalm 2, een psalm die we eerder hebben besproken toen we de Hebreeënbrief doornamen. Daar spreekt Jahweh tot de Messias. Ik ga nu niet de hele psalm bekijken – we hebben dat eerder gedaan en het is een schitterende Messiaanse psalm – maar God heeft tot Hem gesproken: ‘Mijn Zoon zijt Gij, Ik heb U heden verwekt.’ Waar slaat dat ‘heden’ op? Het is heel eigenaardig. Ik trek de lijn door waar ik het zojuist over had: ook dit gaat over de opstanding. Je zou kunnen zeggen dat dit slaat op Zijn conceptie toen Hij verwekt werd in de schoot van Maria, maar toen kon God nog niet tot Hem spreken. Dat ‘heden verwekt’ slaat op de dag van de opstanding. Bij een eerdere gelegenheid heb ik al het ‘bonnetje’ overlegd, maar ter herinnering geef ik u het bewijs uit Handelingen 13. Daar lees je dat Paulus en Barnabas in Antiochië zeggen: ‘Wij verkondigen u dat God de belofte die aan de vaderen geschied is, aan ons, hun kinderen, vervuld heeft door Jezus op te wekken; gelijk in de tweede psalm geschreven staat: Mijn Zoon zijt Gij, Ik heb U heden verwekt.’ Daar staat het. Hij was al de Zoon, zeker; Hij is de Zoon van God op grond van het feit dat God Hem verwekt heeft in de schoot van Maria. Daarom is Hij de eniggeboren Zoon. Maar Hij is bij een latere gelegenheid wederom verwekt, namelijk uit de doden.

Priester Naar de Ordening van Melchizedek (hebreeën 5:6) ↑ hoofdstukken

Vers 6 zegt: “Zoals Hij ook op een andere plaats spreekt.” En nu komt er weer een citaat. Ik had u al veel eerder en al meerdere malen gewaarschuwd: de hele Hebreeënbrief is een aaneenrijging van verwijzingen naar het Oude Testament. Het bevat vele citaten waarmee de lezers bekend worden verondersteld, met name de onmiskenbare hoogtepunten in de Messiaanse provincie. Psalm 110 is daar één van, en Psalm 2 trouwens ook.

Het is interessant dat hier naar Psalm 110 wordt verwezen, want dat had de schrijver al eerder gedaan in Hebreeën 1. Denk aan het vers: “Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gesteld heb tot een voetbank voor Uw voeten.” Dat is ook Psalm 110. Maar nu wordt Psalm 110 vers 4 geciteerd. Dit specifieke vers wordt maar liefst zeven keer in de Hebreeënbrief aangehaald, en dit is de eerste keer.

Er staat: “Zoals Hij ook op een andere plaats spreekt,” en dat is dus Psalm 110 vers 4: “Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchisedek.” Houd dit vast, want dit is een onderwerp dat in de komende hoofdstukken uitgebreid besproken wordt. Ik heb dit vers, Psalm 110 vers 4, voor u opgesomd; het wordt zeven keer geciteerd: in hoofdstuk 5 vers 6 en vers 10, in hoofdstuk 6 vers 20 en in hoofdstuk 7 nog vier keer. Alleen al uit deze opsomming kunt u opmaken dat de hele kwestie van de priester naar de ordening van Melchisedek het grote onderwerp van deze hoofdstukken is. “Hierover hebben wij veel te zeggen,” zegt de schrijver dan ook.

Nu staat er: “Gij zijt priester in eeuwigheid.” Maar dat staat er eigenlijk niet; er staat “tot in de aeon”. Dat is echt iets heel anders. Ik wijs er maar gewoon op: het is hier niet onbepaald, het is juist heel bepaald. We weten namelijk dat er in de laatste aeon, op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde — de aeon der aeonen — geen priesterschap meer is. Er is dan geen bemiddeling meer nodig tussen God en mensen, want God woont te midden van Zijn volk. Dat Hij priester is naar de ordening van Melchisedek, heeft te maken met deze tijd en de toekomende aeon, het toekomstige Messiaanse Rijk. Dat blijkt ook als je Psalm 110 leest. Dat is een psalm die gaat over dat toekomstige Messiaanse Rijk, waar een Koning-Priester zal regeren.

Daarmee heb ik meteen iets gezegd over die andere uitdrukking. De Messias die zou komen, zou hogepriester zijn, maar niet naar de ordening van Aäron. Nee, Hij zou priester zijn naar de ordening van Melchisedek. Wat is het verschil? Wacht nog even, want dat is nu juist het onderwerp van deze hoofdstukken. Het gaat uitgebreid besproken worden en aan het einde kunnen we alles op een rijtje zetten. Dan kunnen we een hele serie punten noemen waarom Hij priester is naar de ordening van Melchisedek.

Let er trouwens op dat er staat “priester”, niet “hogepriester”. Dat is alleen al een interessant verschil. Aäron was hogepriester, wat veronderstelt dat er priesters onder hem waren. Melchisedek was gewoon priester — de enige namelijk. Dat is sowieso een punt. Een ander punt, en misschien wel het makkelijkst te onthouden, is dat Melchisedek zowel priester als koning was. De naam Melchisedek is opgebouwd uit “Meleg”, wat koning betekent, en “Tzedek”, wat gerechtigheid betekent. Zijn naam betekent dus Koning van Gerechtigheid.

Je leest over hem in Genesis 14. Terwijl ik erover praat, denk ik ineens: u weet toch allemaal wie Melchisedek was? Er worden slechts twee verzen in Genesis 14 aan hem gewijd. Wanneer Abraham terugkomt, komt hij in Salem — het latere Jeruzalem — een man tegen. Heel merkwaardig staat daar Melchisedek, en hij was koning-priester in Salem. Je leest dat Abraham door deze koning-priester gezegend wordt en brood en wijn van hem krijgt. Vervolgens geeft Abraham hem van alles een tiende. We zullen het daar bij een toekomstige gelegenheid, in Hebreeën 7, nog uitgebreid over hebben.

Maar let op: hij was koning-priester. Niet alleen priester, maar ook koning. Of eigenlijk moet ik zeggen: hij was niet alleen koning, maar ook priester. Dan zie je al dat dit van een heel andere orde is. In Israël waren dat onder het Oude Verbond twee totaal gescheiden zaken. Een koning kwam uit de stam Juda en een priester kwam uit de stam Levi. Je kon dus nooit koning en priester in één persoon zijn. Maar in het Oude Testament werd al voorzegd dat de Messias die zou komen — volgens Psalm 110 — priester zou zijn naar de ordening van Melchisedek: ook Koning dus, beiden in één. En dat niet op basis van vleselijke afkomst; van Melchisedek weten we immers helemaal niet wat zijn geslachtsregister was. Dat speelt geen rol. Dat zit er allemaal in opgesloten: Hij is priester naar de ordening van Melchisedek, in contrast met het priesterschap van Aäron. Goed, we gaan naar vers 7. Ik wil graag nog een paar verzen verder komen.

Gebeden, Tranen en Redding uit de Dood (hebreeën 5:7) ↑ hoofdstukken

Tijdens Zijn dagen in het vlees… Het gaat hier over de tijd dat de Heer Jezus hier op aarde was als een vergankelijk en zwak mens. In die dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem die Hem uit de dood kon redden. Waar wordt hiernaar verwezen? Waar denkt u aan als hier staat dat Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen heeft geofferd?

Het eerste waar je dan aan denkt, is aan Gethsemane. Ja, aan Gethsemane. En ook aan een latere gelegenheid. Gethsemane was in de avond voorafgaand aan Zijn sterven, maar ik denk ook aan Zijn sterven zelf, toen Hij aan het kruis hing en onder sterk geroep en tranen inderdaad tot God heeft geschreeuwd. Ik denk dan dus niet alleen aan Gethsemane, maar ook aan het moment dat Hij daar aan het kruis hing en Psalm 22 citeerde. Wist u dat? Ook dat is niet zo bekend, maar Psalm 22 is een lange psalm en de Heer Jezus kende die woorden kennelijk uit Zijn hoofd; Hij heeft ze in Zijn mond genomen.

Psalm 22 is de psalm die begint met: “Mijn God, Mijn God, waartoe hebt Gij Mij overgelaten?” Zo staat er letterlijk. Onder sterk geroep — je leest inderdaad dat Hij het met luide stem uitriep — en onder heftig huilen, met gebeden en smekingen, heeft Hij tot God geroepen. Er staat dat Hij dit “geofferd” heeft, oftewel tot God heeft gebracht.

Let op, er staat: “die Hem uit de dood kon redden”. Er staat niet: “die Hem van de dood kon redden”. Hij wist namelijk dat Hij moest sterven. Zijn eigen wil was dat niet; ook daaraan zie je dat de Heer Jezus echt mens was. Hij zei in Gethsemane: “Laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan, maar niet Mijn wil geschiede, maar de Uwe.” Hij heeft die beker — een leidenskelk — uit Gods hand ontvangen en hem leeggedronken. Waarom heeft Hij dat gedaan? Hoe heeft Hij het kunnen doen? We lezen het in de Hebreeënbrief: omdat Hij uitzag naar de heerlijkheid die het op zou leveren. Dat wist Hij.

Om even terug te komen op Psalm 22: Hij heeft die geciteerd omdat die psalm gaat over het lijden dat over de Christus komen zou. Lees de eerste tweeëntwintig verzen maar na. Hij roept: “Mijn God, waartoe?” En dan lees je in vers 7 dat Hij veracht is door het volk. In vers 17 staat: “Honden hebben mij omringd.” Dat zijn heidenen, geen Joden. En bedenk hoe perfect dit duizend jaar voor Christus door David werd opgetekend. Toen bestond de methode van kruisiging als executiemethode nog niet eens, maar je leest al dat David dit voorzegt over Hem die zou komen: “Die mijn handen en voeten doorboren.” Het is een perfecte en nauwkeurige beschrijving van het kruislijden dat Hij onderging: veracht door het volk, omringd door honden die Hem dit aandoen. En vers 19: “Ze verdelen mijn klederen onder elkaar.” Dan roept Hij: “Verlos Mij!”

Lees nu even met me mee in Hebreeën 5. Daar staat dat Hij is “verhoord uit Zijn angst”. Hij is verhoord uit Zijn angst omdat Hij tot God heeft geroepen, tot Hem namelijk die Hem uit — let op, niet van, maar uit — de dood kon redden. En Hij is verhoord, namelijk in Zijn opstanding. Ik haal deze verwijzing naar Psalm 22 erbij omdat je daar precies hetzelfde ziet: het eerste gedeelte gaat over het lijden dat over de Christus komen zou, maar het tweede gedeelte gaat over al de heerlijkheid daarna. De grote wending vindt plaats in Psalm 22 vers 22 — dat is makkelijk te onthouden. Ik laat in de PowerPoint nu even een paar highlights zien, maar u zou eigenlijk allemaal uw Bijbeltje erbij moeten nemen. Het is zo machtig mooi en geweldig zoals dat beschreven wordt, maar ook zo aangrijpend hoe het lijden van Christus wordt weergegeven.

Smekingen en luid geroep tot God… En dan staat er in vers 20: “Maar Gij, HEERE, wees niet verre, mijn Sterkte, haast U mij ter hulpe.” Vers 21: “Red van het zwaard mijn ziel, mijn eenzame ziel.” Van het geweld van de hond — van de heidenen — “verlos mij uit de muil van de leeuw en van de horens van de woudossen.” En dan staat er aan het einde van vers 22 de omkering: “Gij hebt mij geantwoord!” Wat is dat? Dat is de opstanding! Want als hier in Hebreeën 5 vers 7 staat dat Hij onder sterk geroep en tranen geofferd heeft aan Hem die Hem uit de dood kon redden, en dat Hij vervolgens is verhoord uit Zijn angst, dan wil dat zeggen dat Hij uit de dood gered werd. Dat sluit naadloos aan bij Psalm 22, waar je al die smekingen en dat sterke geroep aantreft en waar dan staat: “Gij hebt mij geantwoord.”

Vanaf vers 23 wordt vervolgens de heerlijkheid beschreven van de Messias die Gods naam aan Zijn broeders verkondigt, waarbij het hele nageslacht van Israël erbij betrokken wordt. Alle geslachten der aarde zullen zich neerbuigen. De psalm eindigt ermee dat allen God zullen loven omdat Hij het gedaan heeft, omdat Hij het volbracht heeft. Schitterend zoals dat in Psalm 22 beschreven wordt. Psalm 22 is het antwoord op de woorden van Hebreeën 5 vers 7. Als hier staat dat Hij is verhoord, dan verwijst dat naar die psalm. Ik vind het zo prachtig dat de Heer Jezus ook inderdaad in Zijn lijden aan het kruis die psalm letterlijk in Zijn mond heeft genomen en dat Hij daarom ook wist: God is het die Mij zal antwoorden. Hij zag op grond van wat er geschreven staat vooruit naar wat zou komen. Daarom heeft Hij het allemaal kunnen ondergaan.

Gehoorzaamheid Geleerd en Aionische Redding (hebreeën 5:8-9) ↑ hoofdstukken

En zo heeft Hij, vers 8: “En zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden.” Dat is een merkwaardig woord. Hij was de Zoon, en hoewel Hij de Zoon was, heeft Hij gehoorzaamheid geleerd. Hoezo? Was Hij dan ongehoorzaam, zodat Hij gehoorzaamheid moest leren? Nee, dat is niet de gedachte. Het punt was: Hij was de Zoon. Hij had zo’n unieke status dat Hij gehoorzaamd zou worden.

Je leest ook ergens in de evangeliën dat wanneer Hij op het meer is en daar die storm is, Zijn discipelen Hem roepen. Dan zegt Hij tegen de elementen: “Zwijg, wees stil!” En dan vallen ze allemaal voor Hem neer en zeggen: “Wie is toch deze, dat zelfs de winden Hem gehoorzaam zijn?” Hoezo dan gehoorzaamheid leren? Was Hij ongehoorzaam? Nee, het punt was: Hij was de Zoon van God en Hij werd gehoorzaamd.

Maar nu werd, hoewel Hij Zoon was, gehoorzaamheid geleerd. Hoe dan wel? Uit hetgeen Hij heeft geleden. Door die weg van vernedering te gaan en door de weg te gaan zoals in Gethsemane — ik heb hier dat plaatje van Gethsemane geplaatst — waar Hij tegen God zegt: “Niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede.” Hij was zwak, maar Hij wist waarom het was. Hij heeft Zich dus ondergeschikt gemaakt, gehoor gegeven en zo ook gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden.

En toen Hij het einde had bereikt — dat wil zeggen de opstanding, de volkomenheid — is Hij voor allen die Hem gehoorzamen een oorzaak geworden van eeuwig heil. Dat wil zeggen: gehoorgeven. Gehoorgeven aan Zijn belofte. Ik weet wel dat bij gehoorzaamheid de meeste mensen aan werken denken, maar de Bijbel spreekt over de gehoorzaamheid van het geloof: gehoorgeven aan Zijn belofte. Welnu, voor allen die gehoorgeven aan Hem, is Hij een oorzaak geworden van eeuwig heil. Letterlijk staat er, u ziet het hier: aionische redding. Dat wil zeggen: redding voor de aionen.

Kijk, Hij is de Redder van allen, maar degenen die nu gehoor geven aan Zijn woord, de gelovigen, die ontvangen redding voor de aionen, voor de toekomende aionen. Aan het einde van de aionen, bij de voleinding der aionen, zullen uiteindelijk allen hun knieën buigen. Maar gedurende de aionen die beërfd zullen worden, zullen degenen die Hem nu gehoor geven redding ontvangen.

Ziet u waar het hier over gaat? Hij is in Zijn opstanding, toen Hij het einde had bereikt — letterlijk staat er dus: “toen Hij volkomen was geworden” — voor allen die Hem gehoor geven een oorzaak geworden van aionische redding. Redding voor de aionen en de heerlijkheid van leven is weggelegd voor elk schepsel, maar aionische redding is slechts weggelegd voor ieder die vandaag mag geloven. En ook dat is een voorrecht, als Hij je hart daarvan heeft overtuigd. En zo zijn we toch uitgekomen bij dat negende vers, en dat is precies ook wat ik mij ten doel had gesteld.

🎧 8 Hebreeën 4:14 – 5:9


Powered by RedCircle

Powered by RedCircle

Delen: