GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Psalm 40 – Zie, Hier Ben Ik

09-03-2014 - Geplaatst door Andre Piet
Presentatie van de GoedBericht-samenkomst gehouden op 9 maart 2014 in Zoetermeer.

Psalm 40 is een psalm van David. Profetisch spreekt het van Hem die uit zijn ledenen zou voortkomen. De Zoon van David die zou komen om van harte Gods wil te doen om slachtoffers, spijsoffers, brandoffers en zondoffers definitief te vervullen. Want al die offers wilde God niet – het ging slechts om Hem naar wie ze verwezen.

De Zoon van David heeft zichzelf herkend in de boekrol en tegen God gezegd: zie hier ben ik. Deze psalm spreekt over zijn heerlijkheid en over het lijden dat daaraan vooraf ging.

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

De toespraak behandelt Psalm 40 als een messiaanse profetie die een inkijkje geeft in het hart van de Messias. Het hart van de psalm toont Zijn bereidheid om Gods wil te doen, waarmee Hij het onvolmaakte offersysteem als schaduw opheft en Zichzelf aanbiedt. Daarna wordt Zijn diepe lijden belicht, waarbij Hij andermans ongerechtigheden droeg alsof ze de Zijne waren. Tot slot klinkt de lofzang vanuit Zijn opstanding uit de dood, wat leidt tot de blijde verkondiging van Gods trouw en gerechtigheid aan een grote gemeente.

“Maar Gods recht, Gods gerechtigheid, is een blijde mare. Waarom? Omdat God recht doet aan wat Hij gesproken en beloofd heeft.”

Introductie: een Inkijkje in het Hart van de Messias ↑ hoofdstukken

De aanleiding voor de studie of toespraak van deze ochtend is vergelijkbaar met die van twee weken geleden. Toen hadden we het met elkaar over de Rode Vaars, de rode koe, een nogal onbekende passage uit Numeri 19. De aanleiding was toen een studie die ik kort daarvoor had gehouden over Hebreeën 9, een studieserie die momenteel gaande is in Rijnsburg. Dat was in een studie op een donderdagavond even aangestipt, maar dat vond ik wat onbevredigend omdat er zoveel meer over te melden is. Naar aanleiding daarvan heb ik toen een studie gegeven over Numeri 19.

Inmiddels zijn we aangeland in Hebreeën 10 in de bespreking in Rijnsburg. Dat was afgelopen donderdag en toen kwam in Hebreeën 10 een citaat voor uit Psalm 40. Ik vond het ook wederom wat onbevredigend om alleen dat citaat te bespreken en niet de hele context van dat citaat. Toen dacht ik: een paar dagen later spreek ik in Zoetermeer, ik had nog geen onderwerp vastgesteld — er was er wel eentje in gedachten, maar dat heb ik toen gedropt — en ik dacht: over Psalm 40 wil ik graag zondag gaan spreken. Want het is een schitterende psalm. Het is een uitgesproken Messiaanse psalm, wat niet alleen blijkt uit Hebreeën 10, maar ook als we de rest van het hoofdstuk erbij betrekken.

Waarom ik het vooral zo’n prachtige psalm vind, is omdat we in deze psalm, midden daarin — wat dus geciteerd wordt in de Hebreeënbrief — een inkijkje krijgen in het hart van de Messias, de Zoon van David. Psalm 40 is een psalm van David, maar hij spreekt over de Zoon van David, zoals dat van zoveel psalmen gezegd kan worden. Petrus zegt: David was een profeet en hij sprak niet over zichzelf, maar over Hem die uit zijn lendenen zou voortkomen. Je moet het maar eens lezen in bijvoorbeeld Handelingen 2. In het boek Handelingen wordt het diverse keren zo uiteengezet dat die psalmen weliswaar van David zijn, maar gaan over — en misschien ook wel geschreven zijn naar aanleiding van — gebeurtenissen in Davids leven. Dat zal zonder meer het geval zijn, maar ze zijn, zoals dat dan heet, hyperbolisch. Ze zijn zo overtreffend in die zin dat ze soms taalgebruik hebben waarvan men dan zegt: dat is zwaar overdreven. Er is een bepaalde naam voor, ik kom er even niet direct op, maar in ieder geval is het een bepaald type taalgebruik. Heel gezwollen taal die David of welke schrijver dan ook hanteert. Maar het is geen gezwollen taal; het is zeer ter zake doende taal, alleen heeft het geen betrekking op hemzelf. Het is profetisch; het spreekt van Hem die na hem zou komen.

Welnu, dat is Psalm 40. Laten we even een blik werpen op de totale psalm. U hoeft dit niet direct mee te lezen, maar ik wil het u even laten zien om u een indruk te geven. In totaal zijn het achttien verzen. In de Engelse vertaling is de indeling trouwens wat anders; dat is wat lastig, want die heeft maar zeventien verzen. Maar goed, wij lezen het in het Nederlands. Dan valt de psalm inhoudelijk heel duidelijk in twee delen uiteen. Heel simpel: vers 1 tot en met 11 en vers 12 tot en met 18. Vers 1 tot en met 11 heeft Hem als onderwerp en gaat over de verhoring. We zullen dat straks vanzelf ook zien als we ons wat meer in de details verliezen. Dat gaat over de verhoring op een uitroep, op een vurig gebed van het onderwerp van deze psalm: de Zoon van David dus.

Het tweede deel gaat merkwaardigerwijs over een hulpgeroep, terwijl je chronologisch gezien precies een omgekeerde volgorde zou verwachten. Dit eerste gedeelte is dus een antwoord op de vraag uit het tweede gedeelte. Het is, zoals dat met een mooi woord heet, retro-perspectief. Dat wil zeggen: het uitgangspunt is een antwoord dat de Messias heeft gekregen. Want ik zal u dit vertellen: dit gaat over het antwoord op het hulpgeroep van de Messias. Dit gaat over het lijden dat over de Christus zou komen... Nou, zei ik nu het lijden? Nee, nu heb ik een fout gemaakt, ik zeg het: een grote fout. Het tweede gedeelte gaat over het lijden dat over de Messias zou komen, terwijl het eerste gedeelte over de heerlijkheid daarna spreekt. Het gaat dus uit van de heerlijkheid van de Messias die opgestaan is uit de dood en die opgetrokken is uit de kuil — ik gebruik nu termen vanuit dit gedeelte zelf — terwijl het einde gaat over het lijden dat daaraan voorafging. De bespreking zal ik daar ook wat op aanpassen. Laat ik eerst nog even iets anders zeggen.

Het Hart van Psalm 40: Zie, Hier Ben Ik ↑ hoofdstukken

Het middelste gedeelte, de kern, het hart van dit gedeelte, dat zijn deze woorden: "In slachtoffer en spijsoffer hebt Gij geen behagen, Gij hebt mij geopende oren gegeven; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet gevraagd." En toen zei ik: "Zie, Ik kom; in de boekrol is over Mij geschreven. Ik heb lust om Uw wil te doen, mijn God; Uw wet is in mijn binnenste." Dit is het binnenste van de psalm, de kern, het hart. Dat is niet alleen zo als je de tekst in zijn geheel beziet en dit het centrum blijkt te zijn, maar het is ook inhoudelijk de kern ervan. Dit is precies de passage die geciteerd wordt in Hebreeën 10 vers 5 tot en met 7. Daar wordt uiteengezet — ik heb trouwens niet één plaatje dat daarnaar verwijst, behalve dit — dat dit inderdaad in Hebreeën 10 staat. Als u daar meer over wilt weten, zou u de studie van afgelopen donderdag nog eens na moeten lezen of luisteren, maar in elk geval wordt in Hebreeën 10 schitterend uiteengezet dat dit de woorden zijn van de Messias.

Wat ik nu vanmorgen wil doen, is de bespreking iets aanpassen. Meestal begin ik bij vers 1 en eindig ik bij het laatste vers; dat is normaal gesproken de meest logische volgorde. Nu wil ik daar even van afwijken en eerst inzoomen op die kern van de psalm die geciteerd wordt in Hebreeën 10, waar gezegd wordt dat dit spreekt van de Messias. Vervolgens wil ik spreken over het lijden dat over de Christus zou komen, hoe Hij Zichzelf gesteld heeft tot een offerande, en als laatste behandel ik dan het eerste gedeelte. Met excuses dat de volgorde wat afwijkt, maar ik eindig dan met het antwoord dat God Hem geeft door Hem te trekken uit de diepte en Hem te doen staan, te doen opstaan. Daar gaat dit gedeelte over. Deze predicatie valt dus, zoals een goede preek betaamt, uiteen in drie delen. Dat komt me in dit geval heel goed uit.

Laten we inderdaad eens naar dat middelste gedeelte gaan dat in zijn totaliteit geciteerd wordt in Hebreeën 10. Wat staat daar? Daar zegt de Messias — en ik ga er op voorhand al even vanuit, zoals ik heb toegelicht, dat dit een Messiaanse psalm is waarin de Messias aan het woord is; Hebreeën 10 zegt dat expliciet — Hij zegt dit: "In slachtoffer en spijsoffer hebt Gij geen behagen." Hier worden trouwens in deze psalm vier offers genoemd. Als je dat nakeikt in het boek Leviticus, zie je dat daar sprake is van een viertal typen offers. In de eerste hoofdstukken van Leviticus zie je het vredeoffer (dat ook een slachtoffer was), het spijsoffer, het brandoffer en het zondoffer. Dat is een andere volgorde, maar goed. Wat hier gezegd wordt door de Messias is: "In slachtoffer en spijsoffer hebt Gij geen behagen." Laat dit even goed tot je doordringen, ook welke rol dit later speelt in het betoog van de schrijver van de Hebreeënbrief. Want dit zijn woorden in het Oude Testament. God, Die notabene zelf in de wet, in de Torah, had voorgeschreven dat men zou offeren — slachtoffers, spijsoffers, brandoffers, zondoffers — hier staat: "Het is niet wat U wilt." Er staat: "In slachtoffer en spijsoffer hebt Gij geen behagen." Geen plezier, U hebt het niet gewild. En er staat nog bij: "Brandoffer en zondoffer hebt Gij niet gevraagd."

Dan zou je zeggen: wat krijgen we nou? Het staat toch in de wet? Jawel, maar dit was niet waar het God om ging. Sterker nog, in de Hebreeënbrief lees je ook dat het een schaduw was. Het is geen afbeelding van wat God op het oog had; nee, het is slechts een schaduw. In zichzelf is die hele offerdienst bloederig, macaber. Maar het is ook niet wat God wil. De enige echte betekenis is niet dat het iets doet an sich. Het verwijst, zoals een schaduw altijd naar iets verwijst. Een schaduw is duister, maar verwijst naar licht; een schaduw bestaat bij de gratie van licht. Wat God doet, is in die offeranden, die in zichzelf duister zijn — een schaduw, een doodsschaduw — de contouren laten zien. In die contouren zien wij het licht en zien we Hém om wie het wel allemaal gaat: namelijk om Hem die zou zeggen: "Zie, hier ben ik om Uw wil te doen."

Welk type offerande je ook neemt, het verwijst allemaal naar de Messias Die Zichzelf ten offerande zou stellen. Waarbij ik nog even opmerk dat die offerande niet alleen maar Zijn slachting is. Sterker nog, dat is nog niet eens het offer. De offerande is dat Hij geslacht is — dat ging eraan vooraf — en vervolgens na de slachting steeg Hij op Gode tot een lieflijke reuk. Dat is de offerande. Daar spreken al die offers in alle mogelijke facetten en details van. Van Hem Die geslacht zou worden en daarna zou opstijgen tot God, tot een lieflijke reuk. Daar ging het over. In die offerdienst an sich had God geen behagen, daar vroeg Hij niet om. Dit zijn dus woorden die we niet pas in het Nieuwe Testament aantreffen. Dat wordt daar toegelicht, maar we vinden dit eerst al in het Oude Testament. Woorden van David in de Tenach. De Hebreeuwse Bijbel laat al zien dat die hele offerdienst het niet is, maar dat het gaat om Hem aan wie God geopende oren heeft gegeven.

God opent harten, God opent ogen en God opent ook oren. Hij heeft de oren geopend van Hem Die zou komen. "En toen zei ik: Zie, Ik kom; in de boekrol is over Mij geschreven." Dit is David die dit componeert, maar hij spreekt over de Zoon van David. Die Zoon van David zegt: "Zie, hier ben ik, Heer. Die offeranden die in de tabernakel en later in de tempel gebracht werden, dat is niet wat U vroeg. Dat is niet wat U behaagt. Maar U hebt Mij oren gegeven en geopend, en Ik luister naar wat U werkelijk te melden hebt." En Hij zegt: "Hier ben ik." Hij heeft Zich herkend in de boekrol. Hij zegt: "In de boekrol is over Mij al geschreven." Het is schitterend als je dat ziet in de evangeliën, hoe Jezus geprepareerd is in Zijn jonge leven en hoe Hij bezig was. Het enige wat we eigenlijk weten uit Zijn jeugd, behalve Zijn babyperiode en dat Hij als kleine jongen bezoek kreeg van de magiërs uit het oosten, is dat Hij bezig was met de dingen van Zijn Vader. Dat is veelzeggend, want Hij was bezig met de Schrift. Toen Hij twaalf jaar oud was, wist Hij de geleerden al te verbijsteren en te verbazen met Zijn enorme kennis en inzicht. Hij heeft gezegd: "Zie, hier ben ik. In de boekrol is over Mij geschreven."

Kijk het maar eens na. Juist de laatste dagen ben ik ermee bezig; thuis aan tafel lezen we de geschiedenis van het lijdensverhaal, momenteel uit de Matthäus Passion, Matthäus 26 en 27. Of je het nu in Matthäus, Marcus, Lukas of Johannes leest, iedere keer vind je dat Jezus voortdurend zegt: "Dit gebeurt opdat de Schriften vervuld zouden worden." Ik zal u één voorbeeld geven. In Lukas 18 staat dit: Hij nam de twaalf terzijde — dat gaat nog vooraf aan de reis naar Jeruzalem — en sprak tot hen: "Zie, wij gaan op naar Jeruzalem."

En al wat door de profeten geschreven is, zal aan de Zoon des mensen, de Ben-Adam, volbracht worden. Want Hij zal overgeleverd worden aan de naties, de heidenen, bespot, gesmaad en bespuwd worden, en ze zullen Hem geselen en doden en ten derden dage zal Hij opstaan.

Dat zegt Hij dus allemaal van tevoren. Er zijn nog andere, heel andere passages die soortgelijke dingen vertellen. Er staat daar nog wel iets bij: "En zij begrepen niets van deze dingen." Dat waren de discipelen dus. Dit woord bleef hun duister; het kwartje viel niet. Je kunt iets horen terwijl het volstrekt aan je voorbijgaat. Herkent u dat? Je kunt dingen zien, maar totaal horende doof en ziende blind zijn. Ze begrepen niets van deze dingen en de woorden bleven hun duister; ze wisten niet waarvan gesproken werd, terwijl het meerdere malen gezegd was.

Over de eenzaamheid van de Heer gesproken: Hij wist wat Hem te doen stond. Hij wist wie Hij was en Hij wist wat er in de boekrol over Hem geschreven stond. "Dat gaat over Mij." Het zou een geweldige studie op zich zijn om te laten zien hoe Hij Zichzelf, gewoon aan de hand van de evangeliebeschrijvingen van Matthéüs, Marcus, Lucas en Johannes, inderdaad demonstreert dat Hij Zich in de boekrol herkend heeft en dat Hij wist wat Hem te doen stond. Hij wist wat er in Psalm 40 stond. Hij zegt: "Dat ben Ik. In de boekrol staat over Mij geschreven."

Ik moet nog even één passage erbij betrekken die ik bijna was vergeten. Want Hij zegt daar nog dit: "Zie, Ik kom; in de boekrol is over Mij geschreven, Ik heb lust om Uw wil te doen." Hij zegt niet alleen maar: "Ik ga Uw wil doen," maar: "Ik heb lust, Ik wil." "Ik heb verlangen," staat er, "Ik heb verlangen om Uw onderwijzing te doen." En: "Uw wet is in Mijn binnenste, in Mijn hart." Het centrum, het midden. Zo heeft Hij Zich aangeboden. Dit is het hart van deze psalm.

In de Hebreeënbrief staat het er nog zo prachtig bij. Ik heb nu ook even de berijmde versie in gedachten die we vroeger in de kerk zongen. Ik zou het zo voor u kunnen zingen – ik zal het u besparen – maar: "Brandoffers noch offers voor de schuld voldeden aan Uw eis, o Heer. Zie, toen zeide Ik: Zie, hier ben Ik, Heer! In de rol des boeks is van Mij geschreven." Dat is het. Zo heeft Hij Zich aangeboden.

En dan staat er in het schrijven aan de Hebreeën nog bij: "Hij heft het eerste op om het tweede te laten gelden." Dat is een universeel Bijbels principe: het eerste wordt weggenomen om het tweede te stellen. Dat wil zeggen dat al die slachtoffers – de vredeoffers, spijsoffers, zondoffers en brandoffers – allemaal aan de kant worden geschoven. Dat is niet wat God vraagt. Maar Hij, van wie in de boeken geschreven staat, Hij zal komen. Hij zal alles vervullen waar die brandoffers en dergelijke over spraken. Maar dat was het niet; dat was slechts een schaduw van Hem. Het eerste opgeven, het tweede, daar gaat het om. Dat blijft staan. Nou, goed.

Het Lijden en het Hulpgeroep van de Christus ↑ hoofdstukken

Nu komen we in het tweede deel. We hebben nu dus even het centrum van Psalm 40 besproken en dan gaan we vervolgens naar het laatste gedeelte van die psalm. Daar vinden we dus dat hulpgeroep van hem; hoe het hem aan het hart is gegaan. Want vergis u niet, hij wist wat hem te doen stond. Maar juist omdat hij het wist, was hij er diep van doordrongen wat hem te doen stond. We zagen er net een voorbeeld van, maar nogmaals, er zijn vele voorbeelden waarbij we dat geëtaleerd zien.

Maar juist omdat hij wist, wat ging hem dat zo enorm aan het hart? Hij wist bijvoorbeeld ook dat van zijn intieme vriendenkring allen hem zouden verlaten. Want, zegt hij ook weer in Mattheüs 6 – want er staat geschreven: "Ik zal de Herder slaan en de kudde zal verspreid gestrooid worden." En als hij dan in Gethsemané komt – we zijn in de opperzaal geweest en Judas heeft inmiddels al gedaan wat hem te doen stond – dan komt hij in Gethsemané en dan neemt hij die drie vrienden van hem mee, de intimi. Hij vraagt hen nog speciaal te waken in dat bijzondere uur voor hem, maar ze vallen in slaap. En dan bidt hij: "O Vader, indien het mogelijk is, neem deze drinkbeker van mij af; maar niet mijn wil, maar de uwe." Dat doet hij tot drie keer toe. En zijn zweet werd als bloeddruppels, lees je. Hij was zeer beangst, tot de dood aan toe; zo staat het er. Juist omdat hij wist wat er allemaal ging gebeuren. Hij kon het ook doen vanwege de heerlijkheid die hem voorgesteld was; dat was zijn motief die hem zeg maar daar doorheen bracht. Maar denk daar niet gering over; dat is afschuwelijk waarvan hij wist dat het ging gebeuren op uitgerekend die dag, die 14e Nisan, de dag van het Pascha.

Goed, we moeten er echt snel doorheen, want ik zie dat we echt niet al te veel op de details kunnen ingaan. Maar goed, om een totaaloverzicht te hebben over deze 18-17 verzen... dan is uw verstand afgedicht? Hij zegt: "Gij, HERE, onthoud mij uw erbarming niet. Uw goedertierenheid en uw waarheid mogen mij bestendig, voortdurend bewaren." Want rampen omgeven mij zonder getal. Hij wist dat hij in die omstandigheden helemaal afhankelijk was van Gods goedertierenheid en zijn waarheid, waarvan immers in de boekrol geschreven stond dat die hem zouden bewaren. Want rampen omgeven mij; u ziet trouwens, letterlijk staat daar het woord 'kwaad'. Dit is meervoud, dus eigenlijk: kwade dingen. Kwade dingen, in welk opzicht dan ook; dat wat mensen hem aandeden, maar ook de pijn, de fysieke pijn, de geestelijke pijn, et cetera. Dat omgeeft hem zonder getal. En nu vinden we het meest merkwaardige woord, als u het mij vraagt. Iets waar je eigenlijk ook over struikelt in deze psalm, wat hier vervolgens staat en wat ik hier onderstreep.

Het Dragen van Onze Ongerechtigheden ↑ hoofdstukken

"Mijn ongerechtigheden hebben mij achterhaald." Hoe kan dat nou? Vooral als je de psalm in zijn totaliteit leest. We hebben het zojuist gezien: dat hij zegt dat er in een boekrol over hem geschreven is en dat Gods Torah, Gods weg, in zijn binnenste is. Hoezo dan: "mijn ongerechtigheden hebben mij achterhaald"? Hoe is dat mogelijk?

Toch is het niet zo moeilijk wanneer we er andere passages bij betrekken. Ik geef twee voorbeelden, maar ik zou ze aanzienlijk kunnen uitbreiden. Neem Jesaja 53; als er één hoofdstuk is dat spreekt over het lijden dat over de Christus zou komen, dan is het dat wel. Wat lezen we daar? Er staat dat de HERE, Yahweh, ons aller ongerechtigheid op hem heeft doen neerkomen. Dat gaat specifiek over Israël. Zij stapelden ongerechtigheid op ongerechtigheid, en hij droeg het. Hij verdroeg het en hij werd er zelfs mee geïdentificeerd. Zo kwamen hun ongerechtigheden op hem; het werden zijn ongerechtigheden. Hij droeg ze.

Dat verklaart waarom hij zegt: "mijn ongerechtigheden". Hoezo? Gods wet was toch in zijn binnenste? Hij was toch het offerlam dat gaaf en volmaakt geschikt was om het offer te brengen? Jazeker. Maar hij droeg al die ongerechtigheden als waren het de zijne. Ik zal u nog een voorbeeld geven uit 2 Korinthe 5. Hem die geen zonde gekend heeft – dat gave, onberispelijke Lam – heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt. Hij werd daar aan het hout genageld als een zondaar. Hij werd daar met recht geïdentificeerd en vereenzelvigd met de zonde, met de ongerechtigheden van het volk, van de natie, kortom van de wereld. Dit alles gebeurde opdat wij zouden worden: gerechtigheid Gods in hem.

Dat verklaart dus die woorden in Psalm 40: "Ik kan ze niet overzien, ze zijn talrijker dan de haren van mijn hoofd en mijn hart is in mij ontzonken." Al deze verzen in het laatste gedeelte van de psalm laten zo duidelijk zien hoezeer zijn hart daardoor geraakt is. En dan vers 14: "Het behaage U, HERE, mij te redden; HERE, haast U mij ter hulpe." Nu zou je de vraag kunnen stellen: is hij verhoord? Nou, op dat moment niet.

Trouwens, ik heb nu een passage in gedachten in de Hebreeënbrief waar je ook leest dat hij heeft... Oh, nu ben ik mijn Bijbeltje vergeten. Heeft er iemand even een Bijbel voor mij? Mag ik die misschien even lenen, dan kan ik het voorlezen. Dankjewel. Het is Hebreeën 5, want het is goed om dat nog even te lezen. Zo, daar staan veel aantekeningen in. In Hebreeën 5 vers 7 lees je dit.

Luid Geroep, Tranen en Verhoring uit de Dood ↑ hoofdstukken

In de dagen dat Hij op aarde was, heeft Hij met luid geroep en onder tranen gebeden en smeekbeden geofferd aan Hem die Hem uit de dood kon verlossen. En dan staat erbij: Hij is uit die angst verhoord. Kijk, aan de ene kant kun je zeggen dat Hij die drinkbeker heeft gedronken, jazeker, maar de dood is toch aan Hem voorbijgegaan. Hij is verhoord om Zijn gebeden; drie dagen later werd Hij uit de kuil getrokken – om met de woorden van deze psalm te spreken. Dus als hier staat: "Het behage U, HERE, mij te redden; HERE, haast U mij ter hulpe", dan werd dat op die dag, op die 14e Nisan dat Hij geslacht werd, nog niet vervuld, maar drie dagen later wel.

"Laten tezamen beschaamd en schaamrood worden." Dat is mooi. Ik zal u er nog een aantal keren op wijzen, maar iedere keer als er in deze persoon gesproken wordt in de zogeheten aanvoegende wijze – "laten zij beschaamd worden" – dan staat dat er eigenlijk gewoon als een aankondiging. Het is profetisch: zij zúllen beschaamd worden, ze zúllen schaamrood worden. Wie Mij het leven zoeken te benemen; terugdeinzen en te schande worden wie Mijn onheil begeren. Laten verstommen van schaamte wie over Mij roepen: "Ha, ha!"

Nou, het is net alsof je de woorden leest die ook op Golgotha werden uitgesproken. Lees het maar na in de evangeliën, hoe zij hebben gespot en Hem hebben uitgelachen. "Als Hij werkelijk de Zoon van God is, laat Hij dan zichzelf redden!" Laat hen verstommen van schaamte. Ook hier weer: zij zullen ontzet zijn van schaamte, zij die over Mij roepen: "Ha, ha!" Dat geldt trouwens in feite voor de hele wereld. Men zal beschaamd worden voor wat ze Hem hebben aangedaan, en voor het feit dat het allemaal voor henzelf, voor deze hele wereld was.

"Laten in U jubelen en zich verheugen allen die U zoeken." Ze zúllen jubelen en zich verheugen. Het is niet zomaar een wens, dit is een aankondiging: ze zullen jubelen en zich verheugen, allen die U zoeken. "Laten wie Uw heil liefhebben..." Ook hier weer: wie Uw heil liefhebben, zullen bestendig, voortdurend zeggen: "De HERE is groot!"

Ik heb hier in de Hebreeuwse tekst iets geel gearceerd. Waarom? Omdat hier het woordje Yeshua staat. Dat is het woord "heil" hier; dat is precies het woord waar ook de naam Yeshua, Jezus, van afgeleid is. Zodat zelfs de naam van Jezus hier in deze psalm verborgen is. "Al ben ik ellendig en arm" – of zoals er letterlijk staat: al ben ik vernederd en behoeftig – "de HERE gedenkt mij. Gij zijt mijn hulp en mijn bevrijder, o mijn God, vertoef niet." Dit zijn allemaal woorden van de lijdende, vernederde en behoeftige Messias die dit uitschreeuwt naar God en alles gedragen heeft.

De psalm eindigt met: "Voor de koorleider". Dat is bij een andere gelegenheid wel eens uitgelegd, maar als er staat "Voor de koorleider", dan blijkt dat vaak niet te slaan op de voorgaande psalm. In uw Bijbeltje staat dit misschien bij psalm 41, maar dit blijkt eigenlijk bij de 40ste psalm te horen. Het maakt voor het verhaal in feite geen verschil. Waarom niet? Ook de voorgaande psalm was namelijk voor de koorleider, zodat waar het staat uiteindelijk nogal secundair is. Maar goed, voor de goede orde is het toch gezegd: deze psalm is gewijd aan, of geschreven voor de koorleider. In de Statenvertaling staat "de opperzangmeester". Ik weet wel over wie het gaat, hoor! Dat wordt niet alleen in Psalm 22 beantwoord, maar ik zal u vertellen: ook in Psalm 40. We zullen dat zien.

Opgestaan uit de Kuil en Voeten op de Rots Gesteld ↑ hoofdstukken

We gaan weer een stap verder, want we komen nu bij het derde deel van deze studie. Dit gaat over de eerste elf verzen van de psalm, waarin de Messias God dankt voor het feit dat Hij gehoord is en dat God Zijn smeekbeden heeft verhoord. Ik heb hier heel bewust het symbool van dat geopende graf gegeven. Hier gaat het namelijk over alles wat er gebeurd is op grond van en sinds Zijn opwekking uit de doden. Terwijl het laatste deel van de psalm vooral gaat over Zijn lijden, de doornenkroon en de paal waar Hij aan gespijkerd is – kortom, over al Zijn lijden en hoe Hij tot God geroepen heeft – lezen we hier in het begin van de psalm hoe God Hem verhoort. Ik moet er zelf ook nog een beetje aan wennen om deze volgorde aan te houden, maar ik heb dat hiervoor al verantwoord: het is weliswaar een psalm van David, maar het is ook een psalm van en over de echte Zoon van David. Trouwens, David betekent 'geliefd', dus het gaat hier over de Geliefde.

In vers 2 lezen we: "Vurig verwachtte ik de HERE; toen neigde Hij Zich tot mij en hoorde mijn hulpgeroep." Hij is verhoord om Zijn geroep uit Zijn ellende. "Hij trok mij op uit de kuil van het verderf," staat er in de psalm, of zoals er letterlijk staat: Hij bracht me omhoog uit een put van tumult, van rumoer. Zo wordt het woord meestal vertaald. Er zijn nog wel wat andere psalmen die daarover spreken. We hebben ook die liedjes over: 'toen ik in de put zat, trok Hij mij eruit'. Daar is Jozef ooit mee begonnen, maar er zijn velen die dat uit ervaring na kunnen zeggen: ik zat in de put. Nou, treur niet al te veel of al te lang als je in de put zit, want er is Er één die bij machte is jou daaruit te trekken. En dan moet je meestal niet bij een mens zijn. Nee, Hij trekt je uit de put. Hoe doet Hij dat dan? Door Zijn Woord.

Hij bracht me omhoog. Je kunt dit natuurlijk overdrachtelijk opvatten en die woorden op jezelf toepassen – daar heb ik geen enkel bezwaar tegen – maar dit is een messiaanse psalm. Dit gaat over die ene Man van wie in de boekrol geschreven staat. Dat kun je niet missen. Hij is met recht uit de kuil, uit het graf omhoog gebracht; God deed Hem opstaan. Er zijn in dit vers verschillende van die parallelle zinnen: Hij trok me uit de kuil van het verderf, uit het slijk van de modderpoel, en Hij stelde mijn voeten op een rots. Er zijn dus verschillende beelden. Aan de ene kant is er dat beeld van in een put zitten of in een modderpoel waarin je wegzinkt, maar Hij trok Hem daaruit. En wat deed Hij? In plaats van op modder, waar je doorheen zakt, stelde Hij mijn voeten op een rots. Dat is prachtig, vooral als je in gedachten houdt dat deze psalm over de Messias gaat. Er staat letterlijk: Hij deed mijn voeten opstaan op een rots. Dat is het: Hij doet opstaan.

Daartegenover staat natuurlijk die modderpoel waarin je wegzakt. Feitelijk is dat de positie van de mens als sterveling: je zakt gewoon weg in de modder. En hoe was het ook alweer? Je kunt jezelf niet aan je eigen haren uit de modderpoel omhoog trekken, toch? Dat is een mooi verhaal, maar het lukt niet; daar heb je een Ander voor nodig die met een hoofdletter geschreven wordt en die wél bij machte is dat te doen. Welnu, de Messias dankt Zijn God: U hebt mij doen opstaan, U hebt me uit de put getrokken, uit de kuil, uit het dodenrijk. Dat is feitelijk de gedachte, want zodra je onder de oppervlakte van de aarde bent, ben je in Bijbelse zin in het dodenrijk, onder de aarde. Maar Hij deed Zijn voeten opstaan. Opstaan! Wat dacht je daarvan? Dat spreekt van opstanding. En dat op een rots. Terwijl de mens als sterveling in de modderpoel wegzakt, doet God iets anders: Hij stelt de voeten op een rots waar je op kunt staan. Dat is wat een rots is. Ik bedoel dat dubbelzinnig in alle opzichten: Hij kan je daar doen opstaan, en aan de andere kant is dat ook precies wat solide is, wat blijvend is. Alles in deze wereld vergaat en verzinkt, dat is nu eenmaal zo. Maar wat is het geweldig dat we een God kennen die op een rots stelt, die leven geeft dat onvergankelijk is. Iets waar je van op aan kunt, dat blijvend is, waar je echt op kunt staan. Een prachtig beeld.

"Mijn schreden maakte Hij vast," staat er vervolgens bij. Soms is de weergave wat oud-Nederlands of wat vrij, maar er staat eigenlijk: Hij bevestigde, Hij 'establishte' mijn voortgang. Dat wordt dan vertaald met 'schreden', maar het gaat om progressie, om voortgaan. Je moet het maar eens een keertje nakijken in de concordantie waar dit woord gebruikt wordt. Ik vind dat prachtig, vooral als we erbij blijven dat het hier gaat over de Man van wie in de boekrol geschreven staat. De Messias dus; heel de Schrift spreekt van Hem. Wat doet God met Hem nadat Hij is verhoord uit Zijn hulpgeroep? Dan zet Hij Zijn voeten op de rots, Hij doet Hem opstaan, maar vervolgens bevestigt Hij ook Zijn voortgang. Dat wil zeggen: Hij gaat verder. Hij gaat voor en dat doet Hij succesvol. Hij is die gelukkige Man die in alles wat Hij onderneemt, slaagt. Dat is de Messias die we kennen. Hij bevestigt mijn voortgang.

"Hij gaf mij een nieuw lied in de mond." Haha, daar hadden we het toch over? Deze psalm is gewijd en bedoeld voor de koorleider. Ook dat is een profetische gedachte: het gaat over Hém die de lofzang aanheft, die een nieuw lied zal inwijden. Hij gaf mij een nieuw lied. Ja, het is ook een hele nieuwe situatie: nieuw leven, opstanding, op de rots, uit de modderpoel, verhoord zijn. Nu is er nieuw leven, en bij dat nieuwe leven hoort een nieuw lied. Hij geeft dat nieuwe lied in de mond, een lofzang aan onze God, de levende God die ook levend maakt. Daar gaat het over. "Mogen velen het zien en vrezen." Nou, dat 'mogen' is geen wens, maar een aankondiging. Velen súllen dat zien. In de concordante versie, de meest letterlijke weergave, zie je dat het iedere keer een aankondiging is: velen zullen dat zien, velen zullen vrezen – dat wil zeggen: ontzag hebben – en ze zullen op de HERE vertrouwen. Dit alles op basis van dat ene wat er gebeurd is: God heeft Zijn hulpgeroep gehoord, Hij heeft Hem uit de put getrokken en Zijn voeten op de rots gezet. Velen zullen het zien en vrezen en op de HERE vertrouwen. Dat is een geweldige prognose.

Gelukkig de Sterke Die op de Heere Vertrouwt ↑ hoofdstukken

Welzalig de man – ik had het net over Psalm 1 trouwens – gelukkig, die gelukkige man. Al wat hij onderneemt gelukt hem, daarom is hij ook gelukkig. Maar welzalig de man... ja, het is inderdaad welzalig. Hier staat een gewoon woord; er is een woord voor gelukkig. Maar eigenlijk staat hier niet 'de man', maar er staat hier 'de sterke' of 'de meester'. En dan zie je dat het gewoon een woord wordt voor 'man'. Ik heb er geen moeite mee dat het er zo staat, want hij is inderdaad die Sterke. De sterke Held. El Gibbor lees je elders in de profetieën over de sterke God en over hem die sterk gemaakt is. Gelukkig die sterke die de HEERE tot zijn vertrouwen heeft gesteld en die zich niet wendt tot de hovaardigen, noch tot hen die naar de leugen afdwalen.

Houd het even in gedachten: de Messias, die zich helemaal heeft gefocust op wat er in de boekrol stond en zich niet heeft afgewend. Zijn oren waren geopend. Waarvoor? Voor de boekrol, voor de stem van God. Hij heeft zijn oor niet geleend aan alles wat er om hem heen gezegd werd, want Hij is in eenzaamheid die weg gegaan. Hij heeft niet geluisterd naar de orthodoxie, de geestelijke leiding, de Farizeeën, die weliswaar de reputatie hadden bezig te zijn met de Schrift, maar ze waren ziende blind en horende doof. In wezen waren ze hoogmoedig; door hun tradities hebben zij Hem niet herkend. Ze hebben zich gesteld boven de Schrift en ter wille van hun overleveringen het Woord Gods ontkracht. Dat is nu hovaardig. Het betekent gewoon hoogmoedig. Niet naar de leugen afdwalen.

Maar het is uniek hoor, als je die weg gaat. Denk maar niet dat als je die weg gaat van 'er staat geschreven', dat je daarmee scoort of dat je het in de wereld maakt of dat je er stemmen mee kunt winnen – om even in verkiezingstermen te spreken. Nee. Als er één voorbeeld is waaruit blijkt dat stemmen en meerderheden – dat wat in een democratie uiteindelijk doorslaggevend is – totaal niets zeggen en totaal niets te maken hebben met de waarheid, dan is het wel de weg die de Heer Zelf ging. Hij ging de weg van de Schrift, de boekrol, ondanks alles.

Ja, nou goed, dat kan betekenen dat men soms roept: "Hosanna!". Maar het was maar zeer kort daarna dat diezelfde menigte riep: "Kruisig Hem!". Kijk, dat is die waan, maar de Heer wist het. Hij wist het. Op een gegeven moment lees je dat Hij inderdaad populair was, maar toen hield Hij een rede. En dan zegt men: "Deze rede is hard." Iedereen keerde zich van Hem af. De Heer zegt dan zelfs tegen Zijn intimi: "Willen jullie ook niet weggaan?" En inderdaad, toen het er echt op aankwam, kon Hij ook op hen niet aan. Zelfs niet op Zijn eigen vrienden, Zijn meest intieme vrienden. Allen vluchtten ze.

Maar Hij had Zijn vertrouwen niet gevestigd op wat mensen zeiden. Hij keerde Zich tot de Schrift, het Woord van God dat spreekt. Hij wist wat Hem te doen stond en Hij is die weg gegaan. Dat is de wil van God; daar kom je nooit bedrogen mee uit. En nogmaals, dat heeft dus niets te maken met wat men tegenwoordig onder 'gelukkig zijn' verstaat. "Welzalig de man die de HEERE tot zijn vertrouwen heeft gesteld." De HEERE – zo moet ik het accent leggen. Ja, die de HEERE tot zijn vertrouwen heeft gesteld en zich niet wendt tot de hovaardigen, ook al heeft het een godsdienstig jasje, noch tot hen die naar de leugen afdwalen.

"Talrijk hebt Gij gemaakt, o HEERE, mijn God, Uw wonderen en Uw gedachten jegens ons. Niets is bij U te vergelijken. Wilde ik ze vermelden en uitspreken, te talrijk zijn zij om te noemen." Nogmaals, dit staat allemaal in de context van het antwoord dat Hij gekregen heeft van de HEERE op Zijn hulpgeroep. Hij heeft Hem gehoord, Hij heeft Hem een nieuw lied gegeven, Hij is op de rots gesteld, Hij is opgewekt uit de doden. Uw wonderen en Uw gedachten, die zijn onuitsprekelijk, de top! Het gaat hier over de wonderen van dat nieuwe leven en alles wat daarmee verband houdt. Nou ja, dan sla ik even een paar verzen over omdat we die al besproken hebben bij de aanvang – dat citaat dat aangehaald wordt in Hebreeën 10.

De Blijde Mare van Gods Gerechtigheid ↑ hoofdstukken

En dan komen we in vers 10 van Psalm 40: "Ik verkondig de blijde mare, de blijde boodschap, het goede bericht van Uw gerechtigheid."

Ik weet het, vaak denkt men bij Gods gerechtigheid aan het feit dat de mens daar niet aan kan beantwoorden. Men denkt dan altijd aan 'doen'. Maar in de Bijbel – lees het maar eens na in de Psalmen – is dat juist al een bron van vreugde. Ik verkondig de blijde tijding van Uw gerechtigheid.

Gerechtigheid is niet dat... Dat is wat – ik meen dat de Lutherse vertaling dat ook in Romeinen 1 zegt, of in de kanttekeningen: "Gods gerechtigheid is dat wat God eist." Dacht u dat? Nee, Gods gerechtigheid is dat God recht doet. Niet wat God vraagt, maar wat God geeft. Of laat ik het anders zeggen: dat God recht doet aan wat? Want ja, als je denkt in de termen van dat wat Hij aan ons eist, dan is het vervolgens: de mens voldoet er niet aan, en dus is een bliksem, een donder, een hel, een doemenis wat erop volgt.

Maar Gods recht, Gods gerechtigheid, is een blijde mare. Waarom? Omdat God recht doet aan wat Hij gesproken en beloofd heeft. Hij vervult wat Hij aangekondigd heeft. Daarom is het Nieuwe Testament de vergrote verkondiging van Gods gerechtigheid. Hij beloofde, en nu heeft Hij het vervuld. God zij geprezen, Hij vervult! En het geweldige van Gods gerechtigheid is: het is niet wat Hij eist, Hij geeft het. Hij doet het zelf. "Ik neem het allemaal voor Mijn eigen rekening."

En Hij passeert daarbij alle wetten. "Thans," zegt Paulus in Romeinen 3, "thans is buiten de wet om Gods gerechtigheid geopenbaard." Dat is een blijde tijding. Want er wordt niets meer van de mens verwacht. Er wordt niets van jou of van mij verwacht. Er wordt gezegd: Hij doet het. Kijk naar Hem!

En moet je eens kijken wat een wonderen er dan gebeuren. Ik weet wel, dat is niet echt des mensen. Want wij willen toch altijd alles zelf in handen houden. Want ja, dan heb je ook nog een eigen eer, nietwaar? Als er van mij iets gevraagd wordt, kan ik het misschien ook vervullen. Dan kan ik me daarop beroemen dat ik het gedaan heb. Maar alle roem is uitgesloten. Hij doet het. Als Hij het doet, en als Hij alleen het doet, krijgt Hij alle eer. Maar daar was het juist om begonnen: aan Hem zij de gehoorzaamheid.

Goed, ik verkondig de blijde mare van Uw gerechtigheid in een grote gemeente. Ik zal u nog eens even wat vertellen.

De Lofzang in de Grote Gemeente ↑ hoofdstukken

We gaan even naar Psalm 22. Psalm 22 is ook weer zo’n prachtige profetische psalm. Er is alle reden om aan te nemen dat deze tweeëntwintigste psalm door Jezus gereciteerd of aangehaald is toen Hij aan het hout ging. In ieder geval weten we dat Hij aan het einde van de uren van duisternis die woorden uitroept: "Mijn God, mijn God, waartoe hebt Gij Mij verlaten?" Dat zijn woorden uit Psalm 22. Die psalm gaat ook over "zij die Mijn handen en voeten doorboren", over "honden omringen Mij" en "ze verdelen Mijn klederen onder elkaar". Psalm 22 is een psalm van David, maar ook zo’n Messiaanse psalm die uiteenvalt in twee delen: het lijden en de heerlijkheid.

In de tweeëntwintigste psalm gaan de eerste eenentwintig verzen helemaal over dat hulpgeroep, over dat "Mijn God, mijn God, waartoe Gij Mij verlaten hebt" en al dat lijden. Maar het eenentwintigste vers is de omkering in deze psalm. Daar leest u: "Gij hebt Mij geantwoord!" En dan verandert alles in die psalm. Alles. Het is precies dezelfde omkering als u ook leest in Psalm 40: "Gij hebt Mij geantwoord." En als Hij geantwoord is — dat wil zeggen: Hij is uit de doden opgestaan, want het begint bij de weggewendelde steen bij het graf van Arimathea — dan staat er vervolgens: "Ik zal Uw naam aan Mijn broeders verkondigen, in het midden van de gemeente zal Ik U lofzingen." Dat wordt trouwens ook in de Hebreeënbrief aangehaald. Het gaat over de tegenwoordige tijd: Hij heeft Zijn naam aan Zijn broeders verkondigd en in het midden van de gemeente zal Hij lofzingen. Op een verborgen wijze spreekt dat inderdaad over de tegenwoordige tijd.

Maar het is nog niet de 'grote gemeente'. Kijk maar even na, want dan komen we in vers 23 en daar staat: "Verheerlijkt Hem, gij ganse nageslacht van Jakob, en hebt ontzag voor Hem, gij ganse nageslacht van Israël." Het is alsof er een steen in de vijver geworpen wordt. Eerst die eenzame ziel die sterft in lijden en in grote nood en ellende. Dan wordt Hij opgewekt en krijgt u steeds, zoals bij een steen die in het water wordt gegooid, wijdere kringen eromheen. Eerst wordt die naam verkondigd aan een gemeente, een ekklesia. En dan vervolgens komt daar het hele huis van Israël in beeld: "Gij ganse nageslacht van Jakob, hebt ontzag voor Hem." Dat zal gebeuren; zij zullen zich rond de Messias voegen en Hem herkennen.

En daarom haal ik het aan. In vers 24 en 25 staat: "Want Hij heeft niet veracht noch versmaad de ellende van de ellendige." En er staat direct achter: "Van U komt Mijn lof in een grote gemeente." Inmiddels is daar dat ganse huis van Israël, het hele nageslacht van Jakob, bij betrokken. Dan is de gemeente 'groot' geworden. Dat is nu nog niet zo. Ik tip het in Psalm 22 alleen maar even aan om u daarin een hint te geven, maar hier vindt u dus exact dezelfde uitdrukking als in Psalm 40: "Ik verkondig de blijde mare van Uw gerechtigheid in een grote gemeente; zie, mijn lippen weerhoud ik niet, HERE, Gij weet het."

Dat moet je ook nooit doen. Waarom zou je je lippen weerhouden? Waarom zou je niet spreken over datgene wat er werkelijk toe doet? Ik weet wel, het wordt vaak zo uitgelegd dat je een ander moet bekeren. Nou, begin daar alsjeblieft niet aan. Maar aan de andere kant: weerhoud je lippen niet. Niet om een ander te bekeren, want dat is niet ons werk, maar spreek de waarheid. Laat je niet weerhouden door wat men zegt. De psalm zegt: "Zie, mijn lippen weerhoud ik niet, HERE, Gij weet het. Uw gerechtigheid verberg ik niet in mijn hart, van Uw trouw en Uw heil spreek ik. Uw goedertierenheid en Uw waarheid verheel ik niet voor een grote gemeente." Het is weer diezelfde gedachte als in Psalm 22.

Dit is trouwens het einde van die geweldige lofzang van de Messias die Zich herkend heeft in de boekrol. Hij heeft Zich gesteld tot een offerande, Hij is geslacht, Hij heeft geroepen tot Zijn God en Hij is vervolgens geantwoord en uit de kuil getrokken. Hij is op de rots gesteld. Vervolgens verkondigt Hij Gods naam en zingt Hij een nieuw lied; Hij heft het aan als een koorleider te midden van de gemeente, maar vervolgens ook in een grote gemeente wanneer heel het huis van Israël eromheen komt te staan. Het is één en al vreugde wat dan klinkt over Gods gerechtigheid. Het is een blijde mare: God heeft recht gedaan aan Zijn woord. Heel de Schrift spreekt van deze dingen. Hij maakt alle dingen wel. Daarom is er reden voor vreugde en hoop, en dat is precies wat een mens uit de put trekt. Dit uur heb ik gesproken over hoe deze psalm spreekt over de Messias, over Hem van wie de boekrol spreekt. Dat is waar het over gaat.

Afsluiting: Omhoog Kijken Vanuit de Put ↑ hoofdstukken

Ik kan het niet nalaten om toch ook te eindigen met de gedachte dat de waarheid hier op zichzelf zo universeel is in een ander opzicht. Namelijk dat het inderdaad om één ding gaat: om de waarheid van de Schriften, om Zijn lof. Dat moet gehoord worden; dat is het enige wat werkelijk soelaas biedt.

Er zijn zoveel mensen in de wereld — ik zei het zojuist in mijn gebed nog. De laatste week word je er heel erg mee geconfronteerd dat er mensen zijn die zo'n grote nood hebben. Wat is er dan werkelijk voor hen die echt in de put zitten? Misschien zegt u: "Ja, dat zijn de ongelovigen." Maar mij is gebleken dat er ook dikwijls gelovigen zijn die diep in de put zitten. Het is zo wonderlijk.

En wat doe je nou in de put? Volgens mij kun je maar één ding doen: als je wat wilt zien, dan moet je omhoog kijken. In de put is het immers erg donker om je heen, dus je moet niet om je heen kijken. Je moet ook geen spiegel pakken, want dan zie je trouwens ook niets. Nee, kijk omhoog. Dan kijk je in ieder geval in de goede richting. Daar is de mens voor gemaakt: om omhoog te kijken. Niet om naar beneden te staren, maar om omhoog te kijken.

De psalmist zegt dat ook. Hoe staat het in Psalm 121? Het staat in de NBG-vertaling — het is misschien wel aardig om daar dan mee af te sluiten. In de NBG-vertaling staat in Psalm 121: "Ik hef mijn ogen op naar de bergen; vanwaar zal mijn hulp komen?" Met een vraagteken. Maar de Statenvertaling vind ik op dat punt zoveel beter en mooier: "Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal." Het is geen vraagteken; daar hoort een vet uitroepteken! Dáár komt mijn hulp vandaan. Waar anders vandaan? Van mensen? Nee, natuurlijk niet.

Het is prachtig hoor als je mensen om je heen hebt die een helpende hand bieden, maar uiteindelijk moet je het daar echt niet van hebben. Daar zak je doorheen — over modder gesproken. Daar zak je echt doorheen. Waar je het van moet hebben, is van Hem die werkelijk de levende God is en die jouw ogen kan openen, die je oren kan openen, die je werkelijk kan geven wat je nodig hebt. Kijk, dan heb je weer een leven. Dan kijk je omhoog, dan heb je een blijde mare en dan word je licht in een donkere wereld. Ik zit nu ineens om mij heen te kijken en kijk misschien de verkeerde kant op, maar u begrijpt wat ik bedoel.

Zoveel mensen die in nood zijn, wijzen daarop: verberg het niet, sluit je lippen niet. Want hoe zou men kunnen geloven, hoe zouden ze omhoog kunnen kijken als ze niet te horen krijgen dat het daar inderdaad te vinden is? "Uw goedertierenheid en Uw waarheid verheel ik niet voor een grote gemeente." En daarmee zijn we aan het einde gekomen van deze psalm. We hebben toch alle achttien verzen van deze psalm kunnen bespreken. Zullen we het daarbij laten?

🎧 Zie, Hier Ben Ik
Delen: