de onthulling van de zonen Gods
07-10-2018 - Geplaatst door Andre Piettoespraak gehouden op zondag 7 oktober in Den Haag
God verzamelt zich vandaag een gezelschap rondom zijn Zoon – zonen Gods en ‘mede-erfgenamen’ van hem. Zijn zijn eerstelingen, voorbestemd tot de hoogste positie om in de komende aeonen heel de schepping te doen delen in de heerlijkheid van God.
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie: de Onthulling van de Zonen Gods
- De Geest van Zoonschap: Woord en Geest Getuigen
- Lotbezitters en Mede-erfgenamen van Christus
- Samen Lijden en de Onvergelijkbare Heerlijkheid
- Het Voorgevoel en Reikhalzend Verlangen van de Schepping
- Aan de Ijdelheid Onderworpen met een Doel
- Barensnood en de Verlossing van Ons Lichaam
Introductie: de Onthulling van de Zonen Gods ↑ hoofdstukken
Een heel goede morgen, vrienden. Het is heel goed om elkaar hier weer te mogen treffen. Ik ga even de klok instellen, want ik moet de tijd natuurlijk toch wel een beetje in de gaten houden. Het is heel goed om elkaar hier inderdaad weer te zien en te treffen, en ik ben blij dat ik ook weer het voorrecht geniet om met u het Woord van onze God te openen.
In dit geval gaan wij deze morgen naar een brief die Paulus schreef aan de ecclesia, de gemeente in Rome. Daar vinden we ook de uitdrukking die u hier op het scherm geprojecteerd ziet: de onthulling van de zonen van God.
De aanleiding is deze: ik heb afgelopen week — gisteren om precies te zijn — een Bijbelconferentie meegemaakt. Een 'Goed Bericht'-conferentie die ik zelf mocht organiseren; in Garderen hadden we deze dag. In mijn referaat heb ik ook gesproken over dit Bijbelgedeelte. Dat ging eigenlijk over het feit dat er Eén is aan wie God alles heeft overgegeven: Zijn koningschap. Hij is de grote Erfgenaam. Hij heeft het al, maar straks zal Hij het ook daadwerkelijk in bezit gaan nemen en het daadwerkelijk gaan claimen.
Dat lot wat Hem is beschoren, wat Hem is gegeven, deelt Hij met een aantal schepselen die Hij daarvoor heeft uitgekozen. En dat zijn de zonen van God. In Romeinen 8 wordt dat op een prachtige wijze beschreven, om niet te zeggen bezongen. Want als je het slot leest — waar we overigens vanmorgen niet verder over na zullen denken — dan zie je dat dit eigenlijk bekendstaat als een soort lofzang op wat God Zich heeft voorgenomen en wat Hij allemaal gaat doen. Alle eer is ook daadwerkelijk aan Hem; niet alleen als abstractie of als een holle frase, maar werkelijk. Dat wil zeggen: Hij bedenkt alles, Hij realiseert het en Hij brengt het allemaal tot het goede einde dat Hij Zich heeft voorgenomen.
Daar kan dus niets in misgaan. Waarom? Omdat Hij de totale regie over alles heeft. Dat maakt natuurlijk ook de hele boodschap krachtig die Paulus in deze brief zo geweldig fundeert. Er is immers geen brief waarin hij dat zo grondig en fundamenteel uiteenzet, bewijst en aantoont als juist in deze brief, de eerste Paulinische brief in ons Nieuwe Testament.
Zoals ik al zei, gaan we naar Romeinen 8 en laten we aanhaken bij vers 16. Eerst was daar nog gezegd — en nu lees ik even uit de NBG-vertaling — dat wij niet hebben ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen. Dat doelt eigenlijk ook op de positie van Israël onder de wet, want dat was een positie van slavernij. Maar wij hebben ontvangen een geest van zoonstelling, staat er dan, door welke wij roepen: "Abba, Vader!" We hebben dat zojuist trouwens ook gezongen. Dat is de intimiteit waarmee wij met God in aanraking zijn gekomen. Hij is niet alleen onze God, maar Hij is ook onze Vader. Hij zorgt voor ons en wij kunnen bij Hem aankloppen zoals een kind dat bij vader doet. Daarom roepen wij ook in vrijmoedigheid — Peter zei het zojuist nog in zijn gebed — in vrijmoedigheid: "Abba, Vader!" Maar er zit meer aan vast, want het is niet alleen een kwestie dat wij kinderen zijn, maar ook dat we zonen zijn. Laten we daar nog eens op inzoomen.
De Geest van Zoonschap: Woord en Geest Getuigen ↑ hoofdstukken
Eerst dit: vers 16. Daar staat: "De geest zelf getuigt samen met onze geest dat wij kinderen van God zijn." Wat die geest betreft, dan moet je even terugbladeren. In hetzelfde hoofdstuk, een paar verzen eerder in Romeinen 8 vers 9, spreekt Paulus over Gods geest: "Aangezien Gods geest in jullie woont; indien echter iemand Christus' geest niet heeft, deze is niet van Hem." Het valt op dat er afwisselend gesproken wordt over Gods geest en Christus' geest. Dat blijkt ook later – wellicht dat we daar straks nog even op komen – dat Paulus dat voor het gemak gelijkstelt.
Het is niet zo dat er verschillende geesten in ons wonen, maar het wordt aangeduid als een geest die van God afkomstig is, gekenmerkt door wat God wil, maar het is de geest van Christus. Dat is specifieker nog: het is een geest van Gods wege, jawel, maar wiens geest is het dan? Wel, dat is de geest van Christus die in ons woont. En hoe zou die geest van Christus anders tot ons komen dan door dat wat Hij gesproken heeft?
Christus heeft gesproken; je moet dat heel letterlijk nemen en je heel concreet voorstellen. Dat wil zeggen dat Christus zich letterlijk vanuit de hemel aan Paulus geopenbaard heeft. Hij heeft hem niet alleen geroepen, maar later ook geïnstrueerd. Paulus is naar Arabië gegaan en heeft daar geruime tijd doorgebracht. Heeft de Heer hem daar onderwezen? Dat schrijft Paulus ook in de Galatenbrief. Het evangelie dat hij brengt, heeft hij niet van Petrus of Johannes of een mens vernomen. Nee, van Christus Zelf. Die heeft hem dat gegeven, maar sterker nog: hem geleerd, onderwezen en onderricht.
Dat woord van Christus is dus tot Paulus gekomen om vervolgens door hem onder de natiën bekendgemaakt te worden. Wel, dat woord is ook in Rome terechtgekomen. Dat woord dat Paulus rechtstreeks via Christus heeft gesproken, is daar in Rome ook terechtgekomen. Dat woord, en daarmee de geest. Woord en geest... dat is natuurlijk een theologische kwestie, want dat wordt heel dikwijls uit elkaar getrokken. Je hebt het woord en je hebt de geest. Sommige mensen zeggen dan: "Ja, jij hebt het altijd maar over dat woord, maar de letter zegt..." Dat is een bekende tegenwerping, die trouwens van weinig kunde getuigt, maar men zegt dan: "De letter doodt, de geest maakt levend."
Het gaat dan allemaal om 'geest', en dat is tamelijk wazig als je daarover doorvraagt. Want waar hebben we het dan over? In de praktijk komt het toch vaak neer op een gevoel. Maar dat is volkomen ten onrechte. Woord in de Bijbel is geest. De Heere Jezus zegt bijvoorbeeld ook in Johannes 6: "Mijn woorden zijn geest en leven." Dat zijn er dus geen twee; in dat woord komen geest en daarmee ook leven en kracht mee. Dat is wat uit Zijn mond voortkomt: adem, geest, lucht, ruach, pneuma – hoe het ook heten mag.
Het is die geest, namelijk Zijn woord, dat tot ons komt en dat getuigt dat wij kinderen van God zijn. En omdat het ook onze geest bereikt heeft en instemming gekregen heeft, getuigt Zijn geest, die via Zijn woord tot ons komt, met onze geest. Omdat we het mogen aannemen, getuigen ze samen dat wij nu kinderen van God zijn en dat we dus God als Vader aanroepen. Ja, dat is die interactie.
Lotbezitters en Mede-erfgenamen van Christus ↑ hoofdstukken
Nou zegt Paulus dan: indien nu kinderen... als we dan kinderen zijn. Overigens, als u meeleest in de NBG-vertaling of de Statenvertaling, zult u soms misschien iets anders lezen, een andere woordvolgorde. Deze vertaling die u hier ziet, is gebaseerd op een interlineair; het is dus een nogal letterlijke woord-voor-woordweergave. Vandaar dus soms het verschil.
Welnu, Paulus zegt: indien nu kinderen, dan ook lotbezitters. Kijk, dat is nou zo’n woord dat je niet zal tegenkomen in de NBG-vertaling of in de Statenvertaling, want die geven dit woord steevast weer met ‘erfgenamen’. Nu wil ik niet de indruk wekken dat dat er helemaal naast zit of dat ik dat bestrijd. Zo bedoel ik het helemaal niet, maar het idee is net even anders. Dit woord ‘lotbezitters’ klinkt, ik geef het direct toe, wat onwennig voor ons. Want dat is nou niet bepaald een term die we dagelijks in de mond nemen: "Ik ben een lotbezitter." Nee, en toch hecht ik eraan om het te gebruiken. Of u mag ook ‘erfgenaam’ gebruiken, maar dan moet u goed weten waar het eigenlijk over gaat.
Een lotbezitter is iemand die iets bezit dat hem door loting of door toeval is toegekomen. In feite letterlijk zelfs door loting. Van het volk van Israël leest u bijvoorbeeld dat zij het land ontvingen, waarbij elke stam en elke familie een bepaald stuk in het land kreeg. Dat heette met recht een lotdeel of lotsdeel, omdat het hun door loting was gegeven. Daarmee werd het ook hun erfenis, dat is waar. Maar trouwens, bij ons is een erfenis ook iets wat je zomaar toevalt. Je hebt het niet verkregen of verworven; nee, het valt je toe gewoon om bepaalde redenen. In feite is een erfenis dus ook een lotdeel: het valt je toevallig toe.
Dat is waar, maar omgekeerd kun je het weer niet zeggen. Een erfenis is altijd een lotdeel, maar een lotdeel hoeft niet altijd een erfenis te zijn. Denk aan Israël, dat dat deel in het land kreeg. Het is dus niet helemaal één-op-één. U weet het: een mus is een vogel, maar een vogel hoeft niet altijd een mus te wezen. Kijk, daar gaat het om. Nou, dat gezegd hebbend — want is dat nou van belang? Het gaat erom dat wij een deel ontvangen. Het valt ons toe, dat is vooral het idee. De gedachte is dus niet per se dat het ons toevalt doordat er iemand gestorven is, want zo werkt een erfenis doorgaans, maar dat hoeft hier niet de gedachte te zijn.
Indien wij nu kinderen zijn, dan zijn wij ook lotbezitters. Want die twee horen bij elkaar: lotbezitters of, zo u wilt, erfgenamen. Ik gebruik de termen nu gewoon door elkaar, dan weet u meteen waar we het over hebben. Erfgenamen of lotbezitters van God — dat wil zeggen: we krijgen het van Hém. Maar ook samen-lotbezitters of mede-erfgenamen, zoals de meeste vertalingen zeggen, van Christus. Aha! Dus Hij is het; Christus ontvangt het lotdeel.
En wat is dat lotdeel? Dat staat op heel wat plaatsen, maar de eerste die mij te binnen schiet is Efeze 1. Daar lees je dat ‘het al’ — en dat lijkt me tamelijk universeel, veelomvattend, sterker nog: alomvattend — aan Hem is gegeven. Hemel en aarde, kortom de hele schepping is aan Hem gegeven. Maar, zegt Paulus nu, wij staan ook in dat verhaal. Wij die mogen geloven, die Zijn woord beamen, wij delen in Zijn positie.
Hij is de Zoon en daarmee ook de lotbezitter. En als de Zoon de lotbezitter of de erfgenaam is, dan zijn wij Zijn broeders: mede-erfgenamen, samen-lotbezitters. Wij delen in dat lot. Dat is een geweldig groot thema, met name in de brieven van de apostel Paulus: dat wij eengemaakt zijn met Hem en dat Zijn positie de onze is. Elders in de brieven wordt dat natuurlijk uitgewerkt als een eenheid van hoofd en lichaam. Dat is gewoon één.
Het is zelfs zo sterk — daar hebben wij gisteren tijdens die conferentie ook heel erg over nagedacht — dat het hele lichaam in zijn totaliteit, de ecclesia, ‘de Christus’ wordt genoemd. Hij is het Hoofd, Christus Jezus, en wij zijn het lichaam, maar het geheel heet ook gewoon ‘de Christus’. Die eenheid kun je niet gauw overdrijven; dat kan eigenlijk niet. Natuurlijk neemt Hij daarin altijd de eerste plaats in, maar toch: wij zijn verenigd in Zijn plaats. Dat wat aan Hem is toegekend, is ook aan ons toegekend.
Samen Lijden en de Onvergelijkbare Heerlijkheid ↑ hoofdstukken
Wel zegt Paulus: wanneer wij namelijk samen lijden, dan is dat ook om samen straks, opdat wij samen ook verheerlijkt zouden worden. Nu delen wij in zijn afwijzing. Christus wordt miskend, afgewezen. Ik bedoel, hij heeft alles ontvangen, maar niemand weet wie hij is. Werkelijk, trouwens, hij is ook verborgen en dat is dan elders wat de apostel dan ook naar voren brengt. En ons leven is in Christus, maar dan ook verborgen met Christus bij God. Hij is daar en wij worden niet gekend, we zijn niet geopenbaard; wij delen dus in de verborgenheid maar ook in de afwijzing.
En Paulus noemt dat lijden, en ja, dat is wat afwijzing ook is. De wereld miskent hem. En ook de godsdienstige wereld miskent hem, weet niet wie hij is. Nou ja, men spreekt misschien met achting over een Jezus die hier op aarde ooit een mooi voorbeeld achtergelaten heeft – wat men zich daar dan ook bij voorstelt – maar verder dan dat reikt dat niet. Maar in feite, als men dat zo doet, spreekt men misschien in ere over hem, maar daarmee miskent men juist wie hij werkelijk is. Namelijk inmiddels de gestorvene, en dan zegt Paulus in Romeinen 8... wat meer is, de opgewekte, en die nu aan de rechterhand Gods zit. Wie weet dat? Wie gelooft het?
En dat hij straks – binnenkort mag ik erbij zeggen – binnenkort zijn heerschappij op zich zal nemen en zal verschijnen daar in Jeruzalem, en dat hij zijn koninkrijk hier op aarde gaat vestigen. Wie weet dat? Dat weet nog niemand. En als je het vertelt dan... ja, nou ja, ik bedoel, zulke randfiguren zijn wij dus. Als je dat gelooft, hoor je bij die categorie. En dat brengt lijden met zich mee op het moment dat je daarvoor uitkomt. En dat is juist ook de bedoeling. De bedoeling is dat we een goed bericht gekregen hebben van Gods wegen en dat we daarvan spreken, van de hoop die in ons is.
En trouwens, als we het er dan toch over hebben: Paulus schreef deze brief op, maar die wist wat lijden was hoor. Ik bedoel, hij zegt ook even later in deze brief aan het einde – ik had het zojuist over die lofzang waar de brief mee afsluit –: 'Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?' (vers 35). Verdrukking, benauwdheid, vervolging, honger of naaktheid of gevaar. Of het zwaard, zoals geschreven staat: 'Om uwentwil worden we de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen.' Dat was niet bij wijze van spreken. Dat was Paulus' dagelijkse ervaring. Dus als hij zegt: 'wanneer wij samen lijden', dan was dat geen overdrijving. Dat was exact de situatie.
Dat wij dat vandaag in 2018 hier in Nederland allemaal zo’n luxueus leven hebben, ook in een tolerante maatschappij waar je kunt zeggen wat je wilt... wij genieten feitelijk van die tolerantie, maar dat lijden is op een heel laag niveau. Niettemin, hij wordt miskend en op het moment dat je daarvan spreekt... ja, dan deel je dus ook in die miskenning. Nou zegt Paulus, hoe dat dan ook verder uitgewerkt wordt, hoe dat ook beleefd wordt: 'Indien wij samen met hem lijden, dan is dat ook opdat we samen straks verheerlijkt zouden worden.' Ja, verheerlijkt zouden worden. Dan wordt de heerlijkheid onthuld.
Want, zegt Paulus dan... ja, daar komen prachtige woorden. Ik heb heel wat dia's maar ik denk... ik denk, terwijl we er zo over nadenken, dan veronderstel ik dat ik niet helemaal bij het einde ga komen. Maakt niet uit. Een centrale gedachte die ik vanmorgen heel graag met u wil delen is het geweldige dat wij inderdaad verbonden zijn met hem en straks ook een cruciale rol gaan spelen in de schepping en dat we daartoe ook zijn uitverkoren. Laat ik eerst even verder lezen, vers 18, daar schrijft Paulus... want, zegt hij – hij motiveert dat als het gaat over dat lijden – hij zegt: 'Ik reken dat het lijden van de huidige periode niet waardig is ten opzichte van de heerlijkheid die aanstaande is onthuld te worden in ons.'
Als we even verder nog lezen, dan heeft hij het zelfs over de hele schepping die aan dat lijden is onderworpen, aan de vergankelijkheid is onderworpen. Hier feitelijk heeft hij het nog over het lijden specifiek samen met Christus, en dat heeft te maken dus met die miskenning. Maar als we dat... zelfs als je rekent al het lijden van de huidige periode, gewoon het lijden dat eigen is aan deze tijd... En Paulus, wat hij feitelijk doet is een – dat is de suggestie – de analogie van een weegschaal. Dat staat ook in de meeste vertalingen zo: 'Ik ben er zeker van dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die over ons geopenbaard zal worden.' En 'niet opweegt tegen', dat is het idee dus van een weegschaal.
En dan heb je dus aan de ene kant het gewicht van lijden, en aan de andere kant heerlijkheid. Hoe verhouden die twee zich ten opzichte van elkaar? Dat is de vraag. Dan zou je in de vertaling nog een beetje de indruk kunnen hebben... het is eigenlijk zo dat als je het lijden van de tegenwoordige tijd allemaal op één hoop zou vegen, als ik het even oneerbiedig mag zeggen, al het lijden nou eens bij elkaar optelt en je legt het aan de ene kant van de weegschaal... dan blijkt het niet op te wegen tegen de heerlijkheid die straks geopenbaard gaat worden. Maar ik zal u vertellen dat als je het letterlijk leest... kijk, dat vind ik nou het voordeel van als je zo'n interlinear hebt en je komt net wat preciezer, wat dichter bij zoals Paulus het echt heeft opgetekend. Want dan kom je soms geweldige dingen op het spoor.
Want dan blijkt dat hij het niet op die manier formuleert. Hij zegt niet van: het een is zwaarder dan het ander. Dat is al geweldig trouwens hoor, laat ik dat erbij zeggen. Het is geweldig natuurlijk om te realiseren dat hoe zwaar het lijden nu ook is – denk daar eens over na, tel al het leed nou eens bij elkaar op dat geleden wordt, de tranen, de moeite, de pijn... ik weet niet hoe je dat moet meten, maar tel de intensiteit, de emotie, het leed, de passie bij elkaar op en vergelijk dat met heerlijkheid – wel, Paulus zegt straks is het veel groter. Nee, en dat is nou even mijn punt waarom ik hierop wijs. Hij zegt: 'Het is niet waardig ten opzichte van de heerlijkheid.' Weet je wat dat betekent? Het heeft geen waarde zelfs ten opzichte van.
En dat betekent: het is niet eens waard vergeleken te worden. Maar dat is nog veel sterker. Het is dus niet van: nou, als je de weegschaal hebt, dan blijkt heerlijkheid doorslaand te zijn ten opzichte van het lijden. Nee, Paulus zegt: het is geen vergelijking. Het is niet waard om het een tegen het ander af te zetten. Het is geen vergelijking. Zoals het ook geen vergelijking zou zijn om te zeggen van: hier leggen we een wolpluisje op de weegschaal en daar zetten we een olifant op. Ik bedoel, waar hebben we het over? Dat is geen vergelijking. Dat is nu maar niet een kwestie van: hij slaat door naar de ene kant. Nee, het is geen vergelijking. Het is niets waard. Dat is eigenlijk wat hij zegt.
Het is niets waard op het moment dat je oog krijgt. Dat is trouwens een geweldig geheim in het leven in het algemeen. Want we hebben het natuurlijk over hoop en over verwachting en over wat God zegt, maar als het alleen maar theorie is, heb je er geen bal aan. Begrijpt u? Maar het is wel waar hoor. Of je het nou gelooft of niet en of je het nou beleeft of niet, dat maakt niet uit, waar is het toch wel. Maar waar het om gaat is dat je die hoop ook werkelijk beseft. Alleen dan ervaar je daar ook de kracht, de vreugde en de glorie van. Sterker nog, ik durf te beweren dat als je die hoop hebt, dan krijg je pas echt leven. Juist ook, en dat geeft een enorme kracht en drive om dit lijden – ik bedoel deze tijd – te doorstaan.
Want dat geeft je niet alleen stabiliteit, het geeft je vrede. Wij zeggen vaak: hoop doet leven. Nou, dat is ook zo. Als je werkelijke hoop hebt en daar niet slechts over praat, maar écht hoop hebt, verwachting hebt en weet wat er gaat komen, dan verandert dat je hele perceptie, je hele beleving van de huidige tijd.
Ik kan daar vele voorbeelden van geven. Als je weet wat je te wachten staat aan iets prachtigs, dan zeg je – ook al bevind je je momenteel in een heel penibele situatie – omdat je weet dat het gaat komen: "Even de kiezen op elkaar, maar wauw!"
Paulus maakt, en niet alleen Paulus trouwens, want op diverse andere plaatsen lees je in de Schrift ook de vergelijking van een vrouw die in barensnood is. Trouwens, dat is in Romeinen 8 ook aan de orde: de schepping die in barensnood is. Ja, waar praat ik over? Ik heb het alleen maar enigszins van nabij gezien. Ik weet niet wat dat is, maar dat moet toch geen pretje zijn. Maar hoe kun je dan toch zeggen dat een vrouw "in blijde verwachting" is? Waarom? Nou, dat lijden wordt weer compleet vergoed door dat wat de blijde verwachting oplevert, namelijk het nieuwe leven.
Geweldig dat als je zo mag staan in het leven en dit mag beseffen: dat het lijden van de huidige periode niets waard is ten opzichte van de heerlijkheid die aanstaande is onthuld te worden in ons. Zo staat het er letterlijk. Niet alleen maar áán ons en aan de schepping, maar ook ín ons. Want het voorgevoel...
Het Voorgevoel en Reikhalzend Verlangen van de Schepping ↑ hoofdstukken
De Statenvertaling spreekt ervan dat de schepping is 'met opgestoken hoofde'. Dat is een wat lastig begrip; het komt maar twee keer voor in het Nieuwe Testament. Als je het woord ontleedt, dan heeft dat inderdaad iets te maken met een gevoel dat je hebt: er gaat iets komen. Vandaar ook 'voorgevoel'. De NBG-vertaling zegt: 'met reikhalzend verlangen'. Het idee is vooral dat heel de schepping erop gebouwd is en het besef heeft: er gaat iets komen. Wat precies weten we niet, maar vandaar ook dat opgestoken hoofd: je steekt je hoofd omhoog omdat je verwacht dat er iets aanstaande is. De hele schepping — en dan bedoel ik met name ook de mensheid uiteraard, die zich dat bewust is — weet: dit kan niet het einde zijn. Het moet een doel dienen.
Heel de schepping heeft latent al die gedachte; het is ingebouwd. Zoals een mens een ingebouwd besef heeft van God — je weet: Hij moet er zijn — zo weet het schepsel dat er nog iets gaat komen. Op welke wijze zich dat dan ook uit, dat maakt even niet uit, maar de schepping weet dat en het is ook zo. Het voorgevoel van de schepping wacht op de onthulling van de zonen van God. Nu is alles nog verborgen, maar hier staat in het Grieks een woord dat we allemaal kennen: de apocalyps. Dat is een mooi woord, want als je het ontleedt, dan betekent het eigenlijk het wegnemen van een omhulling. Denk aan een standbeeld waar een doek overheen is gelegd en dat bij gelegenheid wordt onthuld. Dat wil zeggen dat de omhulling, de doek, wordt weggetrokken zodat dat wat er altijd al was ineens zichtbaar wordt. Het was er wel, maar het werd niet gezien.
Feitelijk is dat ook de grote waarheid van onze tijd: alles is nu verborgen. Dat is een van die sleutelwoorden in de brieven. Christus is verborgen, Zijn koninkrijk is verborgen. Alles is er wel, maar het is nog niet onthuld. Er wordt gewacht op het moment dat de Zoon van God onthuld zal worden. Het is interessant om te zien dat de Statenvertaling spreekt over 'de openbaring van de zonen Gods'. In oud-Nederlandse oren hoor je die 'n' haast niet, maar het punt is dat Hij die onthulling deelt met een gezelschap. Dat gezelschap is, net als Hij, zoon. Romeinen 8 zegt dan: Hij is de eerstgeborene van de broeders. Hij is de eerste, maar niet de enige. Wij delen in Zijn positie. We zijn zonen Gods en broeders van Hem. Vandaar ook de zonen Gods; dat zijn degenen die God vandaag verzamelt.
Het is heel belangrijk om je te realiseren dat God een plan heeft met heel Zijn schepping. Hij kiest vandaag een gezelschap uit: de Ecclesia. Het woord ecclesia betekent eigenlijk ook een 'uit-geroepsel'; God roept vandaag mensen uit. Is dat omdat alleen dat groepje Hem interesseert? Om even een calvinistische term te gebruiken die ik in die kringen wel vaker heb gehoord: is de rest 'brandhout voor de hel'? Bestaat het idee dat wat vandaag verzameld wordt bestemd is voor de hemel en dat God voor de rest geen interesse heeft, of dat het voor hen alleen hel en verdoemenis is? Dat vind ik geen blijde tijding, maar het is ook zo ver verwijderd van de basis van het evangelie: dat God Zijn schepping liefheeft, puur om niet.
God heeft een plan met heel Zijn schepping. Wat die Ecclesia betreft: dat is niet het volk dat gered wordt terwijl de rest dat niet wordt. Nee, dat is het volk dat God gaat inzetten om heel de schepping te gaan zegenen. En niet alleen te zegenen, maar ook om te gaan heersen. De Zoon van God zal straks in de komende aionen gaan heersen, maar Hij doet dat niet alleen. Hij doet dat met een gezelschap, met Zijn lichaam: de gemeente, de ecclesia, de broeders. Het heeft verschillende namen, maar het idee is iedere keer hetzelfde. Hij is de grote Erfgenaam en Hij gaat die rol straks vervullen. Wij zijn dus bestemd voor de troon, zelfs op hemels niveau.
Zoals Israël trouwens ook die functie heeft, maar dan op aards niveau. Het wereldrijk dat hier op aarde straks gevestigd gaat worden, is een Israëlitisch wereldrijk. Dat wil zeggen dat Israël, samen met de Messias, op aarde ook de hele aarde zal gaan beheersen, alle volkeren. Dat is heel concreet. We praten dus niet over een abstract koninkrijk, met van die vage begrippen. Nee, we praten over een concrete regering, over een concrete hoofdstad, een land en zelfs een gebied dat daarin centraal staat en waarin alle volkeren worden betrokken en zullen delen. God kiest van tevoren een gezelschap uit dat bestemd is voor de troon en dat zonen zijn.
Aan de Ijdelheid Onderworpen met een Doel ↑ hoofdstukken
De hele schepping wacht op de onthulling van de zonen van God. Want de schepping werd aan de ijdelheid onderschikt of onderworpen, niet vrijwillig, maar om Hem die haar daaraan onderschikt op hoop. Dat wil zeggen: in hoop, in verwachting.
Nog even iets anders, want hier lees je over die schepping die vandaag aan de ijdelheid is onderworpen. In de NBG-vertaling staat dat de schepping aan de vruchteloosheid is onderworpen. Dat betekent dat de schepping in ijdelheid is. Trouwens, er is een heel Bijbelboek dat daarover gaat en dat is het boek Prediker. "IJdelheid der ijdelheden", zo begint het boek en zo eindigt het trouwens ook weer. IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid. Alles is vruchteloos.
Zoals wij dat hier op aarde beleven, is dat niet lineair. Het is niet zo dat je ergens naartoe gaat en aan het eind een stuk verder bent. Nee, je keert gewoon weer terug naar het begin. Kortom: u gaat terug naar af, u ontvangt geen startgeld. Je bent gewoon weer terug bij af. Zo heet de dood trouwens ook: een terugkeer is het. Het is gewoon allemaal heel circulair. De kringloop des levens, noem het een recycleproces. Ja, dat roept weer andere associaties op, maar in ieder geval is dat het. Het is ijdel, het leidt nergens toe. Je bent je hele leven druk met dingen in de wereld en uiteindelijk denk je: waar was het voor? Dan is het gewoon zeggen: "Ja..." Dat is trouwens ook de ervaring en de conclusie die veel mensen op een gegeven ogenblik vroeg of laat trekken. Als je slim bent vroeg, en als je minder slim bent laat, maar toch moet je zeggen: waar heb ik me druk om gemaakt?
Ik kan me voorstellen dat dat wat fatalistisch of cynisch overkomt. Zo bedoel ik het niet, want sterker nog, ik zeg dit met een groot, enorm optimisme en verwachting. Maar als je puur kijkt naar deze schepping, gewoon op het aardse niveau, dan zeg je: het is allemaal ijdel. Volstrekt ijdel. En dat betekent: leeg. Het woord dat hier gebruikt wordt, betekent eigenlijk vruchteloos. Het lijkt vruchten te dragen, maar het levert uiteindelijk niks op. De hele schepping is daaraan onderworpen.
En wat Paulus zegt, dat is niet omdat ze daarvoor gekozen heeft. Leest u goed wat hier staat? De schepping is niet aan de ijdelheid onderworpen omdat het schepsel daarvoor gekozen heeft. Dat is eigenlijk wel het traditionele, ook christelijke antwoord. Hoe komt het dat de schepping aan de ijdelheid is onderworpen? Omdat het schepsel, dat wil zeggen Adam, daar ooit voor heeft gekozen en zo is het gekomen. Nee, zegt Paulus, dat is helemaal niet vrijwillig. God heeft de wereld aan de ijdelheid onderworpen. Zoals Hij trouwens later in Romeinen 11 zegt dat Hij allen onder ongehoorzaamheid heeft besloten. Dat is Gods werk. Kijk, God heeft een plan. En het feit dat deze wereld aan de ijdelheid is onderworpen is niet een foutje, het is geen bedrijfsongeval; dat bestaat bij God niet. Dat heeft een doel.
Toen God de schepping schiep – laat ik het anders zeggen: toen God Adam schiep – wist Hij al dat er van de vrucht gegeten zou worden en dat Adam, en daarmee ook zijn nageslacht, dus stervelingen zouden worden. Dat wist God niet alleen maar, God schiep Adam al met het oog op de laatste Adam. Het ging niet om Adam, het ging om de laatste Adam, het ging om de Tweede. En alles is gericht op die nieuwe schepping; dat uit een oude schepping een nieuwe schepping voort zou komen. Het eerste had alleen maar het doel... dat is een hele diepe gedachte die ik nu naar voren breng, want je ziet hem op alle mogelijke niveaus terugkomen, ook in de Bijbel: het gaat altijd niet om het eerste, maar om het tweede.
De hele wereld is aan de ijdelheid onderworpen. Ja, en dat is niet de keus van het schepsel zelf, maar om Hem die haar daaraan onderschikt. Maar dan weet je ook meteen: aha, dan heeft het een doel. En vandaar ook: het is op hoop. Het biedt perspectief, want God heeft daar een bedoeling mee, zoals Hij een bedoeling heeft met alles. En ik zou zeggen: prijs God! Dat het waar is, dat het niet zomaar is dat de wereld aan de ijdelheid is onderworpen. Nee, dat is om Hem. Hij heeft daar een bedoeling mee. En dus die ijdelheid... als je dat in geloof mag zien en verstaan, dan kijk je daar overheen. Dan ben je in blijde verwachting. Ja toch? Dat is een mooie dubbelzinnige term.
Want de schepping zal ook bevrijd worden van de slavernij van de vergankelijkheid. Dat is toch wat het schepsel is? We zijn vergankelijk en we ontkomen daar ook niet aan. Dat is namelijk zo: we zijn daaraan verslaafd. We zijn verslaafd aan de vergankelijkheid. Probeer daar maar eens aan te ontkomen. Alles vergaat. Moet ik voorbeelden geven? Nee, dat is onzinnig, want alles is vergankelijk. En dat is ook trouwens die ijdelheid: het gaat toch weer voorbij, het vergaat. De schepping zelf zal bevrijd worden. Aha, dat is dus het perspectief: van de slavernij van de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God. Ja, die daarin eerstelingen zijn.
Barensnood en de Verlossing van Ons Lichaam ↑ hoofdstukken
Want wij weten dat tot nu toe heel de schepping tezamen zucht en tezamen barensweeën heeft, of in barensnood is. Dat is hetzelfde. De schepping vervult daarmee de functie van een moeder, eigenlijk van een zwangere vrouw. Het lijden zoals het hier getypeerd wordt, is het lijden van een zwangerschap. Dat lijden lijkt alleen maar zinloos als je de bestemming niet kent. Als je het lijden van deze wereld niet kent als zwangerschap, dan denk je: waar is het goed voor? Welnu, het heeft een functie en dat blijkt pas aan het eind van de zwangerschap, namelijk bij de baring, bij de openbaring. Bij de verlossing – wat een dubbelzinnige termen zijn dat! De verlossing die straks zal aanbreken. Het zijn allemaal termen die zowel Bijbels gezien waar zijn, maar ook direct gekoppeld zijn aan de hele zwangerschap.
De schepping is een zwangere vrouw, zoals God trouwens ook. Dat is een geweldige beeldspraak. God is de Vader en Hij heeft deze wereld inderdaad lief. Hij heeft gemeenschap met deze wereld en heeft haar Zijn liefde bewezen, en daardoor is er nieuw leven ontstaan in deze wereld. Want de beeldspraak gaat heel diep en is heel veelzijdig. Wat is dat toch geweldig: God als Man, God is de Vader. Hij heeft deze schepping lief en Hij heeft nieuw leven verwekt door de opstanding, en daardoor is de wereld in blijde verwachting. Hij heeft Zijn zaad gegeven, het zaad van de wedergeboorte, en daardoor is deze wereld bezwangerd. En nu is er lijden, jawel, maar het is het lijden van weeën, van barensnood. En het wachten is op de verlossing.
En niet alleen zij, niet alleen die schepping, maar ook wij delen net zo goed in dat lijden; wij als gelovigen. Wij zijn toch ook net zo goed deel van die schepping als de rest? Al is het waar dat wij een geweldige functie hebben als eersteling; wij die de eersteling van de Geest hebben. De eersteling, dat wil zeggen: dat is de eerste van de oogst, de eerste vrucht. Dat is een heel belangrijke Bijbelse gedachte: dat als er oogst binnengehaald wordt, of dat nu de gerst of de tarwe is, de eerstelingen voor de Heer zijn. Dat geldt trouwens ook voor kinderen. Al wat de baarmoeder opent, dat is van Mij, zegt de Here. Dat komt aan Mij toe. Het eerste krijgt de hoogste positie.
Maar dan zie je ook meteen hoe geweldig het is om bij de Ecclesia te horen, om nu al 'uitgeroepen' te zijn. Want dat betekent dat we eerstelingen zijn, maar het betekent ook dat we de hoogste positie krijgen. We zijn bestemd voor Hem en daarmee ook inderdaad de eersten, the first, de vorsten. Dat wil zeggen: we gaan voorop. Die functie vervullen we. Dus niet: wij wel en de rest niet. Nee, de hele schepping zucht, en wij als gelovigen mogen daarin eerstelingen zijn om straks betrokken te worden bij dat geweldige plan dat Hij uitwerkt in de toekomende eeuwen.
En dat wordt dan allemaal openbaar bij de zoonstelling, als ons lichaam ook verlost zal worden. De verlossing van ons lichaam, daar wil ik het dan bij laten, want ik zie dat de tijd dringt. De verlossing van ons lichaam betekent niet... Je zou het zomaar kunnen opvatten – ik heb het weleens een keer zo gehoord en toen dacht ik: wat een misser als je het zo uitlegt – dat we van dit lichaam verlost worden. Nee. De gedachte is niet helemaal onjuist, maar het punt is niet dat wij van het lichaam verlost worden, maar dat ons lichaam verlost wordt! Dat is een heel andere gedachte. We worden niet van het lichaam verlost, nee, het lichaam wordt verlost. Dit vergankelijke lichaam gaat plaatsmaken voor een nieuw, onvergankelijk lichaam. En dat is die verlossing. Heb je weer die dubbelzinnige term: we wachten op de verlossing.
En dan worden we openbaar als de zoon. En dat is die onthulling van de zonen van God. Het is geweldig als je daar enig licht op mag krijgen: wat God nog voornemens is, ook in de komende wereldtijdperken. Hoe Hij ons als Ecclesia op het hoogste niveau – ik bedoel hemels – gaat inzetten om Zijn koninkrijk in de hele schepping te openbaren, totdat uiteindelijk inderdaad het doel bereikt is. Want één ding is zeker: als God Zich een doel stelt, dan realiseert Hij dat ook.
UltimateGoodNews