GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

de verloren tien stammen?

07-09-2026 - Geplaatst door Andre Piet

Waar zijn de tien verloren stammen van Israël gebleven? Over die vraag is ontzettend veel geschreven en gespeculeerd. De tien stammen zouden na hun wegvoering door de Assyriërs zijn verdwenen, hun identiteit zijn kwijtgeraakt en via allerlei omzwervingen uiteindelijk elders in de wereld zijn terechtgekomen. Er bestaan complete theorieën waarin hedendaagse volken worden geïdentificeerd met afzonderlijke stammen van Israël. Aan verhalen geen gebrek. Maar voordat we ons afvragen waar die tien stammen gebleven zouden zijn, is er een veel fundamentelere vraag die eerst gesteld moet worden: kent de Bijbel eigenlijk zoiets als de verloren tien stammen? De uitdrukking is zo ingeburgerd dat bijna vanzelfsprekend wordt aangenomen dat ook de Schrift deze voorstelling kent. Maar de term ‘de verloren tien stammen’ komt in de Bijbel niet voor. Sterker nog, in het Nieuwe Testament komt zelfs de uitdrukking ‘de tien stammen’ nergens voor. Dat bewijst op zichzelf uiteraard nog niets, maar het is wel opmerkelijk. Want wanneer we vervolgens nagaan hoe het Nieuwe Testament over Israël en de stammen spreekt, ontstaat een heel ander beeld.

tien stammen en twee stammen

Israël bestond oorspronkelijk uit twaalf stammen, voortgekomen uit de zonen van Jakob. David regeerde over heel Israël en hetzelfde gold voor zijn zoon Salomo. Na Salomo scheurde het rijk echter in tweeën. Het noordelijke rijk bestond uit tien stammen en werd ter onderscheiding van Juda doorgaans Israël genoemd; bij de profeten wordt het ook dikwijls aangeduid als Efraïm. Het zuidelijke rijk bestond voornamelijk uit Juda en Benjamin, met de Levieten, en werd Juda genoemd. Het noordelijke rijk werd uiteindelijk door Assyrië in ballingschap gevoerd en hield als zelfstandig koninkrijk op te bestaan. Ongeveer 130 jaar later onderging ook Juda een dergelijke ballingschap: Jeruzalem en de tempel werden door de Babyloniërs verwoest en de bevolking werd naar Babel weggevoerd.

Later veranderde de situatie. Het Babylonische rijk maakte plaats voor het Perzische rijk en onder koning Kores kregen de ballingen toestemming terug te keren. Jeruzalem werd herbouwd en de tempel werd hersteld. Precies hier ontstaat de kwestie van de zogenaamde verloren tien stammen. De gedachte is doorgaans dat Juda en Benjamin terugkeerden en dat wij hun nakomelingen later als ‘Joden’ tegenkomen, terwijl de tien stammen van het voormalige noordelijke rijk niet terugkeerden en uiteindelijk hun identiteit verloren. Vandaar de bekende tweedeling: de Joden vertegenwoordigen de twee stammen, terwijl de overige tien stammen daarvan onderscheiden moeten worden. Maar is dat werkelijk de voorstelling die de Schrift ons geeft?

onze twaalf stammen

Een van de duidelijkste gegevens vinden we eeuwen later in Handelingen 26. Paulus staat daar voor koning Agrippa en verdedigt zich tegen de beschuldigingen die vanuit de Joden tegen hem worden ingebracht. Hij verklaart dat hij terechtstaat vanwege zijn verwachting van ‘de belofte die door God aan onze vaderen gedaan is’ en vervolgt dan:

… welke onze twaalf stammen, God intensief nacht en dag vererende, hopen te bereiken.
-Handelingen 26:7-

Dat is een buitengewoon opmerkelijke formulering. Paulus spreekt niet over ‘onze twee stammen’, terwijl daarnaast ergens tien verloren stammen zouden bestaan. Hij spreekt eenvoudig over “onze twaalf stammen”. Bovendien spreekt hij niet over twaalf stammen die ooit hebben bestaan, maar in de tegenwoordige tijd. Zij hopen de belofte aan de vaderen te bereiken en vereren God nacht en dag. Dat past niet bij de voorstelling van tien stammen die hun identiteit volledig zijn kwijtgeraakt, zelf niet meer weten wie zij zijn en als zodanig buiten beeld zijn geraakt.

Daar komt nog iets bij. Paulus zegt dit tegenover Agrippa, die hij kort daarvoor nadrukkelijk aanspreekt als iemand die vertrouwd is met “alle gewoonten en twistvragen onder de Joden”. Nu Paulus zich gaat verdedigen, is dit bepaald niet het moment om zonder nadere uitleg een omstreden opvatting over de identiteit van Israël te introduceren. Toch hoeft hij geen woord uit te leggen wanneer hij spreekt over “onze twaalf stammen”. Hij gebruikt de aanduiding als een bekend gegeven. En hetzelfde vinden we bij Jakobus, die zijn brief eenvoudig adresseert “aan de twaalf stammen in de verstrooiing” (Jakobus 1:1). Ook daar geen spoor van de gedachte dat tien stammen onvindbaar zijn geworden en niet meer zouden weten wie zij zijn. De vraag wordt daarmee juist andersom: hoe kan het Nieuwe Testament zo vanzelfsprekend over de twaalf stammen spreken als tien daarvan eeuwen eerder verloren zouden zijn gegaan?

de terugkeer gold heel Israël

Het antwoord vinden we wanneer we nauwkeuriger kijken naar de terugkeer uit de ballingschap. In Ezra 1 wordt het bevel van Kores weergegeven:

Wie er onder u ook maar is uit heel Zijn volk, zijn God zij met hem, en laat hij optrekken naar Jeruzalem, dat in Juda ligt, en het huis bouwen van JAHWEH, de God van Israël.
– Ezra 1:3-

De formulering is belangrijk. Kores zegt niet: wie er onder u is uit Juda en Benjamin. Zijn oproep geldt heel het volk. Iedereen die tot het volk van Israëls God behoort, mag naar Jeruzalem optrekken. Dat Juda en Benjamin bij die terugkeer dominant waren, staat buiten kijf. Zij waren nog maar ongeveer zeventig jaar eerder uit hun gebied weggevoerd, terwijl de stammen van het noordelijke rijk zich al veel langer buiten het land bevonden. Bovendien lag Jeruzalem in Juda. Het is dus volkomen begrijpelijk dat Juda en Benjamin bij de terugkeer het voortouw namen. Maar daaruit volgt allerminst dat uitsluitend deze twee stammen terugkeerden. Het bevel van Kores zegt uitdrukkelijk iets anders: de oproep gold heel Zijn volk.

Dat is van belang omdat uit het feit dat Juda en Benjamin bij de terugkeer prominent worden genoemd nogal eens onmiddellijk wordt geconcludeerd dat alleen de twee stammen terugkeerden. Maar prominent is niet hetzelfde als uitsluitend. De vraag is niet welke stammen bij de terugkeer getalsmatig de meerderheid vormden, maar hoe de Schrift de teruggekeerde gemeenschap zelf aanduidt. En juist daarover worden enkele opmerkelijk duidelijke dingen gezegd.

Judeeërs — en Israëlieten

Dat zien we bijzonder treffend in 1 Kronieken 9. Daar lezen we eerst dat “de Judeeërs vanwege hun ontrouw naar Babel in ballingschap werden gevoerd” (vers 1). De aanduiding is helder: het gaat om de Judeeërs. Maar zodra de schrijver vervolgens spreekt over degenen die zich weer in het land vestigden, gebruikt hij een andere naam: “De eersten die zich weer op hun bezitting in hun steden vestigden, waren Israëlieten” (vers 2).

Dat onderscheid is veelzeggend. Wanneer de schrijver de weggevoerden uit Juda bedoelt, noemt hij hen Judeeërs, maar wanneer hij vervolgens de teruggekeerde gemeenschap beschrijft, spreekt hij over Israëlieten. Dat is precies wat we op grond van het bevel van Kores mochten verwachten. Zijn oproep was immers niet beperkt tot Juda en Benjamin, maar gold iedereen uit “heel Zijn volk”. In het volgende vers worden onder degenen die zich in Jeruzalem vestigden behalve Juda en Benjamin ook Efraïm en Manasse genoemd (vers 3).

geheel Israël

Die aanduiding staat niet op zichzelf. In Ezra 2:70 lezen we vervolgens dat ‘geheel Israël’ in zijn steden woonde. Dat is opmerkelijk, juist omdat gedurende de tijd van het verdeelde koninkrijk het onderscheid tussen Juda en Israël zo duidelijk was. Juda was de aanduiding van het zuidelijke rijk, terwijl Israël de naam was van het noordelijke rijk en, in de oorspronkelijke en ruimere betekenis, van het gehele volk. Na de terugkeer spreekt Ezra niet over ‘geheel Juda’, maar over ‘geheel Israël’. Als de teruggekeerde gemeenschap slechts een voortzetting van het voormalige tweestammenrijk was geweest, zou de aanduiding Juda voor de hand hebben gelegen. Maar de Schrift spreekt na de terugkeer juist over Israël en zelfs over ‘geheel Israël’.

Bij de inwijding van de herbouwde tempel wordt dat nog explicieter. Men brengt twaalf geitenbokken als zondoffer ‘voor geheel Israël, naar het getal van de stammen Israëls’ (Ezra 6:17). De tekst verklaart dus zelf waarom het er twaalf zijn: Israël wordt gerekend naar zijn twaalf stammen. In Ezra 8:35 vinden we hetzelfde opnieuw wanneer de teruggekeerde ballingen twaalf stieren voor geheel Israël en twaalf bokken als zondoffer brengen. Hoe de onderlinge getalsverhoudingen tussen de stammen bij de feitelijke terugkeer ook geweest mogen zijn, de Schrift rekent de teruggekeerde gemeenschap als geheel Israël, naar het getal van de twaalf stammen.

Daarmee wordt ook begrijpelijk waarom Paulus eeuwen later tegenover Agrippa zonder enige toelichting kan spreken over “onze twaalf stammen”. Het sluit rechtstreeks aan bij de wijze waarop de Schrift het volk na de ballingschap zelf aanduidt: Israëlieten, geheel Israël en gerekend naar de twaalf stammen van Israël.

maar waarom worden zij dan Joden genoemd?

Dat de teruggekeerde gemeenschap later algemeen als ‘de Joden’ wordt aangeduid, verandert hier niets aan. Het woord is inderdaad verbonden met Juda, maar daaruit volgt niet dat de Joden noodzakelijk slechts de twee stammen vertegenwoordigen. Het centrum van de teruggekeerde gemeenschap lag in Juda en vooral in Jeruzalem, waar de tempel stond. Vandaar die aanduiding.

De tien stammen keerden niet als zelfstandig noordelijk koninkrijk terug naar hun voormalige stamgebieden. Dat rijk was verdwenen. Maar daaruit volgt niet dat de tien stammen na de ballingschap geen deel meer uitmaakten van Israël. De Schrift spreekt na de terugkeer niet slechts over Judeeërs, maar over Israëlieten en “geheel Israël”, en rekent dat Israël uitdrukkelijk naar de twaalf stammen. Dat is het beslissende onderscheid. Het tienstammenrijk werd als afzonderlijk rijk niet hersteld, maar dat betekent niet dat Israël voortaan nog slechts uit Juda en Benjamin bestond.

zijn de tien stammen verloren?

Zijn de tien stammen dan verloren? Als daarmee bedoeld wordt dat het noordelijke tienstammenrijk na de Assyrische ballingschap als zelfstandig rijk is verdwenen, is het antwoord ja. Maar dat is iets anders dan de gedachte dat na de ballingschap een blijvende tweedeling zou bestaan tussen enerzijds de Joden als vertegenwoordigers van slechts twee stammen en anderzijds tien stammen die afzonderlijk zijn blijven voortbestaan, maar hun identiteit zijn kwijtgeraakt.

Die tweedeling kent de Schrift niet. Wanneer het volk onder Kores mag terugkeren, geldt de oproep heel het volk. De eersten die zich opnieuw in het land vestigen worden Israëlieten genoemd. De teruggekeerde gemeenschap heet ‘geheel Israël’ en wordt uitdrukkelijk gerekend naar de twaalf stammen van Israël. Jakobus schrijft aan ‘de twaalf stammen in de verstrooiing’ en Paulus spreekt in zijn dagen eenvoudig over “onze twaalf stammen”, die weet hebben van de beloften aan de vaderen en hopen die te bereiken.

Daarmee is ook het antwoord op de vraag waarmee we begonnen duidelijk. De Bijbel kent wel een tienstammenrijk dat door Assyrië werd weggevoerd en als zelfstandig rijk verdween, maar niet de voorstelling dat daarna slechts twee stammen als Israël herkenbaar overbleven, terwijl de overige tien als een afzonderlijk maar identiteitsloos volk buiten beeld voortbestonden. Die tweedeling wordt niet alleen nergens geleerd, zij verdraagt zich ook niet met de wijze waarop de Schrift na de ballingschap over Israël spreekt. Het teruggekeerde volk wordt Israëlieten en “geheel Israël” genoemd, het wordt gerekend naar de twaalf stammen. Ook in het Nieuwe Testament spreken Jakobus en Paulus zonder enige nadere verklaring over die twaalf stammen. Het Joodse volk staat in de Schrift dus niet tegenover Israël, maar wordt als Israël aangeduid. En daarmee vervalt de grond voor de gedachte dat naast de Joden nog een afzonderlijk Israël van tien verloren stammen zou moeten bestaan.

Delen: