kan een gelovige zijn lotbezit verspelen?
16-08-2026 - Geplaatst door Andre PietIn het vorige artikel stond de vraag centraal of alle gelovigen met Christus zullen heersen. Aanleiding was 2Timotheüs 2:12, waaruit wel wordt afgeleid dat alleen gelovigen die volharden, met Christus zullen heersen. Maar voor die opvatting worden ook andere Schriftplaatsen aangevoerd. Paulus waarschuwt immers op meerdere plaatsen dat hoereerders, afgodendienaars, hebzuchtigen en anderen die zulke dingen praktiseren, geen lotbezit in Gods Koninkrijk zullen ontvangen (1Kor.6:9-10; Gal.5:19-21; Ef.5:5).
Daarmee komt dezelfde kwestie van een andere kant in beeld. Kan een gelovige zijn lotbezit in het Koninkrijk verspelen en daarmee zijn aandeel in Christus’ heerschappij verliezen? Ook voor die gedachte lijken op het eerste gezicht sterke papieren te bestaan.
De redenering luidt dan als volgt: hun redding kunnen gelovigen niet verliezen, maar kennelijk staat er wél iets anders op het spel. Wie als gelovige in zulke praktijken volhardt, blijft gered, maar verspeelt zijn lotbezit in het Koninkrijk en daarmee zijn aandeel in Christus’ heerschappij. Dat lijkt een logische conclusie. Want waarom zou Paulus gelovigen anders zo ernstig waarschuwen?
sommigen van jullie waren dit
Juist 1Korinthe 6 geeft daarop een beslissend antwoord. Nadat Paulus degenen heeft opgesomd die geen lotbezit in Gods Koninkrijk zullen ontvangen, schrijft hij:
“En sommigen van jullie waren dit, maar jullie werden schoongewassen, maar jullie werden geheiligd, maar jullie werden gerechtvaardigd…”
— 1Korinthe 6:11
Let vooral op dat ene woord: waren. Paulus zegt niet: sommigen van jullie zijn dit en dreigen daarom hun lotbezit te verliezen. Integendeel, hij onderscheidt zijn lezers nadrukkelijk van de categorie mensen die hij zojuist heeft beschreven.
Dat is des te opmerkelijker omdat er in Korinthe bepaald geen voorbeeldige ekklesia was. Paulus noemt de Korinthiërs zelfs “vleselijk” (1Kor.3:1,3). Er waren partijschappen, onderlinge rechtszaken en ernstige misstanden. Gelovigen kunnen kennelijk zeer vleselijk handelen. En tóch zegt Paulus tegen hen: sommigen van jullie waren dit.
Kennelijk is er dus verschil tussen zondigen en door de zonde getypeerd worden. Paulus zegt niet dat iemand die hoererij pleegt daarmee automatisch behoort tot de categorie “hoereerders” die geen lotbezit ontvangen. Hij beschrijft mensen naar wat zij praktiseren, naar wat kenmerkend is voor hun wandel. Ook een gelovige kan vallen, en de brief aan Korinthe laat zien dat dit zelfs ernstig kan zijn. Maar vallen in zonde is nog iets anders dan de zonde als praktijk beoefenen.
Juist daarom schrijft Paulus in vers 11 niet: sommigen van jullie zijn dit en moeten hiermee stoppen om hun lotbezit niet te verliezen. Hij zegt: “sommigen van jullie waren dit.” En vervolgens wijst hij op wat er met hen is gebeurd: zij werden schoongewassen, geheiligd en gerechtvaardigd. Dat eerste woord is hier veelzeggend. Gods werk beperkte zich kennelijk niet tot hun rechtvaardiging; Hij heeft hen ook schoongewassen van de praktijken die hen voorheen typeerden.
waarom dan toch die waarschuwing?
Waarom waarschuwt Paulus hen dan? Omdat een waarschuwing niet noodzakelijk betekent dat een gelovige zijn lotbezit kan verliezen. Paulus houdt zijn lezers voor welke praktijken degenen typeren die geen lotbezit in Gods Koninkrijk hebben, juist opdat zij beseffen dat zulke praktijken niet passen bij wat God van hén heeft gemaakt.
Hetzelfde principe vinden we in Galaten 5:19-21. Paulus spreekt daar over degenen die de werken van het vlees praktiseren. Van hen zegt hij dat zij geen lotbezit in Gods Koninkrijk zullen ontvangen. Het gaat dus niet om de vraag óf een gelovige ooit een werk van het vlees doet, maar om degenen voor wie zulke werken de praktijk zijn. Ook Efeze 5:5 spreekt in zulke termen over de hoereerder, onreine en hebzuchtige.
Nergens staat dat deze mensen eerst een lotbezit bezaten en het vervolgens door hun gedrag kwijtraakten. Sterker nog, juist in Efeze had Paulus eerder geschreven dat gelovigen verzegeld zijn met de Geest van de belofte:
“… die een onderpand is van ons lotbezit”
— Efeze 1:14
Een onderpand is een garantie. God Zelf staat garant voor het lotbezit dat Hij heeft toegezegd. Paulus waarschuwt gelovigen dus niet dat Gods garantie alsnog kan vervallen. Hij wijst hen erop dat de praktijken van hen die géén lotbezit hebben, niet passen bij degenen die God heeft schoongewassen, geheiligd en gerechtvaardigd.
De Korinthiërs waren daar bepaald niet altijd een fraai voorbeeld van. Ze waren vleselijk en konden diep vallen. Maar juist tegen hen zegt Paulus:
“Sommigen van jullie waren dit.”
Want God rechtvaardigt de gelovige niet alleen; Hij wast hem schoon en heiligt hem. Ook daarin is het God die Zijn werk doet.
UltimateGoodNews