GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

drie keer tweeduizend jaar (4) – Salomo tot Kores

27-02-2026 - Geplaatst door Andre Piet
leestijd: circa 5 minuten

van Salomo tot Kores: vijfhonderd jaar

In de voorgaande artikelen is vastgesteld dat de periode van Adam tot Abraham tweeduizend jaar omvat en dat de vijfhonderd jaar vanaf Abrahams geboorte uitlopen op de uittocht uit Egypte. Ook de periode vanaf de uittocht tot aan de voltooiing van de tempel en het paleis in Jeruzalem onder Salomo is afzonderlijk beschreven. Daarmee is de geschiedenis tot aan Salomo in vaste tijdsblokken geplaatst.

In dit artikel wordt de daaropvolgende fase behandeld: de periode vanaf Salomo tot aan het eerste jaar van koning Kores. De inzet is na te gaan of ook deze periode volgens de Schrift een gesloten geheel vormt en uitkomt op vijfhonderd jaar, tot aan het einde van de Babylonische verwoesting.

Salomo als beginpunt

Het beginpunt van deze periode ligt bij Salomo, zoals de Schrift zelf markeert. Na de voltooiing van de tempel en het koninklijk paleis verschijnt JAHWEH voor de tweede maal aan Salomo en spreekt Hij woorden die beslissend zijn voor de verdere geschiedenis van het koningschap (1 Koningen 9:1–9).

Daar klinkt niet alleen bevestiging, maar ook waarschuwing:

Maar indien gij of uw zonen u van Mij afkeren (…) dan zal Ik Israël uitroeien uit het land dat Ik hun gegeven heb”
-1 Koningen 9:6–7-.

In deze woorden wordt de weg van Juda vastgelegd tot aan de uiteindelijke verwoesting van stad en tempel. Daarmee vormt dit moment geen willekeurig beginpunt, maar het door de Schrift aangewezen begin van de periode die uitloopt op de Babylonische verwoesting. Vanaf hier levert de Schrift ook de gegevens aan om de tijd tot aan de val van Jeruzalem te tellen.

vierhonderddertig jaar tot de val van Jeruzalem

Wanneer de regeringsjaren van de koningen van Juda worden opgeteld, ontstaat een gesloten periode van vierhonderddertig jaar. Daarbij wordt gerekend zoals de Schrift zelf rekent: inclusief de jaren van troonwisseling.

De onderstaande tabel geeft deze optelling weer. Zij volgt de gegevens uit Koningen en Kronieken en laat zien hoe de regeringen elkaar opvolgen tot aan de val van Jeruzalem onder Zedekia. Ook de korte regeringen van Joahaz en Jojakin zijn hierin meegenomen, omdat zij in de Schrift expliciet als koningen worden genoemd.

In Kronieken worden de regeringsjaren van de koningen in hele kalenderjaren weergegeven. Delen van jaren worden niet meegeteld. Daarom tellen jaren van troonwisseling niet mee, omdat daarin twee koningen ieder slechts een deel van het jaar regeerden.

Deze optelling staat niet op zichzelf. Zij vormt de eerste, nuchtere telroute, die zonder profetische duiding of symboliek uitkomt op vierhonderddertig jaar vanaf Salomo tot aan de verwoesting van stad en tempel.

bevestiging vanuit de profetie

Naast de historische optelling van de regeringsjaren geeft de Schrift ook langs profetische weg een tijdsaanduiding. In Ezechiël 4 krijgt de profeet de opdracht om een aantal dagen op zijn zijde te liggen, waarbij iedere dag staat voor een jaar. Deze symbolische handeling heeft betrekking op de ongerechtigheid van Gods volk en wijst vooruit naar het oordeel dat over Jeruzalem zou komen.

Voor het huis van Israël worden driehonderdnegentig dagen genoemd en voor het huis van Juda veertig dagen. Samen vormen zij een periode van vierhonderddertig jaar. Deze telling wordt niet ontleend aan koningslijsten of historische reconstructies, maar wordt door de profetie zelf aangereikt als maat voor de schuldperiode die uitloopt op de verwoesting van Jeruzalem.

De uitdrukking “huis van Israël” is in de profetieën niet per se beperkt tot het tienstammenrijk. Afhankelijk van de context kan de uitdrukking ook betrekking hebben op het gehele volk van Israël. Ook in Ezechiël komt deze bredere betekenis regelmatig voor (3:1,4,7; 8:6; 37:11). Dat ligt ook hier voor de hand, aangezien de profetie vooruitwijst naar het oordeel over Jeruzalem. De driehonderdnegentig jaren laten zich daarom moeilijk uitsluitend op de tien stammen betrekken, aangezien zij reeds meer dan een eeuw vóór de val van Jeruzalem waren weggevoerd. De daaropvolgende veertig jaren voor Juda vormen dan de afsluitende fase van dezelfde schuldperiode, die uiteindelijk uitloopt op het oordeel over Jeruzalem.

Opmerkelijk is dat Jeremia ongeveer veertig jaar heeft geprofeteerd, vanaf de dagen van Josia tot aan de val van Jeruzalem (Jeremia 1:1–3). Daarmee vormen deze veertig jaren de afsluiting van de weg die in Ezechiëls profetie wordt aangewezen.

Zo verschijnt hetzelfde getal van vierhonderddertig jaar langs een tweede lijn. De historische optelling van de regeringsjaren komt uit op vierhonderddertig jaar vanaf Salomo tot aan de verwoesting van Jeruzalem. De profetische aanduiding in Ezechiël 4 wijst op dezelfde tijdsduur als de maat van Israëls en Juda’s ongerechtigheid. Twee geheel verschillende lijnen — een historische en een profetische — komen daarmee uit op hetzelfde getal. Dat bevestigt dat de periode vanaf Salomo tot aan de verwoesting van Jeruzalem door de Schrift als een gesloten geheel wordt gepresenteerd.

de zeventig jaar verwoesting

Na de val van Jeruzalem volgt een periode die de Schrift expliciet benoemt: zeventig jaar verwoesting. Deze jaren worden verbonden met de verwoesting van stad en tempel (-2 Kronieken 36:19–21-) en lopen uit op het eerste jaar van koning Kores, wanneer het woord van Jeremia wordt vervuld (2 Kronieken 36:22).

2 Kronieken 36 verbindt de zeventig jaar met het niet in acht nemen van de sabbatsjaren. Vanaf de verwoesting van stad en tempel krijgt het land rust, totdat de zeventig jaren vervuld zijn (2 Kron. 36:19–21). Zo vormen deze jaren de afsluiting van de voorafgaande geschiedenis.

De zeventig jaar verwoesting herstellen geen fout in de telling, maar maken de periode vol. Vierhonderddertig jaar tot de val van Jeruzalem, gevolgd door zeventig jaar verwoesting: samen vijfhonderd jaar.

Hier wordt zichtbaar dat de ballingschap geen onderbreking is van de tijdrekening, maar er integraal deel van uitmaakt. Oordeel en tijd lopen hier samen op.

vijfhonderd jaar voltooid

De periode vanaf Salomo tot aan het eerste jaar van koning Kores blijkt geen open of rekbaar geheel te zijn. Langs verschillende lijnen laat de Schrift zien dat deze fase van de geschiedenis als een gesloten periode wordt gepresenteerd. De optelling van de regeringsjaren van Juda, de profetische aanduiding in Ezechiël 4 en de expliciet genoemde zeventig jaar verwoesting lopen samen uit op één tijdspanne van vijfhonderd jaar.

Opmerkelijk is de symmetrie die zichtbaar wordt wanneer deze vijfhonderd jaar worden vergeleken met de eerste vijfhonderd jaar vanaf Abrahams geboorte. Toen bestond die periode uit zeventig jaar tot aan de belofte en vierhonderddertig jaar tot aan de uittocht. Hier keren dezelfde getallen terug, maar in omgekeerde volgorde: vierhonderddertig jaar tot aan de verwoesting van Jeruzalem en zeventig jaar verwoesting tot aan het eerste jaar van Kores.

Zo tekent de Schrift ook deze fase als een geordend geheel binnen een grotere tijdlijn. Met het herstel dat onder Kores aanvangt, wordt de weg geopend naar de volgende periode, waarin de geschiedenis verder toeloopt naar de komst van Israëls Messias.

Delen: