GoedBericht.nl logo
English Blog

Barnabas zoekt Saulus in Tarsus op

30-04-2026 - Geplaatst door Andre Piet

samenvatting van een lezing onder de titel:
Saulus opgezocht
Het Bijbelgedeelte dat besproken wordt is Handelingen 11:19-26

Deze passage over de gebeurtenissen in Antiochië staat niet op zichzelf, maar volgt op het keerpunt waarbij door Petrus de deur naar de natiën werd geopend. Wat vervolgens in Antiochië plaatsvindt sluit direct aan bij die ontwikkeling.
-Hand.10; 11:19-

De steniging van Stefanus markeert de officiële verwerping van de Messias door Israël. Werd eerst de Messias gekruisigd, nu wordt ook de boodschap van de opgewekte Messias verworpen. Daarmee bevestigt het Sanhedrin haar eerdere afwijzing.
-Hand.7:54-60; 8:1-

De verdrukking die op de steniging van Stefanus volgt leidt tot verstrooiing van de gelovigen. Wat als nood ontstaat, blijkt het middel waardoor het woord zich juist buiten Judea verspreidt, als zaad dat uitgestrooid wordt.
-Hand.8:1; 11:19-

De verstrooide gelovigen spreken aanvankelijk uitsluitend tot Joden. Dit sluit aan bij de oorspronkelijke verwachting dat eerst Israël tot erkenning van de Messias zou komen. Pas daarna zouden de natiën in beeld komen. 
-Hand.3:19-21; 11:19-

In Antiochië vindt een doorbraak plaats doordat sommigen ook tot Grieken spreken. Er is hier een handschriftenverschil: sommige lezen “Grieken” (heidenen), andere “Grieksen” (Griekssprekende Joden), maar de tegenstelling in de context — eerst alleen tot Joden, daarna ook tot anderen — wijst erop dat hier werkelijk niet-Joden bedoeld zijn. In Antiochië wordt een beslissende stap gezet naar de natiën.
-Hand.11:19-20-

Enigen uit Cyprus en Cyrene, Joden uit de diaspora en vertrouwd met de Griekse wereld, spreken in Antiochië ook tot Grieken. Zij evangeliseren de Heer Jezus. Dat betekent: het goede bericht dat zij vertellen is dat God Jezus heeft opgewekt en tot Heer heeft gemaakt. Niet Jezus zoals Hij vóór zijn sterven op aarde wandelde werd gepredikt, maar Degene die door God is opgewekt en verhoogd.
-Hand.11:20-

Geloven wordt in de Schrift niet voorgesteld als een keuzeproces, maar als het be-amen van wat gehoord wordt. Wie het evangelie gelooft, keert zich daarmee om tot de Heer; dat is één en dezelfde beweging. De uitdrukking “tot geloof komen” voegt een stap toe die de Schrift niet kent. De tekst spreekt eenvoudig over “geloven”: het aannemen van wat verkondigd wordt. Of beter nog: het vertrouwen op Wie verkondigd wordt. 
-Hand.11:21-

Barnabas wordt vanuit Jeruzalem naar Antiochië gezonden om polshoogte te nemen van de nieuwe ontwikkeling van de doorbraak naar de Grieken. Zodra hij aankomt, ziet hij “de genade van God”. Hij herkent in wat er gebeurt geen menselijk succes, maar Gods werk.
-Hand.11:22,23-

De woorden voor genade (charis) en blijdschap (chara) zijn in het Grieks direct verwant en komen uit dezelfde stam. Genade is dat wat blij maakt: het is een onverdiende gunst die je ontvangt zonder aanspraak, en juist daarom vreugde en dankbaarheid wekt. Dat effect is kenmerkend voor genade. Wanneer Barnabas de genade van God ziet, ziet hij dus niet alleen wat er gebeurt, maar hij herkent Gods werk in de blijdschap en het geloof dat het voortbrengt.
-Hand.11:23-

Barnabas’ oproep is niet om vooruit te gaan, alsof er nog iets toegevoegd moet worden, maar juist om te blijven bij wat er is. Want uit een bron kun je blijvend putten en een fundament is juist bedoeld als vaste plaats.
-Hand.11:23-

Barnabas wordt beschreven als een goed man, vol heilige geest en geloof. Dat verklaart zijn beoordeling: hij ziet en erkent wat God doet. De groei van de gemeente wordt passief beschreven: er wordt een menigte toegevoegd. Het is de Heer die toevoegt, niet de mens die iets opbouwt. Het woord klinkt, mensen geloven, en de Heer voegt toe.
-Hand.11:24-26; 2:47-

Antiochië wordt vanaf dit moment in Handelingen een nieuw centrum. Waar Jeruzalem het beginpunt was, wordt Antiochië de uitvalsbasis voor de bediening naar de natiën. Van hieruit zou Paulus telkens zijn reizen ondernemen en ook weer terugkeren.
-Hand.11:20; 13:1-3-

Barnabas, een Leviet uit Cyprus en bekend als “zoon van de vertroosting” had reeds in het prille begin, afstand gedaan van het land dat hij bezat. Barnabas was het ook die Saulus onder zijn hoede nam toen deze in Jeruzalem werd gewantrouwd. Hij kende Saulus dus persoonlijk en wist van zijn roeping tot de natiën; daarom zoekt hij hem nu doelbewust op in Tarsus om hem bij het werk in Antiochië te betrekken.
-Hand.4:36-37; 9:27; 11:25-

Saulus was jarenlang uit beeld sinds zijn vertrek uit Jeruzalem en verbleef in de streken van Syrië en Cilicië. In die tijd was hij niet stil, maar predikte hij wel buiten het zicht van het Handelingen-verslag. Saulus’ terugkeer in Antiochië, op initiatief van Barnabas, brengt hem opnieuw naar voren en markeert het begin van zijn openbare bediening en stempelt het vervolg van het boek Handelingen.
-Hand.9:30; 11:25; Gal.1:21-

Barnabas en Saulus zijn een vol jaar samen met de ekklesia en onderwijzen een aanzienlijke schare. Er wordt niets opgezet of georganiseerd; geen structuren, geen programma’s — het woord wordt geopend en onderwezen, en daarin ligt alles besloten wat nodig is voor opbouw.
-Hand.11:26-

Barnabas en Saulus worden aanvankelijk steeds in die volgorde genoemd, waarbij Barnabas de voortrekkende rol heeft en Saulus met zich meeneemt. Maar wanneer Saulus in Cyprus optreedt tegen Elymas en daar ook voor het eerst Paulus genoemd wordt, verschuift de volgorde: vanaf dat moment is het Paulus en Barnabas; daarmee wordt zichtbaar dat de leiding in de bediening overgaat en Paulus de voornaamste rol krijgt.
-Hand.11:26; 13:9-

Onderwijs is de kern van samenkomen: het woord wordt geopend en verklaart zichzelf. Autoriteit ligt in de Schrift, niet in degene die spreekt.
-Hand.18:11; 28:31-

In een geschiedkundig verslag als Handelingen worden gelovigen vrijwel standaard ‘leerlingen’ (discipelen) genoemd, omdat leren en ontvangen hen waarneembaar kenmerkt. Toch worden zij in ‘de brieven’ nooit aangesproken als leerlingen. Want dan ligt het accent niet op wat de mens doet, maar op de positie die God aan gelovigen heeft gegeven. Dan heten ze bijvoorbeeld geheiligden, geroepenen of uitgekozenen.
-Hand.11:26; Rom.1:7; 1 Kor.1:2-

Voor het eerst worden leerlingen in Antiochië christenen genoemd. Deze naam werd niet door henzelf gekozen, maar door de buitenwereld gegeven. De benaming ‘christen’ komt in het Nieuwe Testament slechts drie keer voor en telkens in een context van buitenaf. Er is geen aanwijzing dat gelovigen zichzelf zo noemden. De benaming ‘christenen’ (lett. christianen) draagt kennelijk een element van afstand of spot. Onder de naam van ‘christen’ lijdt men. 
-Hand.11:26; 26:28; 1 Petr.4:16-

Delen: