9. Het Evangelie Van… Slotavond
09-07-2015 - Geplaatst door Andre PietPresentatie van studieavond gehouden op 9 juli 2015 in Rotterdam
In deze laatste studie onder het overkoepelende thema ‘het Evangelie van…’, een bespreking van de uitdrukkingen “het Evangelie van de Christus” dat maar liefs negen keer door Paulus wordt gebezigd, “het Evangelie van (de) God” en “het Evangelie van jullie redding”.
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Terugblik op de Voorgaande Acht Avonden
- Het Evangelie van de Christus Om Niet Gebracht (1 Korinthe 9)
- Een Heteros Evangelie: het Evangelie van Christus Verdraaid (galaten 1)
- Hemels Burgerschap en Staan in Één Geest (filippenzen 1)
- Hervatting Na de Pauze en Huishoudelijke Mededelingen
- Afgezonderd voor het Evangelie van God (romeinen 1)
- Een Heilige Liturgie voor de Natiën (romeinen 15)
- Het Evangelie van God Gebracht in Veel Strijd (1 Thessalonicenzen 2)
- Het Woord Der Waarheid: het Evangelie van Jullie Redding (efeziërs 1)
- Het Evangelie Omgekeerd: Genade Versus Godsdienstige Voorwaarden
Terugblik op de Voorgaande Acht Avonden ↑ hoofdstukken
De negende avond op deze 9e juli. We hebben inmiddels dus een achttal avonden al gehad rondom dit ene thema wat u hier in de regenboog ziet afgebeeld: het evangelie van. En vanavond heb ik het als thema meegegeven, en ik moet u eerlijkheidshalve toegeven dat de lading niet helemaal gedekt wordt door de vlag. We zullen het over meer hebben dan alleen maar over deze uitdrukking, het evangelie van God en zijn Zoon, maar daarover straks meer.
Eerst is het misschien goed om even nog terug te blikken. We hebben dus acht avonden gehad. De eerste avond was een inleidende avond over het begrip evangelie, maar ook het werkwoord dat daarmee verband houdt: evangeliseren. Goed berichtiseren, weet u nog? We hadden het daarover in januari, als ik me niet vergis. Of februari, wanneer was het?
En de daaropvolgende avond hebben we het gehad over het Evangelie van het Koninkrijk. Dat is een uitdrukking die we in de evangeliën aantreffen. Het evangelie, het goede bericht van het Koninkrijk dat Jezus predikte. De twaalf predikten dat. Het is het evangelie dat te maken heeft met het volk van Israël, waardoor ook het Koninkrijk op aarde gevestigd zal worden. Publiekelijk en openbaar.
De tweede avond toen hebben we het gehad over het Evangelie van mij. En ‘mij’ slaat uiteraard niet op de spreker, maar op Paulus, die die uitdrukking maar liefst drie keer gebruikt. Het goede bericht van mij. En dat staat eigenlijk tegenover dat Evangelie van het Koninkrijk. Ik zeg het niet helemaal correct, alsof het elkaar zou bijten. Maar zo bedoel ik het ook niet. Ik wil alleen maar zeggen dat het Evangelie van het Koninkrijk juist te maken heeft met het feit dat het Koninkrijk openbaar zal worden, terwijl het evangelie van Paulus juist te maken heeft met het feit dat het Koninkrijk verborgen is. En Christus is verborgen en wij zijn met hem ook verborgen. Dus in die zin staat dat ook tegenover elkaar.
De derde avond hebben we ons beziggehouden met Galaten 1 en 2. Nou, vooral het Evangelie van de besnijdenis. Ik zeg de derde avond, dat was de vierde trouwens. Maar goed, iedere keer hadden we dus een uitdrukking die begint met ‘het evangelie van’. Het Evangelie van de besnijdenis en het Evangelie van de voorhuid. Dat zijn twee van die min of meer technische termen. Die slaan op Israël en anderzijds op de natiën die niet besneden zijn. De voorhuid dus. En over het verschil tussen beide evangeliën. Het ene was toevertrouwd aan Petrus en de twaalf, en het andere was toevertrouwd aan Paulus. Wel, over dat verschil hebben we het toen ook een hele avond gehad.
Vervolgens hebben we ons beziggehouden met de verborgenheid van het evangelie. Het thema was een beetje afwijkend, maar de verborgenheid van het evangelie is een uitdrukking uit Efeze 6. En dat wordt dan later in datzelfde hoofdstuk verklaard als zijnde het Evangelie van de vrede. Dat wil zeggen, het evangelie dat vrede maakt en verzoening aanbrengt. Vijanden of vervreemden van elkaar tot eenheid brengt. Vijanden worden vrienden. Dat is de verborgenheid van het evangelie.
En een avond later hebben we ons nog beziggehouden met een prachtige uitdrukking ook — maar dat zijn het allemaal hoor, daar niet van — het Evangelie van de genade Gods. Een uitdrukking uit Handelingen 20. Paulus bezigt daar die uitdrukking, dat hij dat evangelie van de genade onder de natiën mocht prediken. Geweldige waarheid die daarin benadrukt wordt. Wat is het goede bericht? Het evangelie. Wel, dat de genade Gods reddend is verschenen aan alle mensen.
De avond daarna, dus de een-na-laatste keer, hebben we ons beziggehouden met het Evangelie van de heerlijkheid van Christus. De uitdrukkingen werden steeds langer, want deze uitdrukking vinden we in 2 Korinthe 4. En we hebben ons vooral op dat hoofdstuk, dat gedeelte gefocust. Het evangelie namelijk van de heerlijkheid, van wie? Wel, van Christus. Of eigenlijk moet het eerst staan: van dé Christus. Ja, we nemen nou zulke lidwoorden zoals ze er staan.
Het Evangelie van de heerlijkheid van Christus en de laatste keer, dat was dus de achtste avond, hebben we ons beziggehouden — de vorige keer dus — met het Evangelie van de heerlijkheid van de gelukkige God. En in zekere zin zou je kunnen zeggen dat er een opklimmende reeks in zit. Althans, met dit zevende thema op die achtste avond hadden we wel een schitterende benaming van het evangelie. Dat ook weer waarvan Paulus zegt dat het aan hem was toevertrouwd, dat hij onder de natiën predikte. Hoezo goed bericht? Wel, het spreekt van heerlijkheid. Heerlijkheid van wie? Wel, van God. Wie is die God dan? Wel, hij is God. Maar wat nog helemaal mooi is, en dat was eigenlijk het grote focuspunt: God is gelukkig. The happy God.
En waarom is God gelukkig? Heeft hij dan geen oog voor het leed in de wereld? Weet hij daar niet van? Jazeker, hij heeft het zelfs ingezet. Dus hij weet wat hij doet. Maar hij weet ook waarom hij het doet, en hij weet ook waartoe het allemaal leidt. Hij is gelukkig omdat hij een doel voor ogen heeft waarvan hij weet dat hij dat doel zal bereiken. Wij denken altijd maar van: zou het gebeuren? Nee, God is daar vanaf den beginne al volkomen zeker van. Hij verkondigt van den beginne de afloop en daarom is hij the happy God. Hij is gelukkig, want het gaat hem allemaal gelukken. En dat wat hij voornemens is, dat realiseert hij. En bovendien: alles wat hij kwijt was, verloren was, dat vindt hij weer. Hij zoekt net zolang tot hij het gevonden heeft. Een geweldige uitdrukking: het Evangelie van de heerlijkheid van de gelukkige God.
En ik heb u de vorige keer ook gezegd, maar dat is heel persoonlijk, dat geef ik toe, dat wat mij betreft deze term voor mij persoonlijk de meest favoriete is. Omdat het zo schitterend uiteenzet dat het allemaal gaat om de geweldige glorie van God die gelukkig is. Als er iets is wat een mens gelukkig kan maken, dan is het juist het besef, de wetenschap: Hij die alles in zijn hand heeft, hijzelf is gelukkig. Wel, als dat jou bekendgemaakt wordt als een goed bericht, dan maakt dat jouw hart ook gelukkig. Dat kan niet anders. Dan is hij gelukkig, en wij met hem.
Het Evangelie van de Christus Om Niet Gebracht (1 Korinthe 9) ↑ hoofdstukken
Dan gaan we ons vanavond met nog een aantal uitdrukkingen bezighouden. Want we hebben negen avonden gepland, allemaal onder dat overkoepelende “het evangelie van…”, maar met negen avonden red je het niet. Als je iedere keer één uitdrukking neemt, dan redden we het niet. Dat betekent dat we vanavond de resterende uitdrukkingen voor onze rekening moeten gaan nemen, en ook dat redden we eigenlijk niet. Dat wil zeggen: we gaan ons vanavond nog bezighouden met het evangelie van de Christus. Feitelijk is dat één uitdrukking. Van al die uitdrukkingen die we deze avonden behandeld hebben en behandelen, is deze uitdrukking het meest voorkomend. Tel ze maar eens een keertje na. Ik geloof dat we hem negen keer tegenkomen: het evangelie van de Christus.
Daarnaast is er het evangelie van God, of meestal het evangelie van de God, dat zullen we vanavond ook zien. En het evangelie van zijn Zoon, die komt maar één keer voor. En dan nog het evangelie van jullie redding, die komt ook één keer voor in Efeze 1; die wil ik vanavond vooral voor het voetlicht brengen. Dat betekent dus dat we een aantal uitdrukkingen buiten beschouwing moeten laten, daar komen we gewoon niet aan toe omdat die in zekere zin veel overlap kennen met andere uitdrukkingen die we al behandeld hebben. Zoals bijvoorbeeld in Markus 1 vers 1, daar wordt gesproken over het evangelie van Jezus Christus. Dan hebben we ook nog de uitdrukking die Paulus drie keer bezigde: het evangelie van ons. Dat heeft veel overlap met het evangelie van mij, daar hebben we het al over gehad. En dan nog hebben we de uitdrukking het evangelie van de Heer van ons in 2 Thessalonicenzen 1 vers 8. Als ik me niet vergis, is daarmee de verzameling compleet en heb ik er nu geen één over het hoofd gezien. Dat zijn dus allemaal van die uitdrukkingen die we in het Nieuwe Testament aantreffen, verreweg de meeste trouwens van Paulus, die allemaal heten: het evangelie van.
Zoals gezegd gaan we ons eerst eens bezighouden met deze uitdrukking: het evangelie van de Christus. Zoals ik hem nu hier formuleer, vindt u hem waarschijnlijk in uw Bijbelvertaling nergens, want daar staat iedere keer het evangelie van Christus. Is dat een groot verschil? Nou, ja en nee. In ieder geval, als Paulus die uitdrukking bezigt — want alleen hij kent deze frase — dan spreekt hij inderdaad over dé Christus. Dat “de” is een bepaald lidwoord, zoals dat in de grammatica heet. Dat wil zeggen: het is bepaald. Het gaat over die ene, dé Christus. Niet zomaar, maar dé Christus. Die uitdrukking vinden we negen keer in het Nieuwe Testament. We beginnen in Romeinen 15 en in 1 Korinthe 9, daar gaan we straks trouwens naartoe. In 2 Korinthe komt het drie keer voor: in hoofdstuk 2, 9 en 10. Galaten 1 vers 7, daar gaan we straks ook nog even naartoe. U ziet, we kunnen onmogelijk al die passages de revue laten passeren, maar een paar wil ik toch wel even onder uw aandacht brengen. Filippi 1 vers 27, daar gaan we ook nog naartoe. 1 Thessalonicenzen 3 vers 2 laten we dan even voor wat het is, maar u ziet: negen keer komt die uitdrukking voor, alleen in Paulus’ brieven.
Laten we eerst eens gaan naar 1 Korinthe 9. Zoals u ziet, vinden we de uitdrukking daar in vers 12 en vers 18. Of vers 18 er ook bij hoort is een beetje een handschriftenkwestie, ik wil u daar niet te veel mee vermoeien; dat is een beetje een technische kwestie. Het nadeel van zo’n thematische behandeling is wel dat je van schriftplaats naar schriftplaats skipt. Dat betekent dat je iedere keer weer even toelichting moet hebben over de context en de samenhang waarin dat dan staat. Paulus heeft het in 1 Korinthe 9 over het feit… nee, hij heeft het niet over het feit, hij reageert daarbij op een vraag of meer specifiek een beschuldiging, namelijk hoe het zat met zijn vergoeding en met de wijze waarop hij daarmee omging. In het eerste deel van dat hoofdstuk lees je dat Paulus uiteenzet welke rechten hij heeft als afgevaardigde. In vers 14 sluit hij dat dan af: zo heeft de Heer ook voor de verkondigers, of de afkondigers van het evangelie, de regel gesteld, voorgeschreven, dat zij ook van het evangelie leven. Sommige mensen zetten daar een punt, maar dat zou je niet moeten doen, want dat is juist de opstap. Hij zegt: ik heb de bevoegdheid om als verkondiger van het evangelie van het evangelie te leven. Dat is heel normaal en hij geeft ook aan waarom dat zo normaal is, om dan vervolgens vanaf vers 15 uiteen te zetten waarom hij niet van die bevoegdheid gebruikmaakt. Hij heeft dat nooit gedaan. Hij zegt ook waarom hij dat niet doet, en dan haak ik aan bij vers 18.
Hij zegt dan: wat is mijn loon? Eigenlijk is daar het antwoord op: geen. Paulus heeft geen loon, weet u waarom niet? Hij is een slaaf, en een slaaf heeft geen loon. Een werknemer, iemand die zich verhuurt, die krijgt een loon. Maar een slaaf heeft geen loon. Een slaaf is gewoon een lijfeigenaar en kan geen rechten claimen. Een slaaf wordt geacht eigendom te zijn. Dat fenomeen kennen wij nauwelijks meer, in ieder geval in de westerse wereld niet: je bent het eigendom van iemand, jouw heer. Een heer is niet een werkgever, nee, een heer is iemand die jou bezit. Dat betekent dus dat je geheel afhankelijk bent van de genade, van de goedgunstigheid en de gunst van jouw heer, degene die jou bezit en van wie jij krijgt wat je krijgt. Je had slaven in de dagen van Paulus die een buitengewoon puik leven leidden. Waarom? Omdat ze een goede heer hadden die goed voor hen zorgde, die hun alles gaf en ook alle vrijheid gaf, alleen waren ze positioneel het bezit van die heer. Een slaaf kan geen rechten claimen omdat hij het bezit is van een ander.
Paulus vraagt: wat is mijn loon nou? Het antwoord is in eerste instantie: niets. Hij heeft geen loon en de reden daarvoor is, zoals hij ook zegt, dat hij dit niet gewillig doet. Hij zegt: ik ben genoodzaakt, ik kan niet anders. Ik ben het eigendom van Hem. Trouwens, dat had hij nog eerder in deze brief naar voren gebracht. Maar goed, laten we even verder gaan. Hij gaat antwoord geven waarom hij toch loon heeft, alleen dan loon tussen aanhalingstekens. En dan zegt hij dit: Paulus evangeliseerde, hij bracht een goed bericht. Wat is zijn loon? Wel, zegt hij, strikt genomen niets. Maar als ik dan toch een loon heb, dan is het dat ik door mijn evangeliseren, opdat ik evangeliserend het goede bericht brengende… opdat ik evangeliserend het evangelie… en ik heb hier even een sterretje bij gezet, dit bedoelde ik met wat ik zojuist een handschriftenkwestie noemde. In de Textus Receptus, dat is de klassieke tekst waar bijvoorbeeld de Statenvertaling ook op gebaseerd is, staat hier: “het Evangelie van Christus”. Ik zou daar even een bevestiging van willen horen van degenen die een Statenvertaling hebben. Ja? Oké, gelukkig. Anders denkt u: dat beweer jij nu wel, maar is dat zo? Ja, dat is echt zo. Trouwens, ik moet erbij zeggen dat ook als Paulus die uitdrukking hier niet bezigt, er nog een paar passages zijn.
Versen eerder, dus in vers 12, gebruikt hij in ieder geval wel die uitdrukking: het evangelie van Christus, of van de Christus. Dat is onomstreden. Dus in de praktijk maakt het toch ook weer niet zo gek veel verschil. Maar let even op wat Paulus hier zegt. Hij zegt dat hij evangeliserend het evangelie, of het goede bericht van Christus of van de Christus, om niet mag brengen.
Om niet, dat wil zeggen: kosteloos. Oftewel gratis. En ik vind dat zo mooi. Hij zegt het evangelie om niet te brengen. Nou, als je dat dubbelzinnig beluistert – we hebben niet voor niets twee oren gekregen, toch? – dan kan dat twee dingen betekenen. Het evangelie om niet brengen kan in de eerste plaats betekenen: ik breng een evangelie dat “om niet” is. Het evangelie zelf is om niet. Gratis. Je kunt er niets voor betalen; het kost ook helemaal niets. Dat is het evangelie om niet. Een evangelie dus van genade. En u weet, we hebben dat ooit besproken toen we het hadden over het evangelie van de genade Gods. Een beetje genade bestaat niet, een beetje gratis bestaat ook niet. Het is gratis of niet, dat is zwart-wit.
Maar hier gebruikt Paulus het in die dubbele betekenis van het woord. Hij zegt: “Wat is dan mijn loon?” Wel, als ik al loon heb, tussen aanhalingstekens, dan is dat dat ik evangeliserend het evangelie om niet mag brengen, of neer zou leggen. Paulus beschouwt het als zijn loon, als zijn salaris, als iets wat hij zomaar extra krijgt waar hij ineens aanspraak op zou kunnen maken: dat hij nu in de gelegenheid is om het evangelie gratis te brengen. En dat past dus zo perfect, zo naadloos bij de inhoud van wat hij vertelde. Dat was dus de wijze waarop hij te werk ging en het doorgaf, het uitbazuinde. Dat was een expressie van de inhoud van wat hij vertelde. En u weet: als de verpakking precies weergeeft wat de inhoud is, dan is dat schoonheid, dat is mooi.
En Paulus zegt: “Dat is mijn loon.” Hij zegt dat het zijn bevoegdheid is om van het evangelie te leven. Paulus deed dat trouwens bij gelegenheid ook, dat hij inderdaad vrij was van handenarbeid. Maar dan was dat altijd omdat hij giften kreeg, bijvoorbeeld – we zullen het straks nog zien – van de Filippiërs. Hij werd dan ondersteund in zijn levensonderhoud en dan was hij in de gelegenheid om geen handenarbeid te verrichten, om zich volledig fulltime te wijden aan het doorgeven van het evangelie en het Woord van God. Maar Paulus heeft nooit in zijn bediening daar een aanspraak op gemaakt. Hij bracht het evangelie om niet. In de dubbele zin dus van het woord: het evangelie is om niet en hij bracht het ook kosteloos, gratis. Hij vroeg er nooit iets voor. Hij zei nooit: “Zouden jullie mij willen onderhouden?” We zullen dat straks trouwens nog heel expliciet zien als hij daar een passage aan wijdt in de brief aan de Thessalonikers; dan zegt hij dat ook zo.
Paulus beschouwt dat dus als zijn loon: dat hij dat mag doen en geen aanspraak hoeft te maken op zijn bevoegdheid. Nogmaals, wat hij stelt is dat het niet meer dan redelijk is dat iemand die het evangelie predikt ook van het evangelie leeft, maar hij maakt er nooit een aanspraak van. Sterker nog, het is zijn eer, zijn loon om het om niet te brengen; kosteloos, zonder iets in rekening te brengen. Zo zegt hij van zijn bevoegdheid als evangelieprediker geen gebruik te maken. Hij heeft een bevoegdheid, een autoriteit om dat te doen, maar hij zegt: “Dat doe ik niet.” En dat is zijn loon; dat was wat hij daarvoor terugkreeg.
Zijn betoog gaat verder natuurlijk ook over deze dingen, maar het is wel heel mooi. Hier spreekt hij dus ook over dat evangelie van Christus. Het evangelie van Christus is de goede tijding, het blijde bericht van de Christus, van de Gezalfde. Want Christus betekent Gezalfde, van de Messias. Maar wat is nu karakteristiek voor dat evangelie? Dat is dat het gratis is.
We gaan verder.
Een Heteros Evangelie: het Evangelie van Christus Verdraaid (galaten 1) ↑ hoofdstukken
En we zullen daarin bevestigd worden. Want nu gaan we vervolgens naar Galaten 1. In Galaten 1. En het is niet de eerste keer dat we in deze brief aangekomen zijn. Er zijn al heel wat keren dat we ons startpunt in die brief en ook in dit hoofdstuk genomen hebben. Maar goed, waarom gaan we er nu naartoe? Omdat Paulus ook in Galaten 1 spreekt over het evangelie van de Christus. Ik blader eventjes voor mezelf ook naar Galaten 1 toe; dat kan ik u ook aanbevelen, dan kunt u ook even de hele context zien.
Dan zegt hij – misschien is het toch goed om even het voorgaande ook te lezen, ik begin vanaf vers 6: “Het verbaast mij,” zegt hij dan. Hij valt min of meer met de deur in huis. “Het verbaast mij dat gij u zo schierlijk van degene die u in de genade van Christus geroepen heeft, laat afbrengen tot een ander evangelie.” Een heteros evangelie. I zeg het even expres zo, niet om interessant te doen, maar omdat het Grieks een nuance kent in het begrip ‘ander’ die wij in het Nederlands niet echt zo kennen.
Hij zegt: “Jullie zijn geroepen in de genade van Christus.” Even nog een bredere context: Paulus had daar in Galatië het evangelie verkondigd van genade, om niet. Aan heidense mensen, totaal zonder Joodse achtergrond, helemaal niets van dat al. Ze hadden een geweldig bericht van genade gehoord, ze hadden het beaamd en aangenomen. Hun hart was daarvoor opengezet en dat had hen zeer gelukkig gemaakt. Dat staat ook in Galaten 4: het had hen zo gelukkig gemaakt.
En nu waren daar mensen gekomen in Galatië die zeiden: “Ja, maar dat gaat zomaar niet. Je bent nu weliswaar om niets gered en een gelovige, maar als je nu werkelijk een rechtvaardig leven wilt leiden, als je gerechtvaardigd wilt worden, dan zul je toch echt de wet moeten houden. Om te beginnen zul je je moeten besnijden, mannen, en je zult de hoogtijden moeten houden, koosjer eten, etcetera.” En dan is Paulus furieus. Hij zegt: zo’n boodschap, dat is een andersoortig evangelie, een heteros evangelie.
Hij zegt dat dit geen evangelie is; eigenlijk staat er: “dat is geen ander.” Alleen hebben de vertalers er “en dat is geen evangelie” van gemaakt. Dat klopt wel hoor, maar daarmee hebben ze die moeilijkheid van dat woordje ‘ander’ even omzeild. We hebben het er bij een eerdere gelegenheid over gehad, maar ik roep het nog even in herinnering. Hij zegt letterlijk dat het geen allos evangelie is. Als ik het parafraseer, een beetje simpel gezegd, dan zegt hij dit: dat evangelie wat jullie nu hebben aangenomen, of wat nu onder jullie gebracht wordt en dat ingang vindt bij jullie, dat is andersoortig. Dat is heteros. We kennen dat woord natuurlijk allemaal van ‘hetero’. Maar hij zegt: dat is niet slechts anders (allos). Dat is een nuanceverschil.
Kijk, laat ik een voorbeeld geven. Stel je voor, mij wordt gevraagd: “Zeg, heb jij een andere auto?” Dan zeg ik: “Nee, ik heb geen andere auto. Hij is wel anders, want ik heb hem van blauw naar geel gespoten, maar ik heb geen andere auto.” Geen andersoortige auto; het is nog steeds dezelfde auto, alleen is hij veranderd. Dat is het nuanceverschil. De ene is heteros, een andersoortige auto; de andere is veranderd, maar in de kern hetzelfde.
En Paulus zegt: “Ja, dat evangelie wat jullie nu aannemen, dat is een ander evangelie.” Niet slechts anders. Want Paulus gaat juist in het navolgende vertellen dat de boodschap die aan hem was toevertrouwd wel anders was dan die van Petrus. De ene was van de besnijdenis, de andere van de voorhuid. Die twee boodschappen zijn anders, maar het is niet een ‘ander’. Wat daar nu gepredikt werd in Galatië, dat was een andersoortig evangelie.
Genoeg even hierover, maar ik lees even door, want het gaat om die uitdrukking die we nog moeten lezen: “het evangelie van Christus”. Vers 7: “Er zijn echter sommigen die u in verwarring brengen.” Verwarring; die jullie verontrusten, die jullie verstoren. Ze hadden rust gevonden in een boodschap van genade en van rust, en nu werden ze verstoord en verontrust. En Paulus is niet mals in zijn uitspraken over hen, want hij spreekt een anathema over hen uit. Dat is een anathema-evangelie, een vervloekt evangelie. Het is dus geen evangelie.
Want het punt is namelijk: ze waren geroepen in genade en nu moesten ze er weer iets voor doen. Dan kun je zeggen: “Was dat nou zo’n belasting?” Ja, het punt is: iets is gratis of het is niet gratis. En al hoef je er maar heel weinig voor te doen, dan is het niet meer gratis. Dus dat is een hele zwart-witte kwestie. En dan te bedenken wat Paulus hier in Galaten 1 zegt; dat is echt zo fundamenteel, ook zo zwart-wit. En dan te bedenken dat wat Paulus hier naar voren brengt en waar hij op reageert over wat er aan de hand was daar in Galatië, dat dit vervolgens in de christenheid gemeengoed is geworden. Nou ja, meer gemeen dan goed, dat is waar. Maar die boodschap van een beetje genade, weet u wel, maar ook weer de wet op alle mogelijke wijzen – daar gaat het nu verder niet om, maar zij waren in verontrusting daardoor.
En wat deden die lieden? Het evangelie van de Christus wilden zij verdraaien. Dat beoogden zij dus: het te verdraaien. Ze waren geroepen, zagen we in vers 6, in de genade van Christus, en nu gingen ze naar een andersoortig evangelie. En wat werd er opgeofferd? Genade. Daarmee werd aan dat evangelie een draai gegeven en was dat evangelie dus niet langer meer een evangelie. En in plaats van dat die boodschap redding bracht, was ze een vloek. Dat wil zeggen: de zegen ontbrak.
Kijk, wat is duisternis nou eigenlijk? Niks, dat wil zeggen: licht ontbreekt. Wat is dood? Eigenlijk ook niks; dood is waar leven ontbreekt. Wel, wat is een vloek? Wel, dat is waar de zegen ontbeert. Hier was de zegen uit het evangelie gehaald. De clou, dat wat het juist tot een goed bericht maakt, werd eruit genomen en dat betekent dat er geen goed bericht meer over was. En de zegen verkeerde dus in een vloek. Een omkering.
Ik moet er ineens aan denken, het schiet me zo te binnen: u weet dat de ark ooit landde op de Ararat. En dat was op de 17e van de 7e maand. Dat werd later de 17e Nisan, de dag waarop later de Heer Jezus op zou staan. Maar weet u wat het bijzondere daarvan is? Het was de Ararat, maar ‘Ararat’ wil zeggen – Arar heeft te maken met vloek. De vloek is omgekeerd. Dat kan ook. Hier gebeurde precies het tegenovergestelde: hier werd de zegen omgekeerd in vloek. Wat de Heer bij de ark deed, is dat de vloek werd omgekeerd. De aarde was vergeven van water en was eigenlijk één groot graf, en God heeft op die ene dag, de 17e Nisan, de vloek omgekeerd. Het graf werd overwonnen.
Dat was nog niet direct zichtbaar toen, en dat is het nu ook nog niet zo. Ik bedoel: de opstanding van Christus is een feit, de Eersteling is er. De vloek is omgekeerd. Niemand ziet het nog, maar wij weten het. Het evangelie van Christus, dat is het evangelie van de genade. En daarmee zijn we toch ook weer een beetje terug bij een eerdere avond toen we het hadden over het evangelie van de genade van God. Het evangelie van de Christus is dus feitelijk niets anders dan het evangelie van Gods genade in de Christus. We zagen dat zojuist in 1 Korinthe 9: het is het evangelie ‘om niet’. En hier zien we het ook: mensen die het evangelie van Christus willen verdraaien. Verdraaid nog aan toe, zeg ik dan.
Maar dat is net zoiets als bij een verkeersteken: je ziet een verkeersbord naar rechts en dan ga je die kant op. Dat is belangrijk. Maar als je dat bord omdraait… We hadden dat laatst trouwens bij ons in de wijk. Daar stond een straatnaambord — ik laat het zo even uitbeelden. Die straat was de Paatsenakker. Een stelletje jongens had het bord kennelijk negentig graden gedraaid, waardoor er ineens stond dat de Stienplaats de Paatsenakker zou zijn. Zo hadden ze het omgedraaid en daarmee hadden ze waarheid tot leugen gemaakt.
Deze lui in Galatië hebben het evangelie omgedraaid, verdraaid, waardoor het niet meer de waarheid was. Dat is een zeer kwalijke zaak. Het Evangelie van de Christus is immers het Evangelie van de genade Gods. Filippi 1.
Hemels Burgerschap en Staan in Één Geest (filippenzen 1) ↑ hoofdstukken
Daar vinden we die uitdrukking ook. Paulus zegt tegen de Filippiërs – ik moet er nog even iets bij zeggen voor de context, en ik zal straks vertellen waarom – dat Filippi in Macedonië ligt, niet zo ver bij het huidige Saloniki vandaan. Dat zijn die grote Griekse steden. Filippi lag in Macedonië, maar het was een Romeinse kolonie. Die stad lag dus in een Macedonisch gebied, maar juist die stad was een enclave van de Romeinen. Het was een Romeinse kolonie. Waarom zeg ik dat er nu even bij? Wel, Paulus schrijft een brief aan de Filippiërs. Hij was daar geweest en had er het evangelie gepredikt. We lezen dat ook in het boek Handelingen. En nu zegt hij: “Gedraagt u waardig.” Hier staat letterlijk: “als burgers gedragen”. Letterlijk: wees burgers. In het Grieks staat hier politeuomai. En waarom zeg ik dat er eventjes bij? Omdat wij natuurlijk ons woordje ‘politiek’ daarin herkennen. Politeuma. Hij zegt eigenlijk dus – hier wordt niet zomaar het woordje ‘wandelen’ gebruikt – hij zegt: “Gedraagt u waardig als burgers.”
Daarmee bedoelt hij niet als Romeinse burgers. Nee, een paar hoofdstukken later gaat hij in hoofdstuk 3 vers 20 vertellen dat ons burgerschap, ons politeuma, onze politiek, in de hemel is. Hij zegt: “Ons burgerschap is in de hemel, vanwaaruit wij ook onze Heer Jezus Christus als Verlosser verwachten, die ons vernederd lichaam zal veranderen, gelijkvormig aan Zijn lichaam van heerlijkheid.” Daar is ons burgerschap. Die Filippiërs begrepen dat maar al te goed. In een Macedonisch landschap en een Macedonische provincie zouden zij zich als Romeinse burgers gedragen. Waardig, natuurlijk. Wij zeggen dan: adeldom verplicht. Als je deel uitmaakt van het koninklijk huis, dan leef je in een glazen huis. Er wordt op je gekeken. Dat is een hoge komaf en dat schept zo zijn verplichtingen.
Wel, dat is precies onze positie. Wij zijn van adel. Had u niet gedacht hè? Nee Renny, wat zit je nou te lachen? Ik zeg niet dat je adellijk bloed hebt, maar wij zijn van adel in de betekenis van ‘edel’. We zijn veredeld. Maar dat is ook Zijn werk. Gedraagt u waardig. We hebben zo’n waarde, en dat betekent dat we een leven mogen leven dat in overeenstemming is met onze hoge status. Waarom haal ik dit nu aan? Wel, ook hier weer vanwege die uitdrukking: het evangelie van Christus. “Alleen, wees burgers op een wijze die waardig is van het evangelie van de Christus.” En hier hebben we hem weer: het evangelie van de Christus. We hebben dit goede bericht van de Christus vernomen, van genade, en daar zegt Paulus dat wij een leven mogen leven – dat is een voorrecht – in overeenstemming met die positie.
Als je van adel bent, dan mag je ook adellijk leven. Als je een rijk mens bent, dan moet je wel weten dat je rijk bent natuurlijk. Dan mag je een rijk leven leiden. Dan kun je veel weggeven. De grootste dingen geven wij gewoon gratis, om niet, weg. Waarom? Wel, wij zijn steenrijk. Dat is schitterend als je zo mag leven: een rijk adellijk leven. Zo waardig te leven, zegt Paulus, vanwege het goede bericht van de Christus. Opdat, zegt Paulus, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig blijf, ik van u moge horen dat gij vaststaat in één geest. Dat jullie vaststaan in één geest. Hier hebben we hem: het bepaald telwoord ‘één’. Eén geest.
Hoe kun je één geest zijn? Wel, doordat je samen vaststaat in dat evangelie van het goede bericht van de Christus. Dat is een geestelijke eenheid. Dat is dus niet een organisatorische eenheid; dat kan niet geregeld worden. Dat is niet een kwestie van een burgemeester die de boel bij elkaar houdt. Een paar jaar geleden had je zo’n burgemeester in Amsterdam, die het altijd als zijn taak zag om de boel bij elkaar te houden en die vooral altijd over eieren liep. Hij zei nooit waar het op aankwam en waar het op stond, want ja, de boel moest bij elkaar gehouden worden. Heel veel mensen denken dat dat in de kerk ook zo moet – nou, in de kerk wellicht – maar in de gemeente, in de Ecclesia van Christus, werkt het totaal niet zo. Er is geen organisatie. Dat is een kwestie van: vertel gewoon het evangelie. En als u staat in dat evangelie, en ik sta in dat evangelie, en jij staat in dat evangelie, dan staan we dus samen in dat evangelie. Gewoon sterk. En dan is daar eenheid; daar hoeft niks voor gemaakt te worden. Dat heeft niets met organisaties te maken, totaal niets. Dan is er een eenheid in geest, een geestelijke eenheid. Je herkent het ook meteen, omdat je vaststaat in diezelfde boodschap.
Vaststaan in één geest. Dat heeft ook zijn consequenties en zijn gevolgen, want als je dan vaststaat in dat goede bericht, dan zegt Paulus: “en ook één van ziel, samen wetijverend (of samen strijdend).” Want ja, kijk, we hebben een goed bericht. Als je het kent en erin staat, dan wil je dat kwijt. Waarom? Omdat het een goed bericht is. Een bericht is sowieso iets wat geacht wordt doorgegeven te worden. En een goed bericht, dat is iets wat zichzelf vertelt. Je kan dat niet voor je houden, omdat het een goed bericht is. Maar er moet wel bij gezegd worden dat dit strijd oplevert. Op het moment dat je daarvoor uitkomt, zul je er op bedacht moeten zijn dat niet iedereen de rode loper voor je uitlegt en zegt: “Wauw, geweldig!” Degene van wie God de ogen opent, die zegt: “Ongelooflijk!” Maar je moet er ook op bedacht zijn dat degenen die in hun eigen filosofie en eigen godsdienstigheid zitten – ook christelijke godsdienstigheid, of had ik moeten zeggen: juist christelijke godsdienstigheid – dat dit een gigantische strijd geeft.
Niet omdat jij zo graag strijdt of omdat je zo vechtlustig bent, maar gewoon omdat je staat in dat evangelie en je het kwijt wilt. Maar dat roept ook reacties op en heeft gevolgen voor de ziel, de psyche. Dat geeft spanningen. Dus je staat in één geest, maar ook in één ziel. De psyche, de buitenkant, de gevoelens; daar heeft het ook alles mee te maken. Die worden daardoor geraakt. Het brengt altijd strijd met zich mee. En dan staat er ook bij: “in het geloof van het goede bericht.” Dus je staat voor dat wat het goede bericht brengt en dat wat wij daarin mogen geloven. Eén geest, één van ziel, en daarmee meestrijden.
Van die Filippiërs lees je dat ook. Zij ondersteunden Paulus sowieso in het doorgeven van die boodschap; daarin streden ze met hem mee. Ze droegen daarin bij, maar kwamen er zelf ook maar al te graag voor uit. Maar dat leidde tot conflict. Als je gewoon het evangelie zuiver vertelt, gewoon zoals het is – gratis, zo geweldig, echt een goed bericht – dan roept dat heel veel weerstand op. Ik blijf me erover verbazen, ik weet niet of u dat ook zo hebt, maar ik blijf me erover verbazen hoe het mogelijk is dat een boodschap die zo solide is, zoveel weerstand oproept. Het is zo duidelijk; ik had er vanmorgen nog een gesprekje over met iemand. Toen vroeg zij aan mij: “Snap jij dat nou? Het is zo duidelijk. Het staat gewoon in de Schrift. Je kan het zo onder bewijs stellen.” Het is zo solide en ook zo logisch. Het beantwoordt precies aan de eisen van een logisch verstand; het zijn woorden van gezond verstand. Paulus spreekt daar ook over.
Als je gewoon je hersenen die je van God gekregen hebt mag gebruiken, dan zeg je: “Ja, dit is godwaardig, dit is logisch.” En bovendien, het is zo rijkmakend en het maakt zo gelukkig. Begrijp je nou dat er tegen zo’n boodschap zo’n weerstand bestaat? Het is inderdaad verbazingwekkend. Het loutere feit dat dat toch het geval is, kan maar één ding betekenen: dat wij kennelijk in een hele boze aion leven. En dat is precies wat de Bijbel zegt. Dus dat bevestigt ook weer wat de Schrift zegt, waarin de waarheid niet getolereerd wordt, niet verdragen wordt. Mensen worden op zijn minst kriegelig en ze worden soms heel erg boos.
Ik had vorige week zelf nog zo’n ervaring in het publiek, toen ik tijdens een bruiloft iets mocht vertellen. Er werd een man toch een partij boos tijdens die samenkomst! Ja, een bruiloft is niet altijd even vrolijk. Maar goed, daar ontbrak het niet aan, maar aan de andere kant is dat nu eenmaal wat het evangelie oproept. Vertel het maar en maak je geen zorgen over dat soort effecten. Ik zou zeggen: wees blij dat het effect heeft.
Paulus zegt het ook. Het dwaalt een beetje af en misschien moet ik straks iets overslaan, maar Paulus zegt ook aan het einde van ditzelfde hoofdstuk — ik heb er geen diaatje van, maar in vers 29 van Filippi 1 zegt hij: “Want aan u, aan jullie is de genade verleend voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden.” In dezelfde strijd die je eens voor mij hebt gezien en nu ook voor mij hoort. Paulus had daar voortdurend mee te maken en die Filippiërs nu ook. Terwijl Paulus dit zo schreef, zei hij: het is genade als je Hem mag kennen, als je Hem mag geloven; dat is genade. Hij heeft jou overtuigd, dat is Zijn prestatie, dus genade.
Maar dat niet alleen. Het is ook genade om niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden. Dus ook die smaad te dragen en bestreden te worden of genegeerd te worden. Dat is trouwens nog erger soms, denk ik wel eens: dat ze je gewoon niet zien staan. Hoe was het ook alweer? We hebben de rijkste en grootste boodschap en soms kun je het aan de straatstenen niet kwijt.
Ja, ik zie dat het vijf voor negen is. Ik stel voor dat we eerst maar eventjes een kopje koffie gaan drinken. En dan gaan we straks over op deze uitdrukking: het evangelie van God.
Hervatting Na de Pauze en Huishoudelijke Mededelingen ↑ hoofdstukken
Zullen wij weer verder gaan? Voordat ik dat trouwens doe, wil ik nog even iets meedelen in verband met de planning. Nou ja, ik zeg meedelen, dat is niet helemaal juist, maar laat ik het dan voorzichtig en onder voorbehoud zeggen. Het is de bedoeling dat we straks in het najaar weer verder gaan met de studies. Uiteraard niet over dit onderwerp, want dat hebben we tegen die tijd gecompleteerd. Welk onderwerp wel, dat valt nog even te bezien. Ik heb zelf al een heel aantal opties openstaan en ik houd mij altijd aanbevolen voor een waardevolle suggestie. Ik zeg er wel bij: ik beloof niks. Als u iets aandraagt, betekent dat dus niet dat ik verplicht ben om me daaraan te gaan houden, maar het is inderdaad de bedoeling dat we straks in september hier weer verder gaan.
Het voorstel ligt nu bij de vereniging Eben-Haëzer en als ik me niet vergis is dat afgelopen dinsdag doorgegeven; tenminste, dat zou de bedoeling zijn geweest. Een aantal data, een twaalftal, weer in hetzelfde ritme van eens in de drie weken, zijn doorgegeven en dat wacht nog even op de goedkeuring. Dus ik kan wel zeggen: ik heb gevraagd om te beginnen op 17 september en dan is het vervolgens in een driewekelijks ritme. Ik heb het hier voor me liggen, maar nogmaals, dat moet eerst nog even goedgekeurd worden.
Die andere studieavonden, die andere donderdagen, zet ik gewoon voort in Bodegraven en in Katwijk. Ik moet er trouwens bij zeggen dat de Bijbelstudies die ik gaf in Rijnsburg, worden voortgezet in Katwijk. Van De Voorhof gaan wij naar… Sorry? Maar dat is… Nee, niet vanwege de spin! Ja, Rijnsburg was eventjes wereldnieuws in Nederland. Het was nog vlak bij ons huis ook. Naomi, onze dochter, hield het niet meer, maar ik heb haar gerustgesteld dat zo’n spin, als die zwanger is, wel duizend eitjes kan leggen en dat er in de zomer met deze temperaturen geen enkel gevaar is. Bovendien kan zo’n dier ook in no-time een geweldige afstand overbruggen. Dat is de wijze waarop wij elkaar in huis bemoedigen.
Maar goed bericht, precies. Het is een spin die afkomstig is uit Midden- of Zuid-Amerika en daar woont men gewoon tussen de spinnen in. Daar is het helemaal geen nieuws; het zou nieuw zijn als die spinnen er niet waren. Er valt dus heel goed mee te leven, volgens mij. Dan zullen we het nu over belangrijkere dingen gaan hebben.
Afgezonderd voor het Evangelie van God (romeinen 1) ↑ hoofdstukken
Het evangelie van God of van de God. Laten we die uitdrukking eens even overzien. Het evangelie van God komen we maar één keer tegen zonder lidwoord, en dat is in Romeinen 1 vers 1. We gaan daar straks even naartoe. De uitdrukking “het evangelie van de God” komen we tegen in Romeinen 15 vers 16. En even voor de statistiek: in 1 Thessalonika 2 komt het een drietal keren voor. Daar gaan we straks ook nog even naartoe.
Eerst naar Romeinen 1. Daar begint Paulus met die schitterende brief aan de Romeinen. Hij was zelf nooit in Rome geweest, maar er was daar al een Ecclesia. Hoe die ontstaan was, is een verhaal apart. Ik weet niet of ik daar straks nog aan toekom, vermoedelijk niet, maar ik zou er in elk geval nog wel wat over kunnen zeggen.
In Romeinen 1 vers 1 stelt Paulus zich voor. Hij begint meteen met zijn naam, de naam die hij draagt sinds hij zich richtte tot de natiën. In Handelingen 13 kreeg hij de naam Paulos. Die naam heeft te maken met stoppen, met pauze; die onderbreking in de heilshistorie waar we de voorgaande avonden meer dan eens over hebben gesproken.
Paulus noemt zich dan een slaaf van Christus Jezus. In de NBG-vertaling en ook vaak in de Statenvertaling staat “dienstknecht”, maar dat is niet juist. Een dienstknecht is iemand die in dienst staat van een ander en werkt voor een salaris. Maar Paulus zegt niet dat hij een dienstknecht is; hij is een slaaf. En van wie is hij dan een slaaf? Hij zegt het erbij: van Christus Jezus.
Dit is een typische Paulus-uitdrukking die ik eigenlijk uitsluitend bij hem vind: Christus Jezus. De verheerlijkte Christus staat vooraan. En wie is die verheerlijkte Christus die daar nu boven is? Wel, dat is de Jezus die hier op aarde ooit rondwandelde. Dat is de volgorde waarin Paulus Hem kende en Hem ook predikte. Hij zegt het haast in telegramstijl: niet “een”, maar gewoon “Paulus, slaaf van Christus Jezus”.
Hij noemt zich een geroepen apostel, of eigenlijk staat er gewoon: geroepen afgevaardigde. Een apostel is immers een afgevaardigde. Je kunt dat als één term zien: een geroepen afgevaardigde. Hij is geroepen — letterlijk: “Saul, Saul, wat vervolg je Mij?” Dat was zijn roeping en dat was genoeg om hem totaal om te keren. Zo werd een vijand in een oogwenk een slaaf van Christus Jezus. In één keer overtuigd en dus gelovig.
Geroepen en vervolgens afgevaardigd. Waartoe? Wel, dan staat er vervolgens afgevaardigd en afgezonderd tot de verkondiging van het evangelie van God, het goede bericht van God. Daarmee is dat goede bericht dat hij predikt en doorgaf direct gekwalificeerd: van wie is dat goede bericht? Wel, van niemand minder dan God Zelf.
Het is opmerkelijk dat hij zegt dat hij geroepen, afgevaardigd en bovendien afgezonderd is. In de Galatenbrief zegt hij zelfs dat hij al vanaf de moederschoot is afgezonderd. Jaren, decennia voordat hij daadwerkelijk geroepen werd, was hij dus al afgezonderd — wij zouden zeggen: vanaf de wieg, vanaf de moederschoot.
Waartoe was hij afgezonderd? Afgezonderd tot de verkondiging van… dat is trouwens interessant, want er staat in het Grieks gewoon “tot in” of “voor”. Het woordje “verkondiging” staat er eigenlijk helemaal niet. Hij is afgezonderd voor het goede bericht. Dat de vertalers daar meteen “verkondiging van” hebben gemaakt, zeg ik niet als kritiek, want dat is ook logisch. Logisch, want een goed bericht — we hadden het er voor de pauze al even over — betekent dat het bericht wordt. Het wordt doorgegeven. Een bericht dient bericht te worden; daar is het een bericht voor. Vandaar dus ook: tot verkondiging van. Dus als je afgezonderd bent voor het goede bericht, dan betekent dat: daartoe ben je apart gesteld en bestemd. Waarom? Om het door te geven, uiteraard. Hij is afgezonderd voor het evangelie, het goede bericht van God. Dan heb je die uitdrukking: het goede bericht van God.
Een Heilige Liturgie voor de Natiën (romeinen 15) ↑ hoofdstukken
Romeinen 15, daar spreekt hij ook over het goede bericht van God, van dé God wel te verstaan. En dan zegt hij – en u ziet dat ik hier weer midden in de zin val als ik Romeinen 15 vers 16 aanhaal – dat hij… laat ik het even zelf ook opzoeken. Ja, hij spreekt aan het slot van vers 15 nog over de hem van God geschonken genade. Hij is begenadigd. Dat is zoals het er letterlijk staat: hij is begenadigd. Hem is genade geschonken, een gunst. Hij is begunstigd; zo om niet kreeg hij het.
En waarom dan? Wel, om een dienaar van Christus Jezus voor de natiën te zijn, tot in de natiën. Hier staat weer “Christus Jezus”. Maar hij is ook een dienaar – en hier staat trouwens niet het gewone woord voor dienaar. In het Grieks is dat “diakonos”, waar het kerkelijk ambt van diaken van afgeleid is; dat is gewoon een dienaar. Maar hier staat eigenlijk een ander woord in het Grieks, een woord waar ons woord “liturg” van afgeleid is: leitourgos.
Wat is een liturg? Liturgie… ik denk dat we nauwelijks nog weten wat de Bijbelse of de gewone Griekse betekenis van dat woord is. Het is iemand die een publieke dienst verricht, en wel met het oog op God, in godsdienstig opzicht. Bijvoorbeeld: een priester was een liturg. Hij verrichtte een publiek ambt, namelijk met het oog op God en voor God. Dat is wat een liturg is; het is een publieke bediening.
Het is trouwens interessant dat in diezelfde Romeinenbrief – dit is Romeinen 15, maar als je twee hoofdstukken terugbladert naar Romeinen 13 – je leest dat de overheidsdienaren ook liturgen van God zijn. De overheid is een dienares van God, liturgen van God. Het gaat er helemaal niet om of ze dat zelf weten; dat is gewoon eigen aan hun ambt. Daartoe zijn ze gesteld. Of ze dat nu weten of niet, maakt niets uit. Ik zal u dit vertellen: de overheid waar Paulus het over had in die dagen, die wist het in ieder geval niet en wilde het ook helemaal niet weten. En toch waren ze het. Dat is nogal mooi. Nee, er is niets veranderd. We zijn inmiddels in 2015, maar volgens mij maakt de huidige tijd geen enkel verschil met de tijd van toen.
Maar Paulus zegt: “Ik ben een liturg van Christus Jezus voor de natiën.” Paulus verrichtte dus een publieke dienst met het oog op de natiën, en dat is typisch die bediening die hij had gekregen. Voor Christus Jezus – die geweldige benaming, die betiteling – maar ook voor de natiën zonder onderscheid.
U moet zich tegelijkertijd realiseren dat in de dagen dat Paulus dit optekende, er in Jeruzalem ook nog steeds een liturgie gaande was. Daar stond een tempel in Jeruzalem. Hij zou er niet zo heel lang meer staan trouwens, pakweg nog een jaar of hooguit vijftien. Daar waren liturgen, daar was een priesterdienst en daar was een vleselijke dienst – vleselijk in de zin van gewoon lichamelijk en zichtbaar – een tempeldienst. Maar dat was door God al aan de kant geschoven. Een paar jaar later zou het daadwerkelijk ook echt helemaal van de kaart verdwijnen, letterlijk. Maar terwijl dat nog gaande was, oefende Paulus de echte dienst uit, de echte liturgie voor God. Wat deed hij dan? Wel, hij was een liturg van Christus Jezus voor de natiën in de heilige dienst.
Nu komen we bij de uitdrukking “in de heilige dienst”. Hier wordt ook weer zo’n bijzonder woord gebruikt. Een gewijde dienst verrichtend, namelijk van het goede bericht van God, het Evangelie Gods. Vergis u niet: wat is vandaag onder de natiën de heilige dienst, echt de liturgie? Wat is voor God van waarde? Wel, dat is die dienst voor het Evangelie van God, het goede bericht van Hem. Het echte werk onttrekt zich helemaal aan het NOS-journaal en aan de kranten; het is een verborgen werk. Maar niettemin roept God vandaag een volk uit voor Zijn naam. Dat is het echte werk, dat is de liturgie. “Ik ben die liturg van Christus Jezus voor de natiën, en dat is een heilige dienst voor het Evangelie van God.”
Het Evangelie Gods. Ik heb een boek in de kast staan – wel meer – maar dat boek heet “Het Evangelie Gods”. Een schitterend boek van dokter F.A. Streuter. Ik kan het u echt aanbevelen. Het is geschreven door een Duitse hoogleraar die leefde van ongeveer 1850 tot 1920. Het is dus al een hele tijd geleden geschreven. Ook die man was gegrepen door het Evangelie Gods, door het echte Evangelie. Hij heeft in zijn dagen ook pal gestaan voor die boodschap, ook onder veel strijd.
Paulus was dus een dienaar van Christus Jezus, een liturg voor de natiën in de heilige dienst van het Evangelie van God, “opdat de offergave van de natiën…” Dat is wat hij zegt. Want wat gebeurde er? Paulus verrichtte een liturgie door het Evangelie van dé God te brengen, en wat had dat tot gevolg? Er werden mensen doorgeroepen. Mensen kregen er oor voor. Waarom? Omdat God hun oren daarvoor opent. En dat betekent dat er onder die natiën een offergave ontstaat. Wat Paulus dus feitelijk doet als dienaar, is bewerken dat er onder de natiën in het verborgene een offerande gebracht wordt. En die offerande is dat volk dat God Zich vandaag vormt.
Handelingen 15 vers 14 staat me erg voor de geest. Ik heb juist vorige week in Rijnsburg daar een Bijbelstudie over dat hoofdstuk gegeven. Daar lees je dat God Zich vandaag, in deze tijd, een volk voor Zijn naam uit de natiën verzamelt. Voor Zijn naam. Een offergave voor Hem. Niet om deze wereld te verbeteren of om het Koninkrijk in deze wereld gestalte te geven, maar puur voor Hem, voor Zijn naam. Gode welgevallig, geheiligd zijnde door of in de heilige geest. Je ziet dus: die heiliging vindt plaats door de heilige geest. Dat is geen mensenwerk, en dat is God welgevallig.
Ik ga nog even verder, naar 1 Thessalonicenzen 2.
Het Evangelie van God Gebracht in Veel Strijd (1 Thessalonicenzen 2) ↑ hoofdstukken
Dan zegt Paulus dit. Immers, om weer even de context te geven: dit is trouwens de eerste brief die hij geschreven heeft. Niet de eerste die we in het Nieuwe Testament aantreffen, maar wel de eerste brief die hij heeft opgetekend. En in Thessalonica heeft hij trouwens ook heel wat beleefd en meegemaakt; ook heel veel strijd. En dan zegt hij: “Immers, ondanks de mishandeling en de smaad die wij, zoals jullie weten, in Filippi tevoren ondergaan hadden…” Kijk het maar na, maar Paulus was eerst in Filippi geweest. Dat wordt beschreven in Handelingen 16. Weet u het nog? Daar heeft hij in de gevangenis gezeten, in die kerker. Middernacht zong hij met Silas, zijn medewerker, de lof van God. Hij was gemarteld. Dat bedoel ik nou met wat ik voor de pauze zei over het voorrecht: het was een genade om voor Hem te lijden. Dat waren voor Paulus geen holle frasen. Hij had daar zoveel tegenstand in Filippi ondergaan, was gemarteld – ik ga er nu aan voorbij wat er nog aan voorafgegaan is – en vervolgens wordt hij in de kerker gegooid, samen met Silas. De voeten werden geboeid in het blok. En midden in de nacht zongen zij Gods lof. En dat is wereldschokkend. Wat vond er toen plaats? Een aardbeving. En al die gevangenen luisterden mee. Ze zongen Gods lof, staat er. Zij waren blij met de smaad die ze mochten dragen. Wat een geweldige instelling. Er ging geen petitie naar Rome toe: “Wat krijgen we nou? Wij zijn Romeins-Spaanse burgers.” Nee, hij was blij en dankbaar voor alles wat hij daarvoor ondervond.
En, zegt hij: “Wij hebben u in onze God vrijmoedig gebracht…” Ja, de zinsindeling is wat anders dan in de vertaling, maar: vrijmoedig. Ik meen me te herinneren dat ik er al eens eerder op gewezen heb, maar het woord ‘vrijmoedig’ wil zeggen dat je de moed hebt om vrij te zijn. Letterlijk in het Grieks is het: alles zeggen, alles spreken. Dus niet dat waar we het over hadden, dat op eieren lopen of voorzichtig zijn. Nee, vertel het gewoon. En Paulus heeft dat gedaan. Hij vertelt het goede bericht en hij heeft dat vrijmoedig naar hen gesproken. Weet u wat het gevolg dan is? Het staat erbij: veel strijd. In de vertaling staat ‘onder zware strijd’. In veel strijd heeft hij het Evangelie van de God gebracht. Het goede bericht van de God. Heb je het weer? Hij bracht het goede bericht en wat had dat tot gevolg? Strijd. Conflict. En zo gaat het altijd.
En dan hebben wij vandaag nog de enorme luxe in onze westerse wereld dat wij in een democratische tijd leven. Nou ja goed, in ieder geval – ik zie René zo kijken van: “Nou ja, democratisch?” Goed, daar hebben we het even niet over, maar we leven in een democratische wereld en we hebben nog geweldige voorrechten. Zelfs minderheden worden beschermd. Dat is een zegen dat we dat allemaal zo kunnen doen. Er is nooit een tijd geweest waarin gelovigen in een werelddeel als het onze zo vrij waren om gewoon het Evangelie, het goede bericht, te vertellen. Gewoon, in de politieke zin van het woord, dat we juridisch beschermd worden om een bijeenkomst als deze zomaar te organiseren. Een paar eeuwen geleden was je op de brandstapel beland voor deze boodschap. Met de boodschap die ik nu vertel, had je echt gerookt als een ketter. Dat was je lot geweest. Wij leven nu in zo’n bevoorrechte tijd en daarom is dat des te meer reden om het op de kaarten te zetten. Vertel het! En ga dan niet zeuren over het feit dat je soms eens een keertje met de nek wordt aangekeken. Waar hebben we het over? Kijk naar de bronnen, naar ons grote voorbeeld, de liturg voor de natiën. Die tapt uit een ander vaatje, hoor.
Ik denk wel eens aan de wijze waarop wij daarmee omgaan. Dan zeg je: “Ja, ik zal u een voorbeeld geven…” Ik ga geen namen noemen, maar dan wordt er gezegd: “Als je gewoon het goede bericht vertelt zoals Paulus dat onder de natiën deed, nou, dan moet je daar voorzichtig mee zijn, hoor. Want dat ligt heel gevoelig. In de kerkelijke wereld zijn ze daar niet blij mee. Kijk uit, want dat zijn toch ook onze broeders en zusters.” Wees niet zo in die sfeer. Lieve mensen, vertel gewoon het goede bericht zoals Paulus dat vertelde en wees er dan op bedacht dat dat massieve tegenstand oproept. Dat is nu eenmaal zo. Maar ga niet tegen mensen die godsdienstig of heel vroom zijn – en met het grootste respect spreek ik daarover – zeggen, daar waar men het Evangelie bestrijdt, dat dat dus gewoon gelovigen zijn. Dat is toch vreemd? Ik heb heel veel respect voor moslims en voor het feit dat zij zo godsdienstig en religieus zijn en dat zo serieus oppakken, maar het Evangelie kennen ze niet. Maar op het moment dat daar het label ‘christenen’ aan hangt, zeggen we: “Dat zijn gelovigen.” Hoezo? Hoe weet je of iemand een gelovige is? Kijk gewoon naar het Evangelie. Is het inderdaad het Evangelie dat Paulus bracht? Of ben ik nou erg scherp? Het staat gewoon geschreven: het is hét Evangelie. En ga geen water bij de wijn doen, want dan is er geen wijn meer; dan is het ranja geworden. Dat is niet een boodschap die blij maakt. Nogmaals, dat zeg ik niet om de strijd op te zoeken, maar gewoon om duidelijk te zijn: het Evangelie is gratis. En als het niet gratis is, is het geen Evangelie. Ga niet over eieren lopen en probeer ook niet de boel bij elkaar te houden. Dat is de boodschap. En dat geeft conflict en roept allerlei weerstand op. Maar lang niet de strijd van Paulus’ dagen, bevoorrecht als we zijn met de vele rechten die ons als minderheid gegeven zijn. Laten we er des te meer gebruik van maken.
Ik lees even verder, dit was dus vers 2 van 1 Thessalonicenzen 2 en dan ga ik door naar vers 9. Dan gebruikt hij die uitdrukking nog een keer en dan zegt hij: “Want jullie herinneren je, broeders, onze moeite en onze inspanning.” En inderdaad, kijk het maar na in Handelingen 17, dan lees je dat Paulus ook handenarbeid verrichtte. Hij was tentenmaker samen met het echtpaar Priscilla en Aquila. Hij zegt: “Jullie herinneren je, broeders, onze moeite en onze inspanning, terwijl wij nacht en dag werkten.” Kennelijk suggereert het loutere feit dat hij het in deze volgorde zegt, dat hij vooral ’s nachts werkte. “Terwijl wij nacht en dag werkten om niemand van u lastig te vallen.” Dat wil zeggen: jullie financieel lastig te vallen. Hij werkte gewoon voor zijn eigen onderhoud. Niet omdat Paulus niet fulltime wilde werken, maar om er in ieder geval nooit aanspraak op te maken. Dat was een heilig principe voor Paulus: om het Evangelie te brengen en nooit zijn hand op te houden van: “Alsjeblieft, willen jullie mij ondersteunen?” Paulus heeft wel collectes georganiseerd, maar dat was altijd voor de arme broeders in bijvoorbeeld Jeruzalem; hij heeft daar nooit voor zichzelf toe opgeroepen. Hij zegt: “Terwijl we nacht en dag werkten om niemand van jullie lastig te vallen, ja gratis, hebben wij u het Evangelie van God gepredikt.” Hier weer die uitdrukking: het Evangelie van de God. Ziet u het ook hier weer? Wij proclameren dat, wij herhouden dat, ieder moet dat weten. En het is een bericht, sterker nog, het is een goed bericht. Vertel het! Geweldig, altijd naar buiten gericht. De natiën, de mensen moeten weten hoe groot God is en hoe geweldig dat goede bericht van Hem is. God heeft een boodschap. Ik hoorde in het verleden een liedje dat heette: “Ik heb een bericht”.
Ik heb een goed bericht. Het ging nog verder: “Voor de ladies en de hoeren, voor de vissers en de boeren, voor laffen en voor stoeren, maar speciaal voor jou.” Zo eindigde het dan. Ik heb een bericht; nou, dat is wel het goede bericht.
En nu wordt het een beetje een lastig verhaal, want de uitdrukking “het evangelie van zijn Zoon” heb ik ook beloofd nog te bespreken. Dat is een uitdrukking uit Romeinen 1 waar Paulus dat zegt. Om dit nu allemaal nog te gaan uitleggen, dat wordt een beetje een lang verhaal, want ik wil namelijk afsluiten met mijn gedeelte uit Efeze 1. Als u het niet kwalijk neemt, slaan we dit eventjes over.
Maar Paulus gebruikt dus in Romeinen 1 ook die uitdrukking. Je kunt hem wel voorlezen. Dan zegt hij in vers 9: “Want God die ik in mijn geest… want de God die ik dien in de geest van mij is mijn getuige.” Hij zegt: “in het evangelie van zijn Zoon”. Het is het evangelie van God, maar het is ook het evangelie van zijn Zoon, en ook aangaande zijn Zoon.
Maar als je in het voorgaande van Romeinen 1 hebt gelezen – en we hebben zojuist vers 1 gelezen – maar lees die tussenliggende verzen, 2 tot en met 8. Dan zul je ook zien waarom het ook het evangelie van zijn Zoon heet. God spreekt aangaande zijn Zoon, die Hij heeft opgewekt uit de doden, et cetera. Ja, en wat daar nog bijzonder aan is aan dit gedeelte, aan deze uitdrukking, dat parkeer ik voor een andere gelegenheid. En ik wil hier eindigen.
Het Woord Der Waarheid: het Evangelie van Jullie Redding (efeziërs 1) ↑ hoofdstukken
Want ook deze uitdrukking hebben jullie nog van mij tegoed: “Het evangelie van jullie redding”. Daar wil ik vanavond mee afsluiten. Waar zou deze uitdrukking vandaan komen? Hebben jullie een idee? Het komt uit Efeze 1. In uw vertaling staat er waarschijnlijk “het evangelie uwer behoudenis”, of in de Statenvertaling “het evangelie uwer zaligheid”. Maar er staat gewoon letterlijk “het evangelie van de redding van jullie”, om het even heel precies te zeggen.
Dan komen we bij Efeze 1, die schatkamer van God, zo noem ik het graag. Paulus begint de brief met: “Geloofd zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons zegent met elke geestelijke zegen in Christus Jezus te midden van de hemelsen.” Alsjeblieft, dan weet je meteen waar het is en in wie het is, maar ook waarmee we gezegend zijn: elke geestelijke zegen. Dat wil zeggen dat er geen schat, geen geestelijke zegen is die God niet aan ons geeft. Kortom, daar gaan de schatkamers van God echt open en Paulus pakt ook uit.
In vers 13 zegt hij: “In Hem zijn jullie ook”. Laten we vooral kijken naar de interlineair, dan ziet u hoe hij het formuleert. Kijkt u eens, misschien even omgekeerd van wat u meestal doet, maar we kijken eerst naar de interlineair en met een schuin oog naar de vertaling. Letterlijk staat er: “In wie jullie ook…” Het gaat over ons: wij die een voorverwachting van Christus hebben. Christus dus, in Hem. “In wie jullie ook”. Die “wie” slaat op Christus. In wie jullie ook, horende het woord van de waarheid, dat wil zeggen: het goede bericht van de redding van jullie.
In Hem zijn jullie ook, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis gehoord hebt. Het idee is dit: er wordt iets gepredikt, iets verteld dat gehoord wordt. En wat is dat dan? Het is het woord van de waarheid. Hét woord van dé waarheid. En wat is dat woord van de waarheid? Dat is hét goede bericht van de redding van jullie. Dit is niet moeilijk, maar ik wil met precisie aangeven hoe hij het formuleert. Hij zegt: “In Hem zijn jullie ook, horende het woord van de waarheid, dat wil zeggen: het goede bericht van de redding van jullie.”
Ik lees nu verder: “In Hem zijn jullie, in wie jullie ook, gelovende…” In vlotter Nederlands zeg je dan: “toen gij gelovig werdst”. Gelovende worden jullie verzegeld met de geest van de belofte, dat wil zeggen de heilige geest der belofte. Wat zegt hij hier? Paulus zegt dat de Efeziërs tot wie hij zich richt — of allen die in Christus Jezus zijn — verzegeld zijn. Ze hebben een goddelijk zegel gekregen. Ze zijn verzegeld met de geest van de belofte, de beloofde geest, namelijk de heilige geest. Ze zijn verzegeld met een goddelijk zegel, en dat betekent dat het onaantastbaar is.
Om een sprekend voorbeeld te geven: je leest dat de Romeinse overheid de steen voor het graf van Jezus had verzegeld. Er was een zware steen voor het graf en die was verzegeld door de hoogste overheid. Dat hield in dat op straffe van de dood het zegel niet verbroken mocht worden. Het is natuurlijk erg komisch, want juist de hoogste overheid had die steen verzegeld op straffe van de dood, maar wat gebeurt er? Op de derde dag wordt de steen weggerold en het zegel verbroken. Daarmee werd juist het leven bewezen. Zoals Paulus zegt in Kolossensen 2, werden daarmee de overheden en machten openlijk tentoongesteld en te kijk gezet. Die Romeinse overheid met hun zegel werd te kijk gezet. Maar als Gód verzegelt met de heilige geest van de belofte, dan ben je onaantastbaar.
Maar nu even precies: wanneer wordt een mens verzegeld met de heilige geest van de belofte? Dan moet hij eerst iets horen. Hij hoort het woord van de waarheid. En wat is dat woord van de waarheid? Dat is het evangelie van redding, van júllie redding. Als je dat evangelie hoort, hoor je een blijde tijding: Hij is jouw Redder. Dat is het evangelie van je redding. Er staat in 1 Timotheüs 4 over de levende God: Hij is een Redder, een Behouder van alle mensen, speciaal van gelovigen. Maar Hij rédt, Hij is jouw Redder. Dat is de blijde boodschap van jullie redding. Dat is het woord van de waarheid. Als je dat hoort en vervolgens gelooft — dat wil zeggen dat je daar “amen” op zegt — wat gebeurt er dan? In Hem zijn jullie, toen jullie gelovig werden, verzegeld met de geest van de belofte. Met andere woorden: wie is verzegeld met de geest van de belofte? Dat is degene die het woord hoort en gelooft, namelijk het evangelie van redding.
Het Evangelie Omgekeerd: Genade Versus Godsdienstige Voorwaarden ↑ hoofdstukken
Nou, ik herinner me weer even precies waar we het vanavond al een paar keer over hadden. Wat heeft men hiervan gemaakt? Men heeft dit verdraaid, omgekeerd. Men maakt hier namelijk van: als jij gelovig wordt, dan krijg je in het evangelie van je redding te horen. Want jij moet kiezen, daar komt het op neer; jij moet iets doen. En als jij dat gedaan hebt, als jij gelooft of als jij je knieën buigt of als jij je bekeert of als jij voor Jezus kiest, dan krijg jij het evangelie van je redding te horen. Daarmee is de boel precies omgekeerd. Deze mensen uit de tekst hadden niets, ze wisten niets, maar ze kregen iets te horen: het evangelie van hun redding. Dat hoorden ze en dat geloofden ze, en zo werden ze daarin verzegeld. Als je dat eenmaal gehoord hebt, als dat in jouw hart is ingedrongen, dan raak je dat nooit meer kwijt. Nooit.
Je moet die boodschap dus niet omkeren. In de christenheid is dat echter wel gebeurd. Daar zegt men: je moet eerst geloven en daarna krijg je het evangelie van je redding te horen. Dan ben je gered. Ja, precies. En dan is Hij ook je Redder. Het is inderdaad waar dat een mens wordt gered door geloof, dat klopt. Het is niet zo dat alle mensen al gered zijn. Nee. Hij is de Redder. En dat Hij de Redder is, wil zeggen: Hij redt alle mensen. Zijn alle mensen al gered? Nee, dat nog niet. De gelovigen nu zijn gered. Hij redt door geloof, maar geloof is ook weer een geschenk van Hem.
Dat staat trouwens niet in Efeze 1, maar in Efeze 2: “Door genade zijn jullie geredden, door het geloof, en dat niet uit uzelf, het is een genadegeschenk van God. Niet uit werken, opdat niemand roeme.” Hoe duidelijk wil je het hebben? Hij is de boodschap. Het woord van de waarheid is: Hij is jouw Redder. En dat mag je geloven. Men heeft er echter van gemaakt: als jij gelooft, wordt Hij jouw Redder. Daarmee heeft men een prijskaartje aan dat evangelie gehangen en is het geen boodschap van genade meer. Zie je hoe precies dit is?
Het is het woord van de waarheid. Maar mensen die naar de kerk gaan, geloven natuurlijk ook dat Jezus Christus gestorven is en de derde dag is opgestaan, en dat Hij ooit zal wederkomen. Zij geloven wel dat evangelie, maar ze zijn omgekeerd begonnen. Ze zijn nu ook verzegeld met… Dat is een goeie. Ze geloven in Jezus Christus. En Jezus zegt: “Ik zal allen tot Mij trekken.” Iedereen die in Mij gelooft. Nou, ze geloven. Dat geloven ze. Maar geloven ze het evangelie van de redding? Van hun eigen redding? Precies. En waarom zijn zij gered, denken zij? Omdat ze voor Jezus hebben gekozen. Het is dus geen boodschap van genade.
In feite is dit de christelijke variant, maar in wezen is dit de religieuze boodschap die overal verteld wordt: als jij dit doet, dan wordt Hij jouw Redder. Noem de godsdiensten allemaal maar op, zet ze op een rijtje. Altijd is het een boodschap met voorwaarden. Het is nooit “om niet”. Het is niet het evangelie van redding dat wordt verteld en dat je mag geloven; nee, het is altijd: jij moet iets doen en dan wordt Hij jouw Redder. Dat is een omkering van zaken.
Als u dat nu in het licht van Efeze 1 zo zegt, dan vraag ik me af: hoe vaak wordt het evangelie van redding eigenlijk verteld? Ik bedoel, het is all-inclusive. Hij is een Redder van alle mensen. De boodschap is all-inclusive, maar ik kan nou niet bepaald zeggen dat deze boodschap breed gedragen wordt. Het woord der waarheid, zoals Paulus dat zegt, is scherp. Ik weet dat mensen hier furieus op kunnen reageren.
Kijk, hoe wist Paulus nou… Laat ik het nog anders vragen. Dat is het laatste wat ik nog naar voren kan brengen, want het wordt natuurlijk een beetje laat. Ik zou hier nog erg lang over door kunnen gaan en nog veel meer Schriftplaatsen willen noemen, maar goed. Hoe wist Paulus nu of hij met een gelovige te maken had of niet? Het lijkt mij heel simpel. Mensen kunnen dat heel erg mystificeren. Mystificeren, daar hoor ik het woordje “mist” in, en dat betekent dat je de weg kwijtraakt. Je kunt het heel erg mystificeren en dan zeggen: welk mens kan nou in het hart van een ander kijken? Dat is waar. Ik kan niet in het hart van een ander kijken en u kunt niet in mijn hart kijken. Alleen Hij kent de harten, daar kunnen wij geen oordeel over geven. Het enige wat ik wel kan beoordelen, is of iemand het evangelie vertelt.
Hoe wist Paulus nou of hij te maken had met een gelovige? Dat geldt voor ons ook. Ik zou zeggen: vertel het evangelie. Vertel het evangelie en merk op wat voor reactie je krijgt. Als iemand zegt: “Geweldig, amen!”, dan is dat een gelovige. En als iemand zegt… nou, dan zeg je nog niks, maar dan zie je al heel veel. Of: “Onzin!” Zoals ik dat vorige week hoorde: “Onzin!” Klaar. Dat is dan een wat horkerige reactie, maar u begrijpt wat ik bedoel. Er is zoveel verzet.
Maar er zijn ook mensen die het wél geloven. En dat betekent gewoon dat ze het geloven. “Ja, maar het is genade Gods.” Dat vind ik geweldig. Maak je er ook helemaal niet druk om. We hebben zo’n geweldig evangelie. Wij hoeven helemaal niet te zeggen: jij wel, jij niet. Vertel gewoon het evangelie en doe daar niet moeilijk over. Vertel het woord van de waarheid, gewoon het zuivere evangelie. Dat is zo rijk, zo groots. De mensen die God roept, daar opent Hij de harten van. Die zeggen: “Wauw, geweldig, amen!” En er zijn mensen die dat niet beamen.
Het is zelfs zo – en dit is een ervaringsgegeven, u moet het maar eens een keer uittesten of dat in uw omgeving ook zo werkt – vertel het maar eens een keertje. Mijn ervaring is dat het ergste ongeloof onder christenen is. Nergens vind je meer weerstand tegen het evangelie, zoals Paulus dat vertelde, dan in de christelijke wereld. Nergens meer. Mensen maken weleens onderscheid tussen de christelijke wereld en de ongelovigen, maar dan zeg ik: nergens is ongeloof juist zo sterk, alleen is het witgewassen. Het is witgewassen waardoor je het niet herkent. Omdat men een christelijk vocabulaire gebruikt, men gebruikt de Bijbel, enzovoorts. Maar men gelooft het niet. Als men het evangelie hoort, is er weerstand en wordt het verdraaid.
Daar moeten we gewoon op bedacht zijn. Des te meer reden lijkt mij – en daarmee wil ik echt afsluiten – des te meer reden om gewoon dat weidse evangelie, zo groots, all-inclusive, te vertellen. God opent de ogen van mensen en Hij sluit ogen, en dat is wat je mag opmerken. Het is een geweldig voorrecht als we het vandaag al mogen zien. Daar hebben we ons helemaal niet op te beroemen. Zullen we het daarvoor vanavond bij houden?
UltimateGoodNews