English blog | Oude Artikelen

hebzuchtigen of oplichters?

10-10-2018 - Geplaatst door Andre Piet

Tijdens de GoedBericht-conferentie in Garderen ging ik in mijn toespraak in op 1Korinthe 6:9-11. In de NBG-51  wordt dat als volgt weergegeven:

9 Of weet gij niet, dat onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet beerven zullen? 10 Dwaalt niet! Hoereerders, afgodendienaars, overspelers, schandjongens, knapenschenders, dieven, geldgierigen, dronkaards, lasteraars of oplichters zullen het Koninkrijk Gods niet beerven. 11 En sommigen uwer zijn dat geweest. Maar gij hebt u laten afwassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd door de naam van de Here Jezus Christus en door de Geest van onze God.

Mijn punt tijdens deze toespraak was o.a. dat God niet alleen mensen roept maar vervolgens ook schoon wast en heiligt. Dat betekent anders gezegd dat ‘gelovigen’ die volharden in genoemde zonden, daarmee demonstreren niet echt een rechtvaardige (=gelovige) te zijn.

Uit enkele reacties naderhand bleek dat sommigen moeite hadden met deze benadering. Leidt deze uitleg niet tot elkaar de maat nemen waarin de één zich hoogmoedig verheft boven de ander? Bovendien, is een aanduiding als ‘geldgierigen’ (of ‘hebzuchtigen’) niet veel te vaag? Zijn niet alle mensen in mindere of meerdere mate daarmee behept? Wie bepaalt wat wel en niet acceptabel is? Voordat ik op deze vragen in ga, wil ik eerst vaststellen dat de rest van de lijst i.t.t. de vermelding van ‘hebzuchtigen’ nogal concreet is. Ga maar na.

concreet aanwijsbare zonden

Een hoereerder is iemand die gemeenschap heeft met een vrouw die niet de zijne is. Een afgodendienaar is iemand die godsdienstige eer geeft aan een ander dan de ene God. Een overspeler is iemand die ‘vreemd gaat’. Een schandknaap is iemand die zich homoseksueel ‘laat nemen’ en een knapenschender (lett. een ‘mannen-ligger’) is een man die een andere man seksueel ‘neemt’. Een dief is iemand die steelt. Een dronkaard is iemand die veelal en openlijk dronken is. Een lasteraar is iemand die lastert of uitscheldt. En een oplichter (lett. grisser) is iemand die (be)rooft. In alle gevallen betreft het concrete, aanwijsbare daden. Daden die in meerdere gevallen ook als misdrijf werden of worden aangemerkt. In het Koninkrijk van God dat straks op aarde gevestigd zal worden, zullen deze praktijken niet worden getolereerd. Let op: het gaat om praktijken en niet om neigingen. Vandaar dat Paulus in Gal.5:21 schrijft: “… dat wie zulke dingen praktiseren, Gods Koninkrijk niet als lotdeel zullen ontvangen”.

hebzuchtigen?

Des te vreemder is het dat Paulus in dit lijstje ‘geldgierigen’ of ‘hebzuchtigen’ zou noemen. Dat woord verwijst immers niet naar een door sommigen bedreven praktijk maar naar een universeel aanwezige neiging. Wat doet deze vage groep in Paulus’ concrete opsomming? De vraag dringt zich op: gaat het wel om ‘hebzuchtigen’? Of is hier misschien meer aan de hand? Laten we eens op dit woord inzoomen.

Het Griekse woord ‘pleonektes’ is opgebouwd uit de elementen ‘meer’ (pleo) en ‘hebben’. Een ‘meer-hebber’ dus. Dat wijst inderdaad in de richting van hebzucht. Maar ‘pleonektes’ betekent niet slechts méér willen hebben, maar méér willen hebben ten koste van anderen (2Kor.9:5; 12:17; 18). Dat laatste is essentiëel. In 1Thes.4 spreekt Paulus over het toe-eigenen van de vrouw van een broeder en deze daarmee bedriegt (4:6). Letterlijk staat ook hier ‘meer-hebben’ maar dan overduidelijk in de betekenis van (frauduleus) ‘oplichten’. Dan begrijpen we ook Efeze 5:3 veel beter:

Maar laat hoererij en alle onreinheid of oplichting zelfs niet genoemd worden onder jullie, zoals het heiligen betaamt…

De vertaling ‘hebzucht’ is hier veel te zwak. Het gaat maar niet om algemene menselijke zwakheid maar om een misdrijf. Dat is immers wat ‘oplichting’ is. M.a.w. Paulus heeft het in 1Korinthe 6:10 niet over ‘hebzuchtigen’ maar over ‘oplichters’. Een hoofdstuk eerder (5:11) schreef hij dat we niet met iemand die een broeder heet (!) zouden omgaan die een ‘oplichter’ is. Ook hier is de weergave ‘hebzuchtige’ misplaatst, omdat strikt genomen, niemand dan in aanmerking zou komen voor onderlinge gemeenschap!

verschil tussen vleselijk en boosaardig

De gelovigen in Korinthe waren in het algemeen, naar Paulus eigen zeggen, ‘vleselijk’ (1Kor.3:1). Er heerste nijd, twist en partijschappen (3:3) en Paulus beklaagt zich dat hij aan hen geen ‘vast voedsel’ kwijt kon (3:2), d.w.z. spreken over Gods wijsheid in verborgenheid (2:6,7). Kwalijk genoeg allemaal. Maar nergens lezen we dat de enkele geestelijk-gezinde gelovigen zich maar zouden afscheiden van de ‘vleselijke’ gelovigen. Dat streven zou zelfs de meest kwalijke vorm van partijschap (sektarisme) zijn. Een miskenning namelijk van de eenheid die alle gelovigen samen vormen. Geestelijken én ‘vleselijken’.

Waar gelovigen zich distantiëren van lieden die in hun ogen ‘vleselijk’ gedrag vertonen, ontstaat sektarisme. Dan gaat men elkaar de maat nemen en is het onvermijdelijk dat de één zich verheft boven de ander. In feite is die instelling zelfs het toppunt van een ‘vleselijke’ gezindheid! Dat is dan ook beslist niet de strekking van Paulus’ oproep in 1Korinthe 5:9-13. De Korinthiërs zouden zich niet onttrekken aan de ‘vleselijke’ gelovige maar afstand nemen van ‘de boosaardige‘ in hun kring. ‘De boosaardige’, dát is het woord dat Paulus in 1Kor.5:13 gebruikt. Hij refereert daarbij aan teksten als in Deut.13:5, 17:7, enz. waar sprake is van boosdoeners die uit het volk van Israël verwijderd zouden worden. ‘De boosaardige’ verwijst naar een type mens dat demonstratief en bewust rebelleert tegen Gods woord en grenzen overschrijdt. Bijvoorbeeld oplichters.

vanzelfsprekend

Het is opmerkelijk dat verder nergens in Paulus brieven nadrukkelijk gesproken wordt over het verwijderen van ‘de boosaardige’ uit de ekklesia. En de reden daarvoor is simpel. In een gezonde geloofsgemeenschap waar het Woord in haar kracht en scherpte klinkt is dat overbodig. Daar kunnen ‘boosdoeners’ het nooit lang uithouden. In een gezond lichaam worden ziektekiemen als vanzelf onschadelijk gemaakt. En waar het licht schijnt, verdwijnt duisternis automatisch. Juist daar lag het probleem in Korinthe. In de ekklesia werd gebouwd met ‘hout, hooi en stro’ (zie 3:12) oftewel met woorden van menselijke wijsheid (3:20). Daardoor was de ekklesia innerlijk verzwakt en bezat daardoor onvoldoende weerstand om boosaardige elementen buiten de deur te houden. Een gezonde prediking heeft een zuiverend effect op de hele gemeenschap. Niet door organisatorische maatregelen, maar in een organisch proces. Het is door de kracht van het Woord dat ‘boosaardige’ praktijken geen schijn van kans hebben.

Delen: