English

Galaten 2:6 – Paulus’ apostelschap minder?

20-05-2022 - Geplaatst door Andre Piet

En voor hen die in zeker aanzien waren – wat zij voorheen ook waren doet er voor mij niets toe, God neemt het gezicht van de mens niet op – want zij die in aanzien waren legden mij niets voor.

Paulus grijpt hier terug op de ontmoeting met hen die in Jeruzalem in aanzien waren. Zoals we ook in vers 2 al vaststelden doelt hij daarmee op de apostelen in Jeruzalem en meer in het bijzonder degenen “die voor steunpilaren golden”: Jakobus, Kefas en Johannes (2:9). Paulus erkent ten volle hun apostelschap, maar wil er niets van weten dat ze meer of belangrijker zouden zijn omdat ze voorheen de Heer op aarde hebben gekend. Of dat een man als Jakobus respectabeler zou zijn omdat hij “de broer van de Heer” (1:18) is. Paulus zegt: een dergelijk verleden of persoonlijke pre’s doen er voor mij niets toe, evenmin als dat God daar waarde aan hecht.

Paulus minacht dus niet ‘de twaalf’, maar relativeert wel hun positie. Het idee van de Galatische predikers dat ‘de twaalf’ boven Paulus zouden staan, ontkent hij met kracht. En trouwens, ook zij “die in aanzien waren” hadden dat idee evenmin. Integendeel zelfs. Ze hebben Paulus niets voorgelegd: geen enkele raad of instructies over wat hij moest zeggen of doen.

Delen: