GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

God verkiest geloof!?

29-10-2026 - Geplaatst door Andre Piet

Eerder deze maand overleed de bekende Bijbelleraar Ab Klein Haneveld. Al sinds het begin van de jaren ’80 ben ik zeer vertrouwd met zijn onderwijs. Een van zijn telkens terugkerende uitspraken was: ‘God verkiest geloof!’ Hij bedoelde daarmee dat God niet op voorhand bepaalde mensen uitkiest, maar dat Hij mensen verkiest omdat zij geloven. Wie gelooft, behoort tot de uitverkorenen. En of iemand gelooft, is uiteindelijk diens eigen keuze. Een gedachte die heel aannemelijk kan klinken, maar is zij ook Schriftuurlijk?

geen aanneming des persoons

Klein Haneveld beriep zich voor zijn redenering op het Bijbelse gegeven dat er bij God geen ‘aanneming des persoons’ is (Hand.10:34, Rom.2:11, enz.). Daarover kan geen misverstand bestaan. Maar wat betekent deze uitdrukking? Leviticus 19:15 werpt er een helder licht op. Daar wordt opgedragen om bij de rechtspraak noch de arme te begunstigen, noch de aanzienlijke voor te trekken. Het gaat dus om partijdigheid: iemand bevoordelen of benadelen vanwege zijn afkomst, aanzien of maatschappelijke positie. God doet dat niet. Hij oordeelt rechtvaardig en zonder aanzien des persoons.

Dat God geen aannemer des persoons is, betekent echter allerminst dat Hij geen onderscheid maakt. Als Schepper doet Hij immers niet anders! De één wordt hier geboren, de ander daar. De één als man, de ander als vrouw. De één in een rijke familie, de ander in een arme. De één groeit op in een islamitisch gezin, de ander in een boeddhistische of christelijke omgeving. De één beschikt over een scherp verstand, de ander heeft een verstandelijke beperking. De één is kerngezond, de ander kampt met ernstige handicaps. Niemand heeft daarin zelf iets te kiezen. God maakt onderscheid in afkomst, omstandigheden, vermogens en bestemming. Maar onderscheid maken is iets wezenlijk anders dan partijdig zijn!

En datzelfde principe zien we terug in Gods uitverkiezing. Hij kiest mensen uit voor een bijzondere roeping en bestemming, zonder dat hun afkomst, status of verdiensten daarbij bepalend zijn. Zo zonderde God Jeremia reeds vóór zijn geboorte af tot profeet (Jer.1:5). Hij verkoos Kores voor een bijzondere taak, terwijl deze Hem niet eens kende (Jes.45:4,5). En Paulus werd reeds vanaf de moederschoot afgezonderd, terwijl hij later zelfs een vervolger van de ecclesia zou worden (Gal.1:15,16). Van aanneming des persoons is daarbij geen sprake. God kiest mensen uit overeenkomstig zijn eigen voornemen, niet op grond van hun status of verdiensten.

En neem Israël. Dat volk werd door God uit alle volken uitgekozen. Niet omdat het groter, beter of geloviger was dan andere volken. Integendeel! Mozes verklaart uitdrukkelijk dat JAHWEH zijn keuze niet op Israël liet vallen vanwege de omvang van het volk, want het was juist het kleinste van alle volken (Deut.7:7,8). De grond van die verkiezing lag niet in Israël, maar in Gods liefde en zijn trouw aan de vaderen.

En betekende die uitverkiezing dat Israël bij God een streepje voor had wanneer het op zijn gedrag aankwam? Integendeel! In Amos 3:2 zegt God juist tegen Israël: ‘Alleen jullie heb Ik gekend uit alle geslachten van de aardbodem; daarom zal Ik jullie bezoeken om al jullie ongerechtigheden.’ De bijzondere verkiezing van Israël ging dus gepaard met een bijzondere verantwoordelijkheid. Uitverkiezing is iets heel anders dan voortrekken!

Abraham verkozen vanwege zijn geloof?

Klein Haneveld voerde ook Abraham aan. God zou hem hebben verkozen omdat hij een gelovige was. Maar waar staat dat? Nergens lezen we dat Abrahams geloof de grond was van Gods keuze. De Schrift vertelt dat God Abraham riep en hem een belofte deed. En Abraham geloofde God. Hebreeën 11:8 zegt dat Abraham ‘door geloof, geroepen wordend, gehoorzaamde’. Zijn geloof was dus het antwoord op Gods roeping, niet de opgegeven reden waarom God hem verkoos. En dat zijn geloof hem tot rechtvaardigheid werd gerekend (Gen.15:6), is een heel andere kwestie dan de vraag waarom God hem uitkoos.

Gods voornemen naar uitverkiezing

In Romeinen 9 maakt Paulus vervolgens korte metten met het idee dat Gods uitverkiezing afhankelijk zou zijn van wat de mens zelf doet. Over Jakob en Ezau schrijft hij dat zij nog niet geboren waren en nog niets goeds of kwaads hadden verricht, ‘opdat Gods voornemen naar uitverkiezing zou blijven, niet uit werken, maar uit Hem die roept’ (Rom.9:11). Let op die tegenstelling! Niet uit werken, maar uit Hem die roept. Paulus zegt daarmee niet alleen wat de grond van Gods uitverkiezing niet is, maar vooral wat deze wél is: God Zelf! Het is zijn voornemen dat beslissend is, niet de menselijke keuze.

waarom gelooft de één wel en de ander niet?

De uitspraak ‘God verkiest geloof’ laat bovendien een wezenlijke vraag onbeantwoord. Waarom gelooft de één wel en de ander niet? Is dat omdat de één verstandiger is, ontvankelijker of bereidwilliger dan de ander? Heeft de gelovige uiteindelijk iets in zichzelf waarop hij zich kan beroemen?

De Schrift leert iets heel anders. Onze redding is door genade, door geloof, en dat is Gods gave, niet uit onszelf (Ef.2:8,9). Sterker nog, Paulus schrijft uitdrukkelijk dat het ons geschonken is in Christus te geloven (Fil.1:29).

En van Lydia lezen we dat de Heer haar hart opende om acht te geven op wat Paulus sprak (Hand.16:14). Het is God die zowel het horende oor als het ziende oog heeft gemaakt (Spr.20:12). Niemand beschouwt het vermogen om te zien of te horen als een eigen verdienste of keuze. Waarom zou dat anders zijn wanneer het gaat om geestelijk zien en horen? Ook daarin is de mens afhankelijk van God. Hij opent ogen, oren en harten, maar Hij kan ze ook sluiten en verharden (Rom.11:7,8).

Maar betekent dit dan dat God aan de één geloof schenkt en aan de ander niet, en daarmee toch partijdig is? Nee, want onderscheid maken is nog geen aanneming des persoons! God maakt wel degelijk onderscheid in wie Hij roept, wanneer Hij geloof schenkt en welke bestemming Hij iemand geeft. Maar dat onderscheid berust niet op menselijke kwaliteiten of verdiensten, en betekent evenmin dat anderen van zijn redding worden uitgesloten. Uitverkiezing is immers niet hetzelfde als redding. God verkiest sommigen voor een bijzondere positie en bestemming, maar Hij is de “Redder van alle mensen, allermeest van gelovigen” (1Tim.4:10). Let op: allermeest en niet uitsluitend van gelovigen! Gods verkiezing betreft dus een bijzonder voorrecht voor sommigen, terwijl zijn redding uiteindelijk allen omvat.

Wie desondanks beweert dat uiteindelijk de eigen wil van de mens de doorslag geeft, maakt de mens tot de beslissende factor. Daarmee wordt de mens iets toegeschreven waarop hij zich zou kunnen beroemen. Maar juist die gedachte wordt door Paulus uitgesloten. Niet onze bereidwilligheid of onze inspanning bepaalt Gods ontferming, maar God Zelf. Of zoals Romeinen 9:16 het zo krachtig samenvat:

Zo hangt het dan niet af van hem die wil, noch van hem die rent, maar van God die Zich ontfermt.

Delen: