GoedBericht.nl logo
English Blog

drie keer tweeduizend jaar (7) – honderdtwintig jubeljaren

11-03-2026 - Geplaatst door Andre Piet

De Schrift presenteert de wereldgeschiedenis niet als een open en onbepaalde tijdslijn, maar als een geordend geheel. Zij laat zien dat de tijd vanaf Adam tot aan de komst van het Messiaanse rijk zesduizend jaar beslaat, verdeeld in drie gelijke perioden van tweeduizend jaar. Deze indeling is geen constructie achteraf, maar berust op samenhangende Schriftgegevens.

Zesduizend jaar komen zijn zestig eeuwen, oftewel: honderdtwintig jubelcycli. Het jubeljaar is in de Schrift het jaar waarin God recht verschaft. Schulden worden kwijtgescholden, bezit keert terug en vrijheid wordt afgekondigd. Dat deze structuur uitloopt op het zevende millennium, onderstreept het karakter van de komende sabbat als een tijd van herstel en recht.

In dat licht krijgt een uitspraak uit Genesis 6:3 bijzondere betekenis. Daar zegt JAHWEH over de mensheid:

Mijn Geest zal niet tot in de aeon rechtspreken in de mensheid, aangezien hij ook vlees is. Zijn dagen zullen honderdtwintig jaar zijn.

Deze woorden worden doorgaans betrokken op de periode vóór de zondvloed. De tekst zelf geeft echter geen expliciete tijdsaanduiding in die richting. Er wordt geen beginpunt genoemd en geen eindmoment aangewezen. De uitspraak heeft daarom een algemener karakter: aan de mensheid zal recht worden verschaft binnen een termijn van honderdtwintig jaar.

Zelfs wanneer de honderdtwintig jaren in eerste instantie betrekking hebben op de periode vóór de zondvloed, sluit dat een bredere betekenis niet uit. De Schrift gebruikt de dagen van Noach immers zelf als een patroon voor de komst van de Zoon des mensen (Matth. 24:37). Wat in de dagen vóór de vloed op kleinere schaal plaatsvond, kan daarom ook vooruitwijzen naar de grotere termijn waarin God met de mensheid handelt.

Wanneer de Schrift spreekt over het verschaffen van recht aan de mensheid, gaat het om een beslissende wending in de geschiedenis. Dat moment valt samen met de vestiging van het Messiaanse rijk. Juist het jubeljaar is het jaar waarin God recht zet wat scheef staat. Wanneer de honderdtwintig jaren uit Genesis 6:3 worden verstaan als honderdtwintig jubelcycli, ontstaat een opmerkelijke samenhang: het honderdtwintigste jubeljaar valt samen met het begin van het zevende millennium.

Mozes: drie keer veertig jaar

Dezelfde structuur zien we terug in het leven van Mozes. Hij leefde honderdtwintig jaar, verdeeld in drie perioden van veertig jaar. Die driedeling staat niet op zichzelf, maar weerspiegelt op kleine schaal het verloop van de wereldgeschiedenis.

De eerste veertig jaar van Mozes’ leven worden gekenmerkt door redding uit het water. Hij wordt bewaard in een biezen kistje, hetzelfde woord dat ook wordt gebruikt voor de ark van Noach. Deze periode loopt parallel met de eerste tweeduizend jaar van de mensheid, die eveneens worden gekenmerkt door oordeel en behoud door water.

De tweede veertig jaar beginnen wanneer Mozes omziet naar zijn broeders. Mozes ziet om naar zijn broeders, maar Israël verkeert nog in slavernij. Dit correspondeert met de tweede tweeduizend jaar: vanaf Abraham tot aan de dood en opstanding van Christus. De belofte is aanwezig, maar het volk leeft nog onder dienstbaarheid.

De derde periode van veertig jaar vangt aan met de verlossing uit Egypte. Israël wordt bevrijd, maar bereikt het beloofde land niet. Het volk sterft in de woestijn en blijft buiten het beloofde land. Dit weerspiegelt de laatste tweeduizend jaar: de grote verlossing is gerealiseerd, maar Israël is vanwege ongeloof nog niet ingegaan in het beloofde Koninkrijk.

Aan het einde van deze drie perioden bereikt Israël de grens van het land. Mozes sterft; Jozua voert het volk binnen. Niet Mozes, maar Jozua brengt Israël in de rust. Zo zal ook niet de wet, maar de ware Jozua het volk brengen in de beloofde sabbatsrust waarvan Hebreeën 4:8,9 spreekt.

Na drie keer tweeduizend jaar, na honderdtwintig jubelcycli, breekt het zevende millennium aan. Dat is geen voortzetting van de bestaande tijd, maar haar vervulling en voltooiing. De Schrift heeft deze uitkomst niet verborgen gehouden, maar van meet af aan in haar tijdstructuur vastgelegd.

Delen: