GoedBericht.nl logo
English Blog

Israël jaloers maken – een pijnlijke confrontatie

09-02-2026 - Geplaatst door Andre Piet

Er is een hardnekkige, haast universeel aanvaarde gedachte binnen de christelijke wereld dat de ‘jaloersheid’ waarvan Paulus spreekt in Romeinen 9 tot en met 11 een heilzaam verlangen zou uitdrukken. Een bewonderende jaloezie. De gedachte is dat de kerk als instituut, of de christenheid als geheel – zo lichtend zou moeten zijn dat Israël erdoor geprikkeld wordt om haar Messias te zoeken. Maar die uitleg houdt geen stand bij wat er werkelijk staat. De jaloezie waarvan sprake is, is geen subtiele evangelisatie-oproep. Het is een oordeel.

de context van Deuteronomium 32

Paulus haalt in Romeinen 10:19 expliciet Deuteronomium 32 aan. Daar zegt God:

Zij verwekten Mij tot jaloersheid met wat geen God is… Ik zal hen tot jaloersheid verwekken door wat geen volk is, toornig op een onverstandig volk.

Het is duidelijk: Israël heeft God vervangen – en nu zal God hén vervangen. Met een zogenaamd ‘volk’, dat nauwelijks als zodanig te herkennen is – een dwaas volk. Dit is een daad van vergelding, geen diplomatiek charmeoffensief.

Wanneer Mozes schrijft over ‘wat geen volk is’, dan is dat profetisch van toepassing op de ekklesia – die in de etnische zin des woords inderdaad geen volk vormt. Geen natie met land, bloedlijn of grenzen, maar een samenroepsel van individuele gelovigen uit alle volken. Juist zij wordt het instrument om Israël jaloers te maken. En dat is de krenking: dat God via een “dwaas volk” Zijn afwijzing van Israël openbaar maakt.

jaloersheid als toorn, niet als verlangen

De term “jaloersheid” in Romeinen 10 en 11 is gekoppeld aan “toorn”. Het is een reactie van diepe verontwaardiging, krenking en frustratie. Paulus gebruikt een parallellisme om dit aan te geven:

Ik zal u jaloers maken op wat geen volk is, toornig op een onverstandig volk.

De jaloezie is hier niets anders dan gekrenkte exclusiviteit. Israël voelt zich gepasseerd – en dat is precies Gods bedoeling. De term ‘jaloersheid’ staat in één adem met ’toorn’ – ze zijn niet los van elkaar te begrijpen.

het misverstand in het instituut ‘kerk’

Waarom dan deze populaire interpretatie waarin het instituut dat wij vandaag als ‘kerk’ aanduiden, geroepen zou zijn Israël jaloers te maken door voorbeeldig gedrag? Dat is wishful thinking, maar niet wat Paulus schrijft. De jaloezie waarover hij spreekt is geen oproep om Israël te winnen, maar om hen aan te zeggen dat God hen passeert. Het is een goddelijke vaststelling: God gebruikt Paulus’ bediening onder de natiën om Israël te tonen dat zij tijdelijk buitenspel staan. Dat is de ondankbare taak die Paulus heeft ten opzichte van zijn volk.

Paulus’ bediening als confrontatie

Paulus is geen diplomatieke bruggenbouwer tussen de ekklesia en Israël. Hij is het levende bewijs van hun tijdelijke terzijdestelling. Zijn prediking in de synagogen – en de daaruit voortkomende woede, vervolging en laster – tonen hoe diep deze jaloezie ging. Paulus zelf noemt zijn bediening een oorzaak van toorn (Romeinen 11:14). Hij maakt Israël jaloers, maar niet op een manier die hen uitdaagt, eerder op een manier die hen beledigt. Slechts “enigen” verstaan de boodschap en worden daardoor gered (Romeinen 11:14).

Wat daarbij opvalt, is dat Paulus er geen enkele moeite mee heeft om zich volkomen met de natiën te identificeren. Hij noemt zichzelf “apostel van de natiën” en zegt zelfs: “ik verheerlijk mijn bediening, of ik enigszins mijn vlees tot jaloersheid zou verwekken en enigen uit hen zou behouden” (Romeinen 11:13-14). Zijn heerlijkheid ligt erin dat hij aan de kant van de natiën staat – niet als buitenstaander, maar als deelgenoot. Juist die identificatie met wat voor Israël ‘geen volk’ is, maakt de boodschap zo confronterend.

de ergernis van de rolwisseling

Deze rolverwisseling ís het terzijde stellen van Israël. Het heil bereikt de wereld niet via een gelovig Israël, maar via een dwaas en onwetend heidenvolk – de ekklesia. Ziedaar de ergernis. Dat is het aanstootgevende. Dat is de reden waarom juist Paulus door zijn volk verworpen wordt: hij komt hen vertellen dat hun exclusieve positie is overgenomen door mensen zonder besnijdenis, zonder Thora, zonder tempel. Dat is “het Evangelie van de voorhuid” (Galaten 2:7). En erger: deze mensen brengen nu hún Messias.

het heil is niet bedoeld als lokmiddel

De zegen die via Paulus’ prediking onder de natiën klinkt, dient niet als heimelijk middel om Israël tot bekering te brengen. Het is een onafhankelijk werk van God. Israëls verwerping heeft geleid tot “de verzoening van de wereld” (Romeinen 11:15), het speerpunt van Paulus’ prediking (2 Korintiërs 5:18-21). En straks – als de volheid van de natiën is binnengegaan – zal Israël op zijn tijd ook volgen. Niet door ons. En al helemaal niet door het instituut dat zich vandaag ‘kerk’ noemt. Maar door de Verlosser uit Sion (Romeinen 11:26).

de scherpe boodschap van Paulus

Laten we ophouden de scherpe randen van Paulus’ boodschap af te veilen. Zijn woorden om Israël tot jaloersheid te wekken zijn niet vriendelijk, maar messcherp. Niet uitnodigend, maar pijnlijk confronterend. En zo moeten ze gelezen worden. Alleen zó verstaan we hoe bijzonder de roeping van de ekklesia in onze dagen is. Ze ontvangt een plaats van zegen – vóór en boven het volk dat daartoe oorspronkelijk geroepen was.

Delen: