English blog | Oude Artikelen

nog eens: is Jezus God?

12-09-2016 - Geplaatst door Andre Piet

Onlangs plaatste ik een blog onder de titel: is Jezus God? Daarin betoogde ik dat de Schrift maar één God kent, nl. de Vader. Jezus Christus is de Zóón van God. Maar ook een Beeld of Ikoon van God, de onzienlijke. Wie de Zoon ziet, ziet dus de Vader.

In deze blog wil ik nader ingaan op een artikel dat mij onlangs onder ogen kwam en waarin het bovenstaande zwaar bestreden wordt. Ik volg de schrijver van het begin tot eind op de voet en plaats tussen zijn beweringen, mijn commentaar.

Er staat nergens in de Bijbel dat Jezus ooit letterlijk gezegd heeft: “Ik ben God”. Toch betekent dat niet dat Hij niet verkondigde dat Hij God is.

Niet alleen heeft Jezus nergens beweerd dat Hij God zou zijn (een fatale leemte in de bewering!) maar Hij verklaarde wel waarom Hij dat niet kon claimen. Hij sprak zijn Vader aan als “de enige waarachtige God” (Joh.17:3). En toen een schriftgeleerde tegen Jezus zei dat er één God is en dat geen ander is dan Hij, corrigeerde Jezus hem niet door te zeggen dat Hijzelf ook God is (Mar.12:32). Integendeel, Jezus noemde de belijdenis van deze schriftgeleerde zelfs het eerste gebod van alle (Mar.12:29)! Zijn God en Vader is alwetend, maar naar eigen zeggen, hijzelf niet (“weet… ook de Zoon niet, maar de Vader alleen”; Mat.24:36).

Neem bijvoorbeeld Jezus’ woorden in Johannes 10:30: “De Vader en Ik zijn één”. Op het eerste gezicht lijkt Jezus hier niet te beweren dat Hij God is.

Wie uit Joh.10:30 concludeert dat Jezus God is, projecteert slechts zijn eigen gedachten in de Bijbeltekst. Want dat de Vader en de Zoon één zijn, maakt de Zoon nog niet tot God. Even later in het Johannes-evangelie lezen we dat de Vader, de Zoon en de gelovigen tezamen, ook één zijn (Joh.17:21). Maar zijn daarom de gelovigen dus ook God? Dat is toch dwaasheid? Vader en Zoon zijn één, want wie de Zoon ziet, heeft de Vader gezien (Joh.14:9). Dat is Jezus’ eigen verklaring.

Maar kijk eens naar de reactie van de Joden op Zijn uitspraak: “Voor een goede daad zullen we u niet stenigen,” antwoordden ze, “maar wel voor godslastering: u bent een mens, maar u beweert dat u God bent!” (Johannes 10:33). De Joden vatten Jezus’ uitspraak op als een bewering dat Hij God was. In de volgende verzen corrigeert Jezus de Joden niet. Hij had bijvoorbeeld kunnen zeggen: “Ik heb helemaal niet gezegd dat ik God ben.” Dit wijst erop dat Jezus écht zei dat Hij God was toen Hij verkondigde: “De Vader en Ik zijn één” (Johannes 10:30).

Het was de onterechte conclusie van deze Joden dat Jezus als mens, zichzelf tot God zou hebben gemaakt (Joh.10:33). Jezus wijst in zijn reactie hen er dan ook op, dat schepselen bij gelegenheid in de wet “goden” worden genoemd (10:34,35). Welnu, zo betoogt Jezus, waarom zou het dan godslastering zijn, wanneer Hij claimt Gods Zoon te zijn (10:36)? Als ergens blijkt dat Jezus uitdrukkelijk niet claimde God zelf te zijn, dan is het wel in deze passage waar Hij ervan beschuldigd wordt!

Johannes 8:58 is nog een voorbeeld. Daarin verkondigde Jezus: “Waarachtig, ik verzeker u, van voordat Abraham er was, ben ik er.”

Zou deze weergave kloppen dan zou Jezus hier refereren aan het gegeven dat Hij reeds vóór zijn geboorte als logos (= Woord) bestond (Joh.1:1-14). Letterlijk vertaald staat er echter: “eer Abraham wordt, ben Ik”. Jezus verwijst niet naar Abrahams verleden, maar naar wat nog plaats moet vinden. Dat past ook in de context. Abraham zou deel krijgen aan de opstanding (8:51-53) en heeft zich verheugd op de dag van de Messias en heeft die gezien (8:56).

De Joden reageerden hierdoor opnieuw op door stenen op te pakken om Jezus te stenigen (Johannes 8:59). Waarom zouden de Joden Jezus willen stenigen, als Hij niets gezegd had wat zij als godslastering zagen, namelijk, een bewering dat Hij God was?

Van een beschuldiging van godslastering is geen sprake. Jezus beschuldigde de Joden van leugens (8:55) en Hij verklaarde voorrang te hebben op Abraham. Daarom namen ze stenen op.

Johannes 1:1 zegt: “Het Woord was God”. Johannes 1:14 zegt: “Het Woord is mens geworden.”

De eerste verzen van Johannes spreken over het woord van God waardoor alles tot stand is gekomen. Het woord klonk – oftewel God zelf. Veel later kwam datzelfde woord van God tot Maria en zij werd zwanger. Het woord werd vlees (Joh.1:14).

Handelingen 20:28 vertelt ons: “Zie dan toe op uzelf en op heel de kudde, te midden waarvan de Heilige Geest u tot opzieners aangesteld heeft om de gemeente van God te weiden, die Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.” Wie heeft de gemeente verworven met Zijn eigen bloed? Jezus Christus. Handelingen 20:28 verkondigt dus dat God de gemeente heeft verworven met Zijn eigen bloed. En dus is Jezus God!

Hoe hopeloos moet het gesteld zijn met de argumentatie, als men de toevlucht moet zoeken tot zo’n dubieuze bijbelvertaling en redenering. Het gaat in Hand.20:28 niet over “zijn eigen bloed” maar over “het bloed van zijn eigene”, zoals de meeste vertalingen dit terecht ook weergeven. Daarmee vervalt het argument en ook de absurde gedachte dat de onvergankelijke God bloed zou hebben en zou zijn gestorven.

Thomas de discipel zei tegen Jezus: “Mijn Heer, mijn God” (Johannes 20:28). Jezus corrigeert hem niet.

Een paar hoofdstukken eerder zei Jezus tegen Tomas (14:5-7): “Indien jullie Mij kenden, zouden jullie ook mijn Vader gekend hebben. Van nu aan kennen jullie Hem en hebben jullie Hem (=de Vader) gezien“. M.a.w. toen de opgestane Jezus voor Tomas stond… zag Hij de Vader. Vandaar zijn uitroep.

Titus 2:13 moedigt ons aan te wachten op de komst van “onze God en Verlosser – Jezus Christus” (zie ook 2 Petrus 1:1).

In Titus 2:13 gaat het over “de verschijning van de heerlijkheid van de grote God” én van “onze Redder Jezus Christus”. Geen enkele noodzaak om hieruit te concluderen dat Jezus zelf de “de grote God” zou zijn.

In Hebreeën 1:8 zegt de Vader van Jezus: “Maar tegen de Zoon zegt hij: ‘God, uw troon houdt stand tot in alle eeuwigheid, en de scepter van het recht is de scepter van uw koningschap.’”

God heet “de God der goden” (Deut.10:17) en Paulus zegt: “er zijn goden in menigte” (1Kor.8:5). Er zijn vele goden in relatieve zin (koningen, machthebbers, rechters, beschikkers) maar in de absolute zin is de term voorbehouden aan één God, de Vader (1Kor.8:6 “… voor ons nochtans is er één God, de Vader…”). Als rechters in de schrift al ‘goden’ worden genoemd (Ex.22:8,9), dan hoeft het toch niet te verbazen dat ook de Zoon, wiens troon staat tot in de aeon der aeon (Hebr.1:8) als god wordt aangesproken.

In het boek Openbaring werd de apostel Johannes door een engel opgedragen om alleen God te aanbidden (Openbaring 19:10). Verscheidene malen in de Bijbelse tekst wordt Jezus aanbeden (Mattheüs 2:11; 14:33; 28:9,17; Lucas 24:52; Johannes 9:38). Hij berispt nooit iemand voor het feit dat ze Hem aanbidden. Als Jezus niet God was, dan zou Hij de mensen verteld hebben dat ze Hem niet mochten aanbidden, zoals de engel in Openbaring gezegd had.

De term ‘aanbidden’ (Gr. proskuneo) is geen exclusief religieus begrip. De term verwijst qua woordopbouw naar een hond die naar z’n baas toe kroelt. In Mat.18:26 werpt een slaaf zich als smekeling voor zijn heer neer – dat heet ‘proskuneo’. In Openb.3:9 laat de Heer (!) mensen voor andere mensen in nederige erkenning neerwerpen. Ook dat heet ‘proskuneo’. Het duidt dus niet alleen op aanbidding van God.

Daar komt nog iets bij en dat is dat we bidden, danken en loven naar God toe, door Jezus Christus. Hij is niet de bestemming van ons gebed maar wel het kanaal waardoor het de bestemming (God) bereikt.

… doet alles in [de] naam van Heer Jezus, dankende God de Vader, door Hem! (Kol.3:17)

Laten wij dan door Hem (=Jezus), aan God voortdurend een lofoffer brengen… (Hebr.13:15)

Aan [de] enige God, onze Redder, zij door Jezus Christus, de Heer van ons, heerlijkheid, majesteit, kracht en autoriteit…  (Jud.:25)

Er zijn nog veel meer passages in de Bijbel die spreken over Jezus’ Goddelijkheid.

Jezus is Goddelijk. Dat staat niet ter discussie. Hij het vleesgeworden woord van God (Joh.1:14). Door God zelf, zonder tussenkomst van een man, verwekt in Maria (Luc.1:35). Maar juist daarom niet letterlijk God zelf. Hij is niet de onzienlijke God, maar diens Ikoon of Beeld. Dát is zijn heerlijkheid (Kol.1:5; 2Kor.4:4). Hij is niet de ene God maar de ene Middelaar van God en mensen –  de mens Christus Jezus (1Tim.2:5).

De belangrijkste reden waarom Jezus God moet zijn, is dat Zijn dood niet voldoende zou zijn geweest om de prijs voor de zonden van de hele wereld te betalen, als Hij niet God was (1 Johannes 2:2). Alleen God kon zo’n oneindige schuld betalen. Alleen God kon de zonden van wereld op zich nemen (2 Korintiërs 5:21), sterven en uit de dood opstaan om Zijn overwinning over de zonde en de dood te bewijzen.

Wat hier gezegd wordt, is juist de belangrijkste reden dat Jezus geen God is maar ook niet kan zijn. Kan de onvergankelijke God soms sterven? De vraag stellen is haar beantwoorden. God kan niet dood zijn of in een graf gelegd worden. Toen Jezus drie dagen dood was, moest Hij door God de Vader worden opgewekt (Rom.6:4; Hand.2:24; 4:10; 10:40). Een gelovige is iemand die belijdt dat Gód Jezus Christus uit de doden heeft opgewekt (Rom.10:9). Als Jezus God zelf zou zijn, kan ik dat onmogelijk van harte belijden.

Een artikel als het bovengenoemde waarin verdedigd wordt dat Jezus God zou zijn, brengt een schrijnend gebrek aan argumenten aan het licht. En ook ongerijmde redeneringen die nodig zijn om deze opvatting overeind te houden. Zodat het des te meer bevestigd in de Bijbelse waarheid van één God, de Vader en van Jezus Christus, Gods Zoon en Beeld!

engels

Delen: