GoedBericht.nl logo
English Blog

“opdat ook jullie zijn waar ik ben”

19-09-2020 - Geplaatst door Andre Piet

Eén van de bekende woorden die Jezus heeft uitgesproken in de opperzaal, in de avond voor zijn arrestatie, vinden we in Johannes 14:

1 (…) Geloof in God, geloof ook in mij. 2 In het huis van mijn Vader zijn vele verblijven. Als het niet zo was, zou ik het tegen jullie zeggen, omdat ik heenga om voor jullie plaats gereed te maken. 3 En wanneer ik gegaan ben en plaats gereed gemaakt heb voor jullie, kom ik weer en zal jullie tot mij nemen, opdat ook jullie zijn waar ik ben.

Gewoonlijk wordt dit zo uitgelegd: Jezus kondigt aan dat hij naar de hemel zou gaan (“het huis van zijn Vader”) om bij zijn wederkomst ook de zijnen daarheen te brengen. Dat lijkt een logische verklaring, mede omdat we later in Paulus’ brieven ook verzekerd worden van een hemelse toekomst van de gelovigen die hij aanschrijft. Maar we moeten dan wel bedenken dat de discipelen in de opperzaal daar nog totaal geen weet van hadden. Zij rekenden met een toekomst op aarde en in Jeruzalem. Werd trouwens eerder in het Johannes-evangelie (2:16) de tempel in Jeruzalem ook niet aangeduid als “het huis van mijn Vader”? Zou Jezus daar misschien naar hebben verwezen? In dat geval bedoelde hij te zeggen dat bij zijn wederkomst hij een gelovig volk Israël zal brengen naar de heilige stad.

Dat Jezus in Johannes 14 zou hebben gedoeld op zijn toekomstige, lichamelijke terugkeer is op zichzelf een voor de hand liggende gedachte. Hij ging immers ooit lichamelijk heen en zal ook weer lichamelijk terugkeren. Maar hoe voor de hand liggend deze verklaring ook is, ze gaat voorbij aan de verklaring die Jezus zelf heeft gegeven van zijn woorden. Wanneer Jezus namelijk in de opperzaal spreekt van zijn terugkeer, dan doelt hij daarbij voortdurend op zijn terugkeer in de geest.

In Johannes 14:18 zegt Jezus:

Ik zal jullie niet als wezen achterlaten, ik kom naar jullie toe.

Jezus zou weliswaar van zijn discipelen heengaan maar hen toch niet als wezen achterlaten, want hij zou naar hen toekomen. Hoe dan wel? Dat had hij pal hiervoor verklaard:

16 En ik zal de Vader vragen en Hij zal jullie een andere Erbij-geroepene (Gr. parakletos) geven, om tot in de aeon met jullie te zijn, 17 de geest van de waarheid, die de wereld niet kan ontvangen want zij aanschouwt het niet en zij kent het niet, maar jullie kennen het want het blijft bij jullie en het zal in jullie zijn.

Wie die “Erbij-geroepene” is (of zoals veel vertalingen onnodig vrij weergeven “Trooster”), verklaart Jezus even later als hij zegt:

25 Deze dingen heb ik tot jullie gesproken, terwijl ik bij jullie verblijf. 26 Maar de Erbij-geroepene, de heilige geest die de Vader zal zenden in mijn naam, die zal jullie alles onderwijzen en alles in herinnering brengen, wat ik jullie zei.

M.a.w. Jezus zou tot zijn discipelen terugkeren maar dan in de heilige geest die de Vader zou zenden in zijn naam. Dat Jezus inderdaad daarbij spreekt over de tijd dat de wereld hem niet zal zien, blijkt ook uit de vraag die Judas (“niet Iskariot”) aan hem stelt (:14:22):

Heer, hoe komt het dat u op het punt staat uzelf kenbaar te maken en niet aan de wereld?

Waarna het veelzeggende antwoord van Jezus is (14:23):

… indien iemand mij liefheeft zal hij mijn woord bewaren en mijn Vader zal hem liefhebben en wij zullen naar hem toe komen en wij zullen een verblijf bij hem maken.

Jezus spreekt over de tijd dat de wereld hem niet zal zien terwijl de gelovigen wel oog voor hem zullen hebben en zijn woord daarom zullen bewaren. In het bewaren van zijn woord komen God de Vader en zijn Zoon hoogst persoonlijk tot hen die geloven en maken zij verblijf bij hen. Ziedaar Jezus’ eigen uitleg van de woorden in Johannes 14:1-3!

Delen: