English blog

Ezechiël 37 en de joodse staat

28-01-2014 - Geplaatst door Andre Piet

index_2

Ezechiël 37 is wellicht het bekendste hoofdstuk in het boek Ezechiël. We vinden daar het visioen over een vallei dat bezaaid ligt met doodsbeenderen. De beenderen voegen zich wonderbaarlijk aaneen en er ontstaan lichamen. Maar levenloze lichamen. Als Ezechiël nogmaals profeteert en de Geest uit de vier windstreken komt, dan komen de lijken tot leven en gaan op hun voeten staan. Een enorm groot leger.

Ezechiël krijgt van Godswege ook een uitleg te horen van wat hij heeft gezien. De beenderen stellen het gehele huis van Israël voor. Let op: het gehele huis, niet een deel daarvan. Geen Israëliet zal onder de volken achterblijven, lezen we elders van dezelfde profeet (Ezech.39:28). Met dit gegeven kunnen we de twee meest gangbare verklaringen van dit visioen al direct terzijde schuiven. De herrijzenis van de beenderen verwijst niet naar de terugkeer uit de Babylonische ballingschap en evenmin naar de oprichting van de huidige Joodse staat in 1948. In beide gevallen ging en gaat het slechts om een relatief klein deel van het huis van Israël. Het overgrote deel van het volk bevond zich toen en nu, in het buitenland.

De herrijzenis van de beenderen spreekt van de verzameling van heel Israël. Over deze bijeenverzameling had Ezechiël eerder al geprofeteerd. Zo bekend als Ezechiël 37 is, zo onbekend is de profetie in hoofdstuk 20.

34 Ik zal u voeren uit het midden der volken en u bijeenbrengen uit de landen waarin gij verstrooid zijt, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgestorte grimmigheid. 35 Ik zal u brengen naar de woestijn der volken en daar met u in het gericht treden, van aangezicht tot aangezicht. 36 Zoals Ik met uw vaderen in het gericht getreden ben in de woestijn van het land Egypte, zo zal Ik ook met u in het gericht treden, luidt het woord van de Here HERE. 37 Ik zal u onder de herdersstaf doen doorgaan en u brengen in de band van het verbond. 38 Ik zal de weerspannigen uit u uitschiften en hen die tegen Mij overtreden hebben; wel zal Ik hen leiden uit het land waarin zij als vreemdelingen vertoeven, maar in het land van Israel zullen zij niet komen. En gij zult weten, dat Ik de HERE ben.

Het scenario is hier helder: heel Israël zal worden verzameld, niet in het land maar in de woestijn. Zoals Israël ooit uit Egypte trok en via de woestijn in het beloofde land kwam, zo zal het in de toekomst opnieuw gaan. En zoals God in het verleden in het gericht trad met zijn volk zodat slechts een gelovig volk het beloofde land binnenging, zo zal het ook in de toekomst gaan. Een herhaling van de geschiedenis. En onder leiding van de ware Jozua zal men ingaan in het land. Het moet duidelijk zijn dat de terugkeer van het volk Israël naar het land der vaderen, zich in twee fasen voltrekt. Eerst wordt het volk vanuit alle windstreken bijeengebracht in de woestijn. En vervolgens wordt het volk geestelijk gereed gemaakt om het land binnen te trekken. Deze twee fasen in Ezechiël 20 lopen parallel met de twee fasen in Ezechiël 37: eerst een fysieke bijeenverzameling uit de natiën en daarna het ontvangen van Gods Geest.

Ezechiël 37 vermeldt iets opvallends over het tijdstip van de bijeenverzameling. Vers 11:

Voorts zeide Hij tot mij: Mensenkind, deze beenderen zijn het gehele huis Israels. Zie, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vervlogen; het is met ons gedaan.

De situatie zal volkomen hopeloos voor het volk schijnen. Iets soortgelijks lezen we in Matteüs 24 wanneer Jezus spreekt over de bijeenverzameling van het uitverkoren volk (24:31). Dat zal zijn na de grote verdrukking (24:29) zoals deze nooit geweest is en ook nooit meer zijn zal (24:21). Het hele Joodse land zal onder de voet gelopen zijn. Vanuit Zacharia 14 weten we dat alle volkeren met hun legers ten strijde zijn getrokken tegen Jeruzalem (14:2) wanneer JAHWEH (d.w.z. in zijn Zoon) verschijnt op de Olijfberg (14:4). De Olijfberg zal splijten en er wordt een vluchtweg gecreëerd naar de bergen in de woestijn (14:5). Voor zover er op dat moment nog overlevenden zijn, bevinden dezen zich allemaal buiten het land. Het betekent het einde van de joodse staat en van de zionistische droom…

Maar het einde van deze grote verdrukking luidt tevens het begin in van de Goddelijke bijeenverzameling van Israël. Buiten het land. Daar wordt het volk gereinigd en een nieuw verbond met hen gesloten en het zal de Geest ontvangen.
Ezechiël 36:

25  Ik zal rein water over u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw afgoden zal Ik u reinigen; 26 een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven. 27 Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken…

Het is een herboren volk dat vervolgens het land dat in puin ligt, in bezit zal nemen. En het land zal worden als de hof van Eden!
Ezechiël 36 vervolgt:

33 Zo spreekt de Here HERE: Wanneer Ik u reinig van al uw ongerechtigheden, zal Ik de steden weer bevolken en zullen de puinhopen herbouwd worden;  34 het verwoeste land zal weer worden bewerkt, in plaats van een woestenij te zijn voor het oog van iedere voorbijganger.  35 En men zal zeggen: Dit land dat verwoest was, is geworden als de hof van Eden; de steden die, verwoest en vernield, in puin lagen, zijn weer versterkt en bewoond. 36 Dan zullen de volken die om u heen overgebleven zijn, weten, dat Ik, de HERE, herbouwd heb wat vernield was en beplant heb wat verwoest was. Ik, de HERE, heb het gesproken en Ik zal het doen.

De conclusie moet zijn dat Ezechiël 37 inderdaad spreekt van de huidige Joodse staat. Echter niet over haar totstandkoming maar juist over haar tragisch einde. Als men zal zeggen: “onze hoop is vervlogen; het is met ons gedaan”. Het is op de puinhopen van een verwoest land dat God een nieuw Israël zal planten!

Reageer op Facebook

Delen: