GoedBericht.nl logo
English Blog

drie keer tweeduizend jaar (5) – van Kores tot Christus

02-03-2026 - Geplaatst door Andre Piet
leestijd: circa 6 minuten

plaats van dit artikel in de reeks

In de voorgaande artikelen is vastgesteld dat de geschiedenis tot aan Christus is geordend in vaste perioden. Van Adam tot Abraham verstrijken tweeduizend jaar. Vanaf Abraham loopt opnieuw een periode van tweeduizend jaar, die uitkomt bij Christus. Deze tweede periode blijkt niet één ononderbroken geheel, maar bestaat uit vier tijdvakken van telkens vijfhonderd jaar.

De eerste vijfhonderd jaar vanaf Abrahams geboorte lopen uit op de uittocht uit Egypte. Daarna volgt een tweede periode van vijfhonderd jaar, die eindigt met de voltooiing van het huis van God en het huis van de koning onder Salomo. In het vorige artikel is aangetoond dat ook de daaropvolgende fase, van Salomo tot aan het eerste jaar van koning Kores, opnieuw vijfhonderd jaar omvat en als een gesloten periode wordt gepresenteerd.

Dit artikel richt zich op het laatste tijdvak van deze tweede tweeduizendjarige periode: de vijfhonderd jaar vanaf Kores tot aan Christus. De inzet is dezelfde als in de eerdere artikelen. Niet losse gebeurtenissen staan centraal, maar de vraag of de Schrift zelf deze periode als een afgerond en samenhangend geheel tekent. Daarbij wordt aangesloten bij de historische gegevens én bij de profetische tijdsaanduidingen die de Schrift aanreikt.

Kores als beginpunt van herstel

Het eerste jaar van koning Kores vormt in de Schrift een duidelijk gemarkeerd moment. Met zijn optreden komt een einde aan de zeventig jaar verwoesting die over Juda en Jeruzalem waren uitgesproken. De ballingschap wordt niet stilzwijgend afgesloten, maar expliciet beëindigd. De Schrift verbindt dit keerpunt aan het woord dat door Jeremia was gesproken en aan Gods eigen handelen.

Opvallend is dat Kores niet slechts achteraf als historische figuur wordt benoemd, maar reeds lang tevoren bij name wordt genoemd. In Jesaja wordt hij aangewezen als degene door wie God zijn voornemen zal uitvoeren:

Die van Kores zegt: Mijn herder, hij zal al mijn welbehagen volbrengen, door te zeggen tot Jeruzalem: Gij zult gebouwd worden, en tot de tempel: Gij zult gegrondvest worden.
Jesaja 44:28

Kores wordt hier niet alleen met de tempel, maar ook met Jeruzalem verbonden. Zijn optreden is tevoren aangekondigd. De tempel mag herbouwd worden, de stad krijgt weer perspectief en het volk mag terugkeren. Zo vormt het eerste jaar van Kores een vast chronologisch beginpunt. Deze periode sluit aan op wat eraan voorafging en vormt het volgende afgebakende tijdvak.

het woord dat uitging

De profetie van Daniël 9 plaatst de zeventig weken niet in een tijdloos kader, maar verbindt ze expliciet aan een concreet beginpunt. Daniël spreekt over “het woord dat uitging” om Jeruzalem te herstellen en te bouwen. Daarmee ligt het begin van de periode vast.

Deze aanduiding staat niet los van de historische situatie. Daniël bidt terwijl de zeventig jaar verwoesting hun einde naderen. Het onder Kores aangekondigde, beloofde herstel vormt de directe achtergrond van zijn gebed. Het “woord dat uitging” markeert het begin van die nieuwe fase.

Opvallend is dat Daniël dit woord uitdrukkelijk in verband brengt met Jeruzalem. Het gaat niet uitsluitend om de tempel, maar om de stad als geheel. Daarmee sluit deze profetische aanduiding nauw aan bij wat in Jesaja over Kores is gezegd: dat Jeruzalem herbouwd zal worden en de tempel gegrondvest. De profetie en de geschiedenis grijpen hier zichtbaar in elkaar. Het “woord dat uitging” valt samen met het eerste jaar van Kores. Het herstel wordt daarmee niet achteraf ingevuld, maar vanaf het begin aangewezen.

de zeventig jaarweken als tijdraam

De zeventig jaarweken van Daniël 9 sluiten aan bij de sabbatstructuur van de Schrift (Lev. 25). Zeven jaren vormen een jaarweek, met het zevende jaar als sabbatsjaar. Na zeven van zulke sabbatsjaren volgt een jubeljaar. Wanneer Daniël spreekt over zeventig jaarweken, gaat het daarmee om zeventig sabbatcycli. Binnen deze maat horen ook de jubeljaren thuis. Over zeventig cycli gerekend betreft dit tien jubeljaren.

Zo omvatten de zeventig jaarweken niet slechts vierhonderdnegentig jaren, maar een volle periode van vijfhonderd jaar. De profetie rekent met dezelfde tijdmaat die ook in deze reeks historisch zichtbaar is geworden.

Zo vallen de zeventig jaarweken samen met het laatste vijfhonderdjarige tijdvak van de tweede tweeduizendjarige periode. Wat in Daniël 9 profetisch wordt aangeduid, blijkt dezelfde tijd te omvatten die historisch vanaf het eerste jaar van Kores tot aan Christus wordt geteld. De profetie introduceert geen afwijkende maat, maar bevestigt opnieuw de vaste ordening van de tijd.

tussentijdse markeringen binnen de zeventig jaarweken

Binnen de zeventig jaarweken noemt Daniël enkele markeringen die de voortgang van deze periode zichtbaar maken. Eerst worden zeven weken genoemd van Jeruzalems herbouw, gevolgd door tweeënzestig weken. Samen vormen zij de aanloop tot het optreden van de Messias. Met deze negenenzestig weken wordt de weg getekend die uitloopt op zijn komst en openbaar optreden.

Daarna volgt de zeventigste week. Ook deze week staat niet los van wat eraan voorafgaat, maar vormt het afrondende deel van dezelfde vastgestelde periode. In Daniël 9:27 wordt opnieuw over de Messias gesproken. Hij is het die het verbond bevestigt en in het midden van de week slachtoffer en spijsoffer doet ophouden. Dit ophouden vindt niet plaats doordat de tempeldienst feitelijk stopt, maar doordat door zijn dood de offerdienst haar betekenis verliest. Vanaf dat moment heeft deze offerdienst geen geldigheid meer, ook al blijft zij historisch nog bestaan.

Dat blijkt ook uit het woordgebruik zelf. In de Septuagint wordt in Daniël 9:27 voor “doen ophouden” hetzelfde werkwoord gebruikt als in Hebreeën 10:9. Daar wordt van Christus gezegd: “Hij neemt het eerste weg, om het tweede daarvoor in de plaats te stellen.” Het gaat niet om vernietiging, maar om buiten werking stellen door vervulling.

De zeventigste week wordt daarbij verdeeld in twee gelijke helften. De eerste helft loopt uit op de dood van de Messias, die midden in de week plaatsvindt. De tweede helft volgt daarop en strekt zich uit over een periode van drieënhalf jaar. Deze tijd valt niet buiten de geschiedenis, maar vindt haar vervulling in de jaren die volgen tot aan de verwerping die culmineert in de steniging van Stefanus en de roeping van Saulus.

De laatste jaarweek staat geheel in het teken van de bevestiging van het verbond door de Messias. Het doen ophouden van slachtoffer en spijsoffer, de tweedeling van de week en de daaropvolgende periode krijgen zo hun plaats binnen dezelfde historische en profetische lijn. Daarmee wordt duidelijk dat de zeventigste week niet naar een verre toekomst wordt verschoven, maar haar vervulling vindt binnen de vastgestelde tijd die bij Kores begon en bij Christus haar afronding bereikt.

geen onderbreking tussen de weken

De zeventig jaarweken van Daniël 9 worden door de profetie als één aaneengesloten periode gepresenteerd. Er wordt geen aanwijzing gegeven voor een onderbreking tussen de negenenzestigste en de zeventigste week. De tekst spreekt consequent over één vastgestelde tijd, die vanaf het beginpunt doorloopt tot haar voltooiing.

Dat de profetie deze periode als een eenheid presenteert, blijkt ook uit de formulering zelf. In Daniël 9:24 wordt gesproken over “zeventig weken is bepaald”, waarbij in het Hebreeuws een enkelvoud wordt gebruikt. De weken worden niet als losse onderdelen aangeduid, maar samen genomen als één vastgestelde tijd.

Het idee van een langdurig “gat” tussen de weken vindt dan ook geen steun in de Schrift zelf. Daniël ontvangt geen profetie waarin de tijd wordt stilgezet of opgeschort. Integendeel, de opeenvolging van de weken wordt beschreven als een voortgaande lijn, waarin de verschillende momenten elkaar logisch opvolgen.

Daarmee ligt een historische lezing voor de hand. De zeventigste week sluit aan op wat eraan voorafgaat en vormt geen losstaand toekomstig blok, maar voltooit de vastgestelde periode.

Christus als eindpunt van de periode

De zeventig jaarweken lopen uit op een concrete vervulling. Daniël 9 spreekt over verzoening van ongerechtigheid, het einde van de zonde en het doen aanbreken van eeuwige gerechtigheid — woorden die bij de Messias samenkomen.

Daarmee krijgt het einde van deze periode een duidelijk gezicht. De profetie wijst niet slechts naar een afronding van tijd, maar naar een beslissend handelen van God in de geschiedenis. Met Christus wordt niet alleen een tijdvak voltooid, maar ook datgene gerealiseerd waar de profetie op gericht was.

Zo vormt Christus het sluitstuk van de vijfhonderd jaar die bij Kores aanvangen. Dat juist ook Kores in de Schrift als gezalfde (Messias, Christus; Jes.45:1) wordt aangeduid, onderstreept het karakter van deze periode. In deze zin is Christus niet slechts een figuur binnen de tijdlijn, maar het punt waarop deze periode tot haar bestemming komt. Wat profetisch werd aangekondigd, wordt hier historisch en inhoudelijk vervuld. Daarmee wordt de tweede tweeduizendjarige periode afgerond.

het verzegelen van gezicht en profetie

In Daniël 9:24 wordt als één van de doelen van de zeventig jaarweken genoemd “het verzegelen van gezicht en profetie” voor Daniels volk en de heilige stad. Dit verzegelen duidt niet op bevestiging, maar op afsluiting. Die betekenis blijkt ook uit Daniël 12:9, waar de woorden worden verzegeld in de zin van toesluiten en verborgen houden. De profetieën zijn gesproken en vervuld, maar hun betekenis wordt voor het volk verborgen gehouden (vergl. Jes. 29:9–12).

Daarmee markeert dit verzegelen een duidelijke overgang. De periode waarin deze profetieën richting gaven aan Israël komt tot een einde. Wat volgt is geen nieuwe profetische duiding, maar een tijd waarin het verstaan wordt toegesloten. Zo vormt het verzegelen van gezicht en profetie een passend slot van de vijfhonderd jaar die hier worden getekend.

Delen: