GoedBericht.nl logo
English Blog

drie keer tweeduizend jaar (3) – Uittocht tot Salomo

26-02-2026 - Geplaatst door Andre Piet
leestijd: circa 4 minuten

van de uittocht tot Salomo: vijfhonderd jaar

De uittocht uit Egypte in het jaar 2500 sinds Adam markeert een nieuw kwart in de Bbijbelse tijdrekening. In dit artikel wordt aangetoond dat ook de daaropvolgende geschiedenis volgens een vaste maat is opgebouwd. De Schrift laat zien dat de periode van de uittocht tot aan de voltooiing van Salomo’s bouwprojecten exact vijfhonderd jaar omvat.

De Bijbelse tijdrekening loopt ook hier niet vast in losse termijnen of onoverzichtelijke optelsommen, maar wordt gedragen door enkele duidelijke ijkpunten die elkaar in de tijd verbinden.

de uittocht als vast beginpunt

De uittocht uit Egypte vormt een scherp gemarkeerd moment in de Schrift. Exodus 12:41 vermeldt dat deze gebeurtenis plaatsvond “aan het einde van dertig en vierhonderd jaar, op dezelfde dag”. Daarmee wordt het moment niet alleen historisch, maar ook chronologisch vastgelegd.

In de eerdere artikelen is vastgesteld dat de uittocht plaatsvond in het jaar 2500 sinds Adam (Anno Hominis). Dit jaar markeert het einde van de eerste vijfhonderd jaar na Abrahams geboorte en vormt tegelijk het beginpunt voor de volgende periode.

veertig jaar woestijnreis

Na de uittocht volgt een periode die in de Schrift opvallend consistent wordt aangeduid: de veertig jaren in de woestijn. Numeri 32:13 zegt:

De toorn des HEREN ontbrandde tegen Israël, zodat Hij hen veertig jaar lang in de woestijn liet omzwerven.

Deze termijn wordt meermalen bevestigd (Deut. 2:14; Joz. 5:6; Ps. 95:10; Hand. 7:36). De woestijnreis eindigt daarmee in het jaar 2540 sinds Adam. Vanaf dat moment begint de intocht in het beloofde land.

verovering en verdeling van het land

De verovering van Kanaän vond niet in één jaar plaats. Exodus 23:29–30 maakt duidelijk dat het land geleidelijk werd ingenomen. De Schrift laat echter toe om de totale duur van deze fase vast te stellen.

In Jozua 14:10–11 spreekt Kaleb over zijn leeftijd bij de toedeling van Hebron. Hij was toen vijfentachtig jaar oud en herinnert eraan dat hij veertig jaar was geweest bij de verspieding. Aangezien hij daarop achtendertig jaar in de woestijn verbleef (Deut. 2:14), was Kaleb bij de intocht in het land achtenzeventig jaar oud. Dat betekent dat hij zeven jaar na de intocht zijn erfdeel ontving.

Daarmee is echter niet gezegd dat het gehele land toen al verdeeld was. Jozua 18 maakt duidelijk dat op dat moment nog zeven stammen hun erfdeel niet hadden ontvangen en dat de verdere verdeling nog moest plaatsvinden. De verdeling van het land besloeg dus niet alleen de zeven jaren van de verovering, maar liep door tot tien jaar na de intocht.

In Handelingen 13:19–20 wordt deze termijn genoemd: Paulus zegt dat God het land “hun ten erfdeel gaf, omstreeks vierhonderdvijftig jaren”. Met “omstreeks” wordt geen rekbare periode bedoeld, maar een afgeronde tijdsaanduiding. Deze periode loopt tot aan de verdeling van het land. Zo komt de afronding van de landverdeling uit in het jaar 2550 sinds Adam.

een veelgehoorde uitleg

Oudere vertalingen hebben deze vierhonderdvijftig jaar soms betrokken op de richterentijd. Die uitleg is echter niet in overeenstemming met de tekst. Paulus spreekt hier over het ontvangen van het land, niet over de periode daarna. Dat blijkt ook uit de samenhang met de “omstreeks veertig jaren” in de woestijn (Hand. 13:18), die dezelfde afgeronde aanduiding gebruikt. De vierhonderdvijftig jaar sluiten daarmee aan op de eerdere tijdsaanduidingen vanaf Abraham.

het begin van de sabbats- en jubeljaren

Vanaf het moment dat het land verdeeld is en daadwerkelijk bewerkt kan worden, vangt de telling van sabbatsjaren aan. Leviticus 25:2 bepaalt dat deze telling begint wanneer Israël in het land woont en het bewerkt.

Zes jaar werken, het zevende jaar rust, en na zeven sabbatsjaren volgt het vijftigste jaar: het jubeljaar. Opvallend is dat deze telling naadloos aansluit op de bestaande chronologie. Het jaar 2550 vormt daarmee een logisch beginpunt voor deze cycli.

een onmisbare schakel: 1 Koningen 6:1

De verdere geschiedenis, met name de tijd van de richters, lijkt op het eerste gezicht moeilijk te overzien. De Schrift voorkomt echter dat de chronologie hier open of rekbaar wordt.

In 1 Koningen 6:1 lezen we:

Het geschiedde in het vierhonderdtachtigste jaar na de uittocht der Israëlieten uit het land Egypte, in het vierde jaar van Salomo’s regering, dat hij het huis des HEREN bouwde.

Met deze ene mededeling verbindt de Schrift de uittocht rechtstreeks met de tempelbouw. Als de uittocht plaatsvond in 2500 AH, dan begon de tempelbouw in 2980 AH.

twintig jaar bouw: tempel en paleis

Salomo bouwde zeven jaar aan de tempel (1 Kon. 6:38) en dertien jaar aan zijn paleis (1 Kon. 7:1). Samen vormen deze projecten een periode van twintig jaar. 1 Koningen 9:10 en 2 Kronieken 8:1 spreken expliciet over “de twintig jaren” waarin deze bouwwerken voltooid werden.

Daarmee brengt de afronding van Salomo’s bouwprojecten ons in het jaar 3000 sinds Adam.

het jaar 3000 als afronding

Zo blijkt dat de periode van de uittocht tot aan de voltooiing van Salomo’s tempel en paleis exact vijfhonderd jaar beslaat. Dit jaar vormt niet alleen een historisch hoogtepunt, maar ook een markant punt in de Bijbelse tijdstructuur: duizend jaar na Abrahams geboorte en vijfhonderd jaar na de uittocht.

Opnieuw wordt zichtbaar dat de Bijbelse geschiedenis niet willekeurig verloopt, maar volgens vaste maat en samenhang.

conclusie: vaste maat in de geschiedenis

De tweede periode van vijfhonderd jaar na de uittocht blijkt een gesloten geheel te vormen. De woestijnreis, de intocht, de verdeling van het land en de tempelbouw sluiten naadloos op elkaar aan. Cruciale Schriftplaatsen verbinden deze momenten tot één doorlopende tijdlijn.

Daarmee bevestigt de Schrift ook hier dat de geschiedenis niet open of rekbaar wordt gepresenteerd, maar zorgvuldig geteld. In de volgende artikelen zal worden nagegaan hoe ook de resterende eeuwen binnen deze tweede tweeduizendjarige periode volgens dezelfde orde verlopen.

Delen: