drie keer tweeduizend jaar (2) – Abraham tot Uittocht
25-02-2026 - Geplaatst door Andre Pietleestijd: circa 5 minuten
van Abraham tot de uittocht: vijfhonderd jaar
In het vorige artikel is vastgesteld dat de periode van Adam tot Abraham tweeduizend jaar omvat. Daarmee vormt Abrahams geboorte het beginpunt van de tweede periode in de Bijbelse tijdrekening. In dit artikel wordt aangetoond dat de eerste vijfhonderd jaar van deze tweede periode een gesloten en geordende tijdspanne vormen, die uitloopt op de uittocht uit Egypte.
De Bijbelse gegevens staan daarbij niet op zichzelf, maar horen bij elkaar. Door de verschillende tijdsaanduidingen in hun onderlinge verband te lezen, blijkt dat de periode tussen Abrahams geboorte en de uittocht vijfhonderd jaar beslaat.
de belofte aan Abraham en het begin van de telling
De Bijbel verbindt een duidelijke tijdrekening aan de belofte die Abraham ontving. Deze belofte vormt het vertrekpunt voor een lange periode die uitloopt op de bevrijding van zijn nageslacht uit Egypte. Volgens de Schrift ontving Abraham deze belofte toen hij zeventig jaar oud was. Dat moment markeert niet slechts een geestelijk begin, maar ook een chronologisch ijkpunt.
Vanaf dit moment wordt in de Schrift een langere periode gerekend, terwijl Abrahams nageslacht pas later aanvangt. Tussen belofte en geboorte van de zoon van belofte ligt een duidelijke tussenperiode.
de geboorte van Isaak als vast ijkpunt
Abraham was honderd jaar oud toen Isaak werd geboren. Daarmee ligt er dertig jaar tussen de belofte aan Abraham en het begin van zijn nageslacht in de eigenlijke zin. Deze dertig jaar vormen een vaste, expliciet genoemde periode binnen de chronologie.
De Schrift maakt hier onderscheid. Isaak is niet slechts een zoon, maar de zoon van de belofte. Met zijn geboorte vangt Abrahams nageslacht aan, waarover later wordt geteld. Opmerkelijk is bovendien dat Abrahams leeftijd bij Isaaks geboorte precies twee vijftigjarige cycli omvat. Deze vaststelling stuurt de berekening niet, maar markeert wel een herkenbaar punt.
de vierhonderddertig jaar: van belofte tot wet
Naast de vierhonderd jaar waarover elders wordt gesproken, noemt de Schrift ook een langere periode van vierhonderddertig jaar. Deze periode wordt expliciet verbonden met de belofte aan Abraham en met de wetgeving bij Sinaï.
Exodus 12:40–41 luidt in de NBG-vertaling:
De tijd, die de Israëlieten in Egypte gewoond hadden, was vierhonderddertig jaar. En het geschiedde aan het einde van die vierhonderddertig jaar, op dezelfde dag, dat alle heiren des HEREN uit het land Egypte trokken.
Deze formulering heeft aanleiding gegeven tot discussie, omdat zij de indruk kan wekken dat de volledige vierhonderddertig jaar uitsluitend in Egypte zijn doorgebracht. Andere tekstgetuigen en vertalingen geven echter een bredere lezing, waarin ook het verblijf van de aartsvaders in Kanaän wordt meegeteld. Dat deze bredere lezing nodig is, blijkt uit andere Schriftplaatsen.
Paulus bevestigt dit expliciet wanneer hij schrijft:
Dit bedoel ik: de wet, die vierhonderddertig jaar later gekomen is, maakt het tevoren door God bekrachtigde verbond niet krachteloos.
— Galaten 3:17
Hier wordt ondubbelzinnig gesteld dat de vierhonderddertig jaar beginnen bij de belofte aan Abraham en uitlopen bij de wetgeving, die kort na de uittocht plaatsvindt. De uittocht en de wet behoren chronologisch tot dezelfde afsluitende fase.
de vierhonderd jaar: het vreemdelingschap van het zaad
Naast deze langere periode spreekt de Schrift ook over vierhonderd jaar vreemdelingschap. Deze aanduiding vindt haar oorsprong in de belofte aan Abraham:
Weet voorzeker, dat uw nageslacht vreemdeling zal zijn in een land dat het hunne niet is, en dat men hen zal dienen en onderdrukken vierhonderd jaar.
— Genesis 15:13
Deze vierhonderd jaar hebben nadrukkelijk betrekking op Abrahams nageslacht. Zij kunnen daarom niet aanvangen bij de belofte zelf, maar pas bij het moment waarop dit zaad daadwerkelijk bestaat. Dat moment ligt bij de geboorte van Isaak, dertig jaar na de belofte.
Zo vallen de vierhonderd jaar volledig binnen de bredere periode van vierhonderddertig jaar. Zij vormen geen alternatieve telling, maar betreffen het deel van die periode waarin Abrahams nageslacht als vreemdeling leeft.
de samenhang van de tellingen
Wanneer deze gegevens samen worden gelezen, ontstaat een heldere tijdlijn. Vanaf de belofte aan Abraham wordt een periode van vierhonderddertig jaar gerekend tot aan de wetgeving. Binnen deze periode vangt dertig jaar later het vreemdelingschap van zijn zaad aan, dat vierhonderd jaar duurt en uitloopt op de uittocht.
Zo wordt de totale tijdspanne vanaf Abrahams geboorte als volgt bepaald: zeventig jaar tot aan de belofte, gevolgd door vierhonderddertig jaar van belofte tot wet. Samen vormen deze perioden een gesloten geheel van vijfhonderd jaar tussen Abrahams geboorte en de uittocht uit Egypte.
de generaties als bevestiging
In Genesis 15:14–16 wordt aangekondigd dat Abrahams nageslacht verdrukt zal worden, maar dat het vierde geslacht zal terugkeren naar het land. Deze aanduiding heeft betrekking op het verblijf in Egypte en duidt de generaties aan die daar geboren worden. Daarmee wordt geen volledige genealogie gegeven, maar een duidelijke begrenzing van de duur van dit verblijf.
De Schrift maakt duidelijk dat het vreemdelingschap vier in Egypte geboren generaties omvat en daarmee begrensd is. De geslachtslijn in Exodus 6 is selectief en markeert de lijn waarlangs de uittocht plaatsvindt, zonder alle geboorten te vermelden. De generaties worden hier niet gebruikt om te rekenen, maar om te laten zien dat het verblijf in Egypte binnen vijfhonderd jaar blijft.
de uittocht in het jaar 2500 sinds Adam
Wanneer de uitkomst van deze telling wordt geplaatst binnen de bredere Bijbelse tijdrekening, volgt dat de uittocht plaatsvond in het jaar 2500 sinds Adam (Anno Hominis). Daarmee markeert de uittocht het einde van de eerste vijfhonderd jaar van de tweede tweeduizendjarige periode.
Opmerkelijk is dat dit jaar samenvalt met het vijftigste ‘jubeljaar’ — het jubeljaar in kwadraat. Dit gegeven fungeert niet als uitgangspunt van de berekening, maar als een uitkomst ervan. Pas nadat de tijdspanne is vastgesteld, wordt deze samenloop zichtbaar.
De bevrijding uit Egypte is een keerpunt in Israëls geschiedenis en een vast punt in de bijbelse tijdrekening. De uittocht sluit de eerste vijfhonderd jaar na Abrahams geboorte af. Daarmee laat de Schrift zien dat deze fase geen open geheel is, maar een geordende tijdspanne. In de volgende artikelen zal worden nagegaan hoe ook de verdere geschiedenis binnen deze tweede periode van tweeduizend jaar volgens vaste maat en samenhang is opgebouwd.
English Blog