GoedBericht.nl logo
English Blog

drie keer tweeduizend jaar (2) – Abraham tot Uittocht

25-02-2026 - Geplaatst door Andre Piet
leestijd: circa 4 minuten

overzicht artikelenserie

van Abraham tot de uittocht: vijfhonderd jaar

In het vorige artikel werd vastgesteld dat de periode van Adam tot Abraham tweeduizend jaar omvat. Daarmee markeert Abrahams geboorte het begin van de tweede tweeduizendjarige periode in de bijbelse tijdrekening.

De vraag is vervolgens hoe de eerste fase van deze periode moet worden begrepen. De Schrift geeft daarvoor meerdere tijdsaanduidingen. Wanneer deze gegevens naast elkaar worden gelegd, ontstaat een samenhangend geheel. Stap voor stap blijkt dat de uittocht uit Egypte plaatsvond vijfhonderd jaar na de geboorte van Abraham. Deze uitkomst wordt niet verondersteld, maar volgt rechtstreeks uit de Schriftgegevens zelf.

de vierhonderddertig jaar: van belofte tot wet

Een eerste belangrijk gegeven is de periode van vierhonderddertig jaar die de Schrift noemt in verband met de uittocht. Exodus 12 zegt (letterlijker vertaald):

De periode die was verstreken voor de Israëlieten die in Egypte hadden gewoond, bedroeg vierhonderd en dertig jaar. En na vierhonderd en dertig jaar, juist op de dag af, gingen al de legerscharen des HEREN uit het land Egypte.
-Exodus 12:40–41-

De formulering zou de indruk kunnen wekken dat deze volledige periode uitsluitend in Egypte werd doorgebracht. Maar andere tekstgetuigen laten zien dat ook het verblijf van de aartsvaders in Kanaän binnen deze periode is inbegrepen. Dat dit inderdaad de bedoeling is, blijkt duidelijk uit een tweede Schriftplaats. Paulus schrijft:

Dit bedoel ik: de wet, die vierhonderddertig jaar later gekomen is, maakt het tevoren door God bekrachtigde verbond niet krachteloos.
-Galaten 3:17-

Hier wordt ondubbelzinnig gezegd dat de vierhonderddertig jaar beginnen bij de belofte aan Abraham en uitlopen bij de wetgeving. Omdat de wet kort na de uittocht wordt gegeven (Ex.19:1), behoort de uittocht tot de afsluiting van deze periode.

de vierhonderd jaar van het nageslacht

Naast deze periode noemt de Schrift ook een tijd van vierhonderd jaar. Wanneer God Abraham het lot van zijn nageslacht aankondigt, zegt Hij:

Weet voorzeker, dat uw nageslacht vreemdeling zal zijn in een land dat het hunne niet is, en dat men hen zal dienen en onderdrukken vierhonderd jaar.
-Genesis 15:13-

Deze vierhonderd jaar hebben nadrukkelijk betrekking op Abrahams nageslacht. Zij kunnen daarom niet beginnen bij het moment waarop de belofte wordt gegeven, want op dat moment bestaat dit nageslacht nog niet. Het begin van deze periode moet dus liggen bij het moment waarop het nageslacht daadwerkelijk begint.

het verschil van dertig jaar

Wanneer beide tijdsaanduidingen naast elkaar worden gelegd, ontstaat een eenvoudig verband.

Van de belofte tot de wet verstrijken vierhonderddertig jaar. Binnen die periode wordt een tijd van vierhonderd jaar genoemd die specifiek betrekking heeft op Abrahams nageslacht. Het verschil tussen beide perioden bedraagt dertig jaar. Daaruit volgt dat er dertig jaar liggen tussen het moment waarop Abraham de belofte ontvangt en het begin van zijn nageslacht.

de geboorte van Isaak

De Schrift geeft ook een nauwkeurig gegeven over de geboorte van Isaak.

Abraham was honderd jaar oud toen hem zijn zoon Isaak geboren werd.
-Genesis 21:5-

Omdat Isaak de zoon van de belofte is — “in Isaak zal uw nageslacht genoemd worden” (Gen.21:12) — begint met zijn geboorte het nageslacht in de eigenlijke zin. Wanneer Isaak dertig jaar na de belofte wordt geboren en Abraham honderd jaar oud is bij zijn geboorte, volgt daaruit dat Abraham zeventig jaar oud was toen hij de belofte ontving.

De conclusie volgt dus niet uit één afzonderlijke tekst, maar uit de samenhang van de Schriftgegevens.

Opmerkelijk is bovendien dat Abrahams leeftijd bij de geboorte van Isaak precies twee vijftigjarige cycli omvat. Dat gegeven vormt geen uitgangspunt van de berekening, maar wordt zichtbaar wanneer de gegevens naast elkaar worden gelegd.

de periode van vijfhonderd jaar

Wanneer deze gegevens worden samengebracht, ontstaat een helder overzicht.

Vanaf Abrahams geboorte verlopen eerst zeventig jaar tot het moment waarop hij de belofte ontvangt. Vanaf die belofte wordt vervolgens vierhonderddertig jaar gerekend tot de wetgeving bij Sinaï, die kort na de uittocht plaatsvindt. Samen vormen deze perioden een gesloten tijdspanne van vijfhonderd jaar tussen Abrahams geboorte en de uittocht uit Egypte.

de generaties als bevestiging

In Genesis 15:14–16 wordt bovendien gezegd dat Abrahams nageslacht na vier generaties zal terugkeren naar het land. Deze aanduiding heeft betrekking op het verblijf in Egypte. De Schrift geeft daarmee aan dat dit verblijf begrensd is tot enkele generaties.

De genealogie in Exodus 6 noemt slechts de geslachtslijn waarlangs de uittocht plaatsvindt en is daarom selectief. Zij wordt niet gegeven om elke generatie volledig te registreren, maar om te laten zien dat het verblijf in Egypte binnen de grotere tijdspanne blijft.

de uittocht in het jaar 2500 sinds Adam

Wanneer deze periode van vijfhonderd jaar wordt geplaatst binnen de bredere bijbelse tijdrekening, volgt dat de uittocht plaatsvond in het jaar 2500 sinds Adam (Anno Hominis). Daarmee markeert de uittocht het einde van de eerste vijfhonderd jaar van de tweede tweeduizendjarige periode.

Opmerkelijk is dat dit jaar samenvalt met het vijftigste jubeljaar — het jubeljaar in kwadraat. Dit gegeven vormt geen uitgangspunt van de berekening, maar verschijnt als uitkomst ervan.

De bevrijding uit Egypte vormt een keerpunt in Israëls geschiedenis en een vast ijkpunt in de bijbelse tijdrekening. De eerste vijfhonderd jaar na Abrahams geboorte blijken daarmee een gesloten en geordende tijdspanne te vormen. In de volgende artikelen zal worden nagegaan hoe ook de verdere geschiedenis binnen deze tweede periode van tweeduizend jaar volgens vaste maat en samenhang is opgebouwd.

Delen: