English blog

Deuteronomium 22:5 en de vrouw in lange broek

11-03-2015 - Geplaatst door Andre Piet

In mijn mailbox de volgende vraag.

Dochter (…) had een gesprek met een vrouw over “mannen- en vrouwenkleding”.
De vrouw beweerde dat een vrouw volgens de Bijbel geen broek mag dragen.
Dit haalde zij uit Deuteronomium 22:5

Het kleed eens mans zal niet zijn aan een vrouw, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie zulks doet, is den HEERE, uw God, een gruwel.

Nu staan wij wel niet onder deze wet, maar hoe moeten wij dit dan opvatten?
Gaat dit ten diepste ook over de geaardheid/identiteit van man/vrouw en de daarmee samenhangende rangorde in onderschikking of heeft het specifiek met het volk Israël te maken?

Inderdaad, men zou kunnen volstaan met de opmerking dat wij als gelovigen uit de natiën “niet onder de wet” staan. De wet van Mozes werd gegeven aan één volk op de berg Sinaï en was bindend tot op Christus (Rom.6:14,15; Gal.3:25; 4:21). Denk daarbij ook aan andere instructies in ditzelfde bijbelhoofdstuk, zoals een wijngaard niet met tweeërlei zaad bezaaien (22:9). Of een kleed dragen van tweeërlei stof (22:11). Of gedraaide snoeren maken aan de vier hoeken van een kledingstuk (22:12). Is het niet inconsequent om het ene vers wel bindend te verklaren en het andere niet?

Daar komt bij dat het in Deut.22:5 helemaal niet gaat over het dragen van een broek door dames. Waarom zou een broek perse een mannenkledingstuk zijn? Zo’n uitspraak is zeer cultuurgebonden en uit de Bijbel in elk geval niet af te leiden. Zo is een lange jurk bij ons dameskledij maar in het Midden Oosten loopt de gemiddelde man er al duizenden jaren in rond.

“Het kleed van een man” waar Deut.22:5 over spreekt is overigens een niet al te nauwkeurige vertaling. Het woord namelijk dat hier weergegeven wordt met ‘kleed’ (Str.3627) komt honderden keren voor in het OT maar uitsluitend hier wordt het vertaald met ‘kleed’. Meestal wordt het weergegeven met ‘voorwerpen’, ‘instrumenten’ en ‘(wapen-)tuig’. Aan dat laatste hebben we vermoedelijk te denken in Deut.22:5 omdat hier ook niet het gewone woord voor ‘man’ wordt gebruikt maar ‘qeber’ dat is man die als man optreedt, een meester. Het gaat in dit vers niet slechts om een kledingstuk van de man maar om zijn hele uitrusting. M.a.w. dit vers doelt op een vrouw die zich vermomt als man.

En deze laatste vaststelling brengt ons ook bij de clou. Deut.22:5 veroordeelt travestie, d.w.z. het zich opzettelijk willen voordoen en kleden als de andere sekse. Feitelijk is daarmee de betekenis van dit verbod helemaal niet beperkt tot het oude verbond voor Israël. Het voert ons namelijk terug naar den beginne, toen God de mens schiep, “mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen” (Gen.1:27). Ziedaar de seksuele identiteit van de mens. In de Bijbel wordt de seksuele identiteit (of geaardheid) van de mens nooit gedefinieerd door gevoelens of neigingen. De Bijbel kent b.v. geen homofiele of pedofiele geaardheid. Integendeel: zulke gevoelens en neigingen demonstreren juist een vervreemding van onze seksuele identiteit. Ongeacht wat daarvan de oorzaken moge zijn. En travestie is een ander voorbeeld van zulke seksuele vervreemding (desoriëntatie). De bedoeling van elk mens is te worden, wie hij of zij is. Mannelijk of vrouwelijk.

Reageer op Facebook

Delen: