English blog

de X-factor

08-10-2014 - Geplaatst door Andre Piet

Het was tijdens de forumbespreking op de RevaGo conferentie dat een vraag vanuit het publiek gesteld werd over de verhouding tussen genade en loon.  Dat zijn twee begrippen die elkaar moeilijk verdragen. Want genade wil zeggen: om niet, terwijl loon juist verband houdt met werken (Rom.4:4). Als het waar is dat redding een zaak is van genade, hoe kan de Schrift dan spreken dat voor gelovigen een erekrans is weggelegd als loon voor wat door hen is gepresteerd? Joeg Paulus zelf ook niet naar het verkrijgen van die erekrans (1Kor.9:24,25)? Begint geloof dan met genade en eindigt het in prestaties? Maar was dat niet juist wat Paulus de Galaten verweet: “Gij zijt begonnen met de Geest, eindigt gij nu met het vlees?” (Gal.3:3). Kortom, is het het nu genade alléén, of niet?

Het verrassende antwoord op deze vraag is dat gelovigen inderdaad beloond worden voor goede werken… die God tevoren bereid heeft, zoals Efeze 2:10 zegt. Niet onze werken worden beloond maar Zijn werken die Hij door ons doet. Hij werkt en gelovigen vormen Zijn gereedschap. Ogenschijnlijk zijn het de gelovigen zelf die goede werken doen. Met het oog of met een camera is niet te zien dat God in hen werkzaam is. Maar het is God die in hen het willen en werken (uit)werkt (Filp.2:12,13). Hij motiveert hen (=het willen) en Hij geeft hen ook de kracht om het te volbrengen (=uitwerken).

Twee teksten in 1Korinthe 15 illustreren perfect dit principe. In vers 58:

Daarom, mijn geliefde broeders, wordt standvastig, onwankelbaar,
te allen tijde overvloedig in het werk van de Heer,
wetende, dat uw arbeid niet vergeefs is in de Heer.

De Heer werkt overvloedig door degenen die onwankelbaar staan in de boodschap van de overwinning van Christus (:57). Let op: dat is het werk van de Heer. Maar pal daarop wordt het genoemd “uw arbeid”. Is dat tegenstrijdig? Nee. Als een timmerman met een hamer een spijker in het hout slaat, is dat dan het werk van de hamer of van de timmerman? Ieder voelt wel dat in zo’n vraagstelling een niet bestaande tegenstelling wordt gecreëerd. De timmerman doet het werk en de hamer is zijn werkinstrument.

Eerder in dit hoofdstuk schreef Paulus (:10):

Maar door de genade Gods ben ik, wat ik ben,
en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest,
want ik heb meer gearbeid dan zij allen,
doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is.

Paulus heeft meer gearbeid dan zijn collega-apostelen. Voor het oog was dat waar. Maar ook niet meer dan dat. Vandaar dat Paulus zich haast daaraan toe te voegen: “doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is”. Dat is de beslissende X-factor. Paulus wilde en kon niet anders dan het Evangelie doorgeven (9:16). Het Goede Bericht was zijn drive. Hij deed dat “om niet”. Het was niet zijn keuze, hij kon niet anders.  Zoals het ook geen prestatie is van een hamer om een spijker in het hout te slaan. In de hand van de timmerman kan de hamer niet anders.

Wat bij de bema (het erepodium; 2Kor.5:10) bekroond zal worden zijn niet de werken van de mens. Dat valt per definitie in de categorie “hout, hooi en stro” (1Kor.3:13). Nee, wat bekroond zal worden is het werk dat de Heer door ons heen heeft kunnen doen. Vandaar dat we lezen van de vierentwintig oudsten in Openbaring 4:10,11 dat zij de kronen (lauwerkransen) die ze hadden ontvangen, voor de troon zullen werpen en zullen zeggen: “U onze Heer en God, bent waardig te ontvangen de heerlijkheid…”.

De conclusie moet zijn dat de kronen die worden toegekend als beloning voor wat door gelovigen is gepresteerd, consistent is en ook in harmonie met de boodschap van Gods genade. God bekroont het werk dat Hij door ons doet.

Delen: