English blog

chronologie (5) van Salomo tot Nebukadnezar

31-10-2015 - Geplaatst door Andre Piet

index_1

In de vorige blog over de Bijbelse chronologie hebben we vastgesteld dat de tempel samen met Salomo’s paleis, werd voltooid in het vijfhonderdste jaar na de uittocht (3000 AH). Het is bij die gelegenheid dat de HERE voor de tweede keer aan Salomo verschijnt en hem op het hart bindt dat de toekomst van het huis Gods en zijn troon, afhankelijk zou zijn van Salomo’s gehoorzaamheid. Als hij zou luisteren naar God, dan zou zijn troon worden bevestigd. Maar zo niet, dan zou het volk worden uitgerukt uit het land en het huis van God worden verwoest. Dat alles zou eindigen in een groot drama. 2Kronieken 7:

21 Dit huis, dat hoog verheven was;
ieder die eraan voorbijgaat,
zal zich ontzetten en zeggen:
Waarom heeft de HERE
alzo aan dit land en aan dit huis gedaan?

We weten dat Salomo aan het einde van zijn leven inderdaad is afgeweken van de HERE en zich door zijn vele vrouwen liet verleiden tot de afgoden van de volkeren om hem heen (2Kon.11:1-13). Daarmee was het noodlot over zijn troon, zijn volk en het huis Gods bezegeld. Dat zette zich in, direct na zijn sterven, toen het koninkrijk scheurde. Het grootste deel van het koninkrijk, de tien stammen splitsten zich af en kwamen onder de heerschappij van Salomo’s knecht Jerobeam terwijl Salomo’s zoon Rehabeam in Jeruzalem koning werd over slechts twee stammen. En zo is het tot het einde aan toe gebleven. De dynastie van David bracht na Salomo nog twintig koningen voort maar nooit is de breuk met het noordelijke rijk van de tienstammen hersteld. Het merendeel van de twintig koningen (op zeven na) zette de goddeloze lijn voort die Salomo aan het einde van zijn leven had ingezet.

In het boek  ‘Kronieken’ worden alle twintig koningen bij name genoemd, beschreven en ook hoelang zij regeerden. De duur van hun regering wordt in hele kalenderjaren uitgedrukt. Dat wil zeggen: een deel van het jaar wordt niet meegerekend. Dat betekent dat de jaren van troonwisseling niet meegeteld worden. Dat zijn immers jaren waarin twee koningen, ieder voor een deel regeerden.

Volgen we de lijn vanaf Salomo nadat de HERE aan hem was verschenen (in 3000 AH), dan weten we dat Salomo nadien nog zeventien (volle) jaren geregeerd heeft. Immers, als in het vierde regeringsjaar van Salomo de bouw van de tempel aanving (2980), dan begon zijn regering in 2977. Hij heeft veertig (volle) jaren geregeerd, dat is dus tot en met 3017. In 3018 stierf Salomo en werd zijn zoon Rehabeam koning in diens plaats. 3019 werd daarmee het eerste volle jaar van Rehabeams regering. Hieronder de lijst van koningen, hun regeerperioden in volle jaren en de twintig niet meegerekende jaren waarin een troonwisseling plaatsvond.

 Schriftplaatsen  koningen volle jaren incl. troonwissel
1Kon.11:40; 2Kron.7:11 Salomo (resterend) 17 18
2Kron.12:13 Rehabeam 17 18
2Kron.13:1,2 Abia 3 4
2Kron.16:13 Asa 41 42
2Kron.20:31 Josafat 25 26
2Kron.21:5 Joram 8 9
2Kron.22:2 Ahazia 1 2
2Kron.22:12 23:1 Athalia 6 7
2Kron.24:1 Joas 40 41
2Kron.25:1 Amazia 29 30
2Kron.26:3 Uzzia 52 53
2Kron.27:1 Jotham 16 17
2Kron.28:1 Achaz 16 17
2Kron.29:1 Hizkia 29 30
2Kron.33:1 Manasse 55 56
2Kron.33:21 Amon 2 3
2Kron.34:1 Josia 31 32
2Kron.36:2 Joahaz* 1 ?
2Kron.36:5 Jojakim 11 12
2Kron.36:9 Jojakin* 1 ?
2Kron.36:11 Zedekia 11 11
 totaal 410  430
*Joahaz en Jojakin regeerden beiden slechts drie maanden. Vielen hun regeerperiodes in twee kalenderjaren (?), dan dient ook voor hun troonwisseling een extra jaar gerekend te worden.

Vanaf het jaar dat de HERE verscheen aan Salomo tot aan het jaar waarin de stad Jeruzalem en de tempel verwoest werden, is een tijdsbestek van opgeteld 430 jaar. Dat deze berekening inderdaad klopt, zien we wanneer we ook de profeet Ezechiël daarbij betrekken. Want kort voordat koning Nebukadnezar met zijn legers Jeruzalem omsingelde, kreeg deze profeet de opdracht om op een tegel Jeruzalem te tekenen en de belegering daarvan uit te beelden. En dan lezen we in Ezechiël 4:

4 En gij, ga op uw linkerzijde liggen
en leg daarop de ongerechtigheid
van het huis Israels;
naar het getal der dagen
dat gij daarop liggen zult,
zult gij hun ongerechtigheid dragen.
5 En Ik leg u de jaren
van hun ongerechtigheid op,
naar het getal der dagen:
DRIEHONDERD EN NEGENTIG DAGEN.
Zo zult gij de ongerechtigheid
van het huis Israels dragen.
6 Als gij dit hebt volbracht,
zult gij opnieuw gaan liggen,
op uw rechterzijde;
dan zult gij de ongerechtigheid dragen
van het huis van Juda: VEERTIG DAGEN;
VOOR ELK JAAR LEG IK U EEN DAG op.

In totaal moest Ezechiël (390 + 40=) vierhonderd dertig dagen op zijn linker- en rechterzijde liggen. Als uitbeelding van vierhonderd dertig jaar van ongerechtigheid van Israël en Juda tot aan de verwoesting van Jeruzalem. Waarbij de laatste veertig dagen model staan voor de veertig jaren die vooraf gingen aan Jeruzalems verwoesting. Het zijn de veertig jaren waarin Jeremia heeft geprofeteerd tot aan Jeruzalems ondergang (Jer.1:1-3). Waarmee gezegd is dat het begin van de vierhonderd dertig jaar ons terugvoert naar het jaar dat de HERE aan Salomo verscheen! Het jaar dat de HERE hem waarschuwde voor de ondergang van de dynastie, voor de ballingschap en voor de verwoesting van de tempel.

De optelsom vanuit ‘Kronieken’ wordt met precisie bevestigd door de termijn die Ezechiël expliciet noemt. Zodat we daarmee twee onafhankelijke getuigen hebben voor de lengte van de periode die eindigde in Jerzualems ondergang. Maar daar blijft het niet bij, want er is nóg een getuige. En dat betreft het karakter van de zeventig jaren die zouden volgen op Jeruzalems verwoesting. Maar daarover meer in een volgende blog. 

images16

Reageer op Facebook

Delen: