⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1" title="Speel af vanaf 00:01">▶ 00:01⟨/button> ⟨span>Terugblik op de Voorgaande Bijbelstudies⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Naar de natiën gezonden. Dit keer gaan we ons bezighouden met een onderwerp dat direct ontleend is aan de Romeinenbrief: Israël jaloers maken. Ik zal u vertellen: ik denk dat er geen subthema onder dit overkoepelende thema is waarvan ik het vermoeden heb dat er zoveel misverstanden over bestaan. Daar ben ik eigenlijk wel op gestuurd en dat is een van de redenen waarom ik het hier heel graag met u over wil hebben. Maar voordat we dat doen – en u bent dat van mij gewend – kijken we eerst nog even terug. Per slot van rekening is het al een hele tijd geleden, begin december, dat we de vierde avond hadden. Laten we daarom kort in vogelvlucht laten passeren wat we tot dusver hebben gezien.⟨/p> ⟨p>Het gaat in deze serie over hoe God zich bezighoudt met het zegenen van de natiën. Zijn Woord, Zijn heil, Zijn zegen en het leven worden naar de natiën gezonden. Tijdens de eerste avond hebben we gezien dat Israël van oudsher, eigenlijk vanaf de aanvang, daarin een centrale rol speelt. Als je het goed beschouwt, begon dat op het moment dat Abram geroepen werd. In Genesis 12 lezen we dat via hem en zijn zaad – zijn nageslacht, en uiteindelijk ten diepste Christus Zelf – alle geslachten van de aardbodem gezegend zouden worden. Israël is bestemd om te midden van de volkerenwereld een koninklijke, priesterlijke natie te zijn. Deze uitdrukking is direct ontleend aan Exodus 19, vlak voordat de Tien Woorden aan Israël werden toevertrouwd. Daar lees je dat God te midden van alle volkeren juist Israël, het volk van Jakob, heeft uitgekozen en voorbestemd om een koninklijke natie te zijn. Dat wil zeggen dat de heerschappij aan hen is toevertrouwd. Maar zij hebben ook een priesterlijke functie: een bemiddelende rol naar de volkerenwereld toe. De zegen van God verloopt via Israël en ook het Woord loopt via Israël naar de wereld. In feite is het zo dat God Zijn Woord aan de wereld toevertrouwt, maar dat verloopt via dat volk. Daarom zegt de apostel Paulus in Romeinen 3: "Wat is het voorrecht van de Jood?" Hij antwoordt dat aan hen in de allereerste plaats de woorden Gods zijn toevertrouwd. Israël is een uitverkoren volk, maar dat betekent in de Bijbel nooit dat het een exclusieve aangelegenheid is, alsof de rest van de volkerenwereld God niet zou interesseren. Integendeel, Hij kiest Israël juist uit om die wereld te zegenen, om alle geslachten van de aardbodem te zegenen. Dat is precies de plaats die Israël daarin inneemt. Soms gebeurt dat zelfs huns ondanks; zelfs als zij dat niet willen of er geen prijs op stellen, is dit waar zij toe zijn uitverkoren. Dat was vooral de insteek vanuit de Hebreeuwse Bijbel.⟨/p> ⟨p>De tweede avond hebben we gezien dat 'de twaalf' – de twaalf apostelen – zich in hun bediening na de dood en opstanding van de Messias richtten op Israëls bekering. Zij brachten het evangelie van de besnijdenis: het goede nieuws dat juist aan dat volk is toevertrouwd om weer een zegenkanaal voor de hele wereld te kunnen zijn. Waarom was het zo belangrijk dat de Messias, nadat Hij gestorven en opgestaan was, eerst aan Israël gepredikt werd? Omdat Israël in haar functie hersteld moest worden. Dat betekende dat ze tot bezinning moesten komen, zich zouden omkeren en de Messias zouden aanvaarden. In de prediking in het boek Handelingen zie je dat Petrus als woordvoerder van de twaalf zich richt op de bekering van dat volk. Pas daarna zou Israël alsnog een zegenkanaal voor de natiën worden. Dat was de heilshistorische volgorde: eerst Israël, en via een gelovig Israël zou het heil naar de natiën gaan. Dat is ook de reden waarom men zich in die tijd eerst en vooral, en eigenlijk zelfs uitsluitend, tot Israël richtte. De natiën kwamen op dat moment nog niet aan de orde. Dat was geen ongehoorzaamheid, maar het volgen van de juiste volgorde.⟨/p> ⟨p>De derde avond zagen we een rode draad door het hele boek Handelingen: hoe Israël opnieuw haar Messias verwerpt. Niet meer door Hem te kruisigen, maar door Hem – zoals de Hebreeënbrief dat omschrijft – als het ware opnieuw te kruisigen door Hem als de opgestane en opgewekte Heer te verwerpen. Dat zie je met name bij de steniging van Stefanus, waar Israël officieel de Messias afwijst. Ik zeg dit expres zo, omdat het Sanhedrin daar aanwezig was als vertegenwoordiging van het volk. Stefanus, wiens naam 'kroon' betekent, wordt verworpen. Direct daarop vinden we de roeping van Saulus, die Paulus zou worden. Die twee gebeurtenissen hebben direct met elkaar te maken. Paulus liep als het ware al warm op het moment dat Stefanus gestenigd werd. Hij hield toezicht op de mantels van degenen die stenigden; een vorm van 'mantelzorg', maar dan heel anders dan wij die term nu kennen. Omdat Israël ook de opgestane Heer verwierp, moest er een andere lijn gaan ontstaan.⟨/p> ⟨p>Tijdens de vierde avond hebben we ons opnieuw met het boek Handelingen beziggehouden en specifiek met de stad Caesarea. Deze stad neemt een cruciale rol in als de plek waar Petrus de poort heeft opengezet naar de natiën. Caesarea was een haven, de plaats waar land en zee elkaar ontmoeten. Petrus opende daar weliswaar de poort, maar hij ging er zelf niet doorheen. Dat deed Paulus wel. Hij ging via Caesarea bij meer dan één gelegenheid op zendingsreis naar de volkeren en keerde ook via die haven weer terug in het land. Dat is in hoge mate typologisch, omdat Caesarea de weg is naar de volkerenzee. Het was misschien een wat typologische aanvliegroute, maar het heeft alles te maken met het onderwerp waar we ons dit hele seizoen mee bezighouden. Dat is in het kort wat we in de voorgaande vier avonden hebben gezien.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="550" title="Speel af vanaf 09:10">▶ 09:10⟨/button> ⟨span>Waarom Ging Paulus Naar de Natiën?⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Vanavond gaan we ons bezighouden met de vraag waarom Paulus naar de natiën ging. Zeg nou niet dat dat vanzelfsprekend is, want dat is het eigenlijk helemaal niet als je het vanuit de Hebreeuwse optiek beziet. Integendeel, want de gedachte was toch dat Israël eerst gelovig moet worden alvorens de natiën bereikt gaan worden. Het kan dan wel zo zijn dat er een gelovige vreemdeling binnen de poorten bereikt wordt, prima, maar dat is dan ongeveer wel het uiterste. Verder dan dat zat er eigenlijk niet in. Dus hoezo een bediening naar de natiën toe? Dat was toch eigenlijk nog helemaal niet aan de orde.⟨/p> ⟨p>Dit roept de vraag op waarom Paulus dan toch naar de natiën ging. Hij staat immers als zodanig bekend, niet alleen in deze kring maar alom. Kijk het maar na in de naslagwerken: hij staat erom bekend dat hij de apostel van de natiën is, de heidenapostel. Ik heb een heel dik boek in de kast van professor Ridderbos: 'Paulus, de grote heidenapostel'. Groot, terwijl hij volgens de Romeinse opvatting van zijn naam eigenlijk 'een kleintje' betekent. Over die namen zullen we het verder nu niet hebben.⟨/p> ⟨p>Wat we vanavond gaan zien, is waarom Paulus eigenlijk naar de natiën ging. Daarbij zullen we ons in de eerste plaats richten tot Romeinen 9 tot en met 11, want daar geeft Paulus heel uitdrukkelijk een toelichting op zijn bediening. Hij onderbouwt dat gewoon in die hoofdstukken, zodat we passages uit met name de hoofdstukken 10 en 11 zullen bekijken.⟨/p> ⟨p>Vervolgens is het de bedoeling — ik weet niet precies hoe het met de planning zal aflopen — dat we ook het boek Handelingen zullen opslaan. Want in feite is wat Paulus doet in Romeinen 9, 10 en 11 ook reflecteren, zoals dat met een mooi woord heet, op zijn arbeid. Die arbeid wordt historisch beschreven door zijn medewerker, zijn geliefde geneesheer Lukas. Hij heeft dat allemaal opgetekend: zijn roeping, zijn bediening, et cetera. Wat Paulus feitelijk doet in die hoofdstukken van de Romeinenbrief is diep ingaan op de materie en bij het licht van de Schrift aantonen waarom hij doet wat hij doet en waarom hij daartoe geroepen is. Dat klinkt misschien wat abstract, dat geef ik toe, maar dat wordt vanzelf wel duidelijk. Het is juist helemaal niet abstract, het is heel concreet en ik vind het ook buitengewoon boeiend.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="749" title="Speel af vanaf 12:29">▶ 12:29⟨/button> ⟨span>Romeinen 10: het Grote Misverstand Rondom 'jaloers Maken'⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We gaan eerst naar Romeinen 10 om ons bezig te houden met het begrip 'jaloers', maar ook met het begrip 'toornig'. We zullen namelijk zien dat jaloezie allerlei betekenissen kan hebben; zowel positief als negatief. Ik weet niet hoe u dat ervaart, maar ik heb zelf al heel vaak studies gehoord en boeken of artikelen gelezen over het verwekken van Israël tot jaloersheid. Meestal wordt daarmee bedoeld, vooral in een kerkelijke zetting, dat wij als kerk in ieder geval een voorbeeld moeten zijn. De gedachte is dan dat Israël jaloers wordt op onze handel en wandel, of in ieder geval op het Woord dat uitgaat, zodat zij positief geprikkeld worden en ook willen bezitten wat wij hebben. Dat is meestal de achterliggende gedachte, maar ik ben erachter gekomen – en dat is meteen een binnenkomer om u wakker te houden – dat het precies omgekeerd is. Jaloezie heeft in dit verband helemaal niet die positieve betekenis die er altijd aan gegeven wordt. Ik loop nu natuurlijk voor de muziek uit, maar zie het als een soort aankondiging van wat ik u wil laten zien.⟨/p> ⟨p>Even voor de goede orde, ook voor degenen die dat niet weten: we kijken naar Romeinen 9 tot en met 11. De Romeinenbrief heeft in totaal zestien hoofdstukken. Er is een dik boek over verschenen – en dat is niet van Nel. Sommige mensen komen er maar heel moeilijk doorheen; daar hadden we het net voor de pauze ook even over. Dat zeg ik ook even voor de kijkers via de livestream, want die denken anders: waar heeft hij het over? Maar de Romeinenbrief telt dus zestien hoofdstukken waarin Paulus op een fundamentele wijze uiteenzet wat het 'Evangelie van God' is. Dat is een uitdrukking die hij meteen in het eerste vers van het eerste hoofdstuk bezigt. Hij is een geroepen afgevaardigde om het Evangelie van God door de natiën te brengen.⟨/p> ⟨p>Binnen die brief vormen hoofdstuk negen, tien en elf een soort intermezzo. Daarin behandelt Paulus de vraag hoe het kan dat Israël zo afwijzend staat tegenover de prediking van het Evangelie. Hoe kan dat? Per slot van rekening zijn de verbonden aan Israël – niet alleen het oude, maar ook het nieuwe verbond. Voor hen is de eredienst en de heerlijkheid. Paulus beschrijft in Romeinen 9:4 en 5 een zevental heerlijkheden die aan dat volk zijn toevertrouwd. En bovenal: wie is er voor hen? Voor hen is de Christus, de Messias.⟨/p> ⟨p>Maar hoe kan het dan dat zij de Messias hebben gekruisigd? Nou, dat is niet zo moeilijk, want dat had Petrus al uitgelegd: God heeft zo in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van de profeten had gesproken. Maar hoe kan het dan dat deze opgewekte Messias, die door God is opgewekt, nu opnieuw door hen wordt afgewezen terwijl de boodschap nu alsnog tot hen komt? Is het Woord van God dan vervallen? Israël denkt immers nog steeds: als de Messias komt, dan breekt het vrederijk aan en dat gaat via Israël. Hoe kan er dan aan de ene kant sprake zijn van de Messias en aan de andere kant van een ongelovig volk dat Hem niet kent of herkent?⟨/p> ⟨p>Daar gaat Paulus op in in deze hoofdstukken. Het is een onderbreking waarin hij het heeft over het grote geheim dat aan hem is toevertrouwd. In feite is Paulus' bediening zelf ook een onderbreking, een intermezzo. Ik vind het prachtig dat hij op een literaire, stilistische wijze uitdrukking geeft aan wat hij doet, of aan wat God doet: dat Hij nu een inkeping in de geschiedenis maakt en dat het heil een omweg maakt via de natiën. Dat heeft alles te maken met Paulus' bediening; het is een intermezzo of een parenthese, of hoe je het ook noemen wilt. Dat zijn de hoofdstukken 9, 10 en 11.⟨/p> ⟨p>We gaan nu naar Romeinen 10. Ik begin te lezen bij vers 18 om de draad op te pakken. Waar het vooral om gaat, is dat Paulus in de hoofdstukken 10 en 11 drie keer het begrip 'jaloers maken' gebruikt. Die keren willen we gaan bezien. De eerste keer is in Romeinen 10:18. Paulus zegt daar: "Maar, ik zeg: Hebben zij het dan niet gehoord?" Met 'zij' bedoelt hij het volk Israël. Hij antwoordt: "Zeer zeker." Het is heel apart hoe hij dat baseert op een citaat uit Psalm 19: "Over de ganse aarde is hun geluid uitgegaan en tot het einde van de bewoonde wereld hun uitspraken." Als je dat terugleest in deze psalm van David, dan gaat het over de hemellichamen. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt het werk van Zijn handen. In het eerste deel van die psalm wordt prachtig uiteengezet hoe de hele sterrenhemel één grote ode en een uitdrukking is van Gods heerlijkheid.⟨/p> ⟨p>Je zou de vraag kunnen stellen: maar wacht even, David heeft het daar toch niet over het Evangelie? In feite wel. Dat is een onderwerp apart, maar in feite is wat daar aan de hemel staat elke dag en elke nacht een spraak die uitgaat van de zon, de maan en de sterrenbeelden. Het vertelt van Gods weg met de schepping. Ik houd ervan om het zo te zeggen: van de Maagd tot de Leeuw. Dat zijn de sterrenbeelden van het begin tot het eind; het eerste en het laatste sterrenbeeld beschrijven Gods weg. Dat is een schitterend onderwerp, maar nu niet ons hoofdonderwerp. Het gaat erom dat het Evangelie aan de hemel staat geschreven. Daar is ooit een mooie brochure over uitgekomen bij Morgenrood met de titel: 'Het Evangelie in de sterren'. Prachtig!⟨/p> ⟨p>Gaat het in Psalm 19 inderdaad over het Evangelie? Ja, in feite wel. Want het licht dat schijnt op deze aarde getuigt sowieso van wie God is, of dat nu het licht van de zon is of van de sterren. Het beschrijft de weg die God gaat en het werk van Zijn handen. Paulus legt dat zo uit en past het hier toe. Hij zegt: zoals het uitspansel universeel spreekt tot aan de einden der aarde en het niemand kan ontgaan, zo klinkt ook het Evangelie universeel. In feite tekent hij daarmee ook zijn eigen bediening, want Paulus was degene die in de hele bewoonde wereld het Woord doorgaf. Ik moet er trouwens bij zeggen dat ook 'de twaalf' wel degelijk buiten de landsgrenzen zijn geweest; zij beperkten zich weliswaar tot de besnijdenis, maar bereikten niettemin de hele bewoonde wereld. Hoe dan ook: het uitspansel doet universele, alomvattende uitspraken en spreekt.⟨/p> ⟨p>Wel, dat is met het Evangelie ook het geval. Dus ongeacht of we het nu hebben over het Joodse volk in het land of het Joodse volk in de verstrooiing, in de diaspora: het Evangelie horen ze ook daar. En dat is dus de overeenkomst met wat het uitspansel vertelt. Het Evangelie heeft ook in die eerste eeuw, in die eerste generatie, een enorm krachtige loop gehad.⟨/p> ⟨p>En dan vers 19. "Maar," zegt Paulus – eerst dus de vraag: hebben zij het dan niet gehoord? Dan zeg je: jazeker! En dan vervolgens: "Maar ik zeg, heeft Israël dat niet gekend?" Of zoals dat dan weergegeven wordt: "niet verstaan?" Dat is een andere vraag. Want het is één ding om het te horen, maar een ander ding: hebben ze het niet begrepen? Zijn ze niet intelligent genoeg? Nou, als ik het zo formuleer, dan begrijpen we allemaal wel dat je van dat volk moeilijk kunt zeggen dat ze niet clever genoeg zijn. Dat zal dus niet aan de orde zijn.⟨/p> ⟨p>En dan zegt Paulus: "Vooreerst zegt Mozes..." en daar gaat hij een citaat geven. Ik vind het wel boeiend dat hij zich meteen al beroept op Mozes. Vooreerst zegt Mozes. Hij zegt dus niet Jesaja ofzo – nee, want daar is hij mee begonnen. Hij zegt eigenlijk: het staat al vanaf het allereerste begin, in de eerste boeken in de Bijbel, dat dit er staat. Het patroon wordt al zo gegeven en het is dus niet iets onverwachts. Hij zegt: Mozes zei daar al het zijne over of sprak daarover. Ik geef eerst even het citaat nu in de Hebreeuwse Bijbel.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1434" title="Speel af vanaf 23:54">▶ 23:54⟨/button> ⟨span>Deuteronomium 32: Israël Vervangen Door een Dwaas Volk⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dus ik maak nu even een uitstapje. Hij gaat een citaat geven uit Deuteronomium en we zullen straks naar het echte citaat gaan, maar nu kijken we eerst even naar het tekstverband waarin dat in Deuteronomium 32 gebezigd wordt. Want het eerste deel van dit vers wordt door Paulus niet aangehaald, maar ik betrek het er wel even bij, want dat maakt het alleen maar sprekender. Daar zegt de Heere God al: "Zij verwekten Mij tot naijver" – of jaloezie. Naijver is hetzelfde; het hangt ervan af welke vertaling je bezit. Naijver is wat ouder Nederlands, maar het betekent hetzelfde. "Zij verwekten Mij tot naijver door wat geen god is en zij krenkten Mij met hun ijdelheden." Meestal is dat de uitdrukking voor afgoden.⟨/p> ⟨p>Dat wat namelijk geen god is, waaraan wel een goddelijke status wordt gegeven of wat ter vervanging van Zijn woord dient, is in feite ook een ijdelheid. In feite is traditie ook zo'n ijdelheid. Er wordt een status aan gegeven alsof het uit de mond van God komt, terwijl mensen het zelf hebben bedacht. Dat is ijdelheid. En dan staat er: "Zij verwekten Mij tot naijver door wat geen god is en zij krenkten Mij met hun ijdelheden, daarom zal Ik hen tot naijver verwekken..." Ziet u? Dat is de logica. "...door wat geen natie is, door een dwaas volk zal Ik hen krenken."⟨/p> ⟨p>Er worden trouwens in het Hebreeuws twee verschillende woorden gebruikt. Eerst: "door wat geen natie is". In het Hebreeuws staat daar het woord ⟨em>am⟨/em>. Dat is het woord voor volk; ⟨em>amim⟨/em> zijn volkeren. ⟨em>Nes amim⟨/em>, de banier der volken – dat staat ook in Jesaja trouwens. Maar dan heb je ook nog het Hebreeuwse woord ⟨em>goy⟨/em>. Of, zoals wij dat zeggen – en dat is zelfs nog een beetje Nederlands ook – "gooy", wat meer de uitdrukking is voor heidenen. Er worden hier dus verschillende benamingen gebruikt.⟨/p> ⟨p>Het idee is dat God eigenlijk zegt – de logica van de zin is deze: "Zij vervangen Mij, daarom zal Ik hen ook vervangen." Zij vervangen Mij door hun ijdelheden, daarom zal Ik hen tot naijver verwekken door wat geen natie is; door een dwaas volk zal Ik hen krenken. Dus God zegt: "Zij vervangen Mij, Ik ga hen ook vervangen", namelijk door een volk dat eigenlijk helemaal niet een volk is. En voor zover het een volk is, is het dwaas – heidens zouden wij dan zeggen.⟨/p> ⟨p>Met de logica van deze zin in gedachte gaan we vervolgens verder in Romeinen 10. Voor de goede orde: Paulus zegt dus: "Maar ik zeg: Heeft Israël dat niet verstaan?" En dan zegt hij: "Vooreerst zegt Mozes..." En dan lezen we meteen het citaat zoals hij dat aanhaalt vanuit Deuteronomium: "Ik zal u jaloers maken op wat geen volk is, toornig op een onverstandig volk." Paulus haalt dit aan uit de Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament. Paulus schrijft dit in het Grieks, dus hij gebruikt de Griekse vertaling en dan is dit de weergave. In de praktijk is dat hetzelfde: "Ik zal u jaloers maken" – of naijverig maken – "op wat geen volk is, toornig op een onverstandig volk."⟨/p> ⟨p>Ik vind het prachtig. In de eerste plaats vind ik het heel mooi dat hier staat: "Ik zal." Dit is dus niet een roeping van: "Wij moeten Israël jaloers maken." Nee, "Ik Zelf". Het is een goddelijke actie en geen oproep aan ons om dat te doen; daar wijs ik nu alvast even op. "Ik zal u" – of "jullie", want het is meervoud – "jaloers maken op wat geen volk is." En dit voel je eigenlijk al aankomen: dit is een verwijzing naar de Ecclesia die gevormd wordt vanuit de natiën. De Ecclesia kun je in zekere zin een volk noemen, maar het is geen volk in de etnische zin van het woord. Voordat ik daar nog verder op inga, wil ik dit woord...⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1753" title="Speel af vanaf 29:13">▶ 29:13⟨/button> ⟨span>Jaloezie als Goddelijke Krenking en Toorn⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De jaloezie hier is dus niet positief, maar negatief. Dat blijkt uit het parallelisme; er worden twee zinnen gebruikt die onder elkaar staan en parallel lopen. Het woordgebruik is weliswaar anders, maar de strekking is gelijk. Ik had het zojuist over Psalm 19: "De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt het werk Zijner handen." Dat is een perfecte parallellie: de hemel komt overeen met het uitspansel, 'vertellen' komt overeen met 'verkondigen', en 'Gods eer' komt overeen met 'het werk van Zijn handen'.⟨/p> ⟨p>Hier is dat ook aan de orde. God zegt: "Ik zal jullie jaloers maken", en vervolgens: "toornig op een onverstandig volk". Het is van belang om dit te begrijpen: die toorn of jaloezie wordt hier gebruikt in de zin van krenking. Kijk, jaloezie kan positief zijn. Je bent bijvoorbeeld jaloers op een vaardigheid die iemand heeft en zegt: "Nou, dat zou ik ook heel graag willen." Dat betekent niet dat je het de ander misgunt. Maar jaloezie kan ook negatief zijn, in de zin van de kift: je gunt het de ander niet. Dat is de gedachte die hier speelt; een negatieve invulling van jaloezie. Hoewel jaloezie positief kan zijn en een enorme aanzet kan geven om iets te verkrijgen — omdat je een mooie eigenschap in de ander zo waardeert dat je vraagt hoe hij dat doet — wordt die jaloezie in de theologie in verband met Israël doorgaans altijd zo geïnterpreteerd. Men denkt dan dat Israël jaloers wordt gemaakt omdat zij ook graag willen hebben wat wij hebben. Het idee is dan: wij hebben het Evangelie en wij worden opgeroepen dat we hen zodanig stimuleren, of dat we ons zodanig opstellen of gedragen, dat zij dat ook willen.⟨/p> ⟨p>Maar dat is hier dus uitdrukkelijk niet het geval. De eerste keer dat Paulus de term 'jaloers maken' gebruikt, en daarmee zet hij de toon, beroept hij zich op wat al door Mozes werd gezegd in een context waarin de Heer is vervangen. De Heer zegt nu tegen dat volk: "Ik ga jullie ook vervangen." De Heer is ook jaloers, in de zin dat Hij iets exclusief claimt. Dat staat trouwens ook in de Tien Woorden: de Heere God is een naijverig God. Hij kan het niet hebben als Zijn volk hoereert met andere goden. De Heer zegt: "Jullie zijn Mijn volk, Ik ben jullie trouw en jullie zouden dat ook aan Mij zijn." Op het moment dat zij hun God vervangen, zegt God: "Dan ga Ik jullie ook vervangen." En wel zodanig dat ze echt boos worden, want ze worden vervangen door een volk dat niet eens een volk is.⟨/p> ⟨p>Hiermee ben ik weer terug bij wat ik eerder wilde zeggen: dat de Ecclesia in onze dagen ook geen volk is in de etnische zin van het woord. Het Nederlandse volk is in feite een bepaalde stam, met landsgrenzen en allerlei kenmerken, maar dat is de Ecclesia niet. Het is een 'uitroepsel' van individuen die geen familie van elkaar zijn; er is geen bloedverwantschap, helemaal niets. Wat hen bindt, is dat ene Woord en die ene Geest. Wij allen zijn in één Geest tot in één lichaam gedoopt. Dat is wat ons tot een eenheid maakt. We zijn dan weliswaar bijeengeroepen, maar we zijn niet echt een volk. Bovendien zijn we een heel onverstandig volk. Het idee is dat Israël tijdelijk wordt vervangen. Zoals Israël de Heer en Zijn Woord vervangen heeft, zo gaat God Zelf Israël tijdelijk vervangen door iets wat geen volk is, en bovendien een dwaas en onverstandig volk. Hoezo? Gewoon omdat zij totaal niet de achtergrond hebben van de Torah, de tempel en de kennis van God. Helemaal niets.⟨/p> ⟨p>Vanuit Israëls zelfverstaan kijken ze neer op al die volkeren, want die hebben niet wat zij hebben ontvangen. Zij hebben niet de wijsheid van de woorden Gods, en dus zijn al die volken dwaas. Wat hier bij monde van Mozes al geprofeteerd wordt, is: "Ik ga jullie jaloers maken op wat geen volk is en toornig op een onverstandig volk." Dat wil zeggen: "Ik ga jullie vervangen." En reken maar dat dit hun exclusieve status raakt. Zij zijn immers 'iemand' en zijn voorbestemd om een koninkrijk van priesters te zijn waarbij het woord via hen naar de natiën gaat. Reken maar dat het 'de kift' is als de Heer dat volk gaat vervangen door een volk dat geen etnisch volk is, dat dwaas is en totaal niet de wijsheid heeft die zij wel hebben. Dat is een krenking, want daarmee wordt Israël feitelijk in haar diepste wezen gekrenkt en geërgerd. Ze miskennen namelijk een toornig of een onverstandig volk.⟨/p> ⟨p>Lange tijd heb ik zelf ook gedacht dat het zou betekenen dat Israël jaloers werd op de natiën omdat ze niet konden verkroppen dat het Woord naar de natiën ging. Maar dat is het idee niet; het ging erom dat zij als volk vervangen worden door wat geen volk is, en dat bovendien dwaas is in hun optiek en beschouwing. Paulus gaat daar nog op verder in vers 20 en 21. Jesaja gaat zelfs nog verder; die waagt het te zeggen — en dat is eigenlijk heel provocatief en gedurfd — wat Paulus hier naar voren brengt. Mozes zei dat al, maar Jesaja waagt het later ook nog eens zo provocerend te formuleren. God Zelf zegt het eigenlijk bij monde van Jesaja: "Ik ben gevonden door wie Mij niet zochten, Ik ben openbaar geworden aan wie naar Mij niet vroegen." Dat is inderdaad heel provocerend, vooral als je het contrast ziet in vers 21.⟨/p> ⟨p>In Jesaja worden beide in één penstreek genoemd. Aan de ene kant wordt van de natiën gezegd: "Ik ben door hen gevonden", terwijl ze helemaal niet aan Mij dachten en niet naar Mij vroegen. Maar van Israël zegt Hij: "De ganse dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt naar een ongezeglijk en bovendien tegensprekend volk." Door dat volk wordt Hij dus afgewezen. Hij wordt afgewezen door Israël en gevonden door de natiën. In feite zie je hier exact dezelfde gedachtengang als in Deuteronomium 32: Israël wordt gewoon vervangen. Je zou verwachten dat Hij gevonden wordt door degenen die daartoe geroepen zijn, of door degenen naar wie God Zich heeft uitgestrekt, maar het is precies omgekeerd. Zij wilden zich niet laten gezeggen, en als ze al iets hoorden, spraken ze dat nog tegen ook. En degenen die helemaal niets met God hadden en Hem ook helemaal niet hebben gezocht, die hebben Hem gevonden. Dat is een omkering van rollen. Dat wat normaal gesproken op het volk van toepassing zou zijn, wordt nu ineens overgezet naar een volk dat dat helemaal niet kan claimen en er ook geen enkele reden toe zou hebben. Maar dat is juist de werkwijze van God. Dat is ook precies wat Israël jaloers maakt in de zin van toornig: gekrenkt in je diepste wezen omdat het unieke wat je bent feitelijk miskend wordt.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2443" title="Speel af vanaf 40:43">▶ 40:43⟨/button> ⟨span>Romeinen 11: Israëls Misstap Brengt Redding voor de Natiën⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Oké, dan gaan we nu naar Romeinen 11, waar Paulus ook een tweetal keren spreekt over de jaloezie. Hij zegt in vers 11 — ik sla nu een aantal verzen over, maar hij haakt hier aan bij wat hij zojuist al had geschreven en wat we hebben besproken: "Ik vraag dan: Zij zijn toch niet zo gestruikeld dat zij wel vallen moesten?" Israël is gestruikeld. Bij struikelen is het idee dat je je weer kunt herstellen; als je valt, dan ben je te laat. Maar Israël is gestruikeld; in het volgende vers noemt hij het ook een misstap. Paulus geeft zelf ook het antwoord: "Nee, helemaal niet." God schrijft Zijn volk niet definitief af. Dat zou wat zijn. Ga er maar van uit dat als God Israël heeft voorbestemd om een koninkrijk van priesters te zijn voor de natiën, dan zal dat hoe dan ook een keer waar worden. Dat dit nu niet het geval is en dat ze zijn gestruikeld mag dan waar zijn, maar dat is niet waar God het voor heeft bestemd. Dat heeft een andere reden.⟨/p> ⟨p>Paulus zegt dan ook: "Volstrekt niet! Door hun misstap..." Hoe staat dit er nou? Ja, dat was de fout. Er staat niet "door hun val", maar "door hun misstap". Kijk, dat is het mooie van de interlineair. Onze broeder heb ik meegenomen om dat even te bevestigen, want hij heeft het allemaal ooit zelf zo ingevuld. Het is eigenlijk een "naast-verstappen". Dus het is met recht een misstap. Het is niet een val, maar het is misgestapt. Door hun misstap is de redding voor de natiën. En dan staat erbij waarom: om hen, de natiën, jaloers te maken.⟨/p> ⟨p>Kijk, het idee is dit: Israël weigerde en sprak tegen. Wat er vervolgens gebeurt, is in feite wat Paulus doet in zijn hele bediening; daardoor is de redding verplaatst en nu ondergebracht bij wat "geen volk" is. Dat is niet — want zo wordt het meestal gelezen, of ik zeg meestal maar ik bedoel eigenlijk altijd — om Israël te winnen, of dat Paulus erop uit zou zijn geweest om Israël te winnen. Maar dat is het idee niet. We houden gewoon de betekenis vast die Paulus al had gegeven aan het woord jaloezie, namelijk "de kift", het niet kunnen hebben, het gekrenkt zijn en toornig zijn. Die jaloezie, daarover gaat het hier. Israël heeft een misstap begaan en daardoor is de redding naar de natiën gegaan met als doel juist om hen jaloers te maken. Dat betekent ook om hun pretenties te ontmaskeren. Wat God eigenlijk doet door Paulus die bediening te geven, is dat er een volk wordt geroepen, een dwaas volk. Dat is een krenking voor Israël, zodat Israël bemerkt en moet vaststellen: "Er is een ander volk dat geroepen is en die gaat ons nu vertellen wie de Messias is." Het is de omgekeerde wereld dat Israël via de natiën moet vernemen wie hun Messias is. Dat is toch een enorme omkeer.⟨/p> ⟨p>Nou, dat is precies wat jaloezie ook uitdrukt. Ze zijn jaloers omdat de rollen verwisseld worden en het volk terzijde wordt geschoven voor een ander volk wat geen volk is. Dus ook hier zegt Paulus wat de reden is van hun misstap. De redding is naar de natiën gegaan om hen jaloers te maken. Ik lees verder: "Betekent nu hun misstap rijkdom voor de wereld en hun tekort rijkdom van de natiën, hoeveel te meer hun volheid?" Ook hier zie je weer zo'n parallellisme: rijkdom van de wereld, rijkdom van de natiën. De wereld is in dit geval een ander woord voor de natiën. Wat hier naar voren wordt gebracht, is de geschiedenis van het boek Handelingen, vooral die eerste jaren na de dood en opstanding — drieënhalf jaar als u het mij vraagt — na de opstanding van Jezus Christus. Het evangelie heeft geklonken tot aan de dood van Stefanus en nu hebben ze ook de opgestane Messias officieel verworpen. Dat is hun misstap. Hun misstap is dus niet dat ze de Messias hebben gekruisigd, maar hun misstap hier is dat ze de opgewekte Messias hebben verworpen; het evangelie zoals de twaalf dat hebben verkondigd en als laatste Stefanus. Dat is hun misstap en daardoor is er vervolgens een apostel geroepen, een dertiende die niet bij de twaalf hoorde en die is geroepen naar de natiën.⟨/p> ⟨p>Zo is de rijkdom van Israël verplaatst naar de natiën, want in feite wordt de rijkdom niet vernietigd, maar wordt deze ergens anders ondergebracht. Een ander beeld — daar zullen we de volgende keer waarschijnlijk over hebben — is dat de kandelaar wordt verplaatst van Israël naar de natiën. Daar wordt het licht vervolgens verspreid. Ik wil dat toch nog even benadrukken: het gaat er dus niet om dat ze jaloers zijn omdat Israël het niet kan hebben dat het heil naar de natiën gaat. Dat is het punt niet. Het punt is dat zij daarbij terzijde worden gesteld. God gaat een omweg en Hij passeert het volk dat normaal gesproken juist die taak zou hebben. Het is de krenking van Israël; ze worden jaloers en toornig gemaakt doordat zij nu van een dwaas volk — dat de Torah niet heeft, de tempel niet heeft, dat helemaal niets heeft van wat zij wel kennen — moeten horen wie de Messias is die zij zelfs niet hebben herkend. Dat is een krenking. Dat is toorn en Paulus zegt dat dit in feite ook de ondankbare taak was die aan hem gegeven was.⟨/p> ⟨p>Vanaf het begin was dat zijn taak. De naam Paulus verschijnt in Handelingen 13 vers 9, waar Saulus Paulus wordt. Wanneer is dat? Dat is wanneer hij zich op het eiland Cyprus bevindt en daar de Romeinse proconsul Sergius Paulus treft. Paulus wil die man, die geïnteresseerd is in het woord van God, toespreken, maar hij wordt tegengewerkt door Barjezus, een Joodse tovenaar. Dan wordt Saulus "Paulus" genoemd en vanaf dat moment heet hij consequent en altijd Paulus. Het was altijd Saulus, maar vanaf het moment dat hij door een Jood wordt tegengewerkt om naar de natiën te gaan, wordt hij Paulus. Hij zegt tegen die Barjezus: "Je zult een tijdlang blind zijn." Hij gebruikt trouwens ook het woordje ⟨em>pauo⟨/em> in dat verband: stoppen. Ja, een tijd blind zijn. En hij wacht voor "twee dagen" en dan alsnog zouden ze ziende worden. Dus zelfs in de naam van Paulus zit een betekenis. In het Latijn betekent Paulus "kleintje", maar in het Grieks is het afgeleid van het werkwoord voor stoppen, ons woord "pauze". Als je daarmee verband houdt, is dat helemaal mooi, want de naam Paulus staat voor een onderbreking, voor de man die een pauze markeert voor een volk dat voor een kort moment relatief blind zou zijn en Gods wegen miskent. Prachtig hè, zulke lijnen. In feite is dat allemaal een typologische illustratie van de weg die God gaat.⟨/p> ⟨p>Ik wilde nog wat anders zeggen, maar ik weet het niet meer. Maar één ding is duidelijk in dit verband: de rijkdom die bij Israël was, die wordt nu geplaatst onder de natiën, daar ondergebracht. Nou, zegt Paulus dan in vers 12: "Betekent nu hun misstap rijkdom van de wereld en hun tekort rijkdom van de natiën, hoeveel te meer hun volheid?" We leven nu in deze overgang; dat zijn simpelweg twee fases.⟨/p> ⟨p>Dus je hebt aan de ene kant momenteel Israëls tekort, hun ongeloof, hun misstap, het miskennen van de Messias, hun verwerping ook van de Messias. Maar als dat al een rijkdom is van de wereld en van de natiën, wat gaat het dan betekenen als Israël niet meer een tekort heeft, maar tot volheid zal komen?⟨/p> ⟨p>Dat moet ik er even bij zeggen: Israëls volheid is een punt dat alles te maken heeft met het misverstand waar ik het net over had. Namelijk dat men dan denkt dat het vandaag de roeping van de gemeente zou zijn om Israël tot jaloersheid te brengen, in de zin dat zij ook... Nee, hen jaloers maken. Maar Israëls volheid komt ook niet via de natiën, maar door Gods eigen ingrijpen. Dat is trouwens wat Paulus later in hetzelfde hoofdstuk naar voren gaat brengen: dat gaat niet plaatsvinden via de natiën, maar als de Verlosser uit Sion zal komen. En dan zal gans Israël gered worden.⟨/p> ⟨p>Nu is het een enkeling, maar dat is trouwens het volgende vers. Het gaat hier natuurlijk even om die tegenstelling. Als dat nu al zo is, als het tekort van Israël en hun misstap al zo'n rijkdom voor de natiën heeft, wat gaat het betekenen als zij dan daadwerkelijk tot hun bestemming en hun volheid komen? En dan zegt Paulus:⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3211" title="Speel af vanaf 53:31">▶ 53:31⟨/button> ⟨span>De Heerlijkheid van Paulus' Bediening: als Heiden tot Israël Spreken⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ik spreek tot u, natiën. Voor zover ik apostel van de natiën ben – niet apostel vóór de natiën, maar apostel van de natiën. Paulus rekent zich hier dus tot de natiën. Hij zegt: 'voor zover ik', want je kunt natuurlijk zeggen: 'Ja maar Paulus, je bent toch een Israëliet?' Dat had hij trouwens in vers 1 van dit hoofdstuk nog gezegd: 'Ik ben zelf een Israëliet, uit de stam van Benjamin', zoals ooit die andere Saulus ook was. Maar in ieder geval zegt Paulus: ik reken mij tot de natiën, als een afgevaardigde van de natiën.⟨/p> ⟨p>Aan hem was ook het evangelie van de voorhuid toevertrouwd; dat is Galaten 2. Hij zegt dat aan Petrus het evangelie van de besnijdenis was toevertrouwd – het evangelie dat bij Israël hoort. Aan Paulus is echter een heidensevangelie toevertrouwd, wat niets met de voorhuid of rituelen te maken heeft, en dat dus in feite al helemaal behoort aan de natiën. Paulus is ook buiten het land geroepen en hij was een Romein. Dus hij zegt: 'voor zover ik een apostel van de natiën ben...' Daar is wel wat op af te dingen, maar hij rekent zich inderdaad daartoe en in die hoedanigheid spreekt hij nu ook. Hij zegt: 'Ik spreek tot jullie, natiën, en wel in die hoedanigheid dat ik een apostel ben van de natiën. Ik hoor bij jullie. Ook al ben ik een Israëliet uit de stam van Benjamin, ik hoor bij jullie en als zodanig spreek ik nu.'⟨/p> ⟨p>Hij zegt: 'Ik verheerlijk mijn bediening.' De glorie van Paulus' bediening is niet dat hij zich als een Jood tot de natiën wendt. De glorie van zijn bediening – hij zegt: 'ik verheerlijk mijn bediening' – is dat hij als een heiden tot Israël spreekt. Dat is de essentie en de heerlijkheid van Paulus' unieke bediening. Kijk, Petrus sprak ook tot de natiën. Nou ja, één keer dan, waar we het eerder over hadden. Hij opende de deur voor Cornelius daar in Caesarea. Ja, maar toen ging het heil van Israël naar de volgende. Paulus zegt: 'Ja, maar ik doe het op een andere manier. Ik ben een heidense apostel. Ik ben een Romein, aan mij is een evangelie van de voorhuid toevertrouwd. Ik ben ook buiten het land geroepen. Ik ben een heiden en als zodanig maak ik mijn bediening heerlijk.' Dat wil zeggen: dit is de ultieme glorie van mijn bediening, ook uniek voor wat aan mij is toevertrouwd, namelijk dat ik zo mogelijk mijn vlees en bloed – zijn volksgenoten dus – jaloers zou maken en enigen uit hen redden.⟨/p> ⟨p>We houden gewoon de draad vast over die jaloezie en dat toornige, want het klopt exact. Dit is de derde keer dat Paulus die term van jaloezie gebruikt. Dit is ook, ik noem het hier in deze toelichting, explosief. Want al is het waar dat Paulus een Israëliet is – hij spreekt in dit hoofdstuk ook over 'mijn verwanten naar het vlees', hier noemt hij het 'mijn vlees en bloed' in de biologische zin – mag dat dan zo zijn, hij zegt: ik hoor bij de natiën. Hij spreekt vanuit de natiën tot Israël. Maar dat is precies het unieke karakter en daarmee ook de heerlijkheid van zijn bediening: hij spreekt vanuit de natiën tot Israël. Daardoor maakt hij het volk ook jaloers en krenkt hij ze.⟨/p> ⟨p>We zullen straks na de pauze ook inderdaad zien dat hij dat echt zo doet. Zo heeft het ook gewerkt. Dat was ook de reden waarom ik zei: hij reflecteert in feite op zijn bediening. Dit was Paulus' ervaring; dit heeft hij geschreven in de tijd van Handelingen 19, de Romeinenbrief. Je kunt het perfect traceren en plotten in het boek Handelingen. Daar gingen al heel veel ervaringen aan vooraf. Paulus was inderdaad een apostel en hij ging weliswaar de synagoge in, maar wat deed hij daar? Hij vertelde hen van de Messias en hij zei tegen hen: 'Maar God heeft het heil naar de natiën gezonden en daar ook, om zo te zeggen, gedeponeerd en daar wordt het nu bewaard. Hij heeft de kandelaar verplaatst uit Israël en nu bij de natiën gezet.' Vandaar dat Paulus zo enorm veel verzet heeft opgeroepen, juist onder zijn volksgenoten, veel meer dan Petrus en Jakobus. We komen daar trouwens na de pauze op, want het is een heel opmerkelijk verschil.⟨/p> ⟨p>Ja, Paulus was weliswaar inderdaad een Jood, een Israëliet uit Benjamin, tot uw dienst, maar hij sprak als een heiden en hij identificeerde zich ook als een heiden. Dat was de grote kift en wat het volk ook jaloers maakte. 'Maar,' zegt hij, 'en enigen.' Dus wat Paulus doet in zijn bediening is zijn volk jaloers maken en enigen uit hen redden. Mooi hè? Het is opmerkelijk, die onderscheiding. Paulus is er niet op uit om het hele volk te redden, want dat gaat wel gebeuren, maar dat gebeurt niet door zijn bediening. Integendeel, zijn bediening is juist dat Israël jaloers gemaakt wordt en toornig is, en het niet kan hebben dat er een ander volk voor in de plaats is gekomen. Paulus weet: door zijn bediening komen er wel enigen, maar niet de meerderheid en ook niet het volk als geheel. Dat is ook helemaal niet de opzet van zijn bediening. De hele gedachte is nu 'enigen' en straks – dat is het vervolg van de tweede helft van Romeinen 11 – 'geheel Israël'. Maar dat is van een heel andere orde. Dat is als inmiddels de volheid van de natiën is binnengegaan; dan zal de Verlosser uit Sion komen. In die setting is het een heel andere gang van zaken, niet door Paulus' bediening. Dat is dus een totaal andere gedachte.⟨/p> ⟨p>Laat ik vers 15 er ook nog even bij betrekken voordat we gaan pauzeren. 'Want,' zegt hij, 'indien hun verwerping de verzoening van de wereld is...' Met andere woorden: Israël heeft hun Messias verworpen – ik bedoel de opgewekte Messias verworpen – en toen heeft God een dertiende apostel geroepen en uitgezonden naar de natiën. Om wat te vertellen? De verzoening van de kerk? Nee. Van enkelen? Nee, de verzoening van de wereld, de kosmos. Dat wil zeggen: Hij gaat de hele wereld tot vrienden van Hem maken. Dat is wat verzoening betekent. Het woord betekent niet 'bedekken', maar het betekent dat vijandschap getransformeerd wordt in vriendschap, in liefde. Dat is verzoening: dat de vijandschap wordt omgekeerd. God gaat dat doen; dat is de bediening van de verzoening die aan hem is toevertrouwd. Dat is niet Romeinen 11, maar dat is 2 Korinthiërs 5: 'Wat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was' en 'dat ons de bediening van de verzoening is gegeven'. En dat er een verkondiging is: 'Wordt verzoend!'⟨/p> ⟨p>We hadden het voor de pauze, of voordat we de studie begonnen, nog even over dat vers, 2 Korinthiërs 5 vers 20: 'Wordt verzoend!' Er staat dus een imperatief en het is ook passief. Dat wil zeggen: God gebiedt iets, maar Hij verwacht niets van de mens. Zoals tegen een blinde wordt gezegd: 'Word ziende!', of tegen een dove: 'Word horend!', 'Effata!'. Of tegen een dode zelfs: 'Word gewekt!' Ja, er wordt niet iets gevraagd aan die dode; nee, er wordt iets gecommandeerd. En God Zelf staat garant voor de vervulling van dat woord. De verzoening van de wereld is een onvoorstelbare boodschap, ook nog steeds een hartstikke miskende natuurlijk. Maar dat is waar Paulus toe geroepen is. Hij zei: 'hun verwerping, dat is de verzoening van de wereld', en dat is de boodschap die aan hem was toevertrouwd. 'Wat zal hun aanneming dan wezen,' zegt hij, 'als zij de Messias daadwerkelijk gaan aannemen? Wat zal dat anders wezen dan leven uit de doden?' Dus je krijgt twee fasen. Verwerping – dat is nog steeds de situatie tot op vandaag, de twee dagen zijn bijna voorbij – en vervolgens de aanneming. In de huidige tussentijd van verwerping is de boodschap de verzoening der wereld, en straks volgt definitief hun aanneming en Israëls opstanding.⟨/p> ⟨p>En dat is het grote onderwerp. Waarom noemt Paulus dat zo: leven uit de doden? Omdat dat een bekend profetisch thema is; dat Israël uit het graf der volkeren zal worden opgewekt na twee dagen, op de derde dag. Dan zullen ze leven voor Zijn aangezicht en dan kom Ik tot hen. Het wordt precies zo aangegeven. En dat is wat het zal gaan betekenen als hun Messias wordt aangenomen. Maar dat gaat dus niet via Paulus' bediening, dat is pas daarna.⟨/p> ⟨p>Nou, dat zijn heel wat woorden en ik denk dat we er goed aan doen om eerst even te gaan pauzeren, alvorens het boek Handelingen ook open te slaan. Zullen we dat doen?⟨/p> ⟨p>Goed, ik stel voor dat wij de studie gaan voortzetten over het jaloers maken. Jaloezie... ja, dat wordt wel vaker zo geduid, maar dat is weer wat anders. Oké, nou we hebben dus...⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3864" title="Speel af vanaf 01:04:24">▶ 01:04:24⟨/button> ⟨span>De Balans Opgemaakt: Kenmerken van de Jaloezie⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We hebben gekeken naar de drie passages, of de drie voorkomens van het woord ‘jaloers maken’ in Romeinen 10 en 11. Ik wil nu even de balans opmaken van wat Paulus daar in een punt of zes, zeven precies mee bedoelt. Een aantal dingen hebben we inmiddels vastgesteld. Ten eerste dit: de jaloezie waar hij het over heeft in deze hoofdstukken, is echt een vergeldende omkering. God zegt in feite: omdat jullie Mij hebben vervangen door wat geen god is, ga Ik jullie vervangen door wat geen volk is. Het is dus niet een lokmiddel om hen jaloers te maken in de zin van hen verleiden, maar het is in feite een oordeel. Dat is overigens altijd zo als het gaat over oordelen in de Bijbel.⟨/p> ⟨p>Het tweede kenmerk hangt daar direct mee samen: deze jaloezie is een toorn en een krenking. ‘Irritatie’ was ook een van de woorden die in de interlineair werd aangewezen. Het is dus echt een ergernis, een struikelblok waardoor iemand geraakt wordt. Het is beslist geen heilzaam verlangen, zoals er eigenlijk vrijwel altijd van gemaakt wordt in de uitleg.⟨/p> ⟨p>Ten derde ontstaat deze jaloezie doordat het heil – de boodschap van redding – vanuit de natiën tot Israël komt. Het gaat dus niet meer andersom, van Israël naar de natiën, maar precies omgekeerd. Ik moet daarbij denken aan wat we vorig seizoen hebben besproken over de geheimenissen en de mysteriën. We hadden het toen over Mattheüs 13, wat heel illustratief is. De Heer verlaat daar het huis en gaat de boot in; Hij steekt van wal. Vanaf de zee, zo staat er, sprak Hij de scharen toe. Dat is in feite precies wat er aan de hand is: vanuit de volkerenzee, vanuit de natiën, komt het Woord op het land terecht en worden de scharen van Israël aangesproken. Dat is de omkering, dat is de jaloezie.⟨/p> ⟨p>Het is een totaal andere gedachte dan we vaak horen. Dat Paulus in zijn bediening Israël jaloers maakte, betekent dus helemaal niet dat hij er in die hoedanigheid op uit was om het volk alsnog tot inkeer te brengen. Dat was de bediening van Petrus en de twaalf. Zij hadden de bediening van de besnijdenis, en dat had inderdaad tot doel om het volk tot inkeer te brengen. Maar toen dat niet gebeurde, kwam de volgende fase: een dertiende apostel ging naar de natiën en vertelde vanuit die positie steevast iedere keer tegen Israël dat het heil en de boodschap naar de natiën waren gegaan. Hun plek was ingewisseld door een ander volk, dat in hun ogen niet eens een volk is. Dat is de jaloezie.⟨/p> ⟨p>Voor mij was het ook een eye-opener dat Paulus in het boek Handelingen er helemaal niet op uit is geweest om Israël als natie tot inkeer te brengen. De gangbare gedachte is vaak: eerst probeerden de twaalf Israël tot bekering te brengen, en toen dat mislukte, werd er een andere apostel gestuurd die Israël jaloers zou maken door naar de natiën te gaan, om hen zo alsnog tot inkeer te brengen. Maar dat is juist niet de gedachte. Er steekt hier dus nogal wat achter; het heeft grote consequenties voor ons verstaan van de apostel Paulus en zijn rol in het boek Handelingen.⟨/p> ⟨p>Nog een punt: God plaatst Zijn licht bij wat geen volk is. Hij doet dat door een woord dat door Israël als dwaas wordt gezien, omdat het hen in hun perspectief ontbreekt aan de kennis van God. We hebben dat in de pauze nog even onderstreept: wij zijn natuurlijk geen dwazen. Op het moment dat je verlicht bent door Zijn Woord, ben je in Gods ogen geen dwaas meer, maar in hun ogen ben je dat wel, simpelweg vanwege je status als heiden. De jaloezie van Israël heeft dus alles te maken met Paulus’ unieke bediening als apostel van de natiën, een afgevaardigde die zich identificeert met de natiën. Hoewel hij zelf een Israëliet is, is dat juist niet het unieke van zijn bediening.⟨/p> ⟨p>Ten slotte leidt deze jaloezie hoogstens tot de redding van enigen, niet van het hele volk. Het volk als geheel wordt jaloers gemaakt, en slechts enkelingen komen door diezelfde boodschap tot inkeer en inzicht, doordat God hun ogen daarvoor opent. Maar dat is de enkeling. Het gehele Israël komt pas in het vizier wanneer de Verlosser uit Sion zal komen; pas dan zal Israël tot volheid komen. Dat is een andere fase, die aanbreekt wanneer de volheid van de natiën inmiddels is binnengegaan. Over wat die uitdrukking ‘de volheid van de natiën’ precies betekent, hebben we het in de auto nog gehad, maar daar gaan we het nu niet over hebben. Dat is wel een goeie; u moet de volgende keer maar mee-rijden, dan huren we een busje. Ik wilde dit in ieder geval even op een rijtje zetten: de inzichten die we voor de pauze zijn gepasseerd, nog eens even puntsgewijs neergezet.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4260" title="Speel af vanaf 01:11:00">▶ 01:11:00⟨/button> ⟨span>Het Doorlopende Patroon in Handelingen: Verzet en Jaloezie in de Praktijk⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ik had ook de omgekeerde volgorde kunnen aanhouden: eerst beginnen bij het boek Handelingen en vervolgens stilstaan bij Paulus' reflecties daarop in de Romeinenbrief. Ik heb voor deze volgorde gekozen omdat het boek Handelingen laat zien dat dit inderdaad Paulus’ wijze van werken was. Zo is hij geroepen en dit is wat hij deed. Dit waren ook de effecten van zijn bediening. We zullen dat telkens weer zien. Ik ben niet eens volledig, maar ik laat een aantal highlights zien vanuit Handelingen die aantonen dat die jaloezie inderdaad zo werkte.⟨/p> ⟨p>Laten we naar Antiochië in Pisidië gaan – je hebt er namelijk twee. In Handelingen 13 bevindt Paulus zich in de synagoge. Daar vertelt hij hoe Israël hun Messias heeft verworpen. Dat is voor een Jood natuurlijk al moeilijk om te horen, maar hij vertelt ook hoe het heil naar de natiën is gegaan. Hij preekt in de synagoge en het opmerkelijke is dat een week later, op de sabbat, bijna de hele stad toestroomt. De hele stad van Antiochië gaat naar Paulus toe om te horen wat hij te melden heeft. Er gaat een enorme kracht van uit. Dit is het begin van zijn bediening als de apostel van de natiën. In Handelingen 13:9 zagen we al dat Saulus Paulus werd. Vanaf dat moment lees je ook niet meer over 'Barnabas en Saulus', maar over 'Paulus en Barnabas'. In die volgorde krijgt Paulus het primaat, om het zo te zeggen.⟨/p> ⟨p>In Handelingen 13:45 staat: "Doch toen de Joden de scharen zagen, werden zij vervuld met jaloezie." Precies dat woord weer. Het is hier niet 'het jaloers maken', maar het is dezelfde stam. De synagoge ging aan, en vervolgens merkten de Joden op dat iedereen daar kwam. Ze zagen de scharen en werden vervuld met jaloezie. Meteen zie je dat dit die negatieve betekenis heeft. Het is niet: "Oh, dat willen wij ook." Nee, ze spraken lasterend tegen hetgeen door Paulus gezegd werd. Hier zie je zowel de jaloezie als de krenking en de lastering. Terwijl Israël in de synagoge van Paulus te horen krijgt dat hun eigen volk de Messias heeft afgewezen, stromen de natiën toe. Het effect is jaloezie en laster. Je krijgt te maken met een publieke rolomkering. Dat is waar we het de hele avond al over hebben: precies een omkering van zaken. Terwijl Israël afwijst, komen de natiën.⟨/p> ⟨p>Dit is werkelijk het patroon in heel het boek Handelingen. Ik wil op een aantal schriftplaatsen in dat verband wijzen. In Handelingen 14 gebeurt in Iconium eigenlijk hetzelfde: "Maar de Joden die ongehoorzaam bleven, verbitterden de zielen van de natiën." Ook hier geven zij geen gehoor aan wat Paulus te melden heeft; integendeel, het roept verzet en bitterheid op. Met die bitterheid proberen ze vervolgens de natiën te blokkeren. De boodschap aan de natiën roept dus een heel actieve tegenwerping op.⟨/p> ⟨p>In Handelingen 17:5, als Paulus in Thessalonica is, komen we dat woord wederom tegen: "Maar de Joden werden jaloers en ze namen slechte mannen..." Je leest vervolgens dat zij proberen de natiën tegen hem op te zetten. Het begint bij het verzet van de Joden. Waarom? Omdat ze jaloers werden. Ze konden het niet verkroppen dat de natiën wel hoorden. Het leidt tot oproer, valse beschuldigingen en in Thessalonica zelfs tot een politieke escalatie. Even later, als Paulus het vege lijf moet redden – want daar komt het op neer – gaat hij naar Berea. Daar waren ze wat 'uitnemender'. In Handelingen 17:11 staat dat zij in Berea zich gunstig onderscheidden van hen in Thessalonica, doordat zij met alle bereidwilligheid het woord aannamen en dagelijks de Schriften nagingen of deze dingen zo waren. Dat is een heel gunstig getuigenis.⟨/p> ⟨p>Maar ook als Paulus in Berea is, lees je dat de Joden in Thessalonica er lucht van krijgen dat hij in het naburige Berea actief is. Vervolgens gaan ze ook daar de boel op stelten zetten. Wederom dat patroon van de Joden die het afwijzen en vervolgens de natiën proberen op te hitsen. De vijandschap volgt Paulus gewoon na. Het is niet alleen lokaal, het is heel specifiek gericht op zijn bediening. Met deze opsomming wil ik eigenlijk zeggen dat wanneer Paulus in Romeinen 9 tot 11 spreekt over het tot jaloezie opwekken, dit geen abstract verhaal is. Het is zijn levensbeschrijving. Dit is waartoe hij geroepen is en het werkte ook daadwerkelijk zo. Hij ging naar de synagoge om dit te vertellen, en kun je je voorstellen hoe ondankbaar die taak is geweest? Paulus zegt: "Ik acht het de heerlijkheid van mijn bediening om dit te doen." Dat wel, maar het heeft hem wat gekost. Namelijk om in de synagoge te vertellen dat het heil, de boodschap, van hen is afgenomen en dat de kandelaar – een term die uit de Openbaring komt – is verplaatst en onder de natiën is gezet.⟨/p> ⟨p>Dat is een hard gelag. Dat is de kift; de jaloezie die hij daarmee onvermijdelijk oproept. Dat wist hij ook, want dat was Gods bedoeling. God zegt: "Ik zal er Zelf voor zorgen dat zij jaloers en toornig worden op wat geen volk is, een dwaas volk." Dat is de essentie, daar is de vervulling van, en Paulus wordt ingezet om dat daadwerkelijk te demonstreren. In Handelingen zien we dat dit voortdurend zijn ervaring is geweest. Het is dus zeker geen theologisch geschrijf of een abstract verhaal; het is zijn leven. Sinds hij Paulus heet, is dit zijn verhaal. Voortdurend, niet bij uitzondering, maar altijd en telkens weer. Het kenmerkt een unieke positie.⟨/p> ⟨p>We bladeren even door. Een hoofdstuk later komt hij in Korinthe en daar lees je ook weer over de Joden. Altijd ging hij eerst naar de synagoge, juist om die boodschap van de Messias te brengen, maar ook dat ondankbare verhaal van de omkering van de rollen te vertellen. Er staat dat toen zij zich verzetten en lasterden, hij daarmee geconfronteerd werd. Hij zegt dan heel expliciet: "Van nu aan ga ik tot de natiën." De breuk met de synagoge is op dat moment definitief. In Handelingen 18 lees je dat hij zijn intrek nam in het huis van iemand die pal naast de synagoge woonde. Daar werd de kandelaar dus naast de synagoge geplaatst. Dat is heel bijzonder, toch? Niet in de synagoge, maar er pal naast. Hoe illustratief kan het zijn?⟨/p> ⟨p>Dit is het doorlopende patroon in Handelingen. In hoofdstuk 19, weer een hoofdstuk later, bevindt hij zich in Efeze. Daar staat dat sommigen zich verhardden – en dat waren dan vooral de leidslieden. Dat is natuurlijk effectief, want zij geven leiding aan het geheel.⟨/p> ⟨p>"Maar toen sommigen zich verharden en ongehoorzaam bleven..." En dan lees je inderdaad dat Paulus vervolgens de synagoge verlaat. Hij gaat onderwijs geven in de school van Tyrannus. Dat doet hij twee jaar. Of het precies twee jaar is, dat weet ik ook niet, maar dat weten jullie blijkbaar wel zo te zien.⟨/p> ⟨p>Maar ook hier zien we dus weer hetzelfde: eerst naar de synagoge, daarna volgt er geheid een afscheiding en vervolgens geeft hij onderwijs aan de natiën. Het is dus eerst altijd verharding bij Israël en voortgang bij de natiën. Een omkering van rollen; het ene volk wordt vervangen door het andere. En als u zegt dat dit tijdelijk is: jawel, maar niettemin is dat heel reëel.⟨/p> ⟨p>En dan Handelingen 21.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4946" title="Speel af vanaf 01:22:26">▶ 01:22:26⟨/button> ⟨span>De Climax in Jeruzalem: Vijandschap Tegen de Apostel van de Natiën⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Nu gaat het er echt om spannen, want op een gegeven moment gaat Paulus naar Jeruzalem. Daar komt hij via... zestig? Ja, precies. Nou, dan breekt de echte hel los in Handelingen — kan dat? De hel die niet bestaat? Nou, oké. Daar gebeurt er wat. Dat was ook met Pinksteren, vind ik een heel apart verhaal. Ik heb daar laatst in de kapel over mogen spreken, over de hoogtijden. Maar het wordt altijd, als we het over Pinksteren in Handelingen hebben, over Handelingen 2 gesproken. Maar hier lees je dat Paulus ook naar Jeruzalem ging en hij wilde met Pinksteren dáár zijn. En als hij dan inderdaad in Jeruzalem komt, dan wordt hij massaal, en masse, afgewezen. Nou, dat is dan nog een eufemisme, want hij wordt zo goed als gelyncht. Hij moet door de Romeinen beschermd worden tegen zijn Joodse volksgenoten. Ja, dat was dus ook Pinksteren.⟨/p> ⟨p>Dan lees je ook dat hij in Jeruzalem komt. Daar was nog wel het een en ander gebeurd waarbij afspraken waren gemaakt. Dan wordt Paulus opgemerkt door een paar mensen uit Asia en dan doet het gerucht de ronde dat hij een heiden binnengebracht zou hebben in de tempel. Het is een hele heftige, maar ook een prachtige geschiedenis, ook weer omdat het zo illustratief is, zo typologisch. Het tekent gewoon de lijnen. Hij zou iemand in het heiligdom hebben gebracht die daar helemaal niet hoorde. Dat was letterlijk niet waar, maar geestelijk in zekere zin juist wel.⟨/p> ⟨p>Maar goed, als dat dan gehoord wordt van: "Dit is die man..." Paulus had al een uitgesproken negatieve reputatie daar in Jeruzalem. Ik wil het daar zeker nog een keer over hebben in dit verband, dus ik wil er nu niet al te uitgebreid op ingaan; het gaat mij nu vooral om het verhaal. Hij komt daar in Jeruzalem en daar ontmoet hij echt het hoogtepunt van de vijandschap. Dat was vooral omdat hij tekortdeed aan de positie van Israël. Ik zeg het nu wat deftig, maar het komt er gewoon op neer dat hij beschouwd werd als iemand die echt anti-Joods was en een heidense boodschap bracht. Wat feitelijk wel waar is ook, maar dat was nu juist zijn bediening.⟨/p> ⟨p>En als hij dan in feite in het hart van — hoe zeg je dat? — in het hart van het land, maar ook in het hol van de leeuw terechtkomt daar in Jeruzalem... Hij zag er ook heel erg tegenop. Iedereen had ook tegen hem gezegd: "Ga nou niet naar Jeruzalem, want dat gaat niet goed aflopen." En Paulus zei: "Ik moet daar naartoe, want het is mijn bediening." Hij zocht geen comfort, dit was juist zijn bediening. En ja, dat is dan eigenlijk ook de voorfase van Handelingen 22. Want dan gaat Paulus optreden, komt hij op de treden van de trap en dan gaat hij een verhaal houden waarbij hij hen in de Hebreeuwse taal toespreekt. Dus dan gaat hij in hun eigen taal, in het Hebreeuws, vertellen wie hij is. Het is ook zijn laatste toespraak in Jeruzalem en ook dat is heel illustratief.⟨/p> ⟨p>Want — nou ja, laten we het er even over hebben — dit is echt de climax als hij in Handelingen 22 daar op de treden van de trap zijn verhaal houdt. Dan zegt hij op een gegeven ogenblik in vers 21 en 22 dat de Heer Zelf tegen hem gezegd had, terwijl hij toen in geestvervoering was in de tempel: "Ik zal je ver weg zenden naar de natiën." En op het moment dat hij dat zegt... nou, ik gebruikte zojuist de frase "dan breekt de hel los", en dat gebeurt daar. Het was inderdaad onder bescherming van de Romeinen, die hem in veiligheid brachten, want anders hadden ze hem absoluut "gekilled". Dat staat er ook gewoon in zoveel woorden geschreven. Tot dát woord werd hij aangehoord, en vervolgens kwam die enorme explosie van haat.⟨/p> ⟨p>Ook hier zie je trouwens weer de omkering, want de Heer had tegen hem gezegd: "Ga hier weg, naar de natiën, want ze zullen in Jeruzalem geen woord van jou aannemen." Dus niet in Jeruzalem; daar wordt het woord niet geaccepteerd, maar onder de natiën. En als hij dat zo zegt, dan breekt inderdaad die hel los en wordt hij gelyncht. Dan kun je je de vraag stellen — moet je nagaan — want als Paulus daar in Jeruzalem arriveert (ik hoop dat u een beetje op de hoogte bent van de context, maar lees het maar eens na), dan ontmoet hij eerst Jacobus. Dat was de man, de broeder des Heren trouwens, de halfbroer van de Heer Jezus. Hij was daar de leider. En zij geloofden dus allemaal in de Messias. Weliswaar hadden ook zij te maken met tegenstand onder het volk, maar lang niet zo sterk als Paulus. Want op het moment dat ze te horen krijgen dat Paulus in de stad is, ja, dan... Maar dan krijg je dus die explosie, die ontploffing van haat en vijandschap. Omdat hij die man was die een heidense boodschap bracht aan Israël. En dat is wat zo'n enorm verzet opriep. Aan hem was het evangelie van de voorhuid toevertrouwd, een heidens evangelie.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="5371" title="Speel af vanaf 01:29:31">▶ 01:29:31⟨/button> ⟨span>Handelingen 28: het Doek Valt, het Heil Werd tot de Natiën Gezonden⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ja, en daar komen we bij Handelingen 28 aan. We maken grote stappen, want Paulus heeft in de tussentijd ook nog twee jaar in Caesarea gezeten; daar hebben we het ook over gehad. Maar dan komt hij daar in Rome en maakt hij een afspraak met de Joodse leiders. En dan lees je ook weer die afkeer; ze moeten er eigenlijk niets van hebben. Dan zegt hij ook: "Terecht." Dat is eigenlijk ook het slot van het boek Handelingen. Terecht heeft Jesaja ooit al gezegd: "Maak het hart van dit volk vet, dat zij ziende niet zien en horende niet horen en zich daadwerkelijk zouden bekeren." Het is gewoon over en uit.⟨/p> ⟨p>Dan lees je ook: "Het zij u dan bekend dat dit heil van God werd tot de natiën gezonden." U ziet, ik heb het woordje 'werd' eventjes wat nadrukkelijker weergegeven, omdat er in de NBG-vertaling 'is' staat. Daarmee wordt de suggestie gewekt alsof in Handelingen 28 de wissel omgaat, alsof dít nu pas de stand van zaken is en de wissel op dit moment wordt omgezet om het heil naar de natiën te zenden. Maar nee, het heil werd al naar de natiën gezonden. Dat is de bediening van Paulus vanaf het allereerste begin dat hij Paulus is; dat is de gang van zaken. Het heil werd naar de natiën gezonden. Niet alleen omdat het heil naar de natiën ging zodat zij het zouden horen, maar omdat het naar de natiën ging zodat zij het vervolgens aan Israël zouden gaan prediken. Dus niet: de heidenen wordt het bekendgemaakt, maar: de heidenen maken het aan Israël bekend. Dat is de grote omkering.⟨/p> ⟨p>Hier is ook geen sprake meer van een oproep; het doek valt echt. Definitief maakt Paulus de Joden in Rome bekend dat het heil tot de natiën werd gezonden. Dat is zijn bediening en zo sluit het boek Handelingen ook af. Dat is in de jaren zestig, en enkele jaren later valt het doek letterlijk. Het is het slot van Handelingen, maar eigenlijk gaat de deur met recht ook op slot en is er aan het nationale bestaan een einde gekomen. Of zal ik het nog anders zeggen: het schip heeft schipbreuk geleden. Dat wordt in Handelingen 27 geïllustreerd. De hele lading met al het graan uit Alexandrië is ondergegaan in de volkerenzee. Dat is het.⟨/p> ⟨p>Zo zijn we dan toch weer terug bij af. Die hele geschiedenis van dat schip dat met de hele lading ondergaat in de zee, illustreert de positie van Israël: het gaat onder in de natiën. Dat is in feite ook de inleiding tot de bediening van Paulus, zoals hij dat ook vanuit de gevangenisbrieven luid, duidelijk en definitief mag optekenen.⟨/p> ⟨p>Ik heb geen dia's meer, maar het is allemaal redelijk getimed. Dit wilde ik graag eens met jullie delen. Dit zijn toch wel inzichten die we nu hebben besproken over de jaloezie waarmee Israël wordt geconfronteerd en die rolverwisseling. Het zijn dingen die bepaald niet bekend zijn, dat zult u toch met mij eens zijn. Dus het leek mij de moeite waard om dat eens te delen. Voor mij was het een enorme eyeopener en ik hoop dat dat voor jullie ook zo mag zijn. Ik zou zeggen: volg de raad op die de Bereeërs ooit in woord en daad hebben voorgedaan, namelijk: ga dagelijks in de Schriften na of deze dingen alzo zijn.⟨/p>