⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1" title="Speel af vanaf 00:01">▶ 00:01⟨/button> ⟨span>Introductie en Terugblik op Efeze 1⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We gaan van start met deze zesde avond over dit mooie onderwerp: Top Secrets. Dat zijn geheimenissen op het hoogste niveau, want als je het woord 'top secret' in de meest letterlijke zin uitlegt, dan is dat de betekenis die je meekrijgt. We hebben het uiteraard over verborgenheden; geheimen die van Godswege bekendgemaakt zijn. Ik heb dit als subtitel meegegeven: Het Geheim van de Christus. Dat is een nogal letterlijke weergave van een frase die we in Efeze 3 aantreffen, en daar gaan we vanavond ook naartoe. Maar niet voordat we elkaar nog even op de hoogte brengen van wat we tot dusver hebben gezien. Dat doe ik kort door de highlights te melden van wat we vanaf het begin hebben behandeld.⟨/p> ⟨p>Geheimenissen, geheimen of verborgenheden — die termen gebruik ik min of meer door elkaar, omdat ze allemaal iets naar voren brengen van het oorspronkelijke Bijbelse begrip. Het zijn synoniemen en zo hanteer ik ze ook. Ze houden allemaal verband met de onderbroken komst van Christus. De Messias zou komen, maar wat blijkt is dat zijn komst onderbroken is. Wij spreken dan over de eerste komst en de tweede komst van de Christus, maar in het Oude Testament wordt dat als één geheel gepresenteerd. Toch zit er een breuk in, een onderbreking. In wat wij het Oude Testament noemen, is daar weliswaar over gesproken, maar uitsluitend cryptisch. De aardigheid van dat woord is dat het ook een Grieks begrip is; het betekent dat het op een verborgen, bijna versleutelde manier is uitgedrukt. Dat komt naar voren in gelijkenissen, in verhalen, maar ook in allerlei inzettingen zoals we die aantreffen in de wet van Mozes, de Torah, of in stijlfiguren. Al die verborgenheden zijn achteraf te herkennen wanneer eenmaal het geheim of de geheimenissen geopenbaard zijn. Dan herken je het wel degelijk in het Oude Testament en ga je zien: "Wacht even, daar staat het ook al, verborgen onder de oppervlakte."⟨/p> ⟨p>Misschien wel het meest kenmerkende van die onderbreking tussen de eerste en tweede komst van Christus is Israëls ongeloof. Dat is in de praktijk de feitelijke reden dat de komst van de Messias onderbroken is. De Messias is gekruisigd, gestorven en begraven, maar ook vervolgens, toen Hij als de Opgewekte werd gepredikt door de twaalf onder het volk, is Hij wederom verworpen, maar dan als de opgestane Heer. Toen kreeg je een onderbreking en het is vooral de apostel Paulus die daarover spreekt. Paulus is geroepen nadat Israël officieel de Messias als de opgestane Messias heeft verworpen. Het is heel opvallend wat je leest in Handelingen 7, wanneer het Sanhedrin, de representanten van het Joodse volk, Stefanus stenigen vanwege zijn getuigenis van wie Israëls Messias is. Dan vind je achter de coulissen al de figuur van Saulus van Tarsus, die de mantels bewaart. Daar zit ook heel veel typologie in besloten, maar het gaat erom dat Saulus in beeld komt op het moment dat het Joodse volk officieel afstand doet van het getuigenis van de opgestane Christus en het evangelie. Saulus wordt buiten het land geroepen en dat wordt de aanleiding dat hij als Paulus daadwerkelijk zijn werk onder de natiën gaat aanvangen. Een verborgen werk.⟨/p> ⟨p>Via deze figuur, Paulus — ik kom er straks zeker nog op terug — wordt het geheim bekendgemaakt. Hij benadrukt dat iedere keer, wat we ook vanavond zullen zien. Hij is degene die het geheim bekendmaakt in wat hij noemt "mijn Evangelie". We hebben een hele avond gewijd aan het slot van Romeinen 16, waar Paulus datgene wat aan hem bekendgemaakt is zo benoemt: "naar mijn Evangelie". De laatste avond, inmiddels een maand geleden, hebben we ons beziggehouden met Efeze 1. Dat is een soort opstapje voor wat we vanavond gaan bespreken in Efeze 3. In Efeze 1 zie je dat Paulus een aanloop maakt naar dat geheim. Hij laat daar zien dat God een plan heeft. Je leest over Gods wil; het is Gods wil dat Hij hemel en aarde, het al, de schepping, gaat samenbrengen onder één hoofd: de Christus. Hij noemt dat het geheim van Gods wil. Dat houdt in dat zij die vandaag uitgeroepen worden, de ekklesia, het lichaam van Christus, deel uitmaken van de Christus.⟨/p> ⟨p>Wanneer God heel de schepping gaat samenbrengen onder één hoofd, de Christus, dan staat erbij dat wij gelovigen in Hem ook ons lotsdeel hebben ontvangen. Dat wil zeggen dat wat Hij ontvangt, ook ons lot is. Vandaar ook dat Paulus exclusief degene is die het beeld gebruikt van Christus als het hoofd van het lichaam, de ekklesia, de gemeente. Waarom? Omdat daarmee de gemeente wordt geïdentificeerd als de Christus. Zoals hoofd en lichaam één zijn, collectief één, zo valt dat onder één identiteit en dat heet de Christus. Ook dat gaan we later vanavond nog zien. De vorige keer zagen we dat dit ons bepaalt bij een enorm perspectief. Ik denk dat we er nauwelijks een idee van hebben wat God voornemens is met de Christus, maar dat wij daar als gelovigen — die vandaag uitgeroepen worden terwijl we geen enkel recht of aanspraak kunnen maken, want we maken geen deel uit van het uitverkoren volk maar komen uit de natiën — puur om niets bij betrokken worden. Je wordt geroepen en je ogen worden geopend; het is allemaal genade dat je deel mag uitmaken van die ekklesia, die op zo’n ongekende hoogte wordt geplaatst. Dat God heel de schepping onder Christus samenbrengt en dat daar een heel gezelschap bij betrokken is dat zijn lot deelt... terwijl ik het zeg, denk ik: dit is zo groot. Als je denkt aan wat God voornemens is met Israël en hoe Hij via Israël, als het volk van koningen en priesters, alle natiën en heel de wereld gaat zegenen; dat is al ongekend, wat een voorrecht dat volk ten deel valt. Maar dat er een gezelschap is dat zelfs op de allerhoogste positie is geplaatst en het lot deelt met Christus daarboven, dat gaat daar nog ver bovenuit. Dat is fenomenaal. En ja, dat is het geheim van Gods wil. Goed, nou.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="615" title="Speel af vanaf 10:15">▶ 10:15⟨/button> ⟨span>Efeze 3: een Onderbreking in de Heilsgeschiedenis⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ik zei al: dat was Efeze 1. Vanavond gaan we naar Efeze 3, omdat Paulus daar ook weer verder gaat met spreken over het geheim. In feite gaat de hele brief daarover, maar in Efeze 3 brengt hij dat begrip van het geheim en de hele toelichting erop nog veel uitgebreider en ook expliciet ter sprake. Ik vind het trouwens ook opmerkelijk — ik heb er al een keertje op gezinspeeld toen we het over Romeinen 16 hadden — dat Paulus dit hoofdstuk ook stilistisch als een onderbreking neerzet. Want Efeze 3 is, als je het gewoon literair bekijkt, een tussenzin. Dat wil zeggen: de eerste zin van Efeze 3 vers 1 sluit aan bij de eerste zin van Efeze 4 vers 1. Je zou in feite dus gewoon het hele hoofdstuk weg kunnen laten en perfect doorlezen zonder dat je het in de gaten hebt.⟨/p> ⟨p>Efeze 3 is een onderbreking, maar ik zei al: daarin brengt Paulus ook stilistisch tot uitdrukking wat hij vertelt, namelijk dat we vandaag leven in een onderbreking in de heilsgeschiedenis; een onderbreking van de komst van Christus. Het gaat over wat God vandaag in die break, in die pauze, doet. We zagen datzelfde fenomeen ook in Romeinen 16, waar hij ook dat geheimenis onder woorden brengt, maar ook weer in een tussenzin. Dat is geen toeval. Dat is kunst met een grote K, zal ik maar zeggen. Want ik bedoel uiteraard ook: dat is de pen die Paulus hanteerde, maar die werd natuurlijk gestuurd door niemand anders dan God zelf, die hem en zijn woorden inspireerde.⟨/p> ⟨p>Oké, Efeze 3. Laten we de eerste twaalf verzen bespreken. Ik ben er niet helemaal zeker van hoever we komen, maar de bedoeling is dat we bij vers 12 aankomen. Dan weet u in ieder geval wat mijn opzet is. In Efeze 3 vers 1 zegt Paulus: "Daarom is het...". Dat is logisch als je midden in een brief binnenvalt, want het is een betoog; Paulus refereert hier uiteraard aan wat hij zojuist in het voorgaande heeft gezegd. Laat ik dat dan even kort samenvatten uit Efeze 2.⟨/p> ⟨p>Gelovigen uit zowel de natiën als uit de besnijdenis — zo noemt Paulus het Joodse volk — vormen samen één nieuwe mens. Hij noemt dat dan ook het lichaam van Christus. God heeft een hele nieuwe formatie gemaakt waarin Jood en heiden zijn eengemaakt met Christus, maar ook met elkaar. Daarbij speelt het hele verschil tussen beiden, tussen het Joodse volk en de natiën, in die formatie, in die ekklesia, totaal geen rol meer. De middelmuur, zo noemt hij dat, of de tussenmuur die de beiden van elkaar scheidde van oudsher, zoals Israël dat kende, die muur is in de ekklesia weggebroken. Het verschil in afkomst tussen een Jood en een heiden speelt geen rol; het is binnen de ekklesia totaal oninteressant en doet niet ter zake. En dat heeft nogal wat consequenties. Paulus schrijft daarover, en nadat hij dat zo naar voren gebracht heeft, vervolgt hij zijn weg.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="870" title="Speel af vanaf 14:30">▶ 14:30⟨/button> ⟨span>Paulus, de Gevangene van Christus Jezus voor de Natiën⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>...dan zegt hij: "Daarom is het dat ik, Paulus, de gevangene van Christus Jezus ben." Ik moet nog even iets bijzeggen. Inmiddels zijn de meesten van jullie denk ik ermee vertrouwd dat ik het laatste jaar ongeveer de gewoonte heb om gewoon de NBG-tekst weer te geven. En ik noem dat dan een NBG+, omdat als ik afwijk van de NBG-tekst, ik dat aangeef door de tekst te cursiveren, dus schuingedrukt weer te geven. Soms doe ik dat af en toe, als dat echt nodig is. Maar in dit geval is het me opgevallen toen ik met Efeze 3 bezig was – u zult het vanzelf ook gaan zien – dat ik dat wel heel vaak moet cursiveren. Waarmee ik eigenlijk aangeef dat de vertalers... ja, nou, want dat klinkt al heel arrogant, maar ik weet even niet hoe ik het beter moet zeggen: wat steken hebben laten vallen. Dat het echt anders weergegeven moet worden.⟨/p> ⟨p>Ik kan het ook meteen wel toelichten. De aardigheid is natuurlijk dat ik altijd de tekst weergeef, maar ook de interlineair. Dan ga je woord voor woord door de Griekse tekst waarbij je vooral moet letten op de Griekse letters, maar als dat een beetje lastig is, dan moet je vooral letten op die middelste regel, namelijk de groene tekst, omdat dat de meest letterlijke concordante weergave is. En die onderste regel, die grijze tekst, dat is de wijze zoals de NBG dat weergeeft. Dan zie je soms ook dat er heel veel woorden bijgedaan zijn. Maar in dit geval zie je dat er in de NBG-vertaling wordt gezegd dat ik, Paulus, in gevangenschap ben ter wille van Christus Jezus. Zo geeft de NBG dat weer. Maar zo staat het er niet. Er staat niet: ik ben een gevangene ter wille van Christus Jezus. Er staat: "Ik, Paulus, de gevangene van de Christus, namelijk Jezus." Dat is een beetje omstreden, maar in ieder geval: zo staat het er. Niet een gevangene ter wille van Christus Jezus, maar een gevangene van Christus Jezus zelf.⟨/p> ⟨p>En de nadruk ligt hier uiteraard op het feit dat Paulus zegt: dat ik, Paulus... Weet u, die naam die hij kreeg toen hij zich wendde tot de natiën? Het is een bekend verhaal dat heel vaak verteld wordt: dat de naamswijziging tussen Saulus en Paulus, als Saulus een Paulus wordt, te maken heeft met zijn roeping of met zijn bekering. Maar dat is niet waar. Het is niet zo dat Paulus, toen hij geroepen werd op de weg naar Damascus, vanaf toen Paulus ging heten. Dat is beslist niet waar. Hij bleef Saulus. Hij werd pas Saulus, anders gezegd Paulus, in Handelingen 13 vers 9 op het moment dat hij zich wendde tot een man die Sergius Paulus heette. Ja, dat was een Romeinse proconsul, een 'hoge piet' zal ik maar zeggen. En Paulus en Saulus richtten het woord van God tot hem. En toen was daar een Joodse tovenaar, Elimas, Bar Jezus heette hij ook in de andere weergave. En die probeerde dat te verhinderen. Heel typologisch, heel symbolisch feitelijk. Dus het woord zou naar de natiën gaan, maar het was het Joodse volk dat dat probeerde te verhinderen.⟨/p> ⟨p>En dan lees je dat Saulus heel verbolgen is. En dan zegt hij: "Je zult een tijd lang blind zijn." En ter plekke wordt die Bar Jezus, die Elimas, dan blind voor een tijd. Nou, dit is een prachtige illustratie. Maar het geeft aan: vanaf dat moment staat er heel indrukwekkend bij dat Saulus ook wel Paulus genoemd werd. En vanaf dat moment is het ook alleen nog maar Paulus. Daarvoor was het uitsluitend Saulus en vanaf het moment dat hij bij die Paulus is, gaat hij ook zelf Paulus heten. Waarbij ik het dan ook nog heel erg mooi vind dat de naam Paulus, als je het op zijn Grieks opvat als een afgeleide van een Grieks werkwoord, 'stoppen' betekent, oftewel 'pauze'. Ons woord pauze. En dat is ook weer een onderbreking, toch? Dus de dingen komen zo bij elkaar. Ik, Paulus, die in deze onderbreking, in Efeze 3, nu vertel dat ik een gevangene ben van Christus Jezus. Ja, je kunt zeggen dat hij een gevangene van de natiën is, maar Paulus zegt: "Ik ben een gevangene en ik behoor Hem toe." En zo zegt hij het: de gevangene van Christus Jezus voor jullie, namelijk de natiën. Ten behoeve van jullie, namelijk de natiën. Jullie die tot de natiën behoren.⟨/p> ⟨p>En als Paulus dat zo zegt, dan is dat ook een historisch gegeven. Ook gewoon terug te vinden in het boek Handelingen, want ik vind het al heel fraai. Kijk, Paulus is hier in Europa en je leest nog dat hij daar arriveert in Handelingen 28 en dat hij daar twee jaar in de gevangenschap is. En in die twee jaar heeft hij deze brieven geschreven. Maar hoe was hij daar terechtgekomen? Wel, omdat hij in gevangenschap was. En hoe was hij een gevangene? Wel, omdat hij in Jeruzalem was gekomen en toen ontstond een enorm tumult, omdat hij beschuldigd werd dat hij de natiën, een Trophimus, in het heiligdom, in de tempel binnengebracht zou hebben. Dat was niet waar, maar dat leidde men ook af uit de boodschap van Paulus al. En in ieder geval, hij werd ervan beschuldigd en dan is het natuurlijk opmerkelijk dat Paulus dan beschermd moet worden door de Romeinen. Paulus zelf zegt ook: "Ja, ik ben een Romein", en hij wordt ook beschermd door de Romeinen. En het zijn die Joden die hem eigenlijk willen lynchen zelfs en ervoor zorgen dat hij gevangen wordt: eerst in Jeruzalem, later in Caesarea en nog weer later wordt hij naar Rome gebracht.⟨/p> ⟨p>Allemaal... ja, hij is een gevangene van Christus Jezus, wat zegt hij? Maar "voor jullie" of "ten behoeve van jullie", namelijk de natiën. Nou, dat is absoluut waar. Hij was daar omdat het Joodse volk hem beschuldigde dat hij de natiën, een heiden, in de tempel gebracht zou hebben. En ja, in geest klopt dat ook. Dat wil zeggen dat de gelovigen nu in geest toegang hebben tot de Vader. Maar dat was het slot van Efeze 2: dat wij beiden, Jood en heide, toegang hebben tot de Vader in één geest. Oké. Paulus zegt dat dus: "Ik ben een gevangene van Christus Jezus voor jullie van de natiën", en dan voegt hij eraan toe...⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1361" title="Speel af vanaf 22:41">▶ 22:41⟨/button> ⟨span>Het Beheer van Gods Genade aan Paulus Toevertrouwd⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Gij hebt immers gehoord van het beheer van Gods genade. Dat moet ik even toelichten, want hier staat in het Grieks een woord dat we eigenlijk allemaal wel kennen: oikonomia. Daar is ons woordje economie van afgeleid. Economie betekent letterlijk oikos, huis, en nomia heeft te maken met een regel of wet; een huishouding dus. Een staatshuishouding is ook economie. De Statenvertaling geeft dit overigens weer met het woord rentmeesterschap. Er staat daar: "dat aan mij het rentmeesterschap is gegeven." Feitelijk komt ons woordje beheer daar prima mee overeen, want een rentmeester of een econoom is geen eigenaar. Nee, dat is iemand aan wie het beheer is gegeven. Je leest daar later in de evangeliën ook over: een eigenaar geeft zijn bezittingen in beheer aan iemand, en dat is dan de beheerder.⟨/p> ⟨p>Paulus zegt hier: "Jullie hebben gehoord van het beheer van Gods genade." Hij zegt ook dat het aan hem is toevertrouwd; hij is de beheerder. En hij voegt eraan toe: "Aan mij is het gegeven met het oog op jullie", namelijk de natiën. Hier dringt zich meteen een heel opmerkelijke parallel aan ons op. Je leest dat aan Mozes, of beter gezegd via Mozes, ooit de wet aan Israël werd gegeven. Het was niet de wet van Mozes; hij was niet de bezitter en ook niet de bron daarvan. Nee, hij was degene via wie het aan Israël werd gegeven. Hij was wel de beheerder van de stenen tafelen, maar in feite kwam alles via Mozes bij Israël terecht. Hij heeft het ook op schrift gesteld, enzovoort. Aan hem was dat beheer gegeven.⟨/p> ⟨p>Wat Mozes was met betrekking tot Israël en de wet, dat is Paulus met betrekking tot de genade en de natiën. Zo zegt hij het ook: "voor jullie", waarbij hij zich richt tot de natiën. Er is hierin ook een groot verschil met bijvoorbeeld de twaalf apostelen. De twaalf richten zich tot Israël, of dat nu in het land is of daarbuiten. Bij Jakobus, Petrus en Johannes lezen we heel uitdrukkelijk dat zij zich zouden richten tot de besnijdenis; dat was officieel zo afgesproken. Maar Paulus was de apostel van de natiën en aan hem is het beheer van de genade gegeven.⟨/p> ⟨p>Hij noemt dat de bedeling van Gods genade. Dat is trouwens nog een ander woord; ik noem het hier het beheer, de Statenvertaling noemt het rentmeesterschap en de NBG-vertaling noemt het bedeling. Het nadeel van dat soort woorden, zeker als je het hebt over een bedeling — waar ik persoonlijk geen moeite mee heb — is dat het ook aan iets heel anders kan doen denken. Het kan zelfs 'bedelen' betekenen, maar dan krijg je een totaal andere gedachte. Nee, het is een beheer. En wat beheert hij? Wel, de genade Gods. Alles wat je kunt vertellen over de genade van God in onze dagen, zoals dat uitgezuind wordt en zoals dat onder de natiën bekendgemaakt wordt, dat is bij Paulus terechtgekomen. Hij zegt: "Aan mij is dat beheer gegeven", oftewel: "Ik ben de beheerder daarvan." Het is aan hem gegeven met het oog op jullie.⟨/p> ⟨p>Dus wat Mozes was voor Israël als het gaat om de wet, dat is Paulus voor de natiën met betrekking tot de genade. De hele boodschap van Gods genade is bij Paulus geparkeerd. Als je wilt weten hoe dat nu zit in onze dagen en hoe het zit met Gods genade, bedenk dan dit: een Israëliet ging destijds naar Mozes toe, of hij wende zich tot de boeken van Mozes. Wij, van de natiën, wenden ons dan tot onze leermeester, de apostel en leermeester van de natiën. Bij hem moet je wezen. Via hem kom je ook bij de rest van de Schrift uit, absoluut, maar bij Paulus moet je wezen.⟨/p> ⟨p>Het is dus geen lobby om het vaak over Paulus te hebben, zo van: "Hij is nogal Paulus-georiënteerd en de ander is Petrus-georiënteerd." Nee, het is van Godswege zo bedoeld. Niet omdat Paulus van zichzelf zo'n bijzondere figuur was, maar omdat God hem in die positie heeft geplaatst en aan hem dingen bekend heeft gemaakt en toevertrouwd. Hij heeft hem een beheer gegeven dat Hij niet aan anderen heeft gegeven. Je kunt de Schrift in onze dagen alleen maar goed verstaan via hem. Mensen zeggen weleens dat de Bijbel maar een moeilijk boek is, maar daar heb je dus een leermeester voor nodig. En wie is die leermeester? Nou, Paulus.⟨/p> ⟨p>Als je wilt weten hoe je met de Schriften moet omgaan, wend je dan tot de leermeester die aan ons van Godswege is gegeven. In de theologie heb je daar een vak voor: hermeneutiek. Dat houdt zich bezig met de regels voor Bijbeluitleg. Ik zou zeggen: hermeneutische regel nummer één is dat als je de Schrift wilt verstaan, je bij Paulus moet wezen. Hij is de leermeester aan wie dat beheer is gegeven, met het oog op de natiën van vandaag. En dan zegt hij, want we lezen verder:⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1785" title="Speel af vanaf 29:45">▶ 29:45⟨/button> ⟨span>Door Directe Openbaring aan Paulus Bekendgemaakt⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>"Dat door openbaring aan mij het geheimenis, of het geheim, of de verborgenheid bekendgemaakt is." Hij zegt: het is door openbaring aan mij bekendgemaakt. Ik zei al dat Paulus zelf voor het eerst aan de orde komt na de steniging van Stephanus, of liever gezegd: bij de steniging van Stephanus in Handelingen 7. Dat is het moment dat Israël officieel afstand neemt van het evangelie, namelijk van de opgestane Messias.⟨/p> ⟨p>Vervolgens lees je in Handelingen 9 dat Saulus van Tarsus geroepen wordt. Buiten het land, ook al heel opmerkelijk natuurlijk. Dan lees je in Galaten: "Ik ben toen niet te rade gegaan bij vlees en bloed, maar ik ben naar Arabië gegaan." Pas drie jaar later is hij teruggegaan naar Damascus en vervolgens naar Jeruzalem. Maar de Heer had ook gezegd toen hij geroepen werd: "Ik ben aan je verschenen, maar Ik zal ook nog aan je verschijnen." Wordt vervolgd dus. Je bent nu geroepen, maar Ik ga je ook nog onderwijzen.⟨/p> ⟨p>Paulus is meteen naar Arabië gegaan. Waarom? Gewoon om het evangelie te vernemen op het hoogste niveau; Christus Jezus Zelf heeft hem onderwezen. Zo zegt hij dat ook in Galaten 1 vers 12: "Het evangelie dat ik verkondig is niet naar de mens. Ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus." Tussen de regels door zegt hij feitelijk: "Ik ben niet naar Jeruzalem gegaan, ik ben niet onderwezen door Petrus, ook niet door Jacobus of door de twaalf." Allemaal mannen die van Godswege en door Christus Zelf waren uitgekozen, jazeker. Maar Paulus zegt: "Dat wat ik doe en wat ik verkondig, en de wijze waarop ik geroepen ben, dat staat daar los van." Het is heel onafhankelijk. Hij zegt: "Ik heb het niet van een mens ontvangen en ook niet geleerd." Al het onderwijs dat hij geeft, komt dus niet via Petrus of via de twaalf bij hem. Nee, door openbaring is het hem bekendgemaakt.⟨/p> ⟨p>Hoe lang hij daar in Arabië is geweest, weet ik niet. Maar de enige andere keer dat het woord voor Arabië nog vermeld wordt in het Nieuwe Testament, is een paar hoofdstukken later in Galaten 4. Daar lees je dat Arabië te maken heeft met de berg Sinaï in Arabië. Dat is nog weer een verhaal apart, maar het is wel heel boeiend. Het geeft namelijk aan dat je aan de ene kant de berg Sinaï hebt waar God via Mozes aan Israël de wet gaf, en dat later Saulus van Tarsus wordt geroepen en hoogstpersoonlijk door Christus Jezus niet alleen geroepen, maar ook onderwezen wordt – en ook daar weer in Arabië. Of je daaruit de conclusie moet trekken dat hij dus naar de berg is gegaan? Het zou me niet verbazen, maar dat is natuurlijk wel een beetje speculatief. In ieder geval was hij in Arabië.⟨/p> ⟨p>Daar is door openbaring aan hem het geheimenis bekendgemaakt. Ik zeg niet dat hij het vanaf toen ook allemaal direct verteld heeft. Dat zou kunnen, maar ook dat is speculatief. Het is mogelijk dat hem later nog weer andere dingen zijn bekendgemaakt. We weten in ieder geval dat hij nog een keer, zoals beschreven in 2 Korinthe 12, is opgetrokken geweest in de derde hemel. Daar heeft hij dingen gehoord die het een mens niet geoorloofd was uit te spreken. Daarmee wil ik maar zeggen dat hij inderdaad onderwezen is door Christus Jezus Zelf en pas in een later stadium echt helemaal is gaan uitpakken.⟨/p> ⟨p>Laat ik meteen even doorlezen. Hij zegt: "...dat door openbaring aan mij het geheimenis bekendgemaakt is, gelijk ik tevoren in het kort daarvan schreef." U ziet dat ik hier ook weer een woordje cursief heb neergezet. Waarom? Omdat de NBG-vertaling zegt: "gelijk ik boven in het kort schreef." Maar het is gewoon: "zoals ik tevoren schreef". De NBG-weergave suggereert dat Paulus doelt op wat hij in de voorgaande hoofdstukken van dítzelfde schrijven heeft genoteerd. Bovenaan, eerder in deze brief. Dat kan, het geeft een zinnige gedachte, maar ik denk dat de betekenis veel uitgebreider is. Paulus heeft het geheimenis dat door openbaring aan hem bekendgemaakt is namelijk al eerder in zijn andere brieven aan de orde gesteld.⟨/p> ⟨p>Feitelijk hebben we het erover gehad: in Romeinen 11, in Romeinen 16 en in 1 Korinthe 2 – die passage hebben we trouwens niet besproken, maar er zijn nog wat meer passages waar hij dat aan de orde stelt. Daar hoeft hij niet eens per se het woord 'geheim' voor te gebruiken. Maar goed, als je strikt kijkt naar het woord geheim, dan lees je dat ook in verband met de dingen die hij hier naar voren brengt. Dat stipt hij wel degelijk al eerder in zijn brieven aan. Hij heeft er dus inderdaad tevoren al over geschreven. U zegt: "Ja, maar dat is heel summier." Dat zegt hij hier ook: "gelijk ik tevoren in het kort daarvan schreef." Hij heeft pas op Gods tijd echt kunnen uitpakken, en dat was toen hij in Rome was gearriveerd. In de gevangenschap wordt er met recht een heel boek afgesloten. Het hele boek Handelingen sluit af. Het is het slot van Handelingen en dan gaat de deur ook op slot. Dan kan Israël zich voorlopig niet meer bekeren. Dat staat ook aan het slot van Handelingen: God heeft hun ogen gesloten, zodat ze zich voorlopig niet zullen omkeren.⟨/p> ⟨p>Vanaf dat moment is voor Paulus de weg vrij om uitgebreid vanuit de gevangenis over deze dingen te schrijven, waar hij het tevoren alleen maar summier deed en kort aanstipte. Dan zegt hij: "Daarnaar" – na dat geheimenis dat door openbaring aan hem bekendgemaakt is en eerder slechts summier is aangestipt – "kunnen jullie bij het lezen jullie een begrip vormen van mijn inzicht." Voor zover de lezers, en dat geldt ook voor ons, zicht hebben op deze dingen, is dat omdat Paulus dit bekendgemaakt heeft. Godzijdank niet alleen mondeling, maar hij heeft het ook opgetekend en geboekstaafd, zodat wij er anno 2024 kennis van kunnen nemen. Door deze dingen te lezen – we zijn hier nu in Nunspeet bij elkaar en wat doen we? We lezen iets dat Paulus toen in de gevangenis heeft opgetekend – kunnen wij ons een begrip vormen. Uiteraard alleen als God je ogen daarvoor opent. Dan kun je een begrip vormen van dat wat Paulus begreep en welk inzicht hij had, namelijk in het geheimenis of het geheim van de Christus. En nu zijn we dan toch aangekomen bij de titel van deze avond: 'Het Geheim van de Christus'.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2349" title="Speel af vanaf 39:09">▶ 39:09⟨/button> ⟨span>Het Geheim van de Christus: Hoofd en Lichaam⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Het enige wat hier een beetje afwijkt, is dat er hier een lidwoord voor Christus staat. Dat klinkt misschien een beetje vreemd; we zijn het niet zo gewend om, tenminste in deze zin, te spreken over het geheimenis van dé Christus. Maar het is niet voor niets in dit geval, want we hebben de neiging om Christus te zien als een eigennaam. Trouwens, dat is sowieso al niet juist, want Christus is geen naam, maar een titel. Het is de titel die gegeven is aan Jezus. God heeft Jezus, die het volk Israël gekruisigd heeft, tot Heer en tot Christus gemaakt.⟨/p> ⟨p>Het geheim van de Christus – en dat is waar Paulus inzicht in had gekregen door openbaring – is dat de Christus Zijn positie deelt met een gezelschap. Met, zo u wilt, een volk. Een uitroepsel. Als ik het zo zeg, dan zeg ik daarmee wat de ekklesia is. Letterlijk is ekklesia een uitroepsel, een woord dat wordt uitgeroepen en dat ook voorbestemd is. Dat uitroepsel wordt door Paulus, en alleen door hem, het lichaam van Christus genoemd. Dat is niet zomaar een metafoor, maar het is de essentie van wat de ekklesia is: wezenlijk verbonden met Hem die het hoofd is. Hij is daarboven en wij worden gerekend in eenheid met Hem te zijn. Dat wat God aan Christus Jezus heeft gegeven, wordt gedeeld door Zijn lichaam, de ekklesia, de gemeente zo u wilt. Dat dit zo is, blijkt ook wel uit het vervolg. Dat wisten we al uit het voorgaande, maar we zullen daarin alleen maar bevestigd worden.⟨/p> ⟨p>Ik ga me er steeds minder aan aantrekken en ik word steeds minder zenuwachtig als dat lampje een kleurtje geeft wat niet helemaal deugt. Ik leer het wel hoor. Maar goed. Dat wat betreft het geheim van de Christus. Hij zegt daar nog iets over.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2513" title="Speel af vanaf 41:53">▶ 41:53⟨/button> ⟨span>In Vroegere Geslachten Verborgen Gehouden⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Voordat hij gaat vertellen wat dat geheim is, geeft hij eerst nog iets anders door. Hij zegt dat het karakteristiek is voor dat geheim dat het ten tijde van vroegere generaties of geslachten niet bekend is geworden aan de zonen der mensen – zoals dat er letterlijk staat: de zonen der mensen, oftewel de erfgenamen van de mensen, of gewoon de mensheid. In voorgaande generaties had men hiervan geen benul; men wist het niet. Het was namelijk niet bekendgemaakt.⟨/p> ⟨p>En ook de andere apostelen, wat hoopten die? Nou, die hoopten... Ik bedoel niet in de zin dat het onzeker was, maar zij hadden weet van de profetieën. Je leest het ook in het boek Handelingen: ze predikten de opgestane Messias. Israël zou tot geloof komen in haar Messias en wanneer Israël daadwerkelijk tot geloof zou komen, tot herkenning van Hem, dan zou de Christus uit de hemel terugkomen en Zijn koninkrijk op aarde vestigen vanuit Jeruzalem. Dat is precies zoals de profeten het stuk voor stuk tevoren hebben voorzegd. Heel de Tenach, heel de Bijbelse profetie gaat daarover. Dat is waar de apostelen ook hun verwachting over uitspraken en dat is wat ze predikten.⟨/p> ⟨p>Maar dat was dus in vroegere geslachten bepaald wél bekendgemaakt. Wat Paulus echter vertelt, is dat dit geheim in vroegere geslachten juist niet bekend is gemaakt. Dat komt omdat aan Paulus een geheimenis is onthuld. En een geheim betekent echt: het was voorheen niet bekend, of het is in ieder geval slechts bekend aan degenen aan wie het verteld, geopenbaard of onthuld is. Paulus zegt: "Het is aan mij onthuld en in vroegere geslachten was dit niet bekend." Ook aan zijn collega-apostelen was dit aanvankelijk niet bekend, maar er staat dat het door de Geest nu wel aan hen is geopenbaard.⟨/p> ⟨p>We gaan even verder, want we gaan soms te snel. In tijden van vroeger is het geheim niet bekend geworden aan de zonen der mensen, zoals het nu geopenbaard is aan de heiligen, Zijn apostelen en profeten. Je moet inderdaad niet een half vers citeren; die tweede helft is cruciaal: "zoals het nu geopenbaard is aan de heiligen, zijn apostelen en profeten."⟨/p> ⟨p>Ik wil hier even iets technisch over zeggen en dat heeft te maken met de interpunctie, de leestekens zoals punten en komma’s. Er zijn hier vanuit het Grieks namelijk twee lezingen mogelijk en je zult dat ook in vertalingen terugvinden. Enerzijds kan er staan: "zoals het nu geopenbaard is aan de heilige apostelen en profeten." In dat geval is 'heiligen' een bijvoeglijk naamwoord en een aanduiding van de apostelen. Dus: de apostelen zijn heilige apostelen. Anderzijds kan het gelezen worden als: "aan de heiligen, komma, apostelen en profeten." Zo geeft de NBG-vertaling het ook weer en ik denk terecht. Ik geef hier de voorkeur aan omdat er een parallelvers is in Kolossensen 1 vers 26. Daar lees je letterlijk dat het geheimenis aeonen en geslachten lang verborgen is geweest, maar "thans geopenbaard aan zijn heiligen." Punt.⟨/p> ⟨p>Beide lezingen zijn vanuit het Grieks mogelijk, waarbij je 'heiligen' als meervoudig zelfstandig naamwoord krijgt of als bijvoeglijk naamwoord. Bent u er nog allemaal? Paulus zegt dus: het is dat geheim dat in vroegere geslachten niet bekend is gemaakt. Het is altijd verborgen geweest, maar het is thans geopenbaard aan de heiligen, inclusief de apostelen en profeten. En hoe is het geopenbaard aan de heiligen? Via degene aan wie het geheim is onthuld, namelijk Paulus. Zo zijn ook de apostelen en profeten – zij die een profetische bediening hadden in die eerste tijd en het fundament vormden – bekend geworden met dat geheim. Denk daarbij in de eerste plaats aan de twaalf, aan Petrus, Jakobus en Johannes. Ook zij hebben kennisgenomen van wat Paulus heeft geschreven.⟨/p> ⟨p>Het aardige is dat we van één iemand, namelijk van Petrus, nog commentaar krijgen nadat hij daar kennis van heeft genomen. In 2 Petrus 3 lees je dat hij het heeft over het uitblijven van de terugkeer van de Heer. Hij zegt dan: "Als je nu echt wil weten hoe dat zit met het geduld van de Heer en dat Hij maar niet terugkeert, dan moet je wezen bij onze geliefde broeder Paulus." Zoals Paulus in al zijn brieven – Petrus kende ze blijkbaar al, wellicht deed er al een collectie de ronde – over deze dingen heeft gesproken. Paulus heeft in al zijn brieven gesproken over dat uitblijven van de Heer en over wat de Heer doet tussen Zijn eerste en tweede komst, in die 'break', die onderbreking. En Petrus zegt erbij: "Een en ander is zwaar om te verstaan."⟨/p> ⟨p>Petrus heeft daar dus buitengewoon veel moeite mee gehad, want hij heeft helemaal moeten 'omdenken'. Vergis je niet: Petrus had de verwachting dat de Heer nog in zijn dagen zou terugkeren en dat het koninkrijk hersteld zou worden. Dat lees je ook in Johannes 21. Dat was hun boodschap, het evangelie van de besnijdenis. Dat was wat Israël op grond van de profetie en op grond van wat in vroegere geslachten bekendgemaakt was, mocht verwachten op voorwaarde van hun geloof. Maar Israël werd niet gelovig. Wanneer Paulus dan melding gaat maken en uitgebreid gaat toelichten hoe het zit met het geheim en waar God momenteel mee bezig is – met het uitroepen van het lichaam, de ekklesia, en die hemelse verwachting die dat lichaam heeft – dan is dat voor Petrus een enorme omslag geweest. Dat kan niet anders. Hij zegt het zelf: "Het is zwaar om te verstaan." Aan het einde van zijn leven zegt hij dat nog steeds. Hij waarschuwt ook dat er velen zijn die deze dingen verdraaien. Want ja, als je het zwaar vindt om te verstaan en je wilt er niet aan, dan ga je het verdraaien.⟨/p> ⟨p>In ieder geval zijn deze dingen aan de apostelen en profeten geopenbaard via het kanaal waaraan het oorspronkelijk was onthuld. En nu liggen die dingen daar voor ons; wij hebben ze in de brieven opgetekend gekregen en kunnen daar heerlijk kennis van nemen. Wat is dat geheimenis dan? Daarover schrijft Paulus nu heel concreet. In de Nederlandse vertaling is het nodig om er even bij te zetten: "Dit geheimenis is namelijk..." Het idee is dat hij nu gaat uitleggen wat het inhoudt. Hij gaat zeggen: "Dit geheimenis is namelijk dat de natiën..." Hij gaat daar nu alles over vertellen, maar we hebben eerst even een onderbreking. We gaan kijken naar deze toebedeeldheden, want dat is wat Paulus nu gaat vertellen: wat er aan de natiën is toebedeeld.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3137" title="Speel af vanaf 52:17">▶ 52:17⟨/button> ⟨span>Herstart: de Essentie van het Geheimenis⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Een hele goede middag, vrienden. Ja, ik zeg goedemiddag, en dat komt omdat ik de studie die ik afgelopen donderdag in Nunspeet heb gegeven nog een keertje mag overdoen. Dat wil zeggen: het tweede deel van die studie. Daarvan was de opname namelijk slechts gedeeltelijk gelukt; het beeld was weliswaar goed, maar het geluid was per ongeluk niet goed aangezet. Als je de video bekijkt, zie je dus wel een spreker en de powerpoints, maar je hoort niet wat er gezegd wordt. Tja, en dat schiet natuurlijk niet echt op als je Bijbelstudie geeft. Ik heb even overwogen om het te laten voor wat het is, maar ik heb toch besloten dat ik het, vanwege het gewicht van het thema, alsnog inspreek.⟨/p> ⟨p>Wat ik afgelopen donderdag na de pauze naar voren heb gebracht, mag eigenlijk niet ontbreken in deze serie. Vandaar dat ik hier thuis in Rijnsburg alsnog even ben gaan zitten om deze dingen voor het voetlicht te brengen. Het zal niet zomaar een letterlijke herhaling zijn, want dat is onmogelijk, maar het is in ieder geval een bespreking van de verzen die afgelopen donderdag na de pauze zijn besproken: vers 6 tot en met vers 12.⟨/p> ⟨p>Laat ik daar dan meteen mee verdergaan. In vers 5, vlak voor de pauze, had ik naar voren gebracht dat Paulus spreekt over het geheim van de Christus. Hij stelt dat dit ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de zonen der mensen, zoals het nu is geopenbaard aan de heiligen, zijn apostelen en profeten. Ik heb toen ook laten zien dat dit bekendgemaakt is aan de heiligen in het algemeen, en aan de apostelen en profeten in het bijzonder. Paulus is daarbij het kanaal, degene aan wie het geheimenis werd bekendgemaakt. Hij is vervolgens degene geweest via wie het bekend is geworden aan al de heiligen, en niet in het minst ook aan zijn apostelen en profeten. Wat het geheimenis nu eigenlijk precies is, is nu al diverse keren aan de orde gekomen, maar nergens wordt dat zo expliciet onder woorden gebracht als in vers 6 van Efeze 3.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3321" title="Speel af vanaf 55:21">▶ 55:21⟨/button> ⟨span>Samen Lotbezitters, Ingelijfd en Deelgenoten⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Namelijk het geheimenis dat de natiën samen lotbezitters zijn. Dat is wel een eigenaardige term en ik realiseer me dat dit niet erg bekend is bij de gemiddelde bijbellezer. Maar hier staat exact dezelfde term die ook in Romeinen 8 wordt gebezigd en daar wordt het gewoonlijk vertaald met mede-erfgenamen. Ik heb daar op zich niet eens zo heel veel moeite mee, met dat woord erfgenamen, maar de term 'lot bezitten' komt nog wat dichter bij het specifieke woord dat Paulus gebruikt. Zeker ook in de Bijbelse gedachtegang; je leest immers van Israël ook dat het volk het land ten deel viel, letterlijk ook door loting. Je leest dat de geslachten en de stammen van Israël via loting hun deel ontvingen. Het viel hun dus zomaar toe. Dat is trouwens ook een overeenkomst met het woord erfenis, want dat verdien je ook niet, dat valt je toe.⟨/p> ⟨p>Dat is dus het woord wat Paulus gebruikt. We zijn lotbezitters; er valt ons zomaar iets toe en daarmee zijn we dus lotbezitters, of zo u wilt, erfgenamen. En we zijn dat tezamen. Dat 'tezamen' of 'samen' is een woord dat drie keer in dit vers genoemd wordt. Ook dat wordt meestal op een andere wijze in de vertalingen weergegeven, namelijk met 'mede', waar ik overigens ook niet zoveel moeite mee heb, maar het specifieke woord dat Paulus gebruikt is eigenlijk 'samen'. Daarbij legt 'samen' zowel een horizontale verbinding als een verticale. Ik bedoel daarmee dit: dat de natiën, ongeacht welke – er is namelijk geen verschil, dat was Efeze 2 – samen lotbezitters zijn. De muur tussen de besnijdenis en de overige natiën is weggebroken. De natiën zijn samen lotbezitters; ze zijn het tezamen met elkaar, maar dat niet alleen. Zij delen het bezit wat hun is toegevallen met elkaar, maar ook en bovenal met Christus. Hij is degene aan wie dat allemaal is gegeven en wij zijn samen met Hem lotbezitters van dat wat God te vergeven heeft; in feite Zijn hele schepping.⟨/p> ⟨p>Dat is ook wat in Romeinen 8 vers 17, waar ik zojuist aan refereerde, al wordt gezegd: we zijn lotbezitters van God, erfgenamen van God, en samen lotbezitters van Christus. Dat wil zeggen dat wat aan Hem is gegeven, wij met Hem delen. Het is dus niet alleen een waarheid die hier in Efeze 3 naar voren gebracht wordt, maar ook eerder in zijn brieven is dit al aangestipt: dat de natiën samen lotbezitters zijn. En dan ook – ik zei al dat hij drie keer dat woordje 'samen' gebruikt – samen ingelijfd. Of, als je het heel letterlijk zou willen weergeven: samengelichaamd. Ik realiseer me natuurlijk ook wel dat dit geen fatsoenlijk Nederlands woord of begrip is, maar het geeft wel de componenten aan die Paulus hier bezigde. Samengelichaamd, ingelijfd. Eigenlijk is het woord 'ingelijfd' ook een heel mooi woord, want bij inlijving zit het woordje 'lijf' en lijf is een synoniem van lichaam. Mijn lijf, mijn lichaam. We zijn ingelijfd, dat wil zeggen dat we tezamen in het lichaam geplaatst zijn.⟨/p> ⟨p>De natiën zijn samen lotbezitters, maar ze zijn ook samen met elkaar door het evangelie – maar daarover straks meer – ingelijfd. Of nog een fraai woord: geïncorporeerd. Ik geef toe, dat is een wat deftige term, maar het komt van het Latijnse 'corpus', en dat is het woord voor lichaam. Hemelsbreed – dat is heel grappig, ik spreek deze Bijbelstudies uit vanuit huis; ik woon in Rijnsburg en hemelsbreed wonen wij op ongeveer een kilometer afstand van Corpus. Dat is een tamelijk bekend museum waarbij je een reis kunt maken – heel leuk en interessant trouwens – door het menselijke lichaam. En dat heet dus Corpus.⟨/p> ⟨p>Ja, we zijn samen ingelijfd en dat is nog een belangrijke gedachte die hier echt onderstreept moet worden: dat wij niet zijn ingelijfd in Israël. Er is een hele bekende gedachte die in de christelijke wereld dikwijls doorgegeven wordt, dat de natiën sinds de dagen van het Nieuwe Testament zijn ingelijfd in Israël, zodat als het ware Israël is uitgebreid. Maar nee, dat is niet wat Paulus zegt. Wij zijn niet ingelijfd in Israël. Het is niet zo dat wij deel hebben gekregen aan de beloften aan Israël. En als dat al zo is, dan staat dat in ieder geval niet hier. Wij zijn ingelijfd in Christus. Dat wil zeggen dat we deel hebben gekregen aan het lichaam van Christus. Hij het Hoofd, wij het lichaam. En dat wat aan Hem toevalt, dat is ook ons deel. We zijn ingelijfd in Christus Zelf. Dat is dus oneindig veel hoger nog dan wat aan Israël is toebedeeld en beloofd. Het volk van Israël is gesteld tot een hoofd van de natiën en via dat koninkrijk van priesters zal God de hele wereld, alle volken, gaan zegenen. Maar wat aan Christus is beloofd, gaat daar letterlijk en figuurlijk nog te boven. Dat is een verschil van hemel en aarde, want Israël is een volk hier op aarde, weliswaar het hoogste volk, maar wij zijn verbonden met Christus, die daarboven is.⟨/p> ⟨p>Wij zijn ingelijfd in Hem en wij zijn dan ook niet de bruid. Ik weet dat het een heel bekende gedachte is in christelijke kringen: de kerk als de bruid van Christus. Dat is niet de Bijbelse gedachte. Israël is een bruid, of meer specifiek Jeruzalem misschien, maar wij maken geen deel uit van die bruid. Je zou het anders moeten zeggen: als je ons in die relatie een plaats wilt geven, dan moet je zeggen dat wij deel hebben gekregen aan het lichaam van de Bruidegom. Zodat wij in die relatie wel degelijk een plaats hebben, maar niet aan de vrouwelijke kant, maar aan de mannelijke kant. Niet aan de bruidszijde, maar aan de kant van de Bruidegom. Ook dat is een geweldig gegeven.⟨/p> ⟨p>Samen ingelijfd en tenslotte dan ook samen deelhebbers of 'samen medegenoten', zegt de NBG-vertaling. Deelgenoten tezamen van de belofte in Christus Jezus. De gedachte is dat wat aan Christus Jezus is beloofd, ons ten deel valt omdat wij in Hem, in het lichaam, zijn ingelijfd. Dat zie je eigenlijk al in deze hele brief naar voren gebracht, maar wat dacht u bijvoorbeeld van Efeze 2 vers 6? Daar lees je dat God Christus heeft opgewekt uit de doden en wij zijn met Hem opgewekt. En dan staat er ook: Hij is aan Gods rechterhand gezet en wij zijn met Hem samen gezeten te midden van de hemelsen. God had aan de Christus al toegezegd in Psalm 110: 'Zet u aan mijn rechterhand, totdat ik uw vijanden gesteld zal hebben tot een voetbank voor uw voeten.' Welnu, dat deel of die positie delen wij met Christus. Aan de belofte die aan Hem is gegeven, hebben wij deel gekregen. En ja, dat is echt hemelhoog verheven; een hemels lotsdeel dat ons zomaar is toegevallen.⟨/p> ⟨p>En dat is het geheimenis. Het geheimenis is dus dat Christus Jezus niet alleen deze belofte heeft gekregen om heel de schepping te onderwerpen, maar dat Hij die belofte deelt met Zijn ekklesia die Zijn lichaam is. En dat was verborgen. Dat de Christus dat zou bezitten, was niet verborgen, maar dat wij als ekklesia, als uitroepsel vandaag door het evangelie – want dat is het volgende zinsdeel – daaraan deel hebben gekregen, dat was verborgen. De vraag is dus: hoe krijgen de natiën deel aan deze dingen? Wel, het antwoord is: door het evangelie. Het is dus niet zo dat alle mensen van de natiën in Christus zijn, nee. Door het evangelie en door geloof in het evangelie krijgen ze deel aan dit lotbezit, aan deze inlijving en aan dit deelgenootschap. Samen met elkaar, maar ook samen met Christus Jezus; Hij het Hoofd, wij het lichaam. En Paulus zegt daar nog bij:⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3993" title="Speel af vanaf 01:06:33">▶ 01:06:33⟨/button> ⟨span>Paulus als Dienaar en Exponent van Gods Genade⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Waarvan ik, namelijk van dat evangelie, een dienaar geworden ben naar de genadegave Gods. Ook hier weer ligt het accent op de genade, want Paulus bracht inderdaad onder de natiën het evangelie van de genade Gods, die reddend is verschenen aan alle mensen. Het is een werkelijk bericht. Eerst benadrukte Paulus dat aan hem dit geheimenis bekend is gemaakt, maar hij is ook een dienaar geworden van het evangelie onder de natiën. Die genadegave is hem geschonken – dat staat in de tegenwoordige tijd onvoltooid – naar de werking van Gods kracht.⟨/p> ⟨p>En dan voegt hij eraan toe: "Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen." Zoals water vloeit naar de laagste plaats, zo is het ook met genade. Van nature, naar haar aard, vloeit zij naar degenen die er geen aanspraak op kunnen maken. Dat is juist wat genade is: het is niet verdiend en je kunt er geen claim op leggen. Daarom zegt Paulus: "Ik ben verreweg de geringste." In het Grieks staat daar eigenlijk één woord: de 'allergeringste', zoals de interlineair zegt. Mij, de allergeringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen.⟨/p> ⟨p>Juist omdat ik er helemaal geen aanspraak op kan maken, ben ik gekozen. In hoofdstuk 15 van 1 Korinthe zegt hij: "Ik ben de geringste van de apostelen. Ik ben het niet eens waard een apostel te heten, omdat ik de ekklesia van God vervolgde." Dat is de grootste zonde ooit. Daarom zegt hij ook dat hij de eerste der zondaren is. Van alle zondaren is hij de eerste, omdat hij zo'n misdaad heeft gepleegd door de Christus – namelijk de gemeente Gods – te vervolgen. "Saul, Saul, wat vervolg je Mij?" En juist daarom, omdat hij de geringste der apostelen is, de geringste van alle heiligen en de eerste der zondaren, is hij degene aan wie de boodschap van genade is toevertrouwd om die wereldkundig te maken.⟨/p> ⟨p>Hij is de exponent van Gods genade. Het woord 'exponent' is trouwens heel mooi, want het is eigenlijk een term uit de wiskunde. U weet wel dat als je bijvoorbeeld zegt '5 kwadraat', dan schrijf je een 5 en een 2’tje erboven. De 5 is dan de factor en de 2 is de exponent. Dat betekent 5 keer 5. En als er een 5 met exponent 3 staat, dan is het 5 maal 5 maal 5. En als het 5 met exponent 4 is, dan is het 5 maal 5 maal 5 maal 5. Dus dat vermenigvuldigt zich exponentieel; dat is het woord wat we dan ook gebruiken. Dat wil zeggen dat het enorm toeneemt. Paulus is de exponent van Gods genade en aan hem is het voorrecht gegeven, juist omdat hij de allergeringste is, om aan de natiën de onnaspeurlijke rijkdom van de Christus te evangeliseren.⟨/p> ⟨p>De onnaspeurlijke rijkdom van de Christus – hier ook weer 'de Christus' – dat is hier niet alleen maar Christus Jezus, maar dat is de Christus als geheel: hoofd en lichaam. Dat is heel vaak de gedachte in de brieven van Paulus. Eigenlijk is dat ook logisch: als wij inderdaad als ekklesia deel uitmaken van het lichaam van Christus, dan is het ook logisch dat wij deel uitmaken van dé Christus. Dat is niet alleen maar het hoofd. Heel dikwijls is dat trouwens wel de gedachte, maar Christus is strikt genomen geen eigennaam, het is een titel. Jezus is gemaakt tot de Christus, maar Hij deelt Zijn positie met de ekklesia, met een uitgeroepen gezelschap dat Zijn lichaam is. Dat wat aan Hem is toegezegd en beloofd, dat is het deel van degenen die tot Zijn lichaam behoren.⟨/p> ⟨p>Eigenlijk is dat een heel logische gedachte. Als ik zeg: "Ik nodig jou uit voor mijn verjaardag", dan bedoel ik daar toch echt mee dat ik jou uitnodig inclusief jouw lichaam. Dat hoef ik er niet bij te zeggen, want dat is nogal logisch. Je komt niet alleen met je hoofd; nee, je komt met je lichaam, gewoon als één geheel. Welnu, de Christus is hier ook hoofd en lichaam. Wat Paulus als uitdrager van het evangelie onder de natiën predikt, is inderdaad de genade Gods, maar ook de onnaspeurlijke rijkdom van de Christus. Dat aan Christus zoveel beloften waren gegeven die in de Hebreeuwse Bijbel staan opgetekend, dat was niet onbekend. Maar wat wel onbekend was, is dat Hij die positie zou delen met een gezelschap: de ekklesia.⟨/p> ⟨p>Achteraf weten wij dat en kunnen wij de ekklesia eigenlijk ook aanwijzen in het Oude Testament. Ik verwees net al even naar Psalm 110. Als je Psalm 110 leest, dan zou je niet direct zeggen dat dit ook van toepassing is op een gezelschap, op u en mij, op de gelovigen van vandaag. Maar met terugwerkende kracht, sinds wij bekendgemaakt zijn met die onnaspeurlijke rijkdom van de Christus, weten wij als we Psalm 110 lezen: ja, dat is ook ons deel. Daar zijn we bijgeplaatst. Hij heeft ons samen met Hem doen zitten te midden van de hemelsen. Dat is wat Paulus mocht doen: de genade die hem was gegeven gebruiken om aan de natiën de onnaspeurlijke rijkdom van de Christus te evangeliseren. Dat is een blijde tijding. Het is dus niet alleen maar 'verkondigen', zoals de NBG-vertaling zegt, maar 'evangeliseren'. En allen te verlichten. 'Allen' betekent hier ook allen zonder onderscheid: Jood en heide, de besnijdenis en de overige natiën, zonder onderscheid. Het gaat erom in het licht te stellen wat het beheer van het geheimenis inhoudt en wat de consequenties daarvan zijn.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4456" title="Speel af vanaf 01:14:16">▶ 01:14:16⟨/button> ⟨span>Verlichting over het Beheer van het Geheimenis⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Paulus is niet alleen degene aan wie het geheim bekend is gemaakt, maar hij heeft ook de taak om allen te verlichten over wat het beheer van het geheimenis daadwerkelijk inhoudt en wat de consequenties daarvan zijn. In het voorgaande had hij daar al over gesproken, namelijk dat de tussenmuur is weggebroken en dat allen deel hebben. Dat betekent ook dat de wet der geboden niet langer de gang van zaken in ons leven bepaalt. Nee, genade heerst; genade is de huisregel.⟨/p> ⟨p>Het is trouwens de tweede keer dat Paulus hier het woordje 'beheer' gebruikt. Er zijn eigenlijk twee begrippen aan gekoppeld. In hoofdstuk 3 vers 2, een paar verzen eerder, ging het over het beheer van de genade Gods, en hier is het het beheer van het geheim. Beide hebben natuurlijk alles met elkaar te maken en het is aan Paulus toevertrouwd. Het beheer, de bedeling of de huishouding — daar hadden we het al even eerder over — zijn allemaal begrippen die verband houden met het feit dat Paulus niet de bezitter ervan is. Nee, het is hem toevertrouwd. Aan hem is het bekendgemaakt, hij heeft hierover gesproken en hij is degene die de taak heeft gekregen om deze dingen uit te dragen, erover te spreken en te schrijven, met alle consequenties van dien.⟨/p> ⟨p>Sinds wanneer bestaat dat beheer dan? Nou, sinds dat beheer is toevertrouwd natuurlijk. Dat geeft trouwens ook antwoord op een punt waarover nogal eens discussie bestaat: wanneer is die bedeling of het beheer van het geheim nou begonnen? Het meest logische antwoord is: sinds dat beheer is toevertrouwd aan degene die God daarvoor heeft aangewezen, namelijk de apostel Paulus.⟨/p> ⟨p>Het gaat om het beheer van het geheim dat vanaf de aeonen, zo staat er in vers 9, verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen. Voordat er ook maar iets was, was daar God. Hij heeft alle dingen tot aanzijn geroepen, en gedurende al die tijden, al die aeonen die aan de huidige vooraf zijn gegaan, hield God verborgen wat Hij nu als beheer aan Paulus heeft gegeven. Alleen God had weet van deze dingen. Weliswaar kun je in het Oude Testament, in de Hebreeuwse Bijbel, die zaken met terugwerkende kracht wel terugvinden, dat is waar. Maar alleen God wist het toen. Nu het aan Paulus is bekendgemaakt, kunnen wij achteraf van deze dingen kennisnemen. Zo zien we dat geheim, dat wat voorheen verborgen was, nu volledig geëtaleerd.⟨/p> ⟨p>"Opdat nu," zo staat er, "bekend zou worden aan de overheden en de autoriteiten in de hemelsen." Er staat 'nu'. Dit vers wordt nog wel eens aangehaald door mensen die heel goed bekend zijn met de brieven van Paulus, maar mijn ervaring is dat zij het vaak lezen alsof er zou staan dat het 'straks' bekend zou worden aan de overheden en de autoriteiten in de hemelsen. De gedachte is dan dat wij aan de overheden en de machten straks het Evangelie zouden gaan vertellen, of zoiets dergelijks. Maar dat is niet wat er staat.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-12" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4715" title="Speel af vanaf 01:18:35">▶ 01:18:35⟨/button> ⟨span>Bekendmaking aan Overheden en Autoriteiten in de Hemelsen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Er staat dat nu bekend zou worden aan de overheden en de autoriteiten in de hemelsen. En de gedachte is dat – kijk, er zijn hier ook aardse overheden en autoriteiten, dat is bekend – maar dat er daar achter de coulissen ook een hiërarchie is van overheden, maar ook van volmachten. We lezen, en het is natuurlijk bekend, dat er daar in de hemel boodschappers zijn, engelen. Maar er zijn inderdaad ook overheden en autoriteiten. Welnu, terwijl hier op aarde deze verborgenheid eigenlijk onbekend is, is één ding duidelijk: nu wordt er via de ekklesia – we zullen het straks zien – aan de overheden en de autoriteiten die daar zijn in de hemelse gewesten iets bekendgemaakt.⟨/p> ⟨p>Eigenlijk staat er gewoon 'in de hemelsen'. Sommige andere vertalingen zullen zeggen: 'te midden van de hemelingen' of 'hemelse gewesten'. 'In de hemelsen' is denk ik de meest accurate weergave. Dat wil zeggen: te midden van de hemelsen, ongeacht of je nu aan personen of plaatsen denkt. Daar zijn overheden en machten aan het werk en aan hen wordt iets bekendgemaakt. In feite – je leest daar een paar hoofdstukken later in Efeze ook over – strijden die overheden en machten tegen ons. Omdat zij iets weten waar ze straks ook daadwerkelijk achter zullen komen, namelijk dat op het moment dat de ekklesia geëvacueerd zal worden vanaf de aarde en weggerukt zal worden, dan de mannelijke zoon – hoofd en lichaam, in Openbaring 12 lees je erover – geplaatst zal worden in God en Zijn troon. Dat wil zeggen dat de heerschappij aan die mannelijke zoon, hoofd en lichaam – de Christus – zal worden toevertrouwd.⟨/p> ⟨p>Wat je leest, is dat Satan dan, met zijn engelen, zijn gevolg en zijn consorten, op de aarde wordt geworpen. Dus op het moment dat de ekklesia naar boven gaat, is het met hun macht en gezag over en worden ze naar beneden geduveld, laten we het daar maar op houden. Dat betekent dat die overheden en machten straks hun macht moeten gaan afstaan en weer overgeven aan ons. Er vindt dus een machtswisseling plaats. De overheden en machten die straks van hun macht zullen worden ontdaan, zullen letterlijk worden gedegradeerd naar de aarde.⟨/p> ⟨p>Welnu, zij zijn op de hoogte van de dingen die wij al weten. Vandaar ook dat zij tegen ons strijden. Zij beschouwen ons, en in feite terecht, als hun rivalen. Zij maken nu nog de dienst uit in de hemelen, maar straks, als de mannelijke zoon zijn plaats zal nemen in God en Zijn troon, dan is het met hun gezag over. En dat wordt hen nu al bekendgemaakt, opdat nu bekend zou worden aan de overheden en de autoriteiten te midden van de hemelsen de veelkleurige wijsheid van God.⟨/p> ⟨p>In dat hele gebeuren zit natuurlijk heel de veelkleurige wijsheid van God besloten. Doordat de mannelijke zoon straks die positie gaat innemen – Christus, hoofd en lichaam – zal heel de schepping in al zijn facetten en in al zijn heerlijkheid tot uiting komen. Gods plan gaat dan, of beter gezegd: de toekomende aeonen en de glorie daarvan zullen overtreffend zichtbaar worden. En dat begint allemaal op het moment dat de ekklesia haar plaats in de praktijk, ook lichamelijk, gaat innemen daar in de hemelen.⟨/p> ⟨p>De ekklesia weet van deze dingen en via de ekklesia komt dat daar ook boven. Het is eigenlijk wel een heel aparte gedachte om eraan te denken dat, terwijl de dingen waar ik nu over spreek volstrekt onbekend zijn in de wereld – ook in de christelijke wereld, dat is echt niet anders – niettemin te midden van de hemelen, en nog wel op het hoogste niveau, overheden en volmachten daar kennis van nemen. En hen wordt angst ingeboezemd. Reken maar, want zij realiseren zich heel goed dat hun dagen zijn geteld. Ze kunnen hun borst nat maken, om zo te zeggen. Nou ja, en dan staat er nog bij...⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-13" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="5078" title="Speel af vanaf 01:24:38">▶ 01:24:38⟨/button> ⟨span>Het Voornemen van de Aionen en Toegang Door Zijn Geloof⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Vers 11: "naar het voornemen van de aionen". Uiteraard niet zoals de NBG-vertaling en de Statenvertaling hebben: "het eeuwige voornemen". Daar moet je toch niet aan denken: een voornemen dat eeuwig is, maar waar nooit wat gebeurt. Dat is net zoiets als dat je altijd veelbelovend bent. Politici hebben vaak die reputatie dat ze veelbelovend zijn; ik geloof altijd heel veel, maar wanneer komt het nou eens een keertje uit? Je hebt ook eeuwige studenten. Dat zijn mensen die nooit ophouden student te zijn. Maar het is een duidelijke zaak: Paulus schrijft hier ook niet over het eeuwige voornemen, het is het voornemen van de aionen. God had, voordat de wereldtijdperken in werking traden en voordat Hij de wereld schiep, een voornemen, een plan. Hij werkt dat uit en Hij neemt daarvoor ook de tijd: de aionische tijden. Hij voert dat uit totdat het zijn climax gaat bereiken in de volheid der tijden (Efeze 1), of in de Aion der Aionen (Efeze 3 en het slot van dit hoofdstuk). Dan wordt het geculmineerd, dan komt het tot volheid en tot voltooiing.⟨/p> ⟨p>Dat voornemen voert Hij uit in Christus Jezus, onze Heer. Hij is het Hoofd van het lichaam, Hij voert dat uit. De NBG-vertaling zegt: "Hij heeft het uitgevoerd", als voltooid. Dat is niet correct. Het staat hier ook in de aorist; het feit wordt neergezet. De gedachte is niet dat God dat voornemen al heeft uitgevoerd. Hij voert dat uit, ongeacht wanneer, in Christus Jezus, onze Heer.⟨/p> ⟨p>Dan staat er nog bij in vers 12, het laatste vers dat we in dit verband willen bespreken: "In wie wij de vrijmoedigheid en de toegang met vertrouwen hebben door het geloof van Hem." U ziet het in de PowerPoint: ik heb het woordje "van" hier gecursiveerd omdat ik hier uitdrukkelijk ook afwijk van de NBG-vertaling, die dit, zoals heel wat andere vertalingen, weergeeft als "geloof in Hem". Wij hebben niet de vrijmoedigheid en toegang met vertrouwen door ons geloof in Hem, nee, wij hebben het door het geloof van Hem. Zijn geloof en de weg van geloof die Hij is gegaan, dat is de garantie dat alles goed komt. Daarom hebben wij vrijmoedigheid en treden wij tot God met vertrouwen. Dat is geweldig natuurlijk als je zo'n God mag kennen, maar ook als je zo'n solide basis mag hebben. Dat is niet ons geloof, want ons geloof stelt – laten we nou maar eerlijk zijn – dikwijls niet zoveel voor. Nee, het gaat ook niet om uw en mijn geloof, maar om het vertrouwen of het geloof van Christus. Dat geeft ons vrijmoedigheid en vertrouwen.⟨/p> ⟨p>Dat wilde ik graag gezegd hebben. De dingen die ik nu in deze aflevering heb doorgegeven, komen zo ongeveer overeen met wat ik afgelopen donderdagavond ook verteld heb. Ik hoop dat u ook met mij aanvoelt en begrijpt waarom dit zo elementair is, waarom het zo belangrijk is om zicht te hebben op wat dat geheimenis inhoudt en dat wij deel uitmaken van de Christus. Hij het Hoofd, wij het lichaam. Dat is onvoorstelbaar groots. Het is niet voor niks dat deze woorden, dit hoofdstuk, ook afsluit met een gebed waarin Paulus op zijn knieën valt en zegt: "Ik buig mijn knieën voor de Vader, naar wie alle geslacht in de hemel en op aarde wordt genoemd." Dan bidt hij ook dat we besef zouden gaan krijgen van de hoogte en de diepte, en van de lengte en de breedte van dat voornemen van de aionen, en daarmee ook van de liefde van Christus. Want geen enkel schepsel valt daarbuiten. Hoe groots, hoe geweldig heerlijk is dat.⟨/p> ⟨p>Ja, ik heb dit nu voor een tweede keer mogen doorgeven in een paar dagen tijd en ik denk aan de woorden die Paulus optekende in de Filippenzenbrief. Hij herhaalt daar ook: "Verblijdt u in de Here." Ik parafraseer nu, maar hij zegt eigenlijk: "Ja, ik heb het al een paar keer gezegd, maar hetzelfde aan jullie te schrijven is voor jullie goed, want het bevestigt en benadrukt het alleen maar des te meer." Maar hij zegt ook: "En voor mijzelf is het ook verblijdend." Want het is heerlijk om daarbij bepaald te worden en dat te onderstrepen. Zo verging het mij nu ook om dit te herhalen. Nou, dat is hopelijk voor jullie niet verdrietig. Trouwens, voor jullie is het geen eens een herhaling en voor mij wel, maar ik vind het geweldig om deze dingen te overdenken en te mogen doorgeven. Wat een waarheid, wat een woord. Het was mij een genoegen en ik zou zeggen: tot een volgende keer. Ik hoop dat het dan met de geluidsopname wel goed gaat, dat weer wel. Maar hoe dan ook, dank voor het luisteren en tot een volgende keer. Godszegen allemaal.⟨/p>