⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Inleiding en Terugblik: Mysterion en de Verborgenheden⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En voor een tweede keer gaan we ons deze avond bezighouden met dit onderwerp over top secrets. Over de geheimenissen, want dat is eigenlijk waar we het over hebben, of de verborgenheden, maar die woorden blijken dus ongeveer identiek te zijn, afhankelijk van de vertaling die je daarvoor gebruikt. De verborgenheden in de Schrift. En met name zoals het Nieuwe Testament daarover spreekt en dan moet ik eigenlijk nog zeggen: met name zoals de apostel Paulus daarover spreekt. Hoewel, ik wil erbij zeggen, de vorige keer hebben we ons daar niet zozeer op gefocust en dat zal vanavond ook weer niet het geval zijn. Het is dus allemaal nog min of meer inleidend.⟨/p> ⟨p>En u ziet het, ik heb het als ondertitel voor deze avond meegegeven: "De onderbroken komst van de Messias". Dat ga ik straks toelichten, maar voordat ik dat doe, wil ik even terugblikken op wat we tot dusver hebben gezien. De vorige keer hebben we ons eerst even beziggehouden met het woord an sich. Waarover hebben we het dan wel? Het blijkt vooral het Griekse woord ⟨em>mysterion⟨/em> te zijn, eigenlijk nogal voor de hand liggend omdat wij het op de vernederlandste manier ook kennen. Een mysterie betekent in ieder geval vanuit het Grieks iets dat verborgen wordt bewaard. Dat is iets dat geheim is, iets dat verborgen is, maar dan niet in de zin zoals mysterie ook bij ons wordt gebruikt. Dat is een beetje het misleidende dus: dat het iets zou zijn dat onbegrijpelijk is in zichzelf.⟨/p> ⟨p>Ik gaf als voorbeeld dat in de christelijke theologie het idee van de drie-eenheid altijd wordt neergezet als een mysterie. Dat kun je niet begrijpen. Nou, in die zin spreekt de Bijbel niet over ⟨em>mysterion⟨/em>. Het heeft te maken met iets dat verborgen is, dat er een bedekking op ligt en dat onthuld kan worden. Het is bekend bij intimi meestal, of het was verborgen in het verleden maar wordt daarna onthuld. Om daarover toch nog één ding te zeggen: als we het hebben over één God, dan is dat juist geen mysterie. Dat is juist heel simpel in de meest letterlijke zin van het woord, namelijk simpel betekent eenvoudig. De waarheid dat er één God is, is helemaal geen mysterie, integendeel.⟨/p> ⟨p>De eerste keer dat dat bewuste Griekse woord ⟨em>mysterion⟨/em> — verborgenheid, geheimenis, geheim — in het Nieuwe Testament wordt gebruikt, is in verband met de gelijkenissen zoals we die aantreffen in Matteüs 13. Dat is een lang hoofdstuk waarin een stuk of zeven of acht gelijkenissen worden verteld door de Heer Jezus. Dat zijn illustraties die de scharen van Israël aanhoorden. Je leest dat de scharen zich verdrongen en de Heer vertelt dan illustraties, gelijkenissen. Bijvoorbeeld van een zaaier die niet al te succesvol lijkt te zijn, want slechts een klein deel viel in goede aarde, en ook allerlei andere gelijkenissen worden gegeven. Het bijzondere is dat Hij die gelijkenissen vertelt, dat wil zeggen de metaforen en de verhalen, maar zonder deze toe te lichten. Zonder te vertellen wat de moraal ervan is of zonder uit te leggen wat de betekenis daarachter is.⟨/p> ⟨p>De scharen luisterden wel en die hoorden van alles. Misschien ook mooie verhalen, dat lijkt mij wel, want ze hingen aan Zijn lippen. Maar heel uitdrukkelijk lees je dat de Heer Jezus juist niet aan hen vertelde wat Hij daarmee te zeggen had. Afzonderlijk aan Zijn discipelen vertelde Hij de betekenis ervan. Dus het hele idee dat gelijkenissen verteld werden omdat de Heer juist aan de scharen iets duidelijk wilde maken — zoals de gebruikelijke zondagsschoolversie luidt — is juist niet het geval. Hij vertelde het aan de scharen om een betekenis te verbergen. Alleen als je weet en verteld wordt wat de betekenis daarachter is, dan wordt het duidelijk. Dat is heel essentieel bij die gelijkenissen die de Heer Jezus vertelt.⟨/p> ⟨p>We hebben een groot deel van de vorige avond ons daarmee beziggehouden, behalve de grondbetekenis van het woord. Ook met Matteüs 13 en over wat daarover verteld wordt, namelijk dat die gelijkenissen altijd verwijzen naar de tijd dat het Koninkrijk verborgen is. Vandaar ook dat het de gelijkenissen van de verborgenheden van het Koninkrijk heet. Het Koninkrijk is verborgen tot een bepaalde tijd, tot de voleinding van de aion. Dat is ook een term die in dat verband gebruikt wordt, en dat is juist vanwege Israëls ongeloof. Het aardige is, ook dat hebben we toen gezien, dat dat niet alleen maar zo verteld wordt, maar zelfs gedemonstreerd wordt. Je leest dat de Heer Jezus het huis verlaat en bij de oever gaat zitten. Dan gaat Hij in een bootje en vanaf de zee spreekt Hij de schare toe. Zelfs dat is illustratief. Ze hebben het gezien, maar ze begrepen het niet; ze hebben het gehoord, maar ze verstonden het niet. En dat was juist ook de bedoeling.⟨/p> ⟨p>Dat is misschien in onze beleving heel eigenaardig en zelfs bizar: dat de Heer dingen vertelt en doet die Hij met opzet verbergt en waarvan de schare de betekenis niet mag weten. Geheim dus, verborgen wordt het gehouden. Vanavond gaan we daar verder over praten. Een heel seizoen hebben we het over dit thema en ik maak me sterk — maar ik weet het nog niet, daar moeten we het nog maar eens een keertje over hebben — dat we ook volgend seizoen daar gewoon weer mee verder gaan. Ik zie de bui al hangen dat dit allemaal een beetje te veel is, maar goed, we zullen het wel zien. Ik heb geen echt plan gemaakt van hoe we het gaan aanpakken. Het hangt er ook een beetje vanaf hoe snel de bespreking zal verlopen. Oké.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="446" title="Speel af vanaf 07:26">▶ 07:26⟨/button> ⟨span>De Twee Gestalten van de Messias in de Tenach⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Wat ik vanavond wil laten zien, is dat de Bijbel leert dat de Messias zou komen in twee gestalten. Wat bedoel ik daarmee? Wel, als de lijdende Messias, degene die verworpen wordt door zijn volk. Maar de Bijbel spreekt ook heel duidelijk over de Messias in zijn hoedanigheid als Zoon van David, en daarmee als erfgenaam van de troon van David, als nakomeling die deel uitmaakt van de dynastie van David. Hij is bestemd om koning te zijn op de troon van David, uiteraard in Jeruzalem, want daar staat die troon nu eenmaal. Hij zal heersen vanuit Jeruzalem.⟨/p> ⟨p>Dat is ook de verwachting die het Jodendom tot op de dag van vandaag heeft. Namelijk: als de Messias komt, dan zal hij sowieso een Zoon van David zijn. Dat is zijn eerste kenmerk; hij moet zijn geslachtsregister kunnen terugvoeren tot David. Maar hij zal ook onmiskenbaar zijn, zo leert het Jodendom, omdat hij zijn troon zal innemen op de enige plaats waar dat hoort, namelijk in Jeruzalem. Dan zal hij niet alleen over Israël heersen, maar zelfs wereldwijd. Dat is het idee dat het Jodendom heeft, en het klopt. Dat is ook wat de Bijbel zegt over wie de Messias is, en in het Nieuwe Testament wordt dat bevestigd.⟨/p> ⟨p>Ik kreeg — dat is wel apart en ik vind het toch even het vermelden waard — juist vorige week van iemand een e-mail met een nogal lange bijlage. Ik weet niet of de persoon zelf een Jood is, maar wat hij mij toestuurde en wat hij betoogde, komt regelrecht uit het Jodendom. Het gaat over het concept van de Messias in de Hebreeuwse Bijbel en het Joodse idee van wie de Messias zou zijn. Een van de dingen die we hebben gezegd, is dat men het in het christendom altijd heeft over de twee komsten van de Christus, van de Messias, maar dat kent de Hebreeuwse Bijbel helemaal niet. De Hebreeuwse Bijbel spreekt gewoon over de komst van de Messias; gewoon over één komst. En ook dat is waar. De Hebreeuwse Bijbel, het Oude Testament, spreekt niet over een komst en een wederkomst.⟨/p> ⟨p>Maar in ieder geval dit: die twee gestalten zijn er. Namelijk als de lijdende, die verworpen wordt door zijn volk en zelfs gedood, maar aan de andere kant als degene die zal heersen, als de man die voortkomt uit de dynastie van David vanuit Jeruzalem. Die twee gestalten dus. De tijd die tussen die beide gestalten ligt, wordt in de Tenach — en ik noem het nu expres even zo — verondersteld. De Tenach is de Hebreeuwse Bijbel. Wij spreken over het Oude Testament, maar dat doen Joden uiteraard niet, want die kennen het Nieuwe Testament niet, dus dat zou een vreemd idee zijn. De Tenach is eigenlijk een acroniem, een samenvoeging van de Tora, de Profeten (Nevi'im) en de Geschriften (Ketuvim). Dat is de Hebreeuwse Bijbel.⟨/p> ⟨p>De tijd tussen die beide gestalten — dat wil zeggen: tussen het feit dat hij de lijdende Knecht is en aan de andere kant de heersende Koning in Jeruzalem — die tijd wordt verondersteld. Want ja, het kan niet tegelijkertijd zijn. Het zijn geen twee Messiassen; nee, het is één Messias. Maar hoe zit dat dan? Er zit een tijd tussen. Die tijd wordt verondersteld, maar niet expliciet genoemd. In feite is die hele tijd die verondersteld wordt, verborgen. Daar heb je het: dan zijn we toch weer terug bij die gedachte. Die tijd is met recht verborgen. Ik wil dat vanavond graag laten zien en het keurig netjes en ordelijk opbouwen aan de hand van een aantal schriftplaatsen. U zult met mij de ontdekking doen hoe enorm essentieel dit blijkt te zijn in de hele boodschap van het gehele Nieuwe Testament.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="764" title="Speel af vanaf 12:44">▶ 12:44⟨/button> ⟨span>Lukas 24: de Emmaüsgangers over Lijden en Heerlijkheid⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Laat ik beginnen bij een gesprek dat we beschreven vinden in Lukas 24, het laatste hoofdstuk van het Lukasevangelie. We spreken dan inmiddels over de Heer Jezus die zich op de dag van de opstanding aansluit bij twee mensen. Ze worden altijd de Emmaüsgangers genoemd. Fons Jansen had het over de 'Emmaüsgangsters', maar dat is weer wat anders natuurlijk. Deze twee waren op weg van Jeruzalem naar een vlek, zoals er in de Statenvertaling staat: een dorpje genaamd Emmaüs.⟨/p> ⟨p>De Heer Jezus sluit zich incognito, dat wil zeggen verborgen, aan bij deze twee mannen. Dan gaan ze vertellen: "Bent u een vreemdeling in Jeruzalem of zo? Hebt u niet begrepen wat er allemaal de laatste dagen is gebeurd?" Wat dan? Nou ja, over Jezus van Nazareth en hoe onze oversten hem hebben gekruisigd. En tot overmaat van ramp zijn er vandaag ook nog eens vrouwen gekomen die hebben gezegd dat hij opgestaan is. Ze steken van wal en vertellen dat allemaal.⟨/p> ⟨p>De Heer Jezus, van wie zij niet weten dat ze met hem van doen hebben, hoort dat zwijgend aan of stelt alleen wat vragen. Maar dan gaat hij spreken. Daar zou ik graag bij geweest willen zijn. Dat moet heel boeiend geweest zijn. Misschien had ik wel ondertiteling nodig gehad, dat weet ik niet, maar luister wat de Heer dan zegt. Ik lees trouwens uit de NBG-vertaling, maar daar waar het nodig is, maak ik een correctie. Vandaar dat ik het NBG+ noem, dat vind ik wel een leuke.⟨/p> ⟨p>Hij zei tot hen, die twee mensen met wie hij de weg aflegt: "O onverstandigen en tragen van hart, dat ge niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben!" Nou, dan ga je er meteen behoorlijk stevig in als je zo reageert. Hij heeft een heel authentiek verhaal gehoord van mensen die eigenlijk in rouw zijn, want ze waren zwaar gedesillusioneerd. Ze hadden gezegd: "En wij hadden nog zo gehoopt dat hij het was die Israël zou verlossen." Dat was de messiaanse verwachting die ze hadden, en dat is nu allemaal sinds de derde dag – want dat zeggen ze ook: het is al de derde dag – in de bodem geslagen.⟨/p> ⟨p>Dan zegt de Heer als troost: "O onverstandigen en tragen van hart." Waarom? Dat zal hij toelichten. Onverstandig omdat de profeten, naar wie hij nu gaat refereren, slechts verstaan kunnen worden als je alles ervan serieus neemt, gelooft en aanvaardt. Want de profetie is één geheel en de Schrift kan niet gebroken worden. Je kunt daar niet zomaar elementen naar eigen keuze uitnemen. Het is één geheel en je kunt het slechts verstaan wanneer je alles wat erin gezegd wordt gelooft.⟨/p> ⟨p>Ze waren onverstandig en ook traag van hart. Dat betekent langzaam, stug, dwars. Niet traag van verstand; dat is eigenlijk meer het resultaat. Het feit dat ze het niet verstonden, kwam omdat ze traag waren om te accepteren, te vertrouwen en alles te geloven wat de profeten gesproken hebben. De nadruk ligt hier natuurlijk op 'alles'. Ze geloofden namelijk wel een deel van de profetie. Ze hadden immers gezegd: "Wij hadden nogal hoop dat hij het was die Israël zou verlossen." Als ze dat geloofden op basis van de profetie, dan was daar in principe niets aan veranderd.⟨/p> ⟨p>Maar het punt is dat zij alleen dat deel van de profetie geloofden waar de Joden trouwens nu nog steeds in geloven: namelijk dat wanneer de Messias komt, hij zijn troon zal innemen van zijn vader David en zal regeren in Jeruzalem. Dat verhaal geloofden zij. Maar alles wat de profeten hadden gezegd over een Messias die zou lijden, die zou sterven en die verworpen zou worden door zijn volk, dat geloofden ze niet. Dat had geen plaats in hun theologie.⟨/p> ⟨p>In feite, als je erover doordenkt, is het ook wel apart en ironisch. Zij geloofden precies dat deel van de profetie wat de kerk juist niet gelooft: namelijk dat de Messias inderdaad iemand is die zal zitten op de troon van zijn vader David in Jeruzalem. Voor een orthodoxe Jood is dat volstrekt vanzelfsprekend. Maar in de christenheid wordt dat juist wegverklaard en weggeteologiseerd; dat neemt men niet letterlijk. En dat deel van de profetie wat de Joden niet geloven – dat de Messias zou lijden, sterven en verworpen zou worden door zijn volk – dat heeft men in de kerk vergeestelijkt. Precies dat wat de kerk dan in bepaalde mate wel accepteert. Snapt u? Als die twee met elkaar in gesprek raken, snappen ze dus niets van elkaar. Want allebei refereren ze aan en baseren ze zich op de profeten, maar ze geloven slechts een deel. Wat de ene wel gelooft, gelooft de ander niet. Ik ga het niet afmaken, want het is een hopeloos verhaal natuurlijk. Je kunt daar een heel mooi woord voor geven en een dialoog gaan voeren tussen kerk en synagoge, maar dat wordt helemaal niets.⟨/p> ⟨p>"O onverstandigen en tragen van hart, dat ge niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben. Moest..." Laten we zeggen: moest, ⟨em>hoedei⟨/em>, moest. De profeten hebben gesproken en als God het voorzegt, moet het dus gebeuren. Waarom? Dat kun je op twee manieren opvatten. Moet het gebeuren omdat het voorzegd is, of is het voorzegd omdat het gebeurt? In de praktijk maakt het geen enkel verschil. Voor de profetie – het Griekse woord betekent letterlijk 'voorzeggen' – hebben de profeten het voorzegd. En dus moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan? Trouwens, de volgorde is essentieel: eerst lijden, daarna heerlijkheid. De Statenvertaling zegt ook: moest de Christus dit niet lijden om alzo, via die route en op die wijze, in zijn heerlijkheid in te gaan? Dat moest, want het was voorzegd.⟨/p> ⟨p>En dan lees je: en hij begon bij Mozes. Ik zei het al even op voorhand: daar had ik bij willen wezen om zo'n Bijbelstudie van de Heer zelf te vernemen. De Heer Jezus heeft hier op aarde, terwijl hij opgroeide, toegenomen in kennis en wijsheid. Al die dertig jaren was hij bezig in de dingen van zijn Vader. Hij heeft de Schriften onderzocht en bestudeerd. In de Hebreeënbrief wordt een aanhaling uit de Psalmen gebruikt waar de Messias zegt: "Zie, hier ben ik Heer, in de boekrol staat over mij geschreven." Hij wist: ik ben voorzegd. Hij wist wat hem te doen stond en hij wist ook wat er zou gaan gebeuren.⟨/p> ⟨p>Van tevoren had hij ook gezegd dat hij gekruisigd zou worden, dat hij door de overpriesters en door de leiders van zijn volk zou worden overgeleverd. Hij heeft gezegd: "Ik zal worden gekruisigd." En hij zei daarbij ook: "Op de derde dag zal de Messias worden opgewekt." Ook dat is voorzegd. Maar als je ogen daarvoor niet geopend zijn, dan zul je het echt niet zien.⟨/p> ⟨p>Dat is een heel frappant voorbeeld, want je leest ook dat zijn discipelen, notabene de intimi, het niet hebben begrepen. Pas later lees je: "Ja, wij herinneren ons dat hij dat gezegd heeft." Toen het eenmaal vervuld was. Hij begon bij Mozes, dus de boeken van Mozes, en bij al de profeten, en hij legde hun uit wat in al de Schriften op hem betrekking had.⟨/p> ⟨p>Misschien heeft hij ook wel gesproken over de persoon van Mozes, die ooit tot zijn broeders kwam en verworpen werd. Hij was een hele tijd helemaal uit beeld en toen kwam hij weer terug en heeft hij hen alsnog uitgeleid. In feite is Mozes zelf – ik bedoel niet alleen de boeken die op zijn naam staan, maar zijn personage en zijn lotgevallen – een beschrijving van de Profeet die groter is dan hijzelf. Hij begon bij Mozes en de profeten en legde hun uit wat in al de Schriften op hem betrekking had.⟨/p> ⟨p>Later lees je in ditzelfde hoofdstuk dat als de Heer Jezus die avond in Jeruzalem bij zijn discipelen verschijnt, hij zegt: "Al de Schriften spreken van mij." De Schriften getuigen van hem, van de eerste tot de laatste bladzijde. Dat kan inderdaad direct zijn, dat wil zeggen in voorzeggingen. Het kan ook indirect zijn via typen en beelden. Wat ik net zei over Mozes bijvoorbeeld, dat is een type; hijzelf is een type van degene die na hem zou komen. Het kan expliciet zijn, heel uitdrukkelijk en uitgesproken, maar het kan ook onuitgesproken zijn – impliciet noemen we dat dan – stilzwijgend tussen de regels door. Maar via welke weg dan ook, direct, indirect, expliciet of impliciet: al de Schriften getuigen, ⟨em>some way, somehow⟨/em>, van hem.⟨/p> ⟨p>In Lukas 24 zien we dus heel uitdrukkelijk dat de Heer dat zelf aantoont vanuit de Schriften aan de Emmaüsgangers. De Christus moest lijden om alzo in zijn heerlijkheid in te gaan. Dan zal hij bij gelegenheid inderdaad zijn volk Israël verlossen, datgene wat de Emmaüsgangers altijd hadden geloofd. Maar dan is het noodzakelijk dat je al de profeten gelooft en dat je niet – om nog even terug te komen op dat woord 'tragen van hart' – traag bent. Weet je waardoor je vertraagd wordt? Doordat je met allerlei gedachtegangen wordt belast die hinderen om te geloven wat er staat geschreven.⟨/p> ⟨p>Dat was toen zo, maar dat is nu nog steeds zo. Zij waren zo traag doordat zij de hele ballast van de traditie en theologische concepten meenamen en daar als vanzelfsprekend van uitgingen. Als dat je omgeving is, de context waarin je leeft en wat je dagelijks te horen krijgt, dan wordt het een vanzelfsprekendheid. Maar dat kan er juist voor zorgen dat je bedrijfsblind wordt. Dingen die zo duidelijk zijn en zo voor de hand liggen, zie je niet. Waarom niet? Omdat al je gedachtegangen je verhinderen om het überhaupt te zien. Dat maakt je traag om het werkelijk te geloven. In feite is dat het grootste probleem om de Schriften werkelijk te verstaan: dat je niet gelooft wat er staat. "Dat zegt God wel zo, maar hij zal het wel anders bedoelen." Omdat hij het anders zou bedoelen, daar hebben we natuurlijk theologen voor uitgevonden, die dan duidelijk gaan maken waar God destijds niet toe in staat was. Ik zeg het een beetje gechargeerd natuurlijk, en ook niet zo erg aardig, maar daar komt het feitelijk wel op neer.⟨/p> ⟨p>Dan vullen wij het "handicap" van God aan: het staat er wel, maar het zal wel iets anders beduiden. Dan neem je de Schrift niet meer zoals ze zich aandient en ga je je afvragen hoe we dit dan wel moeten verstaan. Dan moet je bij de geleerden zijn. Nou, dat is juist een pijn in mijn wezen. God legt zijn woord zelf uit. God zelf doet ons zijn woord verstaan; de Schriften verklaren zichzelf. Natuurlijk kun je altijd je licht opsteken bij iemand van wie je veel geleerd hebt. Ik bedoel dat helemaal niet arrogant, alsof je zomaar voorbijgaat aan wat er in de loop van de historie is gezegd.⟨/p> ⟨p>Ik zeg het er nog even bij, want ik kreeg nog niet zo lang geleden een verwijt per mail. Ik kende de persoon niet, maar die zei: "U gaat overal aan voorbij, u denkt niets te kunnen leren van de kerkgeschiedenis." Ik begrijp de intentie van die beschuldiging best, maar wat ik nu juist leer van de kerkgeschiedenis, is dat de Schrift leidend zou moeten zijn. Dat is wat ik leer. Ik zie iedere keer dat op het moment dat je daarvan afwijkt, je uiteindelijk in de duisternis terechtkomt. Dat is wat je vooral leert: dat de Schrift het enige is waar je werkelijk op kunt blindvaren.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1818" title="Speel af vanaf 30:18">▶ 30:18⟨/button> ⟨span>Handelingen 17: Paulus Ontsluit de Schriften in Thessalonica⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Om het punt van die twee gestalten duidelijk te maken, kijken we naar Paulus in Thessalonica. In Handelingen 17 vers 2 en 3 lezen we hoe Paulus daar in het huidige Thessaloniki reageert. Zoals hij gewoon was, ging hij de synagoge binnen en behandelde daar drie sabbatten achtereen gedeelten uit de Schriften met hen. Drie weken dus achter elkaar, iedere keer op de zaterdagochtend, zouden wij zeggen.⟨/p> ⟨p>Hij behandelde gedeelten uit de Schriften, "ontsluitende en voorzettende". Ik geef toe, het klinkt misschien niet zo gelikt, het klinkt wat vreemd. De NBG-vertaling zegt hier: "uitleggende door aanhalingen". De Statenvertaling zegt: "openende en voor ogenstellende". En die vertaling zit er heel erg dichtbij. Het eerste woord is ontsluiten, en dat is dus hetzelfde als openen. Hij opende de Schriften natuurlijk. En er staat ook nog bij "voor ogenstellende" of "voorstellende", maar letterlijk staat er een woord als "voorzettend". De aardigheid is dat een hoofdstuk eerder ditzelfde Griekse woord ook gebruikt wordt in de geschiedenis van de gevangenbewaarder in Filippi. Daar staat dat hij een tafel aanrichtte. En wat doe je dan? Dan zet je de dingen gewoon voor op tafel; je zet de zaken aan voor het publiek om vervolgens daarvan te eten. Dat is het woord dat hier wordt gebruikt.⟨/p> ⟨p>Wat Paulus daar drie sabbatten achtereen deed, was het ontsluiten van de Schriften. Het idee daarbij is dat die Schriften moeten worden geopend. Zoals in de psalm ook staat: "De opening van Uw woorden verspreidt licht." Ik heb daarbij altijd het beeld in gedachten van het openen van een venster, wat je zicht geeft. Dat is wat er met de Schrift zou gebeuren: dat je de Schriften opent en laat zien wat woorden beduiden. Je laat zien: kijk, hier wordt het gebruikt, daar wordt het gebruikt, en dááruit is het opgebouwd. Op deze wijze krijg je zicht, inzicht en uitzicht vanuit dat Woord. Dat Woord zou geopend worden.⟨/p> ⟨p>Eigenlijk is dat de enige functie die een Bijbelleraar heeft. Het is niet de bedoeling om je eigen gedachten aan een tekst op te hangen, want dan is een tekst niets anders dan een kapstok voor je eigen gedachte, en daar gaat het niet om. Het gaat erom dat wat de Schrift zegt, geopend wordt. Dat je laat zien: dat staat er. Eigenlijk is het net als wat een gids doet. Een gids neemt zijn mensen mee; hij weet natuurlijk van de dingen, maar hij zegt vooral: "Kijk, daar is het." Hij kan op dingen wijzen die je zonder gids zouden ontgaan. Het is niets anders dan laten zien. En dat is wat er met de Schrift mag gebeuren: je mag ze openen en je zet ze aan de mensen voor. Hier, alsjeblieft. Je etaleert het. Neem daarvan, eet ervan, en dan krijg je niet alleen een geweldig uitzicht, maar ook een rijke maaltijd die goed vullend is.⟨/p> ⟨p>Dat is wat Paulus dus deed tijdens die sabbatten: hij ging met hen gedeelten uit de Schriften ontsluiten en voorzetten. En wat deed hij dan? Wel, hij toonde aan dat de Christus – dat is het Griekse woord voor het Hebreeuwse begrip Mashiach, de Gezalfde die zou komen en gezalfd zou worden tot Koning en tot Priester – moest lijden en opstaan uit de doden. Kijk het maar eens na in het boek Handelingen; in feite is het niets anders. Iedere keer als het evangelie verteld wordt, is de blijde tijding: Hij die zou komen, die aangekondigd en beloofd was, die is inmiddels gekomen. De Christus dus. En dat wat er met Hem zou gebeuren en wat Hij zou doen, dat is inmiddels vervuld.⟨/p> ⟨p>De Christus moest lijden. Kijk maar eens na hoe dat wordt aangetoond als Petrus spreekt in Handelingen 2 op de Pinksterdag, of later in hoofdstuk 8 en 10. Vrijwel elk hoofdstuk is het raak: als er een evangelie gepredikt wordt, worden de Schriften geopend en wordt het onder bewijs gesteld. Deze Jezus voldoet volkomen aan het profiel dat het Oude Testament, de Hebreeuwse Bijbel, de Tenach, van de Messias geeft. Namelijk dat Hij moest lijden, afgewezen zou worden door Zijn volk en gekruisd zou worden. Wist u dat dit zelfs in de Schrift staat? In Psalm 22 staat bijvoorbeeld dat Zijn handen en voeten zouden worden doorboord. Zulke schriftplaatsen worden naar voren gebracht. En Hij zou ook opstaan uit de doden; ook daar worden heel veel schriftplaatsen uit de Psalmen en andere gedeelten bijgehaald om aan te tonen dat de Christus moest lijden, sterven en opstaan, en wel op de derde dag uit de doden.⟨/p> ⟨p>Paulus zegt er dan bij dat deze de Christus is: "die Jezus die ik jullie predik." Dat is wat Paulus hier doet in de synagoge van Thessalonica. Hij die zou komen is inmiddels gekomen, en "kijk het maar na in jullie eigen boeken en geschriften, het staat allemaal genoteerd; in alle opzichten voldoet Hij aan de kenmerken." Het wordt dus onder bewijs gesteld. Het is geen peptalk of een preek in de zin zoals wij dat woord vaak gebruiken. Nee, het is argumenteren; hij bewees het vanuit de Schriften. Dit zijn een tweetal voorbeelden die heel sprekend zijn: de Christus zou lijden en sterven, vervolgens ook opstaan of opgewekt worden uit de doden door Zijn God, om zo in Zijn heerlijkheid in te gaan.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2345" title="Speel af vanaf 39:05">▶ 39:05⟨/button> ⟨span>Petrus 1: Profeten Speuren Naar de Verborgen Tussentijd⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Laten we gaan naar de eerste Petrusbrief, hoofdstuk 1. Dat is een heel apart gedeelte waar je zomaar overheen zou lezen. Als een gids mag ik u op een aantal dingen in dit gedeelte wijzen en met u meegaan naar die tekst. Het gaat over deze redding – want dat is wat er letterlijk staat; de NBG spreekt van 'zaligheid', maar dat is weer een heel ander begrip. Naar deze redding, waar Petrus zojuist over had gesproken en geschreven, hebben de profeten gezocht en gevorst. Dat wil zeggen: ze hebben het uitgevorst, ze zijn het gaan naspeuren.⟨/p> ⟨p>De profeten die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben. Ik moet erbij zeggen: Petrus richt zich hier tot de besnijdenis; hij is immers de apostel van de besnijdenis. In ieder geval wijst hij hen op het feit dat de profeten hebben gesproken van genade die voor hen was bestemd, maar dat zij zelf ook hebben gezocht en gevorst. Moet u zich dat voorstellen: die profeten hebben niet alleen gesproken, ze hebben de dingen ook geboekstaafd. Ze hebben hun geschriften nagelaten in boekenrollen en dergelijke. Ze hebben de dingen op schrift gesteld en zij hebben zelf geprofeteerd – dat is waarom ze profeten heten.⟨/p> ⟨p>Maar die profeten begrepen kennelijk niet alles wat zij zelf vertelden, en ook niet hoe dat in verhouding stond tot wat hun collega-profeten hadden gezegd. Vandaar dat ze hebben gezocht en gevorst. Dat betekent gewoon dat de profetieën voor deze profeten zelf kennelijk als een puzzel waren. Ze moesten zoeken hoe de stukken in elkaar pasten. Dat dit zo is, blijkt wel uit de formulering: "Naar deze redding hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden...". Daar ziet u het: ze zochten, ze vorsten het uit, ze probeerden het na te gaan en ze speurden na. Ze hebben dus hun eigen geschriften nagezocht.⟨/p> ⟨p>En wat zochten ze dan uit? Terwijl zij naspeurden op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus – dat wil zeggen: de Geest van de Messias – in hen duidelijk maakte. Zo staat het er letterlijk. Ze spraken over de Messias, want wat is de hele geest van de profetie? Dat is het getuigenis van Jezus. Hoe de Geest in hen de dingen duidelijk heeft gemaakt, daar hebben ze naar gezocht en gespeurd. Dit is heel apart: ze hebben gekeken en nagespeurd op welke of hoedanige tijd dat allemaal betrekking had.⟨/p> ⟨p>Kijk, het is een beeld dat bepaald niet origineel is, maar in dit kader is het wel heel veelzeggend: profeten keken als het ware tegen een bergtop aan. Wat zie je als je in de bergen bent, bijvoorbeeld in de Alpen, en je staat op een top? Dan kijk je over andere bergtoppen heen. Je ziet die toppen zo achter elkaar liggen. Wat je als toeschouwer ziet, zijn de toppen. Maar de insnijdingen, de dalen die daartussen liggen, die zie je niet; die kun je hooguit veronderstellen. Zo was het ook met de profeten: ze hebben wel de bergtoppen gezien. Ze hebben een Christus gezien die zou lijden, maar ze hebben ook een Christus gezien die zou ingaan in Zijn heerlijkheid en die daadwerkelijk de Messias zou zijn die zou heersen in Jeruzalem. Dat hebben ze ook gezien. Maar hoe die twee zich tot elkaar verhouden, de tussenliggende tijd, wat daar tussen ligt, welke tijd en hoedanige tijd dat zou zijn... daar speurden ze naar.⟨/p> ⟨p>De meest duidelijke profetie hierover is die van Daniël 9. Daarin geeft Daniël in de profetie van de zeventig jaarweken heel duidelijk aan wanneer de Messias zou komen. Er staat daar letterlijk het woordje 'Mashiach'. Ik moet even terugverwijzen naar die e-mail die ik onlangs kreeg van een Joodse man. Hij zei over de Messias: "De hele Bijbel spreekt eigenlijk helemaal niet over de Messias". Toen heb ik hem gewezen op Daniël 9. Daar wordt juist gezegd dat vanaf het moment dat het woord uitging om Jeruzalem te herbouwen – dat was in de dagen van Kores – er zeventig jaarweken zouden verlopen. Dat wil zeggen: zeventig cycli van jaarweken, want elk zevende jaar is een jaarsabbat. Zeventig van die cycli, inclusief de jubeljaren, dat is een periode van in totaal vijfhonderd jaar. Na zeven jaarweken krijg je immers weer een jubeljaar. Eén maal tien betekent dat je tien keer vijftig jaar hebt, dus vijfhonderd jaar. Bent u er nog? Ik geef toe dat het een beetje rommelig uitgelegd is, maar het idee is duidelijk: vanaf het moment dat het woord uitging om Jeruzalem te herbouwen, zouden er vijfhonderd jaren verstrijken en dan zou de Messias komen. Dat wordt heel uitdrukkelijk gezegd. En er staat ook dat de Messias afgesneden zou worden en niets zou hebben. Dat zou allemaal in die zeventigste week plaatsvinden. Buitengewoon boeiend!⟨/p> ⟨p>Dan begrijp je ook meteen waarom er mensen waren aan het begin van onze jaartelling die wisten: nu gaat de tijd komen. Vandaar ook dat Johannes de Doper kon verkondigen: "De tijd is vervuld! De tijd is vervuld!". In de volheid van de tijd is de Messias gekomen. Dat wil zeggen: de termijn was verstreken. Maar hoe dan wel? Hoe zou dat dan zijn? Hij zou komen, jawel, en Hij zou sterven. Maar hoe zit het dan met die heerlijkheid daarna? Dat soort vragen stelden de profeten zichzelf ook en ze zochten in hun eigen geschriften hoe dat precies in elkaar stak. Op welke en hoedanige tijd?⟨/p> ⟨p>Er staat ook nog bij: "toen de Geest van Christus vooraf getuigenis gaf van het lijden". In het Grieks staat hier eigenlijk een meervoud. We kennen dat in het Nederlands niet echt als meervoud, maar in het Engels wel: 'sufferings'. De NBG-vertaling heeft dat ondervangen door te zeggen: "al het lijden". Toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden dat over Christus zou komen, en van de heerlijkheden daarna. Ook dat staat letterlijk in het meervoud. Kijk maar in deze interlineair, ik geef die niet voor niets weer. Er staat: 'lijden', eigenlijk meervoud, en hier staat niet 'heerlijkheid', maar 'heerlijkheden'. "Van al de heerlijkheden daarna". Met andere woorden: er was een Geest in die profeten die hen het vermogen gaf om te voorzeggen, om te profeteren. Maar ze begrepen hun eigen profetieën niet.⟨/p> ⟨p>Eén ding was echter wel duidelijk: dat de Geest in hen getuigde van het lijden dat over de Christus zou komen – dat is onmiskenbaar – maar ook van de heerlijkheden daarna. We zullen dat straks ook zien, na de pauze: de heerlijkheid nú, die de Messias nu heeft. Maar die is verborgen. Het is zelfs zo verborgen dat de hele wereld niet eens weet dat de Messias leeft. Hij is opgewekt, maar Hij is niet door het hele volk gezien. Het is een verborgen gebeuren. Bovendien troont Hij aan Gods rechterhand, en dat is voor de wereld allemaal onzinnig. Niettemin heeft Hij de hoogste positie. Het is Zijn heerlijkheid nu. Wij zien Jezus nu met eer en heerlijkheid gekroond. Ja, maar niet met deze ogen. Diezelfde Petrus zegt trouwens in ditzelfde hoofdstuk: "Wij verblijden ons nu zonder Hem te zien". Kijk er maar naar uit.⟨/p> ⟨p>In ieder geval, wij verblijden ons over dingen. Ja, waarom? Maar zonder dat ons oog dat ondersteunt. Maar dat hoort ook zo; het is verborgen heerlijkheid nu, maar die heerlijkheid zal straks openbaar worden. Als Hij daadwerkelijk zal verschijnen, onthuld zal worden. De openbaring van Christus suggereert al dat Hij nu verborgen is en straks openbaar zal worden en daadwerkelijk ook de heerschappij op Zich zal nemen. De heerschappij is op Zijn schouder en Hij zal gaan regeren op de troon van Zijn vader David.⟨/p> ⟨p>Kortom, over dat alles hebben de profeten gesproken. Alleen, en daar gaat het me nu even om – en ik stel voor dat we eerst maar eens gaan pauzeren. Eén ding moeten we nu vaststellen en vasthouden: de Christus, zoals de profeten daarover spreken, zou lijden en op deze wijze Zijn heerlijkheid ingaan. Maar hoe dat in zijn werk zou gaan en de tijdspanne die daartussen is, welke en hoedanige tijd, dat hebben zij niet begrepen. Vandaar ook dat ze daar naspeuring naar deden; ze moesten dat onderzoeken. En dat betekent dus dat die tijd tussen Zijn lijden en Zijn toekomstige heerlijkheid verborgen is.⟨/p> ⟨p>En daarmee hebben we in feite het onderwerp van dit hele seizoen te pakken. Namelijk: het gaat over de tijd tussen, wat wij dan zeggen, de eerste en de tweede komst van Christus. Dat is een verborgenheid. Goed, vrienden. Laten wij weer verder gaan.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3095" title="Speel af vanaf 51:35">▶ 51:35⟨/button> ⟨span>Het Verzoendeksel: Waarin Engelen Begeren een Blik te Slaan⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Wij waren gebleven in 1 Petrus en ik dacht eigenlijk dat ik die passage helemaal had afgesloten, maar dat bleek dus niet het geval te zijn. Nog even voor de goede orde: we hadden het erover dat de profeten hun eigen profetieën hebben nagespeurd en onderzocht. Waarom? Omdat ze wilden weten op welke en hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden dat over de Christus komen zou en van de heerlijkheden daarna.⟨/p> ⟨p>Er staat bij dat hun werd geopenbaard dat zij niet zichzelf, maar jullie dienden. Dat wisten ze in ieder geval met die dingen die jullie thans verkondigd zijn door hen die, door de Heilige Geest die van de hemel gezonden is, jullie het evangelie hebben gebracht. En dan komt het deel waarom ik het er nog specifiek bij betrokken heb: "in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan."⟨/p> ⟨p>Dat is iets moois. De aardigheid is dat hier een woord staat — u ziet dat hier in de interlineaire — dat eigenlijk "bukken om te kijken" betekent. Dat is wat het woord eigenlijk is. Het idee is dus niet alleen maar gewoon kijken, maar echt zodanig je lichaamshouding daarbij aanpassen dat je moet bukken om het nader en beter te bezien. Ditzelfde woord wordt ook gebruikt in Johannes 20, twee keer zelfs in vers 5 en 11, als je leest dat Petrus en Maria vooroverbukten om in het graf te kijken. De steen was weggewenteld, maar ze moesten kennelijk bukken om daarin te zien. En wat ze toen zagen... we hadden het in de pauze nog even over die windsels waaruit de Heer ontwikkeld was. Maar dat is wat zij zagen.⟨/p> ⟨p>In dit geval verwijst het er in ieder geval ook naar dat Petrus dat zo zegt. Waarom zegt hij dat zo? "In welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan." Wel, het plaatje dat ik er nu even bij heb gezet is denk ik veelzeggend. Je leest inderdaad dat als de ark van het verbond zich in het Heilige der Heiligen bevond, die engelen — de cherubs eigenlijk, hemelwezens — op het verzoendeksel keken. Ze waren in een gebukte houding en ze keken eigenlijk op het verzoendeksel, en feitelijk ook op dat wat daarin verborgen was. Zij begeerden daarin te zien. In feite keken zij op het verzoendeksel en op het bloed dat daar jaarlijks op gesprenkeld werd. Wat daarin zat, was verborgen, zoals onder andere de staf van Aäron die gebloeid had, waardoor ook de hogepriester was aangewezen. Allemaal verborgenheden, maar in ieder geval de dingen waar die engelen ook begeerden in te blikken.⟨/p> ⟨p>Ja, "inblikken" betekent weer wat anders natuurlijk, en "een blik werpen" ook. De Nederlandse taal is soms een beetje ingewikkeld als je het dubbelzinnig bekijkt. Maar in elk geval, dat waar zij op zagen, is precies datgene waar ook de profeten naspeuring naar deden en onderzoek naar deden in hun eigen geschriften. Dat is heel erg boeiend. Het geeft namelijk aan dat in feite de hele boodschap van het Nieuwe Testament — de boodschap van Jezus Christus die geleden heeft en gestorven is, maar die ook opgewekt is uit de doden, vervolgens in Zijn heerlijkheid is ingegaan en straks zal terugkeren om Zijn koninkrijk hier op aarde te vestigen — die aspecten en de tijd die daartussen ligt, het grote onderwerp is van heel het Nieuwe Testament.⟨/p> ⟨p>De verborgenheid en de verborgenheden waar wij ons nu in bevinden, dat wil zeggen de tijd tussen wat wij dan noemen de eerste komst en Zijn terugkeer, Zijn wederkomst, dat is allemaal verborgen in het Oude Testament. Vandaar ook dat niet alleen Paulus, maar ook de andere apostelen van deze verborgenheden hebben gesproken. Paulus heeft nog meer verborgenheden verteld, maar daarover gaan we het op een later tijdstip in dit seizoen nog hebben. Mijn punt is nu even dat je dit in het algemeen ziet in heel het Nieuwe Testament vermeld. Wat Petrus hier vertelt, is dat de tijd tussen lijden en heerlijkheid verborgen is, en de profeten hebben dat ook nagespeurd.⟨/p> ⟨p>Wat ik nu wil doen, is voorbeelden geven hoe er in de Hebreeuwse Bijbel — we gaan dus naar het Oude Testament — al gesproken wordt over die onderbreking. Weliswaar is de "welke en hoedanige tijd" verborgen, maar het wordt wel duidelijk aangegeven dat die er is. Het loutere feit dat je niet weet hoe lang die tijd is en waar die tijd geplaatst moet worden, wil nog niet zeggen dat je niet weet dát die tijd er is. Dat zijn twee verschillende dingen. De profeten wisten dus: er zit een tijdspanne tussen, maar naar welke en hoedanige tijd dat was, daarnaar hebben zij zelf naspeuring gedaan.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3491" title="Speel af vanaf 58:11">▶ 58:11⟨/button> ⟨span>Psalm 110: de Heere Verhoogd aan Gods Rechterhand⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Oké, eerst naar Psalm 110. Ik noem dat gedeelte niet voor niets, ook omdat deze passage uit de psalm van David heel vaak genoemd wordt in het Nieuwe Testament. Heel dikwijls wordt er aan dit Bijbelgedeelte gerefereerd. Er staat: "Van David, een psalm." En dan staat er vervolgens: "Aldus luidt het woord van JAHWEH tot mijn Here." Een psalm van David dus. En dan gaat David vervolgens spreken en zegt hij dat het woord van JAHWEH — de Godsspraak — gericht was tot zijn Heer. Waar het over gaat, blijkt uit het vervolg: het gaat over een nakomeling van hem, namelijk de Zoon van David. Maar David zegt: dat is mijn Here.⟨/p> ⟨p>Je zou Matthéüs 22 er eens op na moeten slaan. Kijk daar maar eens een keertje; dan lees je dat in de laatste dagen van de Heer Jezus, vlak voor Zijn sterven in de laatste week, de Heer in gesprek is met de leidslieden. Hij vraagt hun: "Wat dunkt u van de Christus? Wiens Zoon is Hij?" Ze zeiden tot Hem: "Davids Zoon." En Hij zei tot hen: "Hoe kan David Hem dan door de Geest zijn Here noemen?" Als David zegt: "De Heere heeft gezegd tot mijn Here: Zet U aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden onder Uw voeten gelegd heb", en David Hem dus Here noemt, hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn? En er staat nog bij dat niemand Hem daarop iets kon antwoorden en evenmin durfde iemand van die dag af Hem meer iets te vragen. Met andere woorden: de Heer had hier iets aangesneden wat voor hen in hun theologie volstrekt onverklaarbaar was. Dat is een heel belangrijk gegeven.⟨/p> ⟨p>David spreekt dus over God die spreekt tot de Here van David, maar dat is de Zoon van David, zoals we zullen zien. "Aldus luidt het woord van JAHWEH tot mijn Here: Zet U aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor Uw voeten." Dit wordt trouwens ook door Petrus op de pinksterdag nog gezegd. Hij zei: "David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt zelf: De Heere heeft gezegd tot mijn Here: Zet U aan Mijn rechterhand." Hier staat dus dat de Zoon van David verhoogd zou worden aan Gods rechterhand, alvorens Hij daadwerkelijk de vijanden tot een voetbank voor Zijn voeten zou maken. Ziet u? Dit is nu typisch zo'n voorbeeld van een Schriftplaats waarin niet gezegd wordt hoelang die tijd zou duren of hoelang Hij daar zou zitten, maar wel dat de Messias verhoogd zou worden aan Gods rechterhand.⟨/p> ⟨p>Er staat ook bij: "Totdat Ik Uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor Uw voeten." Dat lees je later in de Hebreeënbrief, waar ik hier ook naar verwijs. "Deze echter," en dan gaat het over de Heer Jezus Christus, "is na één offer voor de zonden te hebben gebracht, voortdurend gezeten aan de rechterhand van God, voorts afwachtende totdat Zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank voor Zijn voeten" (Hebreeën 10:12-13). Hiermee wil ik gezegd hebben dat David duizend jaar tevoren profeteerde dat er Iemand zou komen die alle vijanden zou onderwerpen, maar alvorens dat zou gebeuren, zou Hij door God aan Zijn rechterhand worden verhoogd. Dat staat er.⟨/p> ⟨p>Ik heb deze Schriftplaats ook genoemd in de correspondentie waar ik al eerder naar verwees, naar die Joodse man die mij allerlei tegenwerpingen gaf over de Messias. Ik ben heel benieuwd naar zijn reacties, want ik ben bang dat het een beetje zal gaan zoals we net lazen: ze durfden niets meer te vragen. Dat klinkt misschien heel hautain, maar ik bedoel dat niet vanwege de gedachte dat ik zo goed kan argumenteren. Het is omdat de Schrift zo helder en duidelijk is. Je leest van Apollos en van Paulus dat zij inderdaad in de synagoge optraden en gewoon uit de Schriften bewezen dat Jezus de Christus is. Zij bewezen dat met zo'n kracht en duidelijkheid dat het niet te missen was. Nu weet ik wel dat je daarmee geen ogen opent; het loutere feit dat je een bewijs levert, wil nog niet zeggen dat een ander overtuigd is. Zo werkt dat niet, dat weet ik ook wel. Maar het neemt niet weg dat de bedoeling is dat je inderdaad vanuit de Schrift bewijst, zodat het woord van God overtuigend wordt overgebracht.⟨/p> ⟨p>In Psalm 110 staat vervolgens: "JAHWEH strekt van Sion Uw machtige scepter uit", en dan zegt Hij tegen Davids Here: "Heers te midden van Uw vijanden." Dit gaat dus over de Zoon van David. Hij zal in Sion regeren en gaan heersen over de vijanden, maar alvorens Hij dat zal doen, zal Hij verhoogd worden aan Gods rechterhand. Dat is wat er staat. En dan begrijp je ook meteen waarom deze tekst zo'n grote rol speelt in het Nieuwe Testament. Dat is omdat we in feite nu in deze actuele situatie zitten. De Zoon van God is gezeten. In de Hebreeënbrief wordt dat ook uitgelegd: waarom zit Hij? Omdat het werk gedaan is. Hij is de Priester-Koning naar de ordening van Melchizedek — dat is trouwens ook Psalm 110.⟨/p> ⟨p>Nu leven wij in de tijd dat Hij daar aan Gods rechterhand is en Hij wacht "totdat". En als Hij straks zal komen en gaat heersen, dan gaat Hij Zijn vijanden onderwerpen. In feite is dat het hele proces van de komende aionen: dat de vijanden worden onderworpen. En in de laatste aion wordt de laatste vijand, de dood, onderworpen. Dat is weer 1 Korinthiërs 15. En als ook de laatste vijand zal zijn onderworpen — dat wil zeggen tenietgedaan — dan zal de Koning het Koninkrijk weer overgeven aan Zijn God en Vader. Dan is de missie volbracht: "mission accomplished". Dan is het allemaal voldaan. Oké, dat is een heel mooi onderwerp, maar daar gaan we het nu verder niet over hebben. Nog een voorbeeld van de onderbreking: Psalm 110 over de Messias, Davids Here, die wordt verhoogd naar Gods rechterhand alvorens Hij zal gaan heersen in Sion. Dat is één ding, maar ik heb er nog één.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3997" title="Speel af vanaf 01:06:37">▶ 01:06:37⟨/button> ⟨span>Jesaja 49: Israëls Ongeloof en het Licht voor de Natiën⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ik geef toe, ik voer nu een paar getuigen op, maar daarmee suggereer ik niet dat ik compleet ben. Integendeel, ik tip het alleen maar aan, maar het zijn wel hele duidelijke getuigen. We kijken naar Jesaja 49. Ik ga soms wat snel door de tekst — ja, dat vindt u vast heel verrassend van mij — maar er staat: "Hoort naar Mij, gij kustlanden, en luistert, gij natiën in de verte. Yahweh heeft Mij geroepen van moeders lijf aan, van de schoot mijner moeder aan heeft Hij Mijn naam vermeld."⟨/p> ⟨p>Ik lees even verder en sla een vers over. "Hij zei tot Mij: Gij zijt Mijn knecht." Hier moet ik even een correctie maken, want de meeste vertalingen zeggen nu: "Gij zijt Mijn knecht, Israël." Maar het idee is niet dat Israël hier wordt aangesproken. Nee, het is niet Israël zelf, maar Degene die tevergeefs arbeidt in Israël. Dat is hoe de tekst loopt. Degene die hier wordt aangesproken en die van moederslijf al is uitgeroepen, dat is de Messias. Dat is de Knecht van Yahweh. Hij zal werkzaam zijn in Israël en dan staat er vervolgens: "Israël, in U zal ik Mij verheerlijken." Dat wil zeggen: te midden van Israël zal God Zich verheerlijken. Het is inderdaad bijna een zin tussen haakjes. Anders zou het heel verwarrend zijn en dat kan ook niet, want in het hele verband gaat het juist niet over het volk Israël, maar over een Mens die vanaf de moederschoot is geroepen en die onder Israël werkt en arbeidt.⟨/p> ⟨p>Kijk maar na, want ik lees verder over Hem die van de moederschoot af geroepen was en door God is aangesproken als "Mijn knecht": "Doch ik zeide: tevergeefs heb ik mij afgemat, voor niks en vruchteloos mijn kracht verbruikt. Evenwel, mijn recht is bij Yahweh en mijn vergelding is bij mijn God." Dat wil zeggen: ook al lijkt het vergeefs wat ik gearbeid heb, ik krijg dat wat mij toekomt. Mijn recht en mijn vergelding zijn bij mijn God. Dat verwijst er ook naar dat Hij gekroond is met eer en heerlijkheid bij God.⟨/p> ⟨p>Ik lees even verder om er een compleet beeld van te krijgen: "Maar nu zegt Yahweh, die mij van de moederschoot aan vormde tot zijn knecht, om Jakob tot hem terug te brengen." Hier zie je trouwens heel duidelijk dat die Knecht niet Jakob zelf is. Nee, Yahweh vormde Hem tot Zijn knecht om Jakob tot Hem terug te brengen. Dat is de taak van de Knecht. En nu komt er een lastig punt dat afhangt van het handschrift dat je hanteert. Als je een Statenvertaling hebt, dan staat er dat Hij de taak kreeg om Jakob tot Hem terug te brengen, "opdat Israël niet verzameld worde". In de Statenvertaling staat inderdaad dat "niet". Dit is geen vertaalkwestie, maar een handschriftkwestie, en die is geheel in lijn met het betoog. De Knecht van Yahweh klaagt immers: "tevergeefs heb ik gearbeid". Hij kreeg de taak om Jakob terug te brengen, maar Israël laat zich niet verzamelen.⟨/p> ⟨p>Dat is precies wat de Heer Jezus ook zegt in Matteüs 23: "Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en stenigt wie tot u gezonden zijn! Hoe dikwijls heb ik uw kinderen willen verzamelen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt, maar gij hebt niet gewild." Israël laat zich niet verzamelen. En dan staat er bij Jesaja: "En ik werd geëerd in de ogen van Yahweh en mijn God was mijn sterkte." Wat de Messias of de Knecht van Yahweh hier zegt, is: "Ik kreeg de taak om Jakob tot God terug te brengen, maar Israël liet zich niet verzamelen. Ik heb tevergeefs gearbeid. Maar, ik moet erbij zeggen: ik werd geëerd in de ogen van Yahweh en mijn God was mijn sterkte." Dus Israël laat zich niet verzamelen, maar de Messias wordt wél geëerd door God.⟨/p> ⟨p>Hier zien we in feite dezelfde gedachte als in Psalm 110, namelijk dat Hij wordt verhoogd aan Gods rechterhand. Te zijner tijd zal Hij inderdaad in Sion gaan heersen, maar dat is op een andere tijd. Want uiteraard, het loutere feit dat Jakob of Israël zich op dat moment niet liet verzamelen, betekent natuurlijk niet dat het nooit meer goed komt. Dat staat trouwens ook in diezelfde tekst in Matteüs 23 die ik net aanhaalde: "Hoe vaak heb ik u willen verzamelen... maar gij hebt niet gewild." De Heer zegt er direct achteraan: "Gij zult mij van nu aan niet meer zien, totdat gij zegt: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!" Daar zie je het weer: ook dat heeft een "totdat". Jullie hebben niet gewild, maar de onwil van de mens heeft nooit het laatste woord. Er komt een moment dat jullie zullen zeggen: "Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer", en dan zullen ze Hem weer zien.⟨/p> ⟨p>Ik lees verder in Jesaja 49. God zegt dan tegen de Messias, tegen Zijn Knecht: "Het is te gering, dat gij Mij tot een knecht zoudt zijn om de stammen van Jakob weder op te richten en de bewaarden van Israël terug te brengen." In menselijke ogen lijkt het alsof het niet is gelukt; het was tevergeefs. Maar dan zegt God: "Dat is eigenlijk ook te gering. Ik stel u tot een licht der volken, opdat mijn heil reike tot het einde der aarde." Wat hier dus gezegd wordt, is: Israël gelooft het niet, maar juist daardoor gaat het licht onder de natiën schijnen.⟨/p> ⟨p>En wat dacht u? Waarin wordt dit vervuld? In de bediening van Paulus! Dat verzin ik niet, dat staat letterlijk in Handelingen 13. Daar lees je dat Paulus tegen de Joden in de synagoge zegt: "Het was nodig dat eerst tot u het woord Gods werd gesproken; doch nu gij het verstoot en u het eeuwige leven niet waardig keurt, zie, nu wenden wij ons tot de heidenen. Want zo heeft ons de Here geboden: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij tot heil zoudt zijn tot aan het uiterste der aarde." Exact dit vers uit Jesaja wordt door Paulus aangehaald. Feitelijk is het zo dat de Heer Zelf in en via Paulus spreekt. Dit is in feite al de kiem van de verborgenheid: Israëls ongeloof zorgt ervoor dat het licht, het heil en de boodschap van redding bij de natiën terechtkomen. In Jesaja 49 werd al aangegeven dat Israël de Messias niet zou geloven, maar dat God Hem niettemin de eer zou geven. En in de tussentijd — dat wil zeggen: voordat Israël daadwerkelijk weer verzameld zal worden — zal God Zijn licht doen schijnen onder de natiën. Dat is wat er staat. Over onderbrekingen gesproken... heb ik er nog eentje?⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4538" title="Speel af vanaf 01:15:38">▶ 01:15:38⟨/button> ⟨span>Jesaja 52: de Knecht Des Heeren Verhoogd Na Zijn Lijden⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dan bladeren we even door. Ja, u dacht natuurlijk dat Jesaja 53 zou gaan komen. Ik heb die expres eventjes niet genoemd, evenals Psalm 22. Dat zijn echt van die schriftplaatsen die zo overduidelijk zijn, maar ik wilde juist ook weleens wat passages laten zien waarin dat net zo goed naar voren gebracht wordt.⟨/p> ⟨p>Iemand zei al: Jesaja 52. Daar staat: "Zie, mijn knecht". Waarschijnlijk stond er in uw vertaling ook een kopje boven: de derde profetie aangaande de Knecht des Heeren. Klopt dat? In een gegeven vertaling stond dat inderdaad als kopje erboven. Maar als je het even terugplaatst, dan zie je dat er ook een derde, een tweede en een eerste is. De eerste staat, geloof ik, in Jesaja 42. Er zijn een aantal profetieën in Jesaja die gaan over de Knecht van JAHWEH, waarvan Jesaja 53 onder ons denk ik de bekendste is. Maar ik noemde dus juist Jesaja 49, dat is er ook één, en Jesaja 42.⟨/p> ⟨p>En dan nu Jesaja 52. Eigenlijk is dat de inleiding – dat is nogal logisch – tot Jesaja 53. Maar let op hoe dat daar staat. "Zie," staat er dan, "mijn knecht." God Zelf is hier dus aan het woord bij monde van Jesaja. "Zie, mijn knecht zal voorspoedig zijn, hij zal verhoogd, ja, ten hoogste verheven zijn." De positie van de Knecht van JAHWEH wordt hier beschreven: ten hoogste verheven. "Zoals velen zich over u ontzet hebben – zozeer misvormd, niet meer menselijk was zijn verschijning en niet meer als die der mensenkinderen zijn gestalte." Dat wordt trouwens in Jesaja 53 verder uitgelegd: als een lam werd hij ter slachting geleid, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open.⟨/p> ⟨p>Maar let op: "Zoals velen zich over u ontzet hebben." Dat wil zeggen: in het verleden, toen zij hem verworpen hebben. Ik lees nu even verder: "Zo zal hij vele volkeren doen opspringen, om hem zullen koningen verstommen" – geen woord meer kunnen uitbrengen – "want wat hun niet verteld was" – wat verborgen was dus – "dat zien zij, en wat ze niet gehoord hadden, dat vernemen zij."⟨/p> ⟨p>Wat hier ook weer gezegd wordt, is dat de Messias die verhoogd is en die straks ook gezien en herkend zal worden door de volkeren en door de koningen, de Man is die ooit miskend werd en verworpen door zijn volk. Jesaja 53 spreekt daar in zijn totaliteit heel uitdrukkelijk over; dat hij zelfs als een lam ter slachting wordt geleid en zou sterven, maar niettemin door God opgewekt zou worden. Ook Jesaja 53 spreekt daarover.⟨/p> ⟨p>Ziet u hoe de Bijbelse profetie echt profetie is? God bewijst Zijn eigen woord. God bewijst dat wat daar staat in die geschriften Zijn woord is. Hoe? Wel, door iets te doen wat geen mens kan, namelijk profeteren: voorzeggen. Profetie is het bewijs bij uitstek van de goddelijke oorsprong van de Schriften, want alleen God kan dat bewijzen.⟨/p> ⟨p>Er zijn nog meer bewijzen, en dat andere bewijs daar hebben we het eigenlijk al over gehad: dat al die boeken allemaal puzzelstukjes zijn. Wat daar zo geweldig aan is, is dat ze allemaal in elkaar blijken te passen. Ze vormen een eenheid. En dat bewijst dat al die puzzelstukjes, al die boeken, een gemeenschappelijke oorsprong hebben: één Auteur uiteindelijk. De Schriften zijn eigenlijk 'de Schrift': één geheel dat niet gebroken kan worden.⟨/p> ⟨p>Dit is het derde voorbeeld dat ik wilde geven over de Messias wiens komst dus onderbroken is. Want je kunt het op twee manieren vertellen: Hij kwam – en dan spreken we over Zijn eerste komst – en Hij zal straks weer verschijnen – de wederkomst. Maar je kunt natuurlijk net zo goed zeggen: de Messias kómt, maar Zijn komst is onderbroken. Er is een knip tussen gekomen, een onderbreking. Op welke en hoedanige tijd dat zou zijn, staat in de profetie niet beschreven. De profeten hebben dat ook niet geweten, vandaar ook dat ze een naspeuring daarnaar hebben gedaan. Het was verborgen. Maar het wordt wel degelijk voorzegd. En nu wil ik specifiek kijken naar die onderbreking in de typologie.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4880" title="Speel af vanaf 01:21:20">▶ 01:21:20⟨/button> ⟨span>De Onderbroken Komst in Typologie: Peres en Serach⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ik geef u vijf voorbeelden. Ik heb overwogen hoe ver we vanavond zouden komen, maar dit onderwerp is zo rijk. Het is prachtig om directe teksten en passages te noemen waarin het expliciet staat, wat ik tot nu toe vooral heb gedaan. Maar het wordt pas echt mooi wanneer je kijkt naar al die indirecte en impliciete passages: al die verhalen, de rituelen en alle data die ons gegeven worden. Alles wat de Schrift beschrijft, verwijst naar de Messias wiens komst onderbroken wordt.⟨/p> ⟨p>Ik begin bij een voorbeeld dat we al vroeg in Genesis tegenkomen: de geschiedenis van Peres en Zerach. Als er ergens sprake is van een onderbroken komst, dan is het hier wel. Ik loop hiermee het risico in te gaan op een geschiedenis die niet iedereen van u kent. Het gaat over Juda en het is eerlijk gezegd geen fraaie geschiedenis. Het vormt een onderbreking in de geschiedenis van Jozef. Dat is op zichzelf al interessant: de geschiedenis van Jozef wordt in Genesis 38 onderbroken door de lotgevallen van Juda. In Genesis 37 leest u dat Jozef door zijn broeders wordt verworpen, en in de hoofdstukken daarna vervolgt het verhaal in het huis van Potifar. In die 'break' vind u de lotgevallen van Juda, die op dat moment behoorlijk ontspoort. Als u dat niet geloven wilt, moet u het hoofdstuk maar eens met rode oortjes nalezen. Hij heeft zijn schoondochter bezwangerd – Tamar heet ze – ik zeg het maar gewoon zoals het is.⟨/p> ⟨p>Na negen maanden breekt de tijd aan dat zij moet bevallen. Er gaat een heleboel aan vooraf, maar daar ga ik het nu niet over hebben. Ze blijkt zwanger van een tweeling. Ik denk dat geen enkele vroedvrouw ooit zo’n verhaal heeft meegemaakt. Tijdens de bevalling komt er opeens een handje tevoorschijn. Ik geloof dat er staat dat het de rechterhand is, maar dat weet ik niet even zeker. De vroedvrouw moet weten wie de eerstgeborene is, want dat is juridisch zeer belangrijk. Daarom bindt zij een scharlakenkoord om de hand van het kind. Maar wat gebeurt er? De hand wordt uitgestoken met het scharlakenkoord, maar trekt zich vervolgens weer terug. Dan komt het andere kind naar buiten. De vroedvrouw roept uit: "Hoe zijt gij doorgebroken!" Degene die eigenlijk zou komen, trekt zijn hand terug. Vraag me niet hoe dat verloskundig precies in elkaar zit; ik heb geen idee, maar zo wordt het beschreven. Dit is zoals het gebeurt: de uitgestoken hand wordt teruggetrokken en er komt een ander voor in de plaats. Men noemt hem Peres. De naam Peres betekent 'doorbreken', 'breken' of 'onderbreken'. Een onderbreking dus.⟨/p> ⟨p>Vervolgens wordt Zerach alsnog geboren, degene met de uitgestoken hand en het scharlakenkoord. Hij wordt dus als tweede geboren. De naam Zerach betekent 'opgaand licht'. Waar het hier in feite over gaat, is de onderbroken komst van het opgaande licht. Het licht zou opgaan, de hand was al uitgestoken. Dat scharlakenkoord spreekt bovendien van verlossing – als u dat niet geloven wilt, moet u dat maar eens aan Rachab vragen, een andere dame met een niet zo fraaie geschiedenis.⟨/p> ⟨p>Als u wilt weten wie Peres en Zerach precies zijn, dan moet u naar Matteüs 1 gaan. Daar leest u dat zij in de bloedlijn van de Heer Jezus Zelf liggen; het is een Messiaanse schakel. De geboorte van Zerach is dus wel degelijk Messiaans van aard. Het is uiterst illustratief! De komst van de Messias is onderbroken. Eerst was er die uitgestoken hand van verlossing met het scharlakenkoord, maar die trekt zich terug in het verborgene. De komst van Zerach wordt onderbroken door Peres, waarna Zerach alsnog verschijnt als het opgaande licht. Hij wordt uiteindelijk geopenbaard. Dit is nou typisch een voorbeeld waarin niets 'bewezen' wordt in de zin van een expliciet tekstueel bewijs. Maar als je eenmaal weet dat de komst van de Messias onderbroken zal zijn, dan ga je met terugwerkende kracht zulke geschiedenissen begrijpen als illustraties van deze grote Bijbelse waarheid. Het versiert de hele Bijbelse verkondiging. Laten we naar de andere voorbeelden kijken.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="5301" title="Speel af vanaf 01:28:21">▶ 01:28:21⟨/button> ⟨span>De Onderbroken Komst in Typologie: Jozef, Mozes, David en Jom Kipoer⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Daar moet ik dan wel even kort doorheen, want deze was wat moeilijker en ingewikkeld. Maar wat dacht u van Jozef? Ook die geschiedenis heb ik net al even aangestipt. Eerst werd hij verworpen door Jakobs huis, waarna hij onder de natiën terechtkwam. Daar was hij verborgen; Israël wist helemaal niets van hem. Maar uiteindelijk verschijnt hij alsnog. Dat is de onderbroken komst.⟨/p> ⟨p>Ik noemde ook al de naam van Mozes. We hadden het er al even over dat hij werd verworpen door zijn volk. Veertig jaren later verschijnt hij alsnog voor hen. Ik heb de neiging om te zeggen: veertig jubeljaren later. Ik hoor sommige mensen nu denken: 40.000 jaren? Nee, veertig keer vijftig is 2000 jaren. Jazeker.⟨/p> ⟨p>En wat dacht u van David? Hij werd eerst gezalfd, maar het zou nog een hele tijd duren alvorens hij daadwerkelijk op de troon zou komen. In die tussentijd werd hij ook nog verworpen.⟨/p> ⟨p>Heel recentelijk — we moeten er ook aan denken — was het 10 Tishri. Het is vandaag de negentiende oktober, geloof ik, dus het is nu Sukkot op de Hebreeuwse kalender. Maar in ieder geval was het een paar dagen geleden 10 Tishri, en dat is Jom Kipoer. Dat is de dag dat de hogepriester ingaat in het heiligdom. De hele Hebreeënbrief gaat daarover: de hogepriester die binnengaat in het heiligdom. Daar is Hij nu, verborgen achter het voorhangsel, en niemand ziet Hem. Het wachten is op het moment dat Hij terug zal komen en uit het heiligdom zal treden, uit het hemels heiligdom. Dan zal Hij Zijn volk zegenen en het bewijs leveren. De andere bok, de zondebok, zal Hij dan in vrijheid heenzenden.⟨/p> ⟨p>Dat spreekt van het moment dat Hij straks uit het heiligdom zal komen als de Koning-Priester en het volk Hem zal erkennen. Over 'Petra' gaan we het nu niet meer hebben, want ik zie dat het inmiddels tien uur is geweest, dus ik stel voor dat we het hierbij laten.⟨/p> ⟨p>Ik hoop in elk geval vanavond duidelijk gemaakt te hebben dat de komst van de Messias onderbroken is. Die break, de pauze, de tijdspanne tussen wat wij dan noemen de eerste en tweede komst — of zo u wilt: de onderbroken komst — die tijd is in de Bijbelse profetie verborgen gebleven. In het Nieuwe Testament wordt dat ons geopenbaard. Daarover gaan we het bij volgende gelegenheden nog hebben, want er is nog zoveel over te vermelden.⟨/p>