⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Introductie en de Historische Context van Naïn⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Hallo allemaal, beste vrienden. Hartelijk welkom bij deze bijbelstudie over het Lucasevangelie. En wederom het Lucasevangelie, want het was vorige week dat ik op deze zelfde weekdag ook een bijbelstudie gaf over dit evangelie. In het normale ritme had nu eigenlijk de studie over het boek de Openbaring moeten plaatsvinden, maar dat is door omstandigheden een week opgeschoven. Dat zal ik volgende week, Deo Volente — uiteraard onder dat voorbehoud — gaan doen. De planning is om dat dan op locatie in Rotterdam voort te zetten. Over deze gang van zaken zal ik binnenkort nog het een en ander schrijven op mijn website.⟨/p> ⟨p>Ik ga nu dus verder met het bijbelhoofdstuk waar ik vorige week al mee ben begonnen. Dat was Lucas 7, vanaf het eerste vers. We hebben toen de eerste verzen van dat hoofdstuk besproken en nu gaan we verder. Het is goed om weer even in herinnering te roepen dat het de vorige keer ging over de genezing van de dodelijk zieke slaaf van de Romeinse hoofdman over honderd. Als je dat in de hele verhaallijn beziet, is er sprake van een opklimming. De geschiedenis die we vandaag onder ogen zien is weliswaar betrekkelijk kort, maar vormt een climax. De vorige keer ging het over iemand die bijna gestorven was en op zijn sterfbed lag. In dit geval gaat het over iemand die al gestorven was; sterker nog, hij stond op het punt begraven te worden. Het betreft de opwekking van een dode.⟨/p> ⟨p>Waarom Lucas het op deze wijze opbouwt, blijkt uit het vervolg van deze geschiedenis. De volgende keer, vermoedelijk over drie weken, zullen we het hebben over het bezoek dat Jezus krijgt van enkele leerlingen van Johannes de Doper. Zij moeten antwoord krijgen op de grote vraag of Jezus daadwerkelijk degene is die het volk mag verwachten. Johannes had die leerlingen er met die vraag op uitgestuurd. Het overtuigende antwoord krijgen ze bij die gelegenheid, juist om te laten zien dat Jezus niet alleen genezingen en wondertekenen verricht, maar zelfs doden terugroept tot het leven. Als er iets is wat het messiaschap van Jezus Christus bewijst, dan is het wel dat.⟨/p> ⟨p>Laten we naar de geschiedenis gaan in Lucas 7. In vers 11 staat: "En het geschiedde op de volgende dag dat Hij naar een stad ging, Nain genaamd." Dat betekent dus de dag nadat de slaaf van de hoofdman over honderd was genezen in Kapernaüm. Hij, de Heer Jezus, ging naar een stad genaamd Nain. Als u dat op de kaart bekijkt, zult u zien dat die stad nog een flink eind daarvandaan verwijderd was: ongeveer 40 kilometer. Als je dat moet lopen, doe je daar pakweg acht uur over. De naam van de stad Nain is vermoedelijk een Hebreeuwse naam die verband houdt met het woord ⟨em>na'iem⟨/em>. Dat betekent, ook in het moderne Hebreeuws trouwens, zoiets als aangenaam, lieflijk of zelfs 'lekker'. In het moderne Hebreeuws spreekt men over een maaltijd die ⟨em>na'iem⟨/em> is of het weer dat ⟨em>na'iem⟨/em> is: aangenaam, lieflijk. De naam Naomi houdt daar trouwens ook verband mee.⟨/p> ⟨p>Het is opmerkelijk dat deze stad Nain vlak bij Sunem ligt, of het voormalige Sunem. Dat was de plaats waar Elisa ooit een dode opwekte, de zoon van de weduwe te Sunem. Nain lag overigens ook vlak bij de plaats waar de Heer Jezus is opgegroeid, namelijk een kilometer of negen ten zuidoosten van Nazareth. Om dat een klein beetje inzichtelijk te krijgen, heb ik dit kaartje afgebeeld. Hier rechtsboven, boven het Meer van Galilea, ziet u Kapernaüm. De Heer Jezus is vanuit deze stad, Zijn woonplaats, afgebogen en naar Nain gegaan via een route die we niet precies kennen. Het lag ook vlak bij Magdala, dat we natuurlijk vooral kennen van de dame die daar vandaan kwam: Maria van Magdala. Hier ziet u Nazareth en Kana; dat lag allemaal in de buurt, op zo'n tien kilometer afstand van Nain.⟨/p> ⟨p>Hier ziet u nog een foto van de plek waar Nain gelegen heeft. Het is nog steeds een stad met diezelfde naam, tegenwoordig een Arabische stad. Dit geeft een beeld van het landschap in die contreien daar. Jezus gaat dus naar de stad Nain en we lezen dat Zijn discipelen met Hem meegingen. Maar niet alleen zij; er was ook een talrijke schare die die lange tocht met de Heer Jezus heeft gemaakt. Het is opmerkelijk dat er niet bij wordt vermeld met welk doel ze daarheen gingen. Het enige wat we weten van dit voorval op deze dag, is wat er nu beschreven wordt.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="503" title="Speel af vanaf 08:23">▶ 08:23⟨/button> ⟨span>De Ontmoeting met de Rouwstoet Buiten de Poort⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>In vers 12 staat: "Toen Hij nu de poort van de stad naderde..." Let op, of zie, een overledene werd uitgedragen. De overledene werd uitgedragen naar de poort van de stad, want daar buiten de poort moest hij begraven worden. Dat was altijd de gang van zaken: de begraafplaats lag ergens buiten de poort. En deze begrafenisstoet krijgt uiteraard, zoals ook in onze dagen nog steeds het geval is, voorrang.⟨/p> ⟨p>Wat we hier lezen is dat de overledene wordt uitgedragen, en daar wil ik in dit verband nog iets bij zeggen. Er zijn diverse elementen in de wijze waarop Lukas deze geschiedenis neerzet die overeenkomen met een andere bekende geschiedenis, namelijk die van Elia die een bezoek bracht aan de weduwe van Sarfath. Daar staat ook uitdrukkelijk bij dat hij een weduwe ontmoette bij de stadspoort. Zij had ook een zoon — slechts één zoon — en ook die zoon kwam te sterven. Het was Elia die deze zoon vervolgens opwekte. Dat was het tweede wonder dat daar in dat huis plaatsvond, want al eerder was daar het wonder geweest van de olie die maar niet opraakte.⟨/p> ⟨p>In feite is het in beide gevallen een type van leven en overvloed. Het is duidelijk dat de connecties en de verbindingen, de links tussen beide geschiedenissen, heel evident zijn. Ik kom daar straks aan het einde van deze geschiedenis nog op terug.⟨/p> ⟨p>De overledene werd uitgedragen, en dan wordt er in vers 12 bijgezegd: "de enige zoon van zijn moeder, en zij was weduwe." Dat is een opklimming van tragiek. Zij was immers al weduwe; ze was haar man al kwijt en ze had slechts één zoon. En die ene zoon is nu dus ook overleden.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="706" title="Speel af vanaf 11:46">▶ 11:46⟨/button> ⟨span>De Weduwe als Typologisch Beeld van Israël⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ik wil alvast opmerken, waar ik later op terug zal komen, dat deze weduwe onmiskenbaar een type is van het volk van Israël. Aan het einde van deze geschiedenis blijkt dat, denk ik, nog duidelijker. Toch moet het niet moeilijk zijn om in dit stramien en in deze lijn de elementen te herkennen die hier naar voren worden geschoven.⟨/p> ⟨p>Ze heeft geen man meer; dat is ook wat er over Israël beschreven wordt. Om welke reden dan ook — de eerste reden is natuurlijk dat haar man is overleden. Feitelijk gezien, en dan moeten we naar Romeinen 7 waar Paulus die link legt, is de man, de representant, overleden en gestorven. Dat wil zeggen: de HEER had een huwelijksverbond gesloten met Zijn vrouw Israël. Wat is er gebeurd? Dat verbond is beëindigd. Wanneer eindigt een huwelijk? Wel, totdat de dood scheiding brengt.⟨/p> ⟨p>Wat er gebeurd is, is inderdaad dat de man is overleden. Dat wil zeggen de Heer, Degene die de HEER representeert, het Beeld van God, is gestorven. Dat is in feite de situatie nadat de Heer is gestorven. Het nieuwe verbond is nog niet in werking getreden met het volk Israël, maar het oude verbond is strikt genomen beëindigd, simpelweg omdat de man is overleden. Dat is wel degelijk symboliek die in deze beelden ligt, maar ook in het onderwijs van Paulus in Romeinen 7.⟨/p> ⟨p>Ik laat dat nu even rusten, maar het is genoeg om op te merken dat Israël wordt voorgesteld als een vrouw die geen man meer heeft. Dat kan ook zijn omdat zij een verlatene is; ook dat beeld wordt gebruikt bij diverse profeten. Maar dat niet alleen: zij is ook nog eens haar enige zoon verloren.⟨/p> ⟨p>Ik had het zojuist over de enige zoon van de weduwe van Zarvat. Hier is ook sprake van een enige zoon, en er zijn nogal wat geschiedenissen waarin dat een rol speelt. De bekendste is, naar ik aanneem, die we in het boek Genesis aantreffen, namelijk dat Abraham het beloofde zaad, Isaac, moest offeren. Hij gaat naar Moria, het latere Jeruzalem, en daar offert hij zijn zoon. Vervolgens lees je in de Hebreënbrief dat hij zijn enige zoon bij wijze van spreken uit de doden heeft terugontvangen.⟨/p> ⟨p>Dat wil zeggen: Isaac kwam eigenlijk voort uit de dood. Hij werd geboren uit een verstorven vader en een verstorven moeder; dat was al leven uit de dood. Maar ook wat er toen plaatsvond op het gebergte Moria telt mee. Op de derde dag lees je dat hij als het ware weer als de enige zoon aan zijn vader werd teruggegeven. Abraham ontving hem alsof hij hem uit de doden terugkreeg.⟨/p> ⟨p>Dat zijn van die associaties, en het kan niet moeilijk zijn te zien waar 'de enige zoon' naar verwijst: dat is een verwijzing naar de Messias. Ook dat wil ik straks nog laten zien, maar ik wijs nu alleen als korte hint alvast naar de typologie die daar wel degelijk in besloten ligt. Ik wil me nu in eerste instantie vooral beperken tot de gegevens an sich om later wat meer onder de oppervlakte te kijken, maar ik wilde er alvast wel even op wijzen.⟨/p> ⟨p>Afijn, deze overledene was dus de enige zoon van zijn moeder, en zij was weduwe. Er staat dan ook bij dat een aanzienlijke schare van de stad samen met haar was.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1018" title="Speel af vanaf 16:58">▶ 16:58⟨/button> ⟨span>Het Goddelijke Mededogen en de Aanraking van de Baar⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En toen de Heer haar waarnam, werd Hij met mededogen over haar bewogen. Het is opmerkelijk dat dit de eerste keer is dat Lucas Jezus in zijn verhaal – dat wil zeggen in de geschiedenissen die hij verhaalt van Jezus – zo benoemt: de Heer. In de meerderheid van de gevallen waarin er sprake is van ‘de Heer’, gaat het over God, de Heer. Dat zien we bijvoorbeeld in de verschillende verwijzingen in Lucas 1 vers 6, vers 32 en hoofdstuk 4 vers 8. Telkens gaat het daar inderdaad over de God van Israël. In hoofdstuk 4 vers 8 staat er bijvoorbeeld dat de Heer Jezus tegen satan in de woestijn zegt: "Je zult de Heer, je God, alleen aanbidden en Hem alleen dienen."⟨/p> ⟨p>De aanduiding ‘de Heer’ is dus normaal gesproken in het verslag van Lucas een verwijzing naar God. Ik denk dat Jezus hier typologisch ook die functie vervult. De enige zoon, de overledene die opgewekt wordt, is een type van de Messias. En de Heer Jezus zelf is hier een type van God de Heer. Zo bedoel ik dat te zeggen, en ik denk ook dat dit de reden is waarom Lucas Hem hier zo benoemt. Toen de Heer haar, die weduwe, waarnam, werd Hij met mededogen over haar bewogen. In hoeverre Hij haar voorgeschiedenis kende, of Hij daarvan op de hoogte was gebracht of dat Hem dat op een goddelijke wijze was ingegeven, wordt allemaal niet vermeld. In elk geval was de Heer bewogen over haar. Dat suggereert inderdaad dat Hij op de hoogte was van de situatie.⟨/p> ⟨p>Het werkwoord dat hier trouwens gebezigd wordt voor ‘mededogen’, het Griekse werkwoord, vinden we nog een aantal keren in het Lucas-evangelie. In hoofdstuk 10 gaat het over de barmhartige Samaritaan; die werd ook met mededogen bewogen. Alweer vijf hoofdstukken later gaat het over de vader, de beroemde vader die zijn zoon kwijt was. Als die jongen na alle omzwervingen geheel berooid teruggaat naar zijn vader, lees je ook weer dat zijn vader met mededogen over hem bewogen is. Wat daarin spreekt, is het hart dat de Heer heeft over zulke erbarmelijke omstandigheden. Of dat nu iemand is die aan de kant van de weg ligt dood te gaan, of een jongen die zo ver weg is geweest; het gaat om de vaderlijke ontferming, het vaderlijke hart dat voor hem klopt. Dat is wat zo mooi beschreven wordt in deze werkwoorden.⟨/p> ⟨p>Zo ook dus hier in deze geschiedenis. Jezus ziet dat aan; Hij ziet die stoet daar komen en de stadspoort verlaten. En dan ziet Hij met name deze vrouw. Hij wordt bewogen over haar. Er staat dus niet dat Hij bewogen werd over die jongen. Ik ontken dat niet, maar zo wordt het niet beschreven: Hij werd met mededogen bewogen over háár. En Hij zei tegen haar: "Huil niet." Wat toch een opmerkelijk woord is. Wat doet een vrouw die een kind, een jonge jongen, naar het graf brengt? Nog wel haar enige ook. Zij huilt. De Heer miskent haar emotie niet, maar in feite toont Hij haar door te zeggen "huil niet" al een glimp van hoop over wat er gaat gebeuren. Namelijk dat haar tranen zullen worden afgewist en dat haar tranen plaats zullen maken voor vreugde. Vandaar ook dat Hij zegt: "Huil niet." Later, een hoofdstuk verder in hoofdstuk 8, lezen we dat hetzelfde gezegd wordt tegen de huisgenoten van het dochtertje van Jaïrus. Dan zegt de Heer Jezus ook: "Huil niet", en dan gebeurt trouwens ook hetzelfde als wat we hier vinden, namelijk dat de doden worden opgewekt. Trouwens, daar was het ook een enig kind, het enige dochtertje van Jaïrus.⟨/p> ⟨p>In vers 14 lees je: "En terwijl Hij toetrad..." Hij kwam dichterbij, niet alleen bij de stoet maar zelfs bij de baar. Want er staat: "Terwijl Hij toetrad, raakte Hij de baar aan." De baar is dat wat gedragen wordt; dat is wat baar ook betekent: een draagbaar. Een draagbaar is eigenlijk een tautologie, want een baar is juist dat wat gedragen wordt. Wij spreken trouwens ook over opbaren, en in een woord als vruchtbaar heeft ‘baar’ ook diezelfde gedachte van dragen. Vruchtbaar betekent vrucht dragen. Daar zit nog iets in besloten, namelijk dat het werkwoord baren hier alles mee te maken heeft. Baren heeft te maken met dragen – een kind dragen – maar daarmee ook met voortbrengen. Dat is helemaal mooi, want wat ligt er op de baar? Een dode. Ja, maar uiteindelijk blijkt dat heel vruchtbaar te zijn en wordt er nieuw leven verwekt. Dat is wat hier ook gebeurt: uit de dood wordt nieuw leven voortgebracht. Niet de dood zelf brengt het voort, maar uit de dood wordt het voortgebracht, zodat het graf feitelijk ook de rol vervult van een moederschoot. Zo lezen we in Handelingen 2, als ik me niet vergis – het schiet me ter plekke te binnen – waar ook gesproken wordt over de weeën van de dood. Elders wordt gesproken over de schoot van de dood. In al die gevallen wordt er een vergelijking gemaakt tussen het graf of de dood en de moederschoot. In beide gevallen heeft het namelijk de betekenis dat er leven uit voortkomt. Dus alleen het woord ‘de baar’ al heeft, als je daar dieper over doordenkt, een zeer hoopvolle gedachte in zich.⟨/p> ⟨p>Jezus raakte de baar aan en hier wordt het Griekse woord ⟨em>haptomai⟨/em> gebruikt, wat wij in het Nederlands tegenwoordig kennen in het woord haptonomie. Dat heeft inderdaad te maken met raken en aanraken. In feite is het zo dat als je iets aanraakt, dat ook de gedachte van identificatie in zich heeft met degene die je aanraakt. Dat kan een omhelzing zijn, maar je kunt ook een voorwerp aanraken. Zelfs nu is het nog een gebruik dat bij een condoleance, wanneer je afscheid neemt van de overledene, de baar of de kist wordt aangeraakt om nog één keer daarmee in contact te komen. Identificatie. Onder de wet was het trouwens zo dat iemand die een dode aanraakte, onrein werd verklaard. Dat betekent niet dat het zondig was; er waren omstandigheden dat dat onontkoombaar was. Maar in ieder geval: wie in aanraking kwam met een dode, die werd daarmee onrein. Er zijn allerlei Schriftplaatsen waarin dat beschreven wordt. In Numeri 19 lezen we zelfs een hele serie bepalingen daarover, over de rode vaars en de as daarvan die geofferd werd, waar trouwens ook weer een enorme typologie in besloten ligt. De derde dag speelt daarin ook weer een grote rol en dan weet je ook meteen dat het verwijst naar een nieuw leven; dat kan niet missen natuurlijk. Maar goed, Jezus nadert dus en Hij raakt de baar aan. De dragers zijn min of meer genoodzaakt om bij die beweging van de Heer en bij het toetreden van de Heer ook stil te staan. En dan lees je...⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1708" title="Speel af vanaf 28:28">▶ 28:28⟨/button> ⟨span>Het Machtswoord Dat Leven Wekt uit de Dood⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Jezus zei: "Jongeling". Het is eigenlijk maar heel kort, er zijn maar een paar woorden: "Jongeling, Ik zeg je, wordt gewekt!" Normaal gesproken heeft het helemaal geen zin om tegen een dode te spreken, maar in dit geval komt het woord van God tot een dode. En dan zie je ook de power, de kracht van het woord. Het woord van God heeft namelijk leven in zich; zodanig krachtig dat het de dood overwint. Dit woord is genoeg.⟨/p> ⟨p>Je leest het iedere keer, ook een hoofdstuk later in verband met het dochtertje van Jaïrus, of wat dacht u van Lazarus? Die wordt aangesproken terwijl hij al een paar dagen in het graf lag. Maar als de doden de stem van de Heer horen, van de Zoon Gods, dan wordt er leven gewekt. Hij is ook de opstanding en het leven. Weliswaar was er hier nog geen sprake van onvergankelijk leven, maar dat wat er uitgebeeld wordt, spreekt wel degelijk van onvergankelijk leven: "Ik zeg je, wordt gewekt!"⟨/p> ⟨p>Het is hier eigenlijk omgekeerd aan wat er in het Oude Verbond beschreven wordt. Onder het Oude Verbond was het zo dat iemand die in aanraking kwam met een dode, daardoor besmet werd met de dood. Maar hier is de "besmetting", tussen aanhalingstekens, precies omgekeerd. De Heer, de opstanding en het leven, raakt de baar aan en Hij spreekt de dode toe. Wat er dan gebeurt, is dat de dode levend wordt en daardoor ook gereinigd. Het is de dood die besmet, maar het is het leven dat sterker is dan de dood en dat daardoor de dode reinigt. "Ik zeg je, wordt gewekt!" – "Sta op", staat er in de NBG-vertaling.⟨/p> ⟨p>Jongeling... het was nog een jonge man. Maar het feit dat de Heer hem ook als zodanig aanspreekt, is als u mij vraagt ook een type van het nieuwe leven. Iemand die opstaat, is per definitie een jongeling. Zeker als je je realiseert dat het hier de enige zoon is, het type van de Messias, de Eersteling. Dan is de term "jongeling" helemaal op zijn plaats.⟨/p> ⟨p>Wat er dan meteen gaat gebeuren: de Heer heeft gezegd "Ik zeg je, jongeling, wordt gewekt" en pal daarop staat er dat de dode overeind ging zitten en begon te spreken. We mogen aannemen, gezien de begrafenispraktijken en de rituelen rond het overlijden die we uit de Bijbel kennen, dat iemand dan helemaal ingewikkeld werd in doeken. Hoewel dat hier niet expliciet wordt beschreven, lijkt het voor de hand te liggen dat dit ook hier het geval zal zijn. Het enige wat wordt gezegd is dat de dode kennelijk meteen overeind ging zitten en begon te spreken; oftewel, hij gaf tekenen en uitingen van leven. Hij reageerde op de roepstem, kwam overeind en gaf vervolgens zijn woord door. Hij ademde; kortom, hij leefde.⟨/p> ⟨p>En dan staat er: "En Jezus gaf hem aan zijn moeder." Hier blijkt inderdaad wat ik al eerder even aangaf, dat de opwekking van de zoon een daad is van ontferming over de moeder. Waarbij ik trouwens moet zeggen dat de rol van de moeder er een is van een lijdend voorwerp. Met recht: zij leed, en de Heer ontfermt Zich over haar. Je leest niet over een verzoek van haar kant, je leest helemaal niets van een reactie, je leest zelfs niets van geloof. Helemaal niets. De Heer was met ontferming over haar bewogen en het enige wat we weten is dat zij huilde. De Heer zegt: "Huil niet", en daarmee geeft Hij hoop. Nu wekt Hij deze dode jongen tot leven en geeft hem aan zijn moeder.⟨/p> ⟨p>Je moet je realiseren wat een enorme gebeurtenis dit was. Er was een grote stoet die uit de stad kwam om de jongen te begraven. Tegelijkertijd was er de stoet vanuit Kapernaüm met de Heer Jezus, Zijn discipelen en een talrijke schare. Er was dus een grote mensenmenigte daar bij de poort verzameld, en zij hebben dat allemaal gezien.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2086" title="Speel af vanaf 34:46">▶ 34:46⟨/button> ⟨span>Ontzag bij de Schare: God Ziet Om Naar Zijn Volk⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Wat een regelrecht godswonder. Je kunt je meteen voorstellen dat er staat: 'en vrees beving allen'. Die vrees hier is uiteraard niet angst in de zin van bibberen, maar het is wel diep ontzag. Elk mens is, als hij eerlijk is, bang voor de dood en heeft daar ontzag voor. Geen mens is daar namelijk tegen opgewassen. Hoe sterk je ook bent, geen mens – sterveling als we zijn – is opgewassen tegen de dood. Vandaar dat doodsangst eigenlijk een integraal gegeven is voor een sterveling.⟨/p> ⟨p>Maar als er Iemand blijkt te zijn die sterker is dan de dood – en dat is wat hier bewezen werd – dan verandert alles. Het woord dat de Heer sprak, was voldoende om deze dode jongeman tot leven te wekken. En als iemand sterker blijkt dan de dood, hoe groot moet Hij dan wel niet zijn? 'En vrees beving allen en zij verheerlijkten God.' Dat is logisch, want slechts Één is sterker dan de dood, en dat is de God van het leven, de God die de doden levend maakt. Voor ons is de dood echt een begrenzing, een muur, een plafond. Verder kunnen we niet, maar God omvat dat alles; Hij is de God van levenden en doden, zo lezen we.⟨/p> ⟨p>Ze verheerlijkten God terwijl ze zeiden: "Een groot profeet onder ons werd verwekt." Zojuist werd die jongen verwekt uit de dood, en nu zeggen ze dat er een groot profeet onder hen is opgestaan. De NBG-vertaling zegt inderdaad: "is opgestaan". Aan wie denk je dan bij een groot profeet? In de eerste plaats denk ik dan aan iemand als Elia, die ooit iets soortgelijks heeft gedaan. Elia was immers ook degene die de komst van de Messias zou gaan inluiden; voordat de grote dag van de Heer zou komen, zou God de profeet Elia geven. In ieder geval doet dat wat hier plaatsvindt sterk denken aan wat ooit plaatsvond in Sarfat, bij de weduwe en haar zoon die zij terugontving uit de dood. "Een groot profeet onder ons werd verwekt."⟨/p> ⟨p>Toen ze dit wonder met elkaar aanschouwden, zeiden ze ook: "God ziet om naar Zijn volk." Dit is een heel boeiend gegeven. Wat hiermee namelijk ook gezegd wordt, is: kijk, de Heer zag met mededogen om naar deze weduwe die haar enige zoon kwijt was. En wat is nu de conclusie van de schare? God ziet om naar Zijn volk. Dat is wat zij zojuist hebben waargenomen. Feitelijk is dat ook de typologische verklaring van deze geschiedenis. In hoeverre de schare dat werkelijk zo heeft opgemerkt, dat weet ik niet; ik betwijfel dat eerlijk gezegd. Maar er zit zo’n diepgang in deze verheerlijking van God, als ze zeggen dat God omziet naar Zijn volk. Dat had Hij zojuist bewezen door deze jongeman op te wekken uit de dood en door het mededogen dat de Heer had getoond voor deze weduwe.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2355" title="Speel af vanaf 39:15">▶ 39:15⟨/button> ⟨span>Profetisch Perspectief: de Zoon Teruggegeven aan Israël⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Deze weduwe – en dat is wat ik na afloop van deze geschiedenis nog eens heel duidelijk wil laten zien – is een type van Israël. Ze raakte haar enige zoon kwijt. Ze was haar man al kwijt, maar ze is nu ook haar enige zoon kwijt: de Messias. Maar zij zal hem ook weer levend terugontvangen en daarin troost ontvangen. En waar zal zij deze zoon weer levend vinden? Wel, buiten de poort, waar de Heer Jezus trouwens geleden heeft en ook is opgestaan. Jazeker, buiten de poort. Als je zou willen weten waar dat dan nog verder wordt uitgelegd, dan zou u Hebreeën 13 eens moeten lezen, want daar wordt daar veel dieper op ingegaan. De Heer heeft geleden buiten de poort en Hij stond daar ook op. En wat we ook weten: Hij zal ook daar, buiten de stadspoorten van Jeruzalem, terugkeren, namelijk op de Olijfberg. Daar, buiten de poort, zal het volk van Israël een ontmoeting hebben met Hem die gestorven is, maar wat meer is: die is opgewekt uit de doden, de enige Zoon.⟨/p> ⟨p>Dat zuig ik niet uit mijn duim; dat is precies ook wat de profeten zeggen, en meer in het bijzonder wat ook gezegd wordt in Zacharia 12. Ik wil u graag even naar die passage meenemen. Als je kijkt naar de omliggende verzen, dan gaat het inderdaad over dat wat in de nabije toekomst gaat plaatsvinden, namelijk dat er een ontmoeting zal plaatsvinden tussen de Heer en Zijn volk, daar bij Jeruzalem. In Zacharia 14 lees je trouwens ook dat de voeten van de Heer zullen staan op de Olijfberg die voor Jeruzalem ligt. Inderdaad, buiten de poort, en daar zal Israël de enige Zoon terugontvangen. Ik lees Zacharia 12 vers 10, daar staat: "En Ik" – dat is God zelf die aan het woord is – "Ik zal uitgieten op het huis van David en op de inwoners van Jeruzalem de Geest van genade en van smeekbeden." Het volk wordt hier bekeerd. Zij ontvangen hier inderdaad Geest; ze ontvangen ook in feite weer leven. Het is God die Zijn genade bewijst aan het volk. Ik wil er nog even aan herinneren dat van deze weduwe in deze geschiedenis niet vermeld wordt dat zij een verzoek deed; er wordt ook niet vermeld dat zij geloofde. Het was de Heer die handelend optrad; het was de Heer die bewogen was met haar. Wel, zo zal de Heer straks ook Zijn volk tegemoetkomen in de grote nood, en dan zullen ze inderdaad gaan roepen.⟨/p> ⟨p>"En ze zullen Mij zien" – dat is een tekstkritisch verhaal, maar in de Masoretische tekst in het Hebreeuws lezen we inderdaad: "Zij zullen Mij zien." God zelf, namelijk Zijn uitgedrukte Beeld, Zijn icoon. "Ze zullen Mij zien die zij doorstoken hebben. En ze zullen over Hem rouwklagen als een rouwklacht over de enige zoon, en bitter verdriet over Hem hebben als bitter verdriet om de eerstgeborene." Wat hier beschreven wordt, is dat er een ontmoeting zal plaatsvinden tussen de Heer en Zijn volk, en dat bij die gelegenheid het volk zal huilen om de overleden Zoon, om Hem die zij doorstoken hebben. Er wordt hier bijgezegd dat het een rouwklacht zal zijn als over de enige zoon. Ja, het gaat hier inderdaad over Gods eniggeboren Zoon, de enige Zoon. Je ziet hier duidelijk de link naar de geschiedenis die we zojuist zagen, als ook naar die van de weduwe van Sarfat, die ook haar enige zoon weer terugkrijgt: de erfgenaam. Hem zullen ze zien, levend en wel. Dat is een groot Godswonder, want Hij was buiten de poort de dode, maar het is ook buiten de poort dat ze in aanraking zullen komen met Hem die is opgestaan uit de doden. Zo zal het volk van Israël, het moedervolk, haar enige zoon terugontvangen. Dat is waar zo’n korte geschiedenis profetisch ook van spreekt.⟨/p> ⟨p>Als Lucas deze dingen zo verhaalt en allerlei bijzonderheden geeft over waar de ontmoeting plaatsvond en wie het betrof – een weduwe die een enige zoon had die vervolgens wordt opgewekt – dan kan het niet missen: het verwijst inderdaad naar Israëls Messias. De Gestorvene, maar wat meer is: de Opgewekte, die inderdaad tot Zijn volk zal komen en ook aan Zijn volk zal worden teruggegeven, maar nu als de Levende. Zo zal ook haar verdriet plaatsmaken voor vreugde. Dan lees je in Lucas 7 vers 17: "En dit woord omtrent Hem ging uit in heel Judea en in heel de omliggende streek." Het lijkt mij vrij logisch, juist ook omdat er zo’n enorme grote mensenmenigte hiervan getuige is geweest, dat de roep omtrent deze gebeurtenis en wie dit gedaan heeft zich als een lopend vuurtje ging verspreiden. Naïn lag in Zuid-Galilea, in het noorden van het land, maar het bericht kwam ook terecht in Judea, het Joodse land in het midden en het zuidelijk gedeelte, en in heel de omliggende streek. Dit getuigenis over die enige zoon en over die weduwe die haar zoon terugontving, dit woord omtrent Jezus, verspreidde zich overal in heel het land.⟨/p> ⟨p>Daarbij wil ik trouwens nog op één ding wijzen. Meestal doe ik dat voorafgaand aan de bespreking van de geschiedenis, maar nu doe ik het even na afloop, omdat je met deze afsluiting in vers 17 iets moois ziet in de structuur. Dit vers laat een prachtige inversie zien; de hele verhaallijn wijst naar het middelpunt. Het eerste komt overeen met het laatste: het begon met de Heer die Naïn ingaat en het eindigt met de Heer wiens woord vanuit Naïn zich verbreidde. Het tweede komt overeen met het voorlaatste: daar wordt gesproken over de scharen en de Heer. In het derde gedeelte wordt gesproken over de dode en zijn moeder, en in het zesde over de opgestane en zijn moeder. De lijn ligt duidelijk. In vers 13 en 14 zie je het centrum van deze geschiedenis: het mededogen van de Heer, het woord dat Hij spreekt en daarmee ook de daad die Hij verricht, want Zijn woord is daad. En de dode wordt levend gemaakt. Zo zie je dat deze dode wordt teruggegeven aan zijn moeder. In Handelingen 3 lezen we aan het einde van de toespraak die Petrus houdt naar aanleiding van het wonder van de verlamde die was genezen op het tempelplein: "Jullie zijn de zonen van de profeten en van het verbond dat God met uw vaderen gemaakt heeft, toen Hij tot Abraham zei: 'En in uw nageslacht, in uw zaad – die enige zoon van Abraham – zullen alle stammen van de aarde gezegend worden.'" En nou komt het.⟨/p> ⟨p>God heeft in de eerste plaats voor jullie zijn Jongen doen opstaan en Hem tot u gezonden om u te zegenen, door een ieder van u af te brengen van zijn boosheden. Oftewel: waarom heeft God zijn Jongen, die enige zoon, opgewekt? Wel, in de eerste plaats, zegt Petrus, voor zijn volk. Om Hem te geven aan zijn volk als een Godsgeschenk. En dat is wat je in het mededogen van de Heer in deze geschiedenis ziet uitgedrukt.⟨/p> ⟨p>Nou, dat wilde ik graag voor deze gelegenheid met jullie delen. Een volgende keer gaan we verder in het vervolg van Lucas 7. Hier wil ik het even bij laten. Ik zou zeggen: hartelijk dank voor jullie aandacht en Gods zegen allemaal. Tot ziens en tot een volgende keer.⟨/p>