⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Inleiding en Context: de Ware Hogepriester in het Heiligdom⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Een hele goede avond, ook van mijn kant. Dankjewel voor de intro, Ari, en wij gaan verder met onze serie over het Johannes-evangelie. We zijn aangekomen bij de 53e studie en bevinden ons inmiddels in hoofdstuk 17. Dit is een tamelijk beroemd hoofdstuk over wat meestal 'het hogepriesterlijk gebed' wordt genoemd. Dat is een term die in de Bijbel zelf niet aan dit gebed verleend wordt, maar ik denk dat het wel heel goed recht doet aan de inhoud. Omdat dit de tweede studie over dit hoofdstuk is, en ook meteen de laatste, wil ik even kort terugblikken, al was het maar voor degenen die er de vorige keer niet bij waren. Ja Tinus, dat is dan toch wel even handig.⟨/p> ⟨p>Laten we eerst kijken naar de zetting, voor de goede orde. Dit is een gebed dat Jezus uitspreekt nadat Hij de opperzaal had verlaten en daar het laatste avondmaal had gevierd. De gesprekken die daar hebben plaatsgevonden, worden beschreven vanaf hoofdstuk 13 tot en met 16. In hoofdstuk 18, pal hierop volgend, vindt de gevangenneming plaats. Als je dit op de hoogtijdenkalender van Israël neerzet, valt dit allemaal op de dag van het paasgaan. Het is de datum van de 14e Nisan, de dag waarop het paaslam geslacht zou worden, en daarmee dus ook het ware Paaslam: Jezus Christus.⟨/p> ⟨p>Ik wil enkele highlights noemen uit wat we de vorige keer hebben gezien, die ook aansluiten bij de term die doorgaans aan dit gebed gegeven wordt. Meestal is het zo dat wanneer ik zeg 'men zegt dit over een tekst', ik daarna de tegenstelling plaats met 'maar de Bijbel zegt dat'. Dit is echter een uitzondering, want de term 'hogepriesterlijk gebed' doet echt heel goed recht aan de inhoud van dit gebed. Ga maar na: als de ware Hogepriester plaatst de Heere Jezus Zich hier eigenlijk al na Zijn sterven. Dat is heel eigenaardig, maar Hij zegt het zelf in vers 11 van dit hoofdstuk, waar Hij bidt: "Ik ben niet meer in de wereld en zij zijn in de wereld." Weliswaar was Hij fysiek nog steeds hier – sterker nog, het moment van Zijn sterven was zeer aanstaande – maar in dit gebed plaatst Hij Zich als het ware al daarna.⟨/p> ⟨p>Vandaar ook zo'n zin als: "Ik ben niet meer in de wereld." Als de ware Hogepriester spreekt Hij alsof Hij reeds in het heiligdom is. U weet dat een hogepriester weliswaar slechts één keer per jaar in het heilige der heiligen ging, maar hij kwam in feite dagelijks in het heiligdom. Hij droeg dan het hogepriesterlijke gewaad en droeg zijn volk, Israël, in de twaalf edelstenen mee, zowel op zijn schouders als op zijn borst, op zijn hart. De schouders zijn daarbij een uitbeelding van zijn kracht. In het heiligdom, onttrokken aan het oog, droeg de hogepriester het volk op aan God voor Zijn aangezicht. Dat is eigenlijk wat de Heere Jezus hier ook doet. Als het ware al in het heiligdom draagt Hij de Zijnen en behartigt Hij de belangen van Zijn volk. Hij bidt voor hen, Hij zet Zich voor hen in en zegt: "Heilige Vader, bewaar hen." We komen daar straks nog wel op terug.⟨/p> ⟨p>Een van de dingen die er ook uitspringen, is dat Hij Zijn aandacht volledig heeft gericht op de Zijnen, dat wil zeggen: Zijn volk. Hij richt zich niet op de wereld; Hij zegt het zelfs heel uitdrukkelijk: "Niet voor de wereld bid Ik U." Ik moet erbij zeggen: niet in eerste instantie, want later komt de wereld wel degelijk in beeld. Maar in eerste instantie zegt Hij: "Niet voor de wereld bid Ik tot U." Goed, laat ik nog even iets anders herhalen wat ik de vorige keer ook verteld heb over de structuur van het hoofdstuk als geheel.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="283" title="Speel af vanaf 04:43">▶ 04:43⟨/button> ⟨span>De Chiastische Structuur van Johannes 17⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Het is altijd handig om een idee te hebben van het totaalplaatje, want dit hoofdstuk is op een specifieke manier opgebouwd. Dat noemen ze met een moeilijk woord chiastisch. Chiastisch heeft te maken met de Griekse letter chi, en dat is onze 'x'. De 'x' is een letter waarbij de uiteinden samenvallen als je een rechte lijn trekt; het werkt naar binnen toe. Dat zie je in heel veel structuren in de Bijbel; passages zijn vaak op die manier opgebouwd. Er zit een heel verhaal aan vast, maar dat laat ik hier even rusten.⟨/p> ⟨p>Ik wil er alleen even op wijzen dat je dat hier dus ook ziet. Het begint in de eerste vijf verzen, vers 1 tot 5, met de verheerlijking van de Zoon. In de laatste verzen zie je datzelfde idee terug; daar gaat het ook over de heerlijkheid van de Zoon, van God.⟨/p> ⟨p>Vers 6 tot 11 vormt het tweede gedeelte. Daar is de aandacht gericht op de discipelen, de leerlingen van Jezus, voor wie Hij bidt. In het voorlaatste gedeelte, vers 20 tot 23, is het gebed gericht op hen die door hun woord – namelijk dat van de discipelen – in Mij gaan geloven.⟨/p> ⟨p>En dan komen we bij het centrum, vers 12 tot 14. Daarin gaat het er vooral om dat de Heer terugblikt en vertelt: "Ik heb hen bewaard." Maar in de verzen 15 tot 19 is het een gebed met de bede: "Bewaart U hen?" Zoals Ik hen bewaar, bewaart U hen straks ook.⟨/p> ⟨p>Dat is wat de opbouw van het geheel betreft. Het hoofdstuk telt 26 verzen. De vorige keer hebben we twaalf verzen besproken en vanavond doen we de rest van het hoofdstuk.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="409" title="Speel af vanaf 06:49">▶ 06:49⟨/button> ⟨span>De Blik Gericht op de Vreugde en de Hoop⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Maar nu pakken we de draad op bij vers 13. Daar zegt de Heer Jezus: "Maar nu kom ik tot U en spreek deze dingen in de wereld." Nu zou je kunnen zeggen: "Wacht eens even, wat zei U zojuist?" Of wat stond er in het direct voorafgaande? Hij spreekt hier natuurlijk letterlijk in de wereld. Dat lijkt me nogal wiedes; ik bedoel, dit waren woorden die Johannes heeft opgetekend. Hij heeft ze vernomen van Jezus zelf en de Heer was dus gewoon letterlijk in de wereld. Na het uitspreken van dit gebed zou Hij vervolgens naar Gethsemane uitwijken; op dit moment was Hij Jeruzalem aan het verlaten.⟨/p> ⟨p>Maar die woorden die we eerder lazen in vers 11 — "Ik ben niet meer in de wereld" — betekenen dat Hij zich in de geest al plaatst als niet meer in de wereld. Fysiek misschien nog wel, maar Hij plaatst zich in het heiligdom. Hij treedt hier op als Hogepriester in het heiligdom, hoewel Hij hier nu nog gewoon op aarde is. Hij anticipeert op de situatie van straks en daarop is Hij helemaal gericht. Ik kom daar straks nog even op terug, of eigenlijk meteen al, want hier in vers 13 vervolgt Hij met: "Ik kom tot U, Vader, en spreek deze dingen in de wereld, opdat zij mijn vreugde in zichzelf vervuld mogen hebben."⟨/p> ⟨p>Vooral als je je realiseert dat Jezus dit zei vlak voordat Hij Gethsemane betreedt en vlak voor die andere aangrijpende beden — waarin Hij de Vader vraagt of het mogelijk is dat deze drinkbeker van Hem wordt weggenomen — is dat heel bijzonder. Net daaraan voorafgaand spreekt Hij over "mijn vreugde" en zelfs over een vervulling van die vreugde. Het is heel opmerkelijk dat Hij nu eigenlijk vooruitblikt en zelfs al spreekt vanuit de situatie dat Hij in het heiligdom is. Hij is al bij de Vader en proeft die vreugde nu al; Hij beleeft die voorproef al. Vandaar ook dat Hij spreekt over "mijn vreugde".⟨/p> ⟨p>Ik vind daar een heel mooie connectie in Hebreeën 12. Ik neem jullie graag even daarheen mee. Daar staat letterlijk — dit is een wat letterlijke weergave daarvan — dat ons oog alleen gericht zou zijn op Jezus door de blik te wenden. Het is letterlijk het idee van afzien: je kijkt weg van alles wat om je heen is en daar zie je vanaf. Je wendt je blik in positieve zin, en dat is ook de oproep hier in de Hebreeënbrief: de blik wenden tot de Leidsman en Voleinder van het geloof.⟨/p> ⟨p>Uiteraard gaat het hier over de Heer Jezus, die om de vreugde die voor Hem lag het kruis verduurde, de schande verachtte en is gaan zitten aan de rechterzijde van de troon van God. Deze brief is geschreven aan de Hebreeën, aan Israëlieten, maar wel al jaren na de dood, opstanding en hemelvaart van de Heer Jezus. Hij is gaan zitten aan de rechterzijde, maar het gaat er even om dat terwijl het kruis nog voor Hem lag en terwijl Hij die weg van het kruis nog zou gaan, Zijn blik gericht was op de vreugde die voor Hem lag.⟨/p> ⟨p>Dat is, denk ik, ook precies de situatie in Johannes 17. Hij had Zijn blik volledig gericht op de vreugde die Hem was voorgesteld, en in dit gebed heeft Hij het niet eens over het lijden. Daar spreekt Hij niet eens over. Het is als het ware alsof Hij al helemaal daar in die vreugde is. Juist dan zie je wat voor een kracht hoop en verwachting is. Want als je die verwachting echt hebt, dan kun je de dingen van nu verdragen. Het is niet zo dat hoop iets is van: "nou ja, dat is iets voor straks en we wachten maar af." Nee, hoop doet leven. Terwijl de hoop nog voor je ligt — want uiteraard is het daar hoop voor — is de focus daarop juist de krachtbron voor nu. Zonder hoop kun je eigenlijk niet eens leven. Die hoop was zo groot dat Hij om de vreugde die voor Hem lag het kruis heeft verduurd en verdragen. De schande heeft Hij niet geacht; Hij kon het allemaal relativeren en als "niet achtend" beschouwen. Dat is wat verachten hier betekent.⟨/p> ⟨p>Over die vreugde spreekt Hij ook in Johannes 17: "opdat zij mijn vreugde in zichzelf vervuld mogen hebben." Het idee is dat, zoals de Heer Jezus zelf in die vreugde leefde en daarop gericht was, de zijnen voor wie Hij nu bidt — Zijn eigen leerlingen die om Hem heen stonden — diezelfde vreugde ook ten volle zouden beleven.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="770" title="Speel af vanaf 12:50">▶ 12:50⟨/button> ⟨span>De Haat van de Kosmos en Bewaring uit de Boze⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ik heb hen, vers 14, Uw woord gegeven. Inmiddels was daar een hele periode van drieënhalf jaar gepasseerd, vanaf het moment dat Hij gedoopt werd in de Jordaan en de discipelen had uitgezocht en met hen ook opgewandeld en opgetrokken had gedurende die jaren. Hij heeft zoveel onderwijs gegeven. 'Ik heb hen Uw woord gegeven', en dan staat er: 'de wereld haat hen'.⟨/p> ⟨p>We hebben er al vaker bij stilgestaan dat als het hier gaat over de wereld, dat het – geen wet van Meden en Perzen hoor – soms heel specifiek de Joodse wereld is. Want daarover gaat het vooral ook hier. Het gaat hier niet over de Romeinen die hen haten; die waren in feite volstrekt onverschillig. Dat zie je later op diezelfde dag als de Heer Jezus voor Pilatus komt: als het helemaal aan Pilatus had gelegen, had hij Hem het liefst vrijgelaten. Voor de Romeinen was het onverschillig. Het was de Joodse wereld, de orthodoxie, die Hem echt door en door haatte. De wereld haat hen.⟨/p> ⟨p>Ik zei al dat het begrip wereld verschillende betekenissen kan hebben, wat trouwens bij ons ook het geval is. Je kunt het hebben over de Joodse wereld, over de heidenwereld, de wereld van de kunst... noem maar op. In al die gevallen is het woord wereld in het Grieks het woordje kosmos. Dat is eigenlijk een systeem, een bepaalde ordening. Ons woordje kosmetica heeft daar ook mee te maken; dat betekent de boel in orde brengen – dat is tenminste de bedoeling.⟨/p> ⟨p>De wereld haat hen. Er is ook zo'n gegeven, zo'n zwart-wit tekening die typerend is voor Johannes, die altijd in contrasten schildert en schrijft: de wereld en de haat van de wereld. Opmerkelijk trouwens: het staat hier in de aorist. Dat wil zeggen dat het een tijdloze werkwoordsvorm is. Niet de tegenwoordige tijd, niet de verleden tijd, niet de toekomende tijd; het is gewoon tijdloos, ongeacht wanneer: de wereld haat hen.⟨/p> ⟨p>Waarom? Omdat zij niet uit de wereld zijn, zoals Ik niet uit de wereld ben. De wereld haat hen dus in feite om dezelfde reden als dat ze de Heer ook haatten. En waarom was dat? Vanwege het woord dat Hij hen had gegeven. 'Ik heb hen Uw woord gegeven' en daar konden ze niet mee dealen. Dat was het eigenlijk. Het woord van de Heer stond haaks op hun overleveringen en dat schuurde – en dat is eigenlijk nog veel te zacht gezegd: het botste, het clashte. Op de dag dat Hij deze dingen uitsprak, kwam dat tot een culminatie, een hoogtepunt of eigenlijk moet ik zeggen: een dieptepunt.⟨/p> ⟨p>In vers 15 vervolgt de Heer: 'Ik vraag niet dat U hen wegneemt uit de wereld.' Nee, dat is logisch als je het hele verband bekijkt. Dat zou natuurlijk wel een vorm van bewaring zijn, want dan zou hen veel bespaard blijven, maar daar ging het niet om. Ze hadden juist een taak in de wereld, zodat ze ook die confrontatie zouden gaan voelen en beleven. De Heer had eerder in hoofdstuk 16, in het laatste vers, nog gezegd: 'In de wereld lijden jullie verdrukking, maar houd goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.' Die verdrukking is eigen aan de haat die ze zouden ondervinden van de zijde van de wereld.⟨/p> ⟨p>'Ik vraag niet dat U hen wegneemt uit de wereld, maar dat U hen bewaart voor de boze.' In de NBG-vertaling staat 'voor de boze', maar kijk eens in het Grieks; daar staat er letterlijk 'uit' of 'vanuit': ⟨em>ek⟨/em>. Dat is een voorzetsel dat gewoon 'uit' betekent. Ik geef toe dat dit in het Nederlands niet zo mooi klinkt – iets 'bewaren uit' zeg je niet zo snel; je bewaart iets 'in' of 'voor'. Toch staat het in het Grieks wel zo. Het idee is dat die bewaring plaatsvindt juist doordat ze het systeem, de wereld – in dit geval het Joodse systeem – verlaten. Zo is het ook echt gegaan.⟨/p> ⟨p>Later in de Hebreeënbrief lezen we – waar ik zojuist ook al uit citeerde – over de gelovige Hebreeën tegen het jaar 70 aan, vlak voordat Jeruzalem en de tempel verwoest zouden worden. Dan worden ze opgeroepen: 'Gaat dan uit, buiten de legerplaats.' Dat wil zeggen dat ze de tempel en alles wat daarbij hoort, de hele Joodse ordening, zouden verlaten. Juist door te verlaten zouden ze bewaard worden. Dan is het met recht een 'bewaren uit'.⟨/p> ⟨p>Opmerkelijk trouwens – ik heb er al eerder op gewezen – is dat de Heer Jezus deze woorden heeft uitgesproken terwijl Hij, zoals dat letterlijk in hoofdstuk 18 vers 1 staat... Ik geef toe dat de NBG-vertaling het iets anders zegt. Daar staat: 'na dit gezegd te hebben ging Jezus met zijn discipelen naar de overzijde van de beek Kidron.' Maar er staat eigenlijk niet 'na dit gezegd te hebben', er staat letterlijk 'terwijl Hij dit zei, ging Hij uit'. Met Zijn discipelen naar de overzijde van de beek Kidron. Al wandelend zijn deze woorden dus uitgesproken. De beek Kidron is de beek die tussen de stad en de Olijfberg stroomt, het Kidrondal. Ze waren de stad aan het verlaten. Ze gingen met recht de legerplaats, de stad, de tempel en alles wat erbij hoort, uit. De hele setting waarin deze woorden zijn uitgesproken door de Heer Jezus, is zelfs typerend voor wat Hij hiermee verbindt. 'Bewaar hen uit de boze.' Hoe? Door de legerplaats te verlaten. Dat was precies wat Hij op dit moment deed.⟨/p> ⟨p>'Zij zijn niet uit de wereld.' Andere vertalingen, zoals de Statenvertaling, zeggen: 'zij zijn niet van de wereld.' Ook hier staat letterlijk 'uit de wereld', weer dat voorzetsel ⟨em>ek⟨/em>. Dat betekent gewoon dat ze geen deel uitmaken van die wereld, ze zijn daar geen onderdeel van. 'Zoals Ik niet uit de wereld ben.' Ook weer om dezelfde reden: vanwege dat woord. Dat brengt ons bij vers 17 – Johannes 17 vers 17, dat is makkelijk te onthouden.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1224" title="Speel af vanaf 20:24">▶ 20:24⟨/button> ⟨span>Heiliging in de Waarheid Door het Woord⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Daar staat: "Heilig hen." Dat is de bede die de Heer hier uitspreekt. Zoals ik al even kort aangaf, is de Heer hier nog steeds in gebed voor de zijnen; voor degenen die hier bij Hem waren, Zijn leerlingen, de latere apostelen. De kring wordt pas in vers 20 wijder, maar hier is het nog steeds uitsluitend dat Hij bidt voor hen met wie Hij al die jaren was opgetrokken.⟨/p> ⟨p>En nu zegt Hij: "Heilig hen in de waarheid." Dat is het gebed. Als je die woorden heel letterlijk neemt – want alleen zo kun je ze natuurlijk begrijpen – dan wil heiligen zeggen: apart stellen. Je zet iets apart vóór Iemand. Het is niet zozeer dat je iets afzondert ván (dat is nog negatief), maar dat je het afzondert vóór. Je stelt je apart met het oog op iets, wat in feite dus positief is. Hier zie je dat ook: "Heilig hen, stel hen apart." En hoe gebeurt dat dan? In de waarheid. Dit is trouwens de wijze waarop heiliging ook plaatsvindt. Want juist door op de waarheid te gaan staan... nee, kijk, het begint met de waarheid vernemen. Vervolgens komt die waarheid in het hart. Dat wil zeggen: het kwartje valt, je weet dat het de waarheid is en je bent overtuigd. Dat heeft echter consequenties, want het betekent dat je een 'aparteling' wordt. Je weet namelijk andere dingen dan men in het algemeen weet, of dingen die men simpelweg niet wil weten.⟨/p> ⟨p>Dat proces van de waarheid vernemen, dat is al een heiliging. Want daardoor kom je – het is ook weer zo typisch Johannes – in het licht. En dat betekent dat je niets meer met de duisternis te maken hebt, of met de wereld die daar niets van moet hebben en het woord niet accepteert. Daar kom je dus buiten te staan. Het een werkt het ander uit; die twee verdragen elkaar niet. "Heilig hen in de waarheid." Dat is precies de sfeer waarin die heiliging plaatsvindt. De waarheid is simpelweg dat wat vaststaat; waarvan je weet dat het niet ontkend kan worden. Dat is wat de waarheid feitelijk is.⟨/p> ⟨p>Vervolgens zegt Hij: "Uw woord is waarheid." Er staat niet: "Uw woord is de waarheid" (hoewel dat ook zo mag zijn), maar er staat letterlijk: "Uw woord is waarheid." Wat is het kenmerk van dat woord? Wel, het is waar en waarachtig. Bij alles wat er in de wereld gaande is, wat beweeglijk is en meegeeft, is er iets waar je altijd van op aan kunt, en dat is wat God gesproken heeft. Uw woord is waarheid.⟨/p> ⟨p>Daarin worden we geheiligd. Het is trouwens ook mooi dat hier staat: "Heiligen in de waarheid." Dat wil zeggen dat het een werk is dat God zelf verricht. Dat doe je niet zelf; dat doet Hij aan jou of aan ons, of in dit geval aan de discipelen. En dat doet Hij in het woord dat waarheid is. Dat proces vindt plaats door de kracht van dat woord. Je hoort het woord en dat doet altijd zijn werk. Het woord is namelijk levend, het is krachtig, het is effectief en scherper dan enig tweesnijdend zwaard. Toch?⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1463" title="Speel af vanaf 24:23">▶ 24:23⟨/button> ⟨span>De Specifieke Afvaardiging van de Apostelen tot Israël⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>'Zoals u mij gezonden hebt,' of letterlijk: 'zoals u mij afvaardigde in de wereld.' Hier staat dat woordje waar ons woord 'apostel' ook van afgeleid is: een afgevaardigde. De Heer Jezus zegt nu: 'Zoals u mij afvaardigt in de wereld, zo vaardig ook ik hen af in de wereld.' Er vindt hier dus een herhaling plaats. God zond Christus en nu Hij de wereld gaat verlaten – in zekere zin had Hij de wereld al verlaten – zegt Hij: 'Nu vaardig ik hen ook af.'⟨/p> ⟨p>Nu komen we op een aantal verzen die heel dikwijls worden aangehaald in de christelijke wereld, maar die naar mijn vaste overtuiging altijd verkeerd worden opgevat. Over welke afvaardiging heeft Hij het? De Heer Jezus was afgevaardigd door God in de wereld, maar met welke opdracht? Tot wie was Hij gezonden? Je leest in Mattheüs 15 vers 24 dat, wanneer de Heer Jezus een keer buiten de landsgrenzen in het gebied van Tyrus en Sidon is gekomen, er een heidense vrouw op Hem afkomt die vraagt om genezing. De Heer had zich juist teruggetrokken om wat rust te genieten en toen zei Hij: 'Ik ben slechts uitsluitend gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls.' Hij was niet gezonden tot de wereld, dat wil zeggen: tot de natiën. Hij was uitsluitend gezonden tot Israël. De natiën zouden pas later in het zicht komen; eerst moest Israël tot geloof komen. Als Israël tot geloof gekomen zou zijn, dan zou het Koninkrijk baan breken en vervolgens tot de volkeren komen. Dat was de verwachting en dat was ook Zijn afvaardiging.⟨/p> ⟨p>Je leest dat trouwens ook in Mattheüs 10, als Hij de leerlingen eropuit stuurt. Dan zegt Hij: 'Ga niet op de weg van de Samaritanen of naar de natiën. Ik zend jullie uitsluitend naar het huis van Israël.' Zoals Hij zelf ook was gezonden. En nu zegt Hij: 'Zoals u mij afvaardigde in de wereld, zo vaardig ook ik hen af in de wereld.' Dat we daarbij inderdaad aan het volk Israël hebben te denken, blijkt niet alleen als je Schrift met Schrift vergelijkt, maar we zullen daarin ook bevestigd worden in het vervolg.⟨/p> ⟨p>In vers 19 zegt Hij: 'En ten behoeve van hen,' of letterlijk: 'voor hen, heilig ik mijzelf.' Ook hier weer: heiligen is apart stellen. Dat doet Hij zelfs heel fysiek, want Hij gaat het heiligdom in. Hij verlaat de legerplaats, letterlijk en figuurlijk, en zou inderdaad het hemels heiligdom binnengaan. Hij stelt zich echt apart; Hij gaat de wereld verlaten en naar de Vader toe. Dat is een vorm van heiliging in de meest fysieke zin van het woord. Hij zet zich apart en dat doet Hij voor hen. Hier zie je trouwens ook hoe de Hogepriester aan het spreken is, want Hij draagt de Zijnen op bij God. Hij zegt: 'Ik kom tot Uw Vader,' en Hij behartigt als middelaar volledig de belangen van Zijn volk.⟨/p> ⟨p>'Ten behoeve van hen heilig ik mijzelf, opdat ook zij geheiligd zouden zijn in waarheid.' Die heiliging van Hemzelf had de bedoeling dat ook zij apart gesteld zouden zijn, en wel in waarheid. Ze zouden in de waarheid vastgesteld worden en daar ook van gaan getuigen. De grote missie van de mannen die hier nu om Hem heen stonden en dit aanhoorden, was om een week of wat later — beginnend met de Pinksterdag — het officiële getuigenis te laten klinken. Wat doet Petrus op de Pinksterdag? Hij houdt een vlammende rede, letterlijk en figuurlijk, en aan het eind zegt hij: 'Zo wete dan het ganse huis Israëls zeker dat God Hem tot Heer en tot Christus gemaakt heeft.' Dat is het getuigenis. En waarom? Omdat het ganse huis van Israël zou weten wie de Messias is, de inmiddels opgewekte Messias.⟨/p> ⟨p>Zij zouden de waarheid kennen en daarin vastgesteld worden om daar vervolgens ook getuigenis van te geven. Dat getuigen is in de juridische zin van het woord bedoeld, want zij zijn ooggetuigen. Ze zijn niet getuigen zoals wij dat zijn. Wat ik nu doe, is getuigen van wat ik lees; ik zie het met mijn eigen ogen en jullie kunnen dat bevestigen of niet, maar het staat zwart op wit in de Schrift. Maar zij waren getuigen in de zin dat ze Hem hebben gezien. Niet alleen Zijn sterven — dat had de wereld ook gezien — maar ook Zijn begrafenis en Zijn opstanding. Als de Opgestane hebben ze Hem gezien en daarvan hebben ze getuigenis afgelegd. Voor hen was het dus met recht een ooggetuigenis. Vandaar natuurlijk dat zij het zo zeker wisten dat ze stuk voor stuk bereid waren om als martelaar daarvoor te sterven. Zij wisten dat dit de waarheid was. Ze waren niet alleen bereid te sterven, ze zijn ook daadwerkelijk stuk voor stuk gestorven om het getuigenis.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1887" title="Speel af vanaf 31:27">▶ 31:27⟨/button> ⟨span>De Verbreding van het Gebed voor Toekomstige Gelovigen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan komen we bij vers 20, en dat is een heel belangrijk punt. Tot dusver was het gebed uitsluitend gericht op de discipelen, de apostelen; ik heb dat al een paar keer aangegeven. Het had betrekking op hen die bij Hem waren. Maar nu zegt de Heer: "Maar niet alleen omtrent dezen vraag ik." Nu gaat de groep dus groter worden; de kring wordt uitgebreid en wordt heel veel groter. "Niet alleen omtrent dezen vraag ik, maar ook omtrent hen die door hun woord in mij geloven."⟨/p> ⟨p>Hier blikt de Heer dus al vooruit naar het moment dat de leerlingen niet alleen maar leerlingen meer zijn, maar eropuit gestuurd worden om van de waarheid te gaan getuigen. Zij zouden het woord spreken en dat woord zou vervolgens ook geloof wekken. Dat wil zeggen dat mensen daardoor overtuigd zouden worden. Nu richt de Heer zich in Zijn gebed tot God ook tot die groep. Hij spreekt nu niet meer alleen omtrent dezen, maar ook omtrent hen die door hun woord in Hem geloven.⟨/p> ⟨p>Dat is dus het woord van de twaalf. Ik zeg nu gemakshalve "de twaalf", ook al weet ik dat er inmiddels één is afgevallen. Daar had de Heer Jezus trouwens in vers 12 nog over gesproken: Judas. Maar die ene die afgevallen is, zou weer vervangen worden; er zou iemand zijn plaats in gaan nemen. Daarom blijf ik gewoon spreken over de twaalf. Dat is trouwens sowieso een technische term, eigenlijk net zoiets als ons woord "elftal". Ook als er één of twee mensen uit het team van het veld zijn gestuurd, dan blijf je nog steeds spreken over het elftal, terwijl er strikt genomen tien of negen op het veld staan. Zo heeft "de twaalf" gewoon betrekking op de kring die in feite uit twaalf man bestaat, ook als dat er op een specifiek moment minder zijn.⟨/p> ⟨p>We hadden het dus over de discipelen, de twaalf, en zij zouden hun woord gaan spreken. Voor wie was dat woord bestemd? Dat was bestemd voor Israël. Zoals God Jezus Christus had afgevaardigd uitsluitend tot het huis van Israël, zo zond Hij hen nu ook uitsluitend tot Israël. Ik weet dat het later anders is gegaan, waar ik zojuist al even op hinte, maar pas als Israël gelovig zou worden, zouden de andere natiën in het zicht komen.⟨/p> ⟨p>Let daar even op: de eerste jaren, zeg maar de eerste tien jaar, kwam het niet in het brein van de apostelen op om naar de natiën toe te gaan. Het duurde jaren voordat Petrus bij Cornelius kwam. Eigenlijk was Cornelius een vreemdeling in de poorten, een godvrezende man die min of meer nog tot het volk werd gerekend en gewoon in het land woonde. Toch had het heel wat voeten in de aarde voordat de Heer aan Petrus duidelijk had gemaakt dat hij naar die man toe moest gaan. Het kwam gewoon niet bij hem op; het huis van Israël moest bereikt worden.⟨/p> ⟨p>Wij denken meteen vanuit onze christelijke mindset van: na de opstanding van Jezus werden ze eropuit gestuurd en gingen ze de wijde wereld in. Nee, helemaal niet. Ze zouden beginnen in Jeruzalem, Judea en Samaria. Pas als daar het woord gevallen zou zijn, dan zou het naar de uiterste der aarde gaan. Ik weet dat de geschiedenis een andere wending heeft genomen, maar dat heeft alles te maken met iemand die niet bij de twaalf hoort, namelijk Paulus. Maar die was hier natuurlijk nog helemaal niet in de picture. Het gaat hier helemaal niet over Paulus.⟨/p> ⟨p>"Niet alleen omtrent dezen vraag ik, maar ook omtrent hen die door hun woord in mij geloven." Dat is het woord van de twaalf. Zij werden gezonden tot het huis van Israël. Alleen al de term "de twaalf" verwijst direct naar Israël. Waarom zou de Heer immers twaalf mannen hebben uitgekozen? Omdat zij bestemd waren voor Israël en de twaalf stammen. En dan staat er: "opdat zij allen één zouden zijn."⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2212" title="Speel af vanaf 36:52">▶ 36:52⟨/button> ⟨span>De Toekomstige Eenheid van Israël (niet de Kerk)⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ik lees nog een keer de zin uit vers 20: "Maar niet alleen omtrent dezen vraag ik, maar ook omtrent hen die door hun woord – dat van de twaalf – in mij geloven, opdat zij allen één zouden zijn." De Heer bad dus voor degenen voor wie Hij op dat moment bad, maar ook voor degenen die door hun woord in Hem zouden gaan geloven. Opdat ze allen één zouden zijn.⟨/p> ⟨p>Laat ik hierover eerst eens een vraag stellen: hoe worden deze woorden gewoonlijk gelezen? Ik las juist deze week nog een artikel in het Nederlands Dagblad, de christelijke krant. Er werd verslag gegeven van een synode die momenteel gaande is van de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. Het ging erom dat die predikanten ook met elkaar hadden overlegd en hadden gezegd: "Het is zo belangrijk dat de kerken bij elkaar komen en een eenheid vormen, want daar had de Heer toch ooit voor gebeden? Opdat zij allen één zijn. Laten wij ons nu ook inzetten om de kerk aan elkaar te smeden." Dat was eigenlijk de hele inzet van de synode.⟨/p> ⟨p>In de praktijk is het meestal zo dat wanneer twee kerken die gescheiden optrokken verenigd worden, het resultaat is dat je eerst twee kerken had en na de hereniging vervolgens drie kerken krijgt. Je hebt namelijk altijd nog de twee kerken die zich verenigd hebben, maar daarnaast heb je groepen die het met die vereniging niet eens zijn. In werkelijkheid is het dus vaak een vermenigvuldiging. Dat kun je natuurlijk ook weer goedpraten door te zeggen: "Stond dat ook niet in de Bijbel: en vermenigvuldigt u?" Maar volgens mij heeft dat toch echt ergens anders betrekking op.⟨/p> ⟨p>Even zonder gekheid: de gedachte dat de Heer hier zou bidden om de eenheid van de kerk, daar gaat het hier niet over. Ik ga u vertellen waar het wél over gaat: het gaat hier over de eenheid van Israël. En ik ga het bewijzen ook. "Opdat zij allen één zouden zijn." Het is een bewijs in etappes, dus heb even geduld en houd me even gewillig aan, dan wordt het onmiskenbaar.⟨/p> ⟨p>We gaan eerst naar Johannes 10, waar we bij een veel eerdere gelegenheid ook al waren. Daar sprak de Heer Jezus over één kudde. Hij zei: "Ik ben de goede herder en ik leg mijn leven af." En dan zegt Hij in Johannes 10: "Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder." Ik moet er trouwens bij zeggen dat wanneer de Heer dit zegt, Hij direct verwijst naar Ezechiël 34 en Ezechiël 36. Daar kom ik straks nog op terug. Die "andere schapen die niet van deze stal zijn", dat sloeg op het feit dat de schapen niet alleen Israëlieten in het land waren, maar dat er ook vele Israëlieten buiten het land verbleven die niet van deze stal waren. Ook zij moesten worden geleid. De Heer zegt: "Zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder."⟨/p> ⟨p>Ik neem u nu mee naar Ezechiël 37, het beroemde hoofdstuk over de herleving en het herstel van Israël. God heeft een geweldig plan met dat volk en in de nabije toekomst gaat dat vervuld worden. In vers 21 staat: "Aanschouw, Ik neem de zonen van Israël uit het midden van de natiën waarheen zij gingen." Israël is in de verstrooiing terechtgekomen onder de natiën, maar daar blijft het niet bij. God gaat dat volk vanuit de natiën, vanuit al die "andere stallen" om het zo te zeggen, terugbrengen naar het land. "Vandaar zal Ik hen bijeenroepen en hen van rondom brengen naar hun grond." Dat is de grond die voor hen gereserveerd is: het beloofde land. Die belofte aan Abraham staat nog steeds; die verdwijnt niet. God heeft niet zoiets van: "Nu ga ik het over een andere boeg gooien." Nee, Zijn beloften zijn ja en amen. Hij zal hen bijeenbrengen en naar hun grond leiden.⟨/p> ⟨p>Vervolgens staat er: "En Ik maak hen, de zonen van Israël, tot één natie in het land op de bergen van Israël." Zo weten we echt over wie het gaat en waar dit gaat plaatsvinden. Het is een bijeenroeping uit alle volkeren; ze worden teruggebracht naar hun grond op de bergen van Israël. "En één koning zal over hen allen tot koning zijn; er zullen niet meer twee natiën zijn." In het verleden had je het huis van Juda en het huis van Israël, de twee stammen en de tien stammen. Ze zullen niet meer verdeeld zijn in twee koninkrijken. "En mijn knecht David..." Dat is een verhaal apart. Dat is niet de historische persoon David, maar dat is de Davidische Koning. Dat wil zeggen: een Koning uit het huis van David. "Mijn knecht David zal koning over hen wezen; één herder zal er voor hen allen zijn."⟨/p> ⟨p>Mocht u niet willen geloven dat die knecht David inderdaad de Messias is, de Heer Jezus Christus, dan neem ik u nog even mee terug naar Johannes 10. Daar zegt de Heer immers exact hetzelfde: "Zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder." Wie is die ene herder? Dat is degene naar wiens stem ze zullen horen: de grote Erfgenaam van David. Vandaar dat Hij ook gewoon "David" genoemd wordt. David betekent "Geliefde", dus zo kun je het ook opvatten: wie zal er koning zijn? Wel, de Geliefde. Dat was toch ook zo op die twee momenten dat de hemel geopend werd en de stem uit de hemel klonk: "Deze is mijn Zoon, de Geliefde (in het Hebreeuws: David), in wie Ik al mijn welbehagen heb." Hij is dus "de David", Hij is die ene Herder.⟨/p> ⟨p>Ziet u het? Hier wordt gesproken over heel Israël dat verstrooid is en dat één wordt. Zij zullen naar de stem van die ene Herder horen, en die ene Herder zal inderdaad Koning en Herder over hen allen zijn. Er zal een wonder plaatsvinden: Israël zal één worden. Let ook op wat het effect daarvan is. Ik ga nog even door met dit vers: "Opdat zij allen één zouden zijn, zoals U, Vader, in mij en ik in U." De Heer Jezus was gekomen in de naam van Zijn Vader en Hij sprak het woord van Zijn Vader. De Vader en Hij zijn één. "Opdat ook zij in ons zouden zijn, opdat de wereld zou geloven dat U mij afvaardigde." En nou kom je op een heel belangrijk punt.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2754" title="Speel af vanaf 45:54">▶ 45:54⟨/button> ⟨span>Israëls Wonderbare Herstel als Getuigenis voor de Wereld⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Hoe zal de wereld tot geloof komen? Ja, ik weet het, in het kerkelijke stramien zeg je dan: "Nou ja, dat komt uiteindelijk doordat de christenen zoveel pogingen doen om één te worden." Het idee is dat als dat allemaal één is, de wereld zal gaan geloven. Nou, dat kun je gerust op je buik schrijven. Dat is geen mensenwerk en het heeft sowieso niet met de kerk of met een instituut te maken. Trouwens, laten we wel wezen: als gelovigen vandaag zijn wij al één. Dat hoeven we niet te maken. Die instituten hebben daar niks mee te maken; die zorgen er alleen maar voor dat er verdeeldheid komt. Want als je elkaar kent en herkent in het Woord, dan heb je de eenheid. Maar op het moment dat ik een instituutje ga maken en u gaat een instituutje maken, en weer een ander doet dat ook, dan hebben we allemaal verschillende instituutjes en dus verdeeldheid. Die instituten dragen geen zorg voor de eenheid, ze staan garant voor de verdeeldheid. Het is dus eigenlijk precies omgekeerd.⟨/p> ⟨p>Maar er is nog iets. Het gaat hier over degenen die zullen geloven in het woord van de twaalf, die gezonden waren tot Israël. Zij zullen één worden, en wat zal het resultaat zijn van die eenheid? Dat zal zo wonderbaar zijn dat de wereld gaat geloven dat U Mij, Christus, afvaardigde. Dan gaan we de proef op de som nemen en stellen we ons de vraag: hoe zal de wereld ooit tot overtuiging komen dat Jezus de Christus is en van God gezonden is? Feitelijk vinden we ook hier het antwoord gewoon weer in de Hebreeuwse Bijbel, ons Oude Testament. Want het is al lang voorzegd. Wat de Heer Jezus hier zegt als Hogepriester is in feite niks anders dan het refereren aan, en soms zelfs letterlijk citeren van, Bijbelgedeelten die de Joden kenden. "Opdat de wereld zou geloven."⟨/p> ⟨p>Dat wil ik als laatste nog even aanhouden. We gaan weer even naar Ezechiël 36, juist omdat dat een Bijbelgedeelte is dat erg beroemd is, omdat het zo duidelijk en expliciet spreekt over het herstel van Israël. Er staat in Ezechiël 36 vers 23: "Ik zal" – het is Jahweh zelf die hier aan het woord is – "Ik zal mijn grote naam, die onder de volkeren ontheiligd is, heiligen." Eigenlijk wordt dat hier verweten aan Israël: "die jullie te midden van hen ontheiligd hebt." "Ik zal mijn grote naam heiligen, en de volkeren zullen weten dat Ik Jahweh ben, luidt het woord van de Heer Jahweh, wanneer Ik Mij voor hun ogen aan jullie de Heilige zal betonen." Hoe zullen de volkeren weten dat de Heer Jahweh is? Wel, doordat Hij hen bijeenbrengt en dat Hij zich voor de ogen van de wereld aan het volk Israël als de Heilige zal betonen.⟨/p> ⟨p>Lees maar verder: "Ik zal u weghalen uit de volkeren" – heb je dat weer, de bijeenverzameling uit alle volkeren – "en u bijeenvergaderen uit alle landen en Ik zal u brengen naar uw eigen land." Als dat zal gebeuren via die route, via dat wonder van eenheid dat dan zal plaatsvinden, dan zal het volk worden eengemaakt doordat ze gaan luisteren naar die ene Herder die van Godswege gegeven is, de echte David. Dan zal Hij zich voor de ogen van de volkeren betonen wie Hij daadwerkelijk is en ook erkenning daarmee vinden. "En de volkeren zullen weten dat Ik Jahweh ben." Dat zal dan onmiskenbaar zijn. Kijk, nu is alles verborgen. Dat is trouwens ook de profetie, dat God zegt: "Ik zal mijn aangezicht voor Israël en de volkeren bedekken." Dat wil zeggen: Hij wordt niet gezien. God betoont zich nu helemaal niet; Hij is verborgen. We leven in de dagen van de verborgenheid, er valt niks te zien. Dat is allemaal in overeenstemming met de profetie. Maar straks krijgen we de dagen van de openbaring en dan gaat Hij openbaar worden. Dan is er geen atheïst meer waar dan ook te vinden, want het zal volstrekt helder zijn door het geweldige godswonder wat Hij met Israël zal doen. Via Israël zal Hij zich inderdaad als God betonen en dan gaat Hij zijn Woord ook waarmaken. Dat wat Hij al sinds mensenheugenis voorzegd had in de Schriften, is dan onmiskenbaar. Iedereen zal het weten.⟨/p> ⟨p>Ik lees nog even verder in Ezechiël 36 vers 36, ook zo makkelijk te onthouden: "Dan zullen de volkeren die om u heen overgebleven zijn..." – want dat moet ik er ook nog bij zeggen, dat is natuurlijk weer een verhaal apart, want als deze dingen gaan gebeuren, dan zal de wereldbevolking decimeren. Er zullen velen omkomen; dat is in die zin een gruwelijke tijd waarin een enorme zuivering zal plaatsvinden. Maar in ieder geval: "dan zullen de volkeren die om u heen overgebleven zijn weten dat Ik, Jahweh de Heer, herbouwd heb wat vernield was." Want het hele land van Israël zal weer verwoest worden, maar God gaat het dan weer herstellen. In Rotterdam zijn we daar uitgebreid met een Bijbelstudie mee bezig en dat is onwijs boeiend. Wat God al zoveel eeuwen tevoren daarover heeft gezegd: "weten dat Ik, Jahweh, herbouwd heb wat vernield was en beplant heb wat verwoest was. Ik, Jahweh, heb het gesproken en Ik zal het doen." Dat vind ik altijd het geweldige van de Bijbelse boodschap: er hangt werkelijk helemaal niks van de mens af. De mens kan er niks aan toedoen, maar Godzijdank kan hij er ook niks aan afdoen. Want als God zegt: "Ik doe dat", nou, dan is het beloofd, en belofte maakt schuld. Dan moet Hij het natuurlijk ook doen, en dat doet Hij ook. "Ik heb het beloofd, Ik zal het doen." Hij gaat dit vervullen, dus wacht maar af.⟨/p> ⟨p>Dit hele gebed dat de Heer bidt, dat ze één zouden zijn, is dus niet iets wat wij met ons gestumper of met synodes voor elkaar moeten krijgen. Dit is een wonder dat God zelf zal bewerken aan Israël, en via die weg zal de wereld weten, erkennen en dus gaan geloven en aanvaarden wie God is en wie zijn Gezondene is: dat Jezus de Christus is. Is dat dan het begin van het duizendjarig rijk? Zo ongeveer wel, ja. Ik zeg het even zo, want in werkelijkheid zit daar denk ik nog een hele periode tussen, maar het is rond die tijd. Want als alle volkeren het eenmaal gaan weten en zullen erkennen, dan beginnen de eigenlijke duizend jaren. Men spreekt altijd over het duizendjarig rijk, maar eigenlijk wordt er gemeten alsof het rijk duizend jaar zou duren. Als je echter in Openbaring 20 leest over de duizend jaren, staat er dat Satan duizend jaar gebonden wordt. Het is dus eigenlijk de duizendjarige binding van Satan, "opdat hij de volkeren niet langer zou verleiden". Op het moment dat de volkeren niet meer verleid worden en niet verleid kunnen worden, en de wereld gelooft, dan beginnen dus de duizend jaren te tellen. Een millennium later verandert er weer iets, maar in ieder geval zijn dat die duizend jaren. Dus dat blijkt toch tamelijk precies te zijn. Maar zullen we het hier eerst bij laten, want ik zie dat het inmiddels vijf over negen is. Wij gaan de volgende keer weer verder, want we moeten natuurlijk wel bij vers 26 van het zeventiende hoofdstuk uitkomen. Dat is de bedoeling, want zo plannen we dat.⟨/p> ⟨p>De volgende keer hebben we trouwens een heel lang gedeelte, vers 1 tot en met 27, dus dan moeten we echt wat meer de vaart erin houden. Dan komen we extra vroeg. Ja, doe dat! Nee, we gaan gewoon extra lang door joh. Oh, dat kan wel. Even vergunningen aanvragen bij de familie Doordaan, maar vooruit, een slaapfeestje dan.⟨/p> ⟨p>Oké, wij waren dus bij vers 21. Misschien is het goed... nou, dan moet ik wel heel erg lang terugklikken. Ja, vers 21, waar de Heer de bede uitspreekt opdat ze allen één zouden zijn. En we hebben gezien dat dit over Israël gaat. "Zoals U, Vader, in Mij en Ik in U, opdat ook zij in Ons zouden zijn, opdat de wereld zou geloven dat U Mij afvaardigde."⟨/p> ⟨p>Dat is de doelstelling. De eenheid zou zoveel indruk maken op het publiek in de wereld, waardoor de wereld — de volkeren — inderdaad tot inzicht en erkenning komt van wie de Messias is: dat U Mij afvaardigde. En nu komen we bij vers 22.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3438" title="Speel af vanaf 57:18">▶ 57:18⟨/button> ⟨span>Sta Op, Word Verlicht: de Stralende Opstanding van Israël⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En de heerlijkheid die U Mij hebt gegeven... Dit is trouwens ook weer zo’n aanwijzing dat de Heer Zich nu al plaatst na Zijn opstanding. Terwijl Hij nog moest lijden en sterven, plaatste Hij Zich feitelijk al in de positie van na de opstanding, want Hij zegt: "En de heerlijkheid die U Mij hebt gegeven" – voltooid tegenwoordige tijd – "heb Ik hen gegeven, opdat zij één zouden zijn, zoals Wij één zijn." Als je deze dingen leest, moet je bedenken dat dit niet zomaar uit de hemel komt rollen. Nee, dit is gebaseerd op wat er altijd al geschreven stond en wat Israël op grond van de profetie wist.⟨/p> ⟨p>Ik ga even naar Jesaja 60. Daar wordt tegen Israël gezegd: "Sta op, word verlicht." Ik wil daar even bij stilstaan. Waarom? Omdat dit "sta op" specifiek tegen Israël wordt gezegd. Dat betekent dat zij in de dood liggen, of in ieder geval in een liggende positie, en dat ze opgeroepen worden om op te staan. Dat is een Bijbels thema; ik had het zojuist over Ezechiël 37, waarbij Israël wordt gezien als een dal vol dorre doodsbeenderen die herleven en opstaan. Israël zal ook opstaan, en wel op de derde dag. De Heer zegt immers dat voor Hem een dag is als duizend jaar. Dus als Israël zal opstaan na twee dagen, dan staat Israël op na tweeduizend jaar. Dat betekent dat het aanstaande is. Israël zal opstaan, net als de Heer op de derde dag, alleen dan niet in termen van etmalen van 24 uur, maar in dagen van duizend jaar. Na tweeduizend jaar dus.⟨/p> ⟨p>"Sta op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid van Yahweh gaat stralend over u op." Let op wat hier staat: Israël zal opstaan en wat er gebeurt, is dat ze verlicht zullen worden. De heerlijkheid van Yahweh, van God Zelf dus, gaat stralend over hen op. Niet bij wijze van spreken of figuurlijk, maar gewoon letterlijk. Want zie – let op, er valt dus wat te zien – duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de volkeren, maar over u zal Yahweh stralend opgaan en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. Er komt een moment dat Israël terugverzameld zal zijn in het land en haar Heer zal kennen. Op dat moment zal de aarde nog in duisternis zijn en de volkeren eveneens; de gerichten zullen over de aarde gaan. Het boek Openbaring gaat daar voor een deel ook over. Maar over Israël, dat inmiddels is opgestaan, zal Yahweh stralend opgaan en Zijn heerlijkheid zal over hen gezien worden.⟨/p> ⟨p>Wat je dan krijgt, is dat ook de natiën in beeld komen. Natiën zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang. Dat wonder dat over Israël plaatsvindt, gaat de aandacht trekken. Dat zal gezien worden en de natiën zullen opgaan naar uw licht. Dat wordt ook elders in Jesaja en vele andere profetieën beschreven. Dat zijn die duizend jaren waar we het zojuist over hadden; de tijd dat het woord des Heren zal uitgaan uit Jeruzalem en Zijn wet uit Sion. Dan zullen de volkeren optrekken naar Jeruzalem. Het begint allemaal in Israël. Dat is het verhaal: het begint in Israël en wanneer zij gelovig zijn geworden en tot eenheid in het land zijn gemaakt, zal dat de wereld tot erkenning brengen.⟨/p> ⟨p>In feite zie je dat hier in Johannes 17 ook terug. Als er staat: "En de heerlijkheid die U Mij hebt gegeven, heb Ik hen gegeven," dan gaat het over degenen die door hun woord tot geloof zouden komen. Het gaat over hen die zouden geloven in de stem, opdat zij één zouden zijn. "Ik in hen en U in Mij, opdat zij volmaakt tot één gemaakt zijn." Dat wil zeggen: zo volmaakt één als God is in Zijn Zoon. Zoals de Zoon de volledige uitbeelding is van wie God is en wat Hij beoogt, zo zal de Heer ook in hen zijn. Zij geloven Hem, zij zijn geheiligd, zij worden bewaard en via hen zal de heerlijkheid gezien worden.⟨/p> ⟨p>Zie je dat dit geen menselijk gestumper is? Dit is geen mensenwerk; dit is gewoon wat God bewerkt. In een mens raak je altijd teleurgesteld. Alles wat wij moeten doen – je kunt er vergif op innemen – dat gaat geheid fout. Het geweldige van het Evangelie is: God verwacht helemaal niets, Hij doet het. Geloof dat nou maar. En kijk dan eens wat er gebeurt. "Opdat zij volmaakt tot één gemaakt zijn" – dat is dus wat er met Israël gebeurt – "opdat de wereld zou weten dat U Mij afgevaardigd of gezonden hebt, en U hen liefhebt zoals U Mij liefhebt." Mocht het je ontgaan zijn dat de eenheid van het volk van God de wereld zou overtuigen: dat stond al in vers 20 en 21, maar nu in vers 23 wordt het herhaald. Exact dezelfde procedure en doelstelling: dat de wereld zou weten. Niet zou vermoeden, maar weten. Geen twijfel mogelijk.⟨/p> ⟨p>Die situatie gaan we dus beleven. Het duurt nog even, maar we zitten aan het einde van de twee dagen. De derde dag komt eraan en dan gaat Israël opstaan. Er werd net opgemerkt dat het volgens Wikipedia nog maar een aantal dagen tot het einde van het jaar zou zijn; ik vermoed dat dit te maken heeft met een berekening van het deel dat gered zal worden voor die duizend jaar en de vlucht naar de bergen. Ik ben juist deze week veel bezig geweest met het maken van schema’s. Vorige week gaf ik een Bijbelstudie in Rotterdam en daar werd gevraagd of ik de feitelijke scenario’s niet eens kon uittekenen. Men wilde graag een schema van wat er precies gaat gebeuren, van "eerst dit en dan dat". Ik ben dat nu allemaal aan het verzamelen.⟨/p> ⟨p>Wat jij nu zegt over die vlucht naar de bergen, wanneer het afgodsbeeld in Jeruzalem geplaatst zal worden: dat is buitengewoon boeiend. Ik kan het nu niet zomaar even tevoorschijn toveren, want dat wordt te uitgebreid voor dit moment. Je kunt natuurlijk ook kijken op goedbericht.nl; daar staat het allemaal op. Ik vind het altijd een beetje sneu om te zeggen dat je het maar op de website moet opzoeken, maar daar is de informatie wel te vinden. Maar goed, ook hier gaat het om dat "volmaakt tot één", opdat de wereld zou weten. Ik herhaal: dit is niet iets wat de mens vervult, maar wat God vervult. Dit is de bede van de Heer Zelf. Dacht je nu werkelijk dat de Vader iets wat de Heer bidt niet zou vervullen? Hij gaat dit zeker doen. Hij heeft het gesproken en Hij gaat het ook doen. Laten we dat vooral vasthouden: opdat de wereld zou weten dat U Mij afgevaardigd hebt.⟨/p> ⟨p>En Hij heeft hen lief. Hier gaat het speciaal over Israël; Hij heeft hen lief zoals Hij de Zoon liefheeft. We hadden het net even over de liefde tussen Bruidegom en bruid, maar die bruid is natuurlijk ook weer Israël. Dat is niet de kerk; Israël is de bruid. Dit is ook wel weer boeiend, want eerst had Hij nog gezegd: "Niet voor de wereld bid Ik U." Je zou je kunnen afvragen waarom de wereld dan eerst niet in beeld is, maar hier zien we hoe zij via Israël uiteindelijk toch in het plan van God betrokken worden.⟨/p> ⟨p>Jawel, maar alles op zijn tijd. Dus eerst Israël, want daarna komt de wereld. Israël is uitgekozen als het kanaal waardoor de wereld bereikt wordt. Israël is uitverkoren, en dan heb je natuurlijk weer zo’n klassiek misverstand: "Ja, God kiest uit en dat betekent dat de rest dus allemaal verloren is." Nee, het is precies omgekeerd. God kiest uit om de anderen te bereiken, en dat is een compleet ander verhaal.⟨/p> ⟨p>Israël wordt uitgekozen opdat – hoe was het ook alweer tegen Abraham gezegd? – "opdat Ik door jou en jouw zaad, jouw nageslacht, alle volkeren van de aarde zou zegenen." Dat is uitverkiezing. Uitverkiezing wil dus zeggen dat je een bijzondere taak krijgt om de rest te bereiken. Want God heeft uiteindelijk de hele wereld en elk mens op het oog. Maar er zijn rangen en standen en er is een volgorde; ieder in zijn eigen rangorde.⟨/p> ⟨p>Ik had het er afgelopen zondag nog over met mijn broer Dirk, die een heel verhaal over de natuur had gehouden. Je ziet het in de natuur ook zo: alles heeft gewoon zijn plaats. Als hij daarover begint... Eerst heb je de krokussen, dan krijg je later de narcissen en zo gaat alles maar door. Het gaat allemaal prachtig ontluiken, maar niet allemaal tegelijk. Nee, ieder in zijn eigen rangorde, en dat is in de schepping ook zo. Eerst dit en dan dat.⟨/p> ⟨p>Onze Heer is de Eersteling. Hij is de Eersteling die uit de doden opstond, eens voor altijd. Hij is de Eersteling en vervolgens krijg je allerlei groepen van eerstelingen, maar uiteindelijk komt de grote oogst waarin niets en niemand ontbreekt. Die komt absoluut! Vader... Ik ga verder in vers 24.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4201" title="Speel af vanaf 01:10:01">▶ 01:10:01⟨/button> ⟨span>De Bestemming en de Liefde voor de Nederwerping Der Wereld⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>"Vader, wat U aan Mij hebt gegeven: Ik wil." Let even op, dat klinkt heel dwingend. Zo mag je toch niet bidden tot God? "Ik wil"? Jawel, want de Heer Jezus wist, toen Hij dit sprak, dat wat Hij nu uit ging spreken volledig conform Gods wil was. Hij wist: wat Ik nu zeg, dat is Gods eigen wil. Hoe wist Hij dat? Hij had het gelezen. "Ik wil dat waar Ik ook ben..." — niet "waar Ik ben", maar "waar Ik ook ben". Dat is een subtiel verschilletje. Dus waar Ik ook heen ga of waar Ik ook ben, ook zij zouden zijn met Mij.⟨/p> ⟨p>Ik weet het, natuurlijk kun je deze woorden ook zomaar op ons van toepassing brengen. Paulus doet het ook: als de bazuin zal klinken, zullen we de Heer tegemoet gaan in de lucht en dan zullen we altijd zijn bij Hem. Maar dat is niet waar het hier over gaat. Je moet Paulus hier eigenlijk nog even helemaal wegdenken. Dat is een verborgenheid die later pas door Paulus onthuld wordt; dat is hier nog niet aan de orde. Hier gaat het erom dat de Heer spreekt over eerst dat kleine groepje, de twaalf apostelen. Vervolgens degenen die door hun woord zouden geloven, namelijk het volk van Israël. "Ik wil dat waar Ik ook ben, ook zij..." — dat is gelovig Israël — "...ook zij zouden zijn met Mij." Want ja, ook dat is wat er stond en staat geschreven. Dan zal de Heer als een Herder zijn te midden van Zijn kudde en Hij zal de Davidische Koning zijn die zal regeren in Jeruzalem.⟨/p> ⟨p>Ik zeg niet dat Hij daar altijd op die plek is. Onze koning regeert ook in Den Haag, maar meestal zit hij daar niet, hij zit zelden op de troon en heeft zelden een kroon op. Niettemin is dat zijn positie, daar gaat het om. En dat is met de Heer straks ook zo. Hij is straks Koning in Jeruzalem. Dat is Zijn domicilie, Zijn plaats. Van daaruit regeert Hij, althans op aards niveau, en daar zal Hij zijn en daar zullen zij ook zijn. Ik bedoel dat gelovig Israël: in het land, rondom de troon. "Ik wil dat waar Ik ook ben, ook zij zouden zijn met Mij." De Heer kan dat haast dwingend zeggen omdat Hij wist: Ik haal nu gewoon aan wat Mijn Vader ooit al in Zijn Woord had verklaard bij monde van de profeten.⟨/p> ⟨p>"Opdat zij Mijn heerlijkheid zouden aanschouwen die U aan Mij hebt gegeven." Ook hier weer plaatst Hij Zich na de opstanding. Hij heeft geleden en vervolgens — hoe staat dat in Hebreeën 2? — heeft God Hem gekroond met eer en heerlijkheid. Hij heeft Hem een korte tijd beneden de engelen gesteld en vervolgens met eer en heerlijkheid gekroond. Maar, zegt de schrijver van de Hebreeënbrief, thans zien wij dat nog niet. Nee, er valt nog helemaal niets te zien van het feit dat Hij Koning is. Het is net als met David: David was al lang koning, maar het zou nog jaren duren alvorens hij op de troon zou zitten. Dat is in feite de huidige gang van zaken. De Koning is al aangewezen, maar Zijn koningschap, Zijn heerschappij, moet nog aanvangen.⟨/p> ⟨p>"Omdat ze Mijn heerlijkheid zouden aanschouwen die U aan Mij hebt gegeven, want U had Mij lief voor de nederwerping der wereld." Dat is zoals het er letterlijk staat: "U had Mij lief." De Heer Jezus was een mens; er is één God en één Middelaar van God en mensen, de mens Christus Jezus. Maar God had Hem lief. Hij was namelijk uitverkoren. Uitverkoren wil zeggen: uitgekozen en ook voorbestemd. Het zijn twee verschillende dingen. God had Hem uitgekozen — dat wil zeggen: Hem en niet die anderen — en vervolgens voorbestemd, gepredestineerd. Hij heeft Hem tevoren een bestemming gegeven: dat gaat het worden, zo ga je zijn, dat ga je doen. God had Hem lief vanwege dat wat Hij via Hem zou gaan vervullen.⟨/p> ⟨p>"Voor de nederwerping der wereld." Laten we daar maar niet te diep op ingaan wat dat is, want dat is een heel verhaal apart. Ik kan een tipje van de sluier oplichten, maar ik weet nu al dat ik meer vragen ga oproepen dan ik nu ga beantwoorden. Misschien heb je dat nooit gehoord, maar de nederwerping is niets anders dan de geboorte. Je vindt dat bijvoorbeeld in Hebreeën 11. Ik was er al op voorbereid dat Adi een vraag zou gaan stellen... Nee, je leest bijvoorbeeld van Sara — zo zeggen wij dat niet, maar er staat in onze vertaling dat Sara moeder werd — maar letterlijk staat er dat zij kracht kreeg tot de nederwerping van zaad. We herkennen het nog een klein beetje, want wij gebruiken die uitdrukking eigenlijk alleen nog in verband met de dierenwereld. Een dier werpt, maar wij zeggen dat van een mens niet. Een vrouw werpt geen kind. Dat is echter een kwestie van spraakgebruik. Want waarom zou een dier dat wel doen? Soms gaat het ook inderdaad letterlijk om werpen. Maar de wijze waarop ik het versta — meestal wordt het negatief uitgelegd alsof het een verwoesting van de wereld zou zijn — is dat het de geboorte van de wereld is. Ik ga het verder niet toelichten of proberen te bewijzen, maar "de grondlegging der wereld" komt aardig in de buurt. In ieder geval: voordat de wereld geboren was, had God Zijn Zoon, die nog zou moeten komen, lief, want Hij was uitverkoren en voorbestemd.⟨/p> ⟨p>"Vader," zegt Hij, "Rechtvaardige Vader, ook de wereld kende U niet." Zo is het altijd gegaan. Zo stond het al meteen in Johannes 1: Hij was in de wereld en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend. De wereld staat afwijzend ten opzichte van God. "De wereld kende U niet, maar Ik ken U. En dezen..." — dat is een typische term waarbij je moet wijzen — "...dezen weten dat U Mij afvaardigde." Dat geeft trouwens al aan dat degenen over wie Hij het had, daar omheen stonden: Zijn discipelen en leerlingen. "Dezen weten dat U Mij afvaardigde en Ik maakte Uw naam aan hen bekend."⟨/p> ⟨p>"En Ik zal hem ook bekendmaken." Dat wil zeggen: in steeds wijdere kringen. Waar ik het al over had: straks aan Israël, en later ook aan de hele wereld. Sterker nog, uiteindelijk aan elk mensenkind, aan ieder creatuur. Niemand ontkomt. Ik vergelijk het heel graag met een steen die je in de vijver gooit. Het begint met die steen die in het water komt en vervolgens ontstaan er steeds grotere kringen omheen. Dat is in feite de gang van Zijn bekendmaking. Nu is het nog maar een klein kringetje; een enkeling die eigenlijk van Hem weet. Maar er komt een steeds grotere groep, een steeds grotere kring. "Ik zal hem bekendmaken, opdat de liefde waarmee U Mij liefhebt..." — aorist, tijdloos, het is een feit — "...onder hen zou zijn, en Ik onder hen." Gods liefde voor Zijn Zoon zou zo verspreid worden onder hen en uiteindelijk zelfs de hele wereld bereiken.⟨/p> ⟨p>Dat is de bede die de Heer uitspreekt hier in Johannes 17. Het is ook het einde van het gebed. Je ziet in de chiastische structuur die ik aan het begin aangegeven heb, hoe het begon met de heerlijkheid van de Zoon en ook weer eindigt met de heerlijkheid van de Zoon. Vervolgens is Zijn onderwerp degenen die om Hem heen staan, en daarna degenen die door hun woord in Mij zouden geloven. Hoe uiteindelijk, doordat zij één worden, de hele wereld bereikt wordt. Het is een stapsgewijs verhaal, iets wat zich in fases voltrekt. Maar de doelstelling is duidelijk: het gaat over de liefde van God en die liefde die vervuld wordt en onder hen zou zijn. En daarmee zijn wij aan het einde.⟨/p> ⟨p>We zijn aan het einde van deze bespreking gekomen. De volgende keer, ik zei het al, dat zal 12 december zijn. Deo Volente uiteraard, want ik kan wel zeggen: ik wil dat, maar ik weet niet of dat ook Zijn wil is. In ieder geval is het wel onze planning, en dat is Jezus’ gevangenneming.⟨/p> ⟨p>Ik heb trouwens de planning weer even helemaal herzien. Dat zie jij niet zo in één oogopslag, Therese, maar ik heb het zodanig herzien dat we op 28 mei aan het einde van Johannes' evangelie gekomen zijn. Dus ik verplicht mij om er een beetje vaart in te houden. Ik heb haast, ja, want er is nog zoveel te vertellen.⟨/p>