⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Inleiding en de Theologische Betekenis van de Locatie⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Daar zijn we dan weer. En voorlopig even voor het laatst, want in september vangen we natuurlijk pas weer opnieuw aan met het Johannesevangelie. Ik hoop vanavond wel in hoofdstuk 16 te arriveren en zoals al werd gezegd: het is de vijftigste studie. Wat dat betreft moesten we deze mijlpaal natuurlijk dit seizoen nog eventjes bereiken. Het is de twaalfde studie van het seizoen en zowel in Rotterdam als in Katwijk heb ik ook twaalf avonden gegeven, dus ook hier heb ik het twaalftal compleet kunnen maken. Studie nummer vijftig; het is een groot aantal en we zijn er nog niet, want er resten nog een paar hele lange hoofdstukken. We zullen zien hoever we volgend jaar komen; we hebben geen haast.⟨/p> ⟨p>Voordat we de draad gaan oppakken bij vers vijftien van hoofdstuk vijftien, wil ik eigenlijk nog even iets zeggen over de locatie waar deze hoofdstukken geplaatst moeten worden. Ik heb er een vorige keer op gewezen dat we aan het einde van hoofdstuk 14 lezen dat de discipelen de opperzaal, de bovenzaal, verlaten. Hoofdstuk 13 en 14 zijn gesprekken in de bovenzaal; hoofdstuk 13 is het hoofdstuk van de voetwassing en hoofdstuk 14 is daar min of meer een voortzetting van. Aan het einde van hoofdstuk 14 lezen we dat zij daar vertrekken, of in ieder geval dat de Heer Jezus het voornemen heeft om de zaal te verlaten, want Hij zegt: "Kom overeind, laten we hier vandaan gaan."⟨/p> ⟨p>Ik heb in een van de voorgaande keren gesuggereerd dat de Heer Jezus wellicht inmiddels het Kidrondal al was gepasseerd, dat Hij toen een wijngaard heeft gezien en aan de hand daarvan heeft gesproken over de ware wijnstok. Daar ben ik echter een beetje van teruggekomen, omdat we in hoofdstuk 18 vers 1 lezen – nadat hoofdstuk 17, het hogepriesterlijk gebed, is uitgesproken – dat Hij uitging met Zijn discipelen, de stad uit, naar de overzijde van de beek Kidron.⟨/p> ⟨p>Ik weet niet in hoeverre jullie topografische kennis reikt, maar aan de oostkant van de stad heb je de Olijfberg. We kennen allemaal wel het plaatje vanaf de Olijfberg waarbij je een zicht hebt op de stad Jeruzalem en het Tempelplein. Vanaf die locatie is ook deze afbeelding gemaakt, waarbij dit de tempel is en je hier de burcht van Antonia hebt, het Romeinse fort. Dat was in de dagen van de Heer Jezus het geval. Tussen de Olijfberg en de stad ligt het Kidrondal. Tegenwoordig is dat dal wat moeilijker te overbruggen omdat je echt helemaal door het dal zelf moet gaan, maar in de dagen dat de tempel er nog stond, was daar een brug. Een brug over het Kidrondal, zodat je daarmee een flinke afstand afsneed. Dat weten we niet direct uit de Bijbel, maar we weten het wel uit andere gegevens, met name van Flavius Josephus. Hij was een Romeins geschiedschrijver uit de eerste eeuw en notabene zelf een priester. Hij heeft heel uitgebreid geschreven, niet alleen over de geschiedenis van Israël, maar ook over hoe de tempel eruitzag en hoe het er op die locatie precies aan toeging. We weten dus heel nauwkeurig uit zijn beschrijvingen hoe dat er toen allemaal uitzag.⟨/p> ⟨p>Over het Kidrondal had je dus die brug. Pelgrims die vanuit het oosten kwamen, passeerden allemaal deze brug om zo vervolgens in de stad te komen. De Heer Jezus had met de discipelen de maaltijd gehouden in de opperzaal; dat was in de stad, dat lezen we heel uitdrukkelijk. Het is omstreden welke plaats dat precies geweest is, de Bijbel zegt het niet nauwkeurig, maar in ieder geval was het een bovenzaal in de stad. Aan het einde van hoofdstuk 14 lezen we dat ze daar vandaan gingen. Pas in hoofdstuk 18 lees je dat ze de stad uitgaan, de beek Kidron passeren en naar een tuin gaan: de Hof van Gethsemane.⟨/p> ⟨p>Dat betekent – en dat is de reden waarom ik het zeg – dat de hoofdstukken daartussen, hoofdstuk 15, 16 en 17, allemaal nog in de stad gesproken zijn, voordat ze het Kidrondal gepasseerd waren. De veronderstelling dat de Heer Jezus het dal al overgestoken was en een wijngaard had gezien, klopt dus niet; ik had toen geen rekening gehouden met wat er staat in hoofdstuk 18 vers 1. Dit betekent dat hoofdstuk 15, 16 en 17 allemaal zijn uitgesproken in de stad, nabij de tempel. Als je het Kidrondal oversteekt en bij de Olijfberg uitkomt, betekent dat immers dat je daarvóór bij de tempel zelf was.⟨/p> ⟨p>Nu zou je de vraag kunnen stellen: wat doet dat ertoe? Nou, in die zin, dat als je je realiseert dat ze inmiddels de opperzaal hadden verlaten maar nog niet aan de kant van de Olijfberg waren, ze dus bij de tempel waren. Dan ga je ook veel beter begrijpen waarom er juist in hoofdstuk 15 en 16 heel sterk gesproken wordt over de vijandschap die men zou ondergaan vanuit de wereld, maar meer specifiek vanuit Jeruzalem en het jodendom. Ze passeren zojuist, terwijl deze hoofdstukken spelen en zij die gesprekken hebben, de tempel met alle autoriteiten die daar waren. De Heer Jezus heeft daarbij het woord; Hij beantwoordt heel af en toe een vraag, maar Hij voert het woord.⟨/p> ⟨p>Wat de Heer Jezus eigenlijk zegt is: "Jullie krijgen heel veel tegenstand en haat van de wereld." Hij waarschuwt hen dat ze uit de synagogen gezet zullen worden, maar Hij steekt hen ook een hart onder de riem. Dat doet Hij juist op de plek waar ze die vijandschap zouden ondervinden: bij de tempel, bij de autoriteiten van de stad. Voor mij was dit een eye-opener, omdat ik nu veel beter begrijp waarom juist in hoofdstuk 15, 16 en 17 zo sterk de nadruk wordt gelegd op de haat en de vijandschap van de zijde van de wereld. De locatie doet er dus degelijk toe, juist omdat ze zich daar bij die tempel en de autoriteiten van de stad bevonden.⟨/p> ⟨p>Goed, we gaan weer even terug naar hoofdstuk 15, vers 15.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="598" title="Speel af vanaf 09:58">▶ 09:58⟨/button> ⟨span>Geen Slaven, maar Vrienden⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dan zegt de Heer Jezus: "Ik zeg tegen jullie: niet meer slaven." En dat had een reden, want Hij zegt: "Omdat de slaaf niet weet wat zijn heer doet." Ja, verschil moet er zijn en het gaat een slaaf ook helemaal niets aan wat zijn heer doet. Maar Hij zegt: "Maar jullie heb ik vrienden genoemd." Waarom? "Omdat Ik alles wat Ik hoor bij mijn Vader aan jullie bekendmaak." Dat wil zeggen: alles wat Hij wist en alles wat Hij had gehoord, daarvan hield Hij niets achter en Hij maakte het hun bekend.⟨/p> ⟨p>Nou, dat is precies wat een vriend is. Dat is iemand tegen wie je alles vertelt. Je leest in Genesis 18 vers 17 ook van Abraham: "En de HERE dacht: Zou Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen?" Dat gaat vooral ook betekenis krijgen als je je realiseert dat elders, in Jakobus 2 — en dat wordt dan weer aangehaald vanuit Jesaja 41 — Abraham een vriend van God wordt genoemd.⟨/p> ⟨p>Niet — en dat is dan de evangelische versie natuurlijk — dat God een vriend is van ons. Dat lijkt me echt een misvatting om dat te denken. God is geen vriend van ons. Van Abraham lees je dat hij een vriend van God was, maar je leest nergens dat God hem een vriend noemt. Wij spreken God niet aan als vriend. Maar om even bij dat punt te blijven dat de Heer Jezus hen hier zelf vrienden noemt: dat is omdat Hij hen alles wat Hij te melden had, verteld heeft. Ja, dat is wat een 'gabber' ook is. U weet het, het woord gabber komt van ⟨em>chaverim⟨/em>, dat zijn vrienden.⟨/p> ⟨p>Dan nog zoiets. Ik had het net over vers 15, over Arminianen en evangelischen. Daar krijgt Jochem natuurlijk straks ook nog een les over, over de verschillen tussen de Gomaristen en de Arminianen, als je goed reformatorisch onderwijs krijgt. Maar evangelischen die hebben God in hun broekzak zitten, is mij vaak al verteld. En dat is geen moderne uitvinding, want ik heb dat vroeger al heel vaak gehoord als kritiek vanuit de traditionele kerken. De evangelischen die spreken altijd maar zo gemakkelijk over God, alsof ze bij Hem, bij wijze van spreken, in de schoolbank hebben gezeten. Maar zo ligt het er uiteraard niet. Hij is wel God. Maar nu even nog iets anders.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="786" title="Speel af vanaf 13:06">▶ 13:06⟨/button> ⟨span>De Bijbelse Waarheid en het Doel van de Uitverkiezing⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Er staat in vers 16: "Niet jullie kiezen mij uit, maar ik kies jullie uit." Dat is zo’n waarheid die in de evangelische kringen waar ik het over had niet zo makkelijk ligt. Het idee dat een mens wordt gekozen, de hele waarheid van de uitverkiezing, wordt daar soms zelfs ontzegd. Men zegt wel dat uitverkiezing geen Bijbelse waarde zou hebben, terwijl het volkomen Bijbels is. Het is een Bijbels gegeven: God kiest uit. Niet de mens kiest; nee, Hij kiest.⟨/p> ⟨p>Dit geeft ook een antwoord op de vraag waar we het zojuist over hadden: aan wie kun je de dingen kwijt die je weet? Dat is vaak maar aan heel weinig mensen. Toch is uitverkiezing een enorm voorrecht; dat je vandaag al op de hoogte mag zijn van dingen die uiteindelijk iedereen zal weten. Dat is wat de 'revo’s' en ook de evangelischen vaak niet begrijpen: dat God werkelijk het geheel op het oog heeft.⟨/p> ⟨p>De enige manier om uitverkiezing goed te begrijpen, is door te zien dat het altijd instrumenteel is. Het is een Bijbels feit, maar je begrijpt het pas wanneer je ziet dat God mensen uitkiest juist om het geheel te bereiken. Het is altijd bedoeld als een middel tot Zijn doeleinde. Hij heeft het geheel op het oog en Hij kiest instrumenten uit om dat doel te bereiken. Hij koos een Abram uit Ur der Chaldeeën en riep hem niet omdat de rest van de aarde Hem niet interesseerde, maar juist opdat Hij via Abram en zijn zaad heel de aardbodem en alle volkeren van de aarde zou zegenen. Als je dat eenmaal ziet, dan zie je én de waarheid van de uitverkiezing én dat geweldige grote doel dat God met alle mensen op het oog heeft en dat Hij dat ook bereikt. Want God is soeverein. Hij heeft een plan en als Hij een plan heeft, dan bereikt Hij dat ook.⟨/p> ⟨p>Wanneer Hij mensen inzet en uitkiest, is dat in feite heel exclusief. Uitkiezen wil altijd zeggen dat de anderen op dat moment niet worden gekozen. Als ik iemand uit een gezelschap kies, dan wordt de rest daarbij achtergelaten. Dat is net zoals een koning die ministers uitkiest; dat doet hij niet omdat de rest van het land hem niet zou interesseren, integendeel, het is juist om de rest daarmee te dienen.⟨/p> ⟨p>Deze waarheid van de uitverkiezing wordt hier prachtig beschreven. In dit geval gaat het over de Heer Jezus zelf, die al enige jaren tevoren Zijn discipelen daar bij het Meer van Galilea specifiek heeft uitgekozen. Hij zegt: "Jullie hebben mij niet uitgekozen, maar ik kies jullie uit." Dat is iets wat al veel eerder in het Johannesevangelie is benadrukt. Ik vind dat een geweldige waarheid. Als je dat eenmaal met je hart verstaat, dan heb je ook vrede met het feit dat de dingen niet door iedereen begrepen worden en dat je de dingen die jij mag kennen niet met iedereen kunt delen. Dat heeft allemaal te maken met die waarheid van uitverkiezing.⟨/p> ⟨p>Dat blijkt vanzelf. Je spreekt het woord en soms valt het in goede aarde, maar meestal niet. Dat hoort er allemaal bij. Het feit dat de discipelen destijds meteen op Zijn roeping zijn ingegaan, was ook niet hun verdienste. Nee, ze waren uitgekozen. Juist omdat Hij hen uitgekozen had, zeiden zij ja. Waar blijft dan het roemen voor de mens? Dat is helemaal uitgesloten, en daar gaat het om. "Niet jullie kiezen mij uit, maar ik kies jullie uit."⟨/p> ⟨p>"En ik plaats jullie," of zoals de NBG-vertaling zegt: "Ik heb jullie aangewezen." Ik plaats jullie, waarom? Opdat jullie zouden heengaan en vrucht zouden dragen. Dat is interessant, want er staat "vrucht dragen". Dat woord dragen is heel correct; in het Engels zie je dat ook als 'to carry'. Het idee is niet dat jullie vrucht zouden géven, maar dat jullie vrucht dragen. Uiteindelijk is het de Landman zelf – om even terug te komen bij het begin van hoofdstuk 15 – die zorgt voor de vrucht. Hij zorgt dat de wijnstok water en voeding krijgt en verzorgd wordt. Jullie dragen slechts de vrucht; het voortbrengen is het werk van de Landman.⟨/p> ⟨p>Ik vind dat ook een mooie gedachte in Galaten 5, waar gesproken wordt over de vrucht van de Geest. Die mogen wij dragen. Hij werkt dat uit; het is de vrucht van de Geest. Hij brengt dat voort en wij mogen dat dragen. Hij doet dat in en door ons. "En dat jullie vrucht zou blijven." Dat is ook een kenmerk van het feit dat het echte vrucht is: het is van blijvende aard.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1194" title="Speel af vanaf 19:54">▶ 19:54⟨/button> ⟨span>Bidden in Zijn Naam en de Vervulling in de Handelingentijd⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Opdat wat jullie ook maar de Vader zouden verzoeken in mijn naam, Hij dat jullie zou geven. Let op, we hebben het nu verschillende keren nogal benadrukt en de vorige bijeenkomst in Zoetermeer op de zondag, toen heb ik het uitgebreid ook gehad over de Erbij-geroepene, de parakleet. Dat was hier al een klein beetje opgewarmd, zeg maar, en de eerste elementen hebben we hier zo met elkaar al overdacht.⟨/p> ⟨p>Maar ook toen heb ik benadrukt dat wat de Heer Jezus zegt hier in deze gesprekken, vlak voordat Hij gevangen zou worden genomen, dat Hij specifiek hen aanspreekt, degenen die bij Hem waren. Als je nog eventjes een paar verzen doorleest, dan staat er: "Jullie die vanaf het begin bij Mij zijn." Dat wil zeggen de elf, of zo u wilt, het twaalftal. Maar goed, Judas was inmiddels verdwenen en weg. "Jullie die vanaf het begin bij Mij zijn", dat zijn de 'jullie'. Breid het nu niet meteen uit naar alle gelovigen; nee, het zijn degenen die hier bij de Heer Jezus zijn. Hij zegt: "Ik heb jullie uitgekozen en jullie zullen vrucht dragen, die vrucht zal ook blijven, opdat wat jullie ook maar de Vader zouden verzoeken in mijn naam, Hij dat jullie zou geven."⟨/p> ⟨p>Dus het is een hele sterke, extreme belofte: "Alles wat jullie ook maar de Vader zouden verzoeken in mijn naam, Ik zal het jullie geven." Zo staat het er. Als je dit vervolgens gaat toepassen op alle gelovigen nadien, op ons dus ook, dan kom je ineens met allerlei ingewikkelde vragen te zitten van: "Nou, ik heb gebeden voor – noem maar wat – ik heb gebeden om genezing, ik heb gebeden dat het zus of zo zou gaan en het is niet gebeurd." En dan zeg je: "Terwijl de Heer Jezus dat in de nacht voordat Hij werd gevangen en genomen, dat Hij dat zo uitdrukkelijk wel beloofd heeft. Wat jullie ook maar zouden verzoeken in mijn naam, dat God de Vader dat ook daadwerkelijk zou geven."⟨/p> ⟨p>Hoe kan dat? Dat is de vraag. En het antwoord is volgens mij helemaal niet moeilijk als je weet tegen wie Hij spreekt, namelijk tegen Zijn discipelen. En dan wordt het ineens ook volstrekt helder als u het mij vraagt, want dit is precies wat er gebeurde in de dagen van het boek Handelingen. Gewoon de dagen die, zeg maar, binnen enkele weken nadat deze woorden gesproken werden, begonnen. Namelijk toen de Geest werd uitgestort, ruim vijftig dagen later, zeg maar. Nog geen twee maanden later zou die Handelingentijd beginnen.⟨/p> ⟨p>En inderdaad, kijk het maar eens na. Alles wat de discipelen hebben verzocht in de naam van de Heer Jezus, dat hebben ze ontvangen. Ik zou geen uitzondering erop weten. Het is ook een tijd geweest die bol staat – kijk het maar na in het boek Handelingen. Nou ja, ik zeg: kijk het maar na, maar het is ook algemeen bekend. Dus ik hoef zelfs geen moeite te doen om het te bewijzen; het staat boordevol bewijs. Dat wat de Heer Jezus zelf deed in de dagen van de evangeliën, dat Hij hier rondwandelde, dat werd vervolgens in nog sterkere, grotere mate zelfs – want dat had de Heer Jezus ook gezegd: "Nog grotere dingen dan wat jullie gezien hebben, gaan jullie meemaken." En inderdaad, dat is vervuld in de Handelingentijd.⟨/p> ⟨p>Dit moet je niet vragen van: "Ja, maar ik zie er vandaag niets van." Nee, het gaat ook helemaal niet over vandaag. Het gaat over de belofte die de Heer geeft aan hén. En dat is perfect en volledig vervuld, zoals je dat ook mag verwachten van een belofte die de Heer geeft. Dus dan heb je meteen een gigantische theologische vraag getackeld, om zo te zeggen, want die bestaat dan niet meer, gewoon omdat je het scherp hebt gesteld van: tot wie richt de Heer zich?⟨/p> ⟨p>En dat is in het algemeen trouwens echt zo'n enorm belangrijke vraag. Ik vind het eigenlijk ook zo logisch. Als je zulke vraagstellingen oppert van: "Ja, hoe zit dat?", dat je eerst de vraag gaat stellen: tegen wie werd dat nu eigenlijk gezegd? Dat lijkt mij de allereerste vraag die van belang is. Dat is net zoiets als dat je een brief pas begrijpt als je ook eerst hebt gelezen wat er op de envelop staat, aan wie het geadresseerd is. Als je de adressering niet goed begrepen hebt, dan moet je niet denken dat je de inhoud van de brief zal kunnen begrijpen. Het een legt het ander uit. Dit is dus volledig en perfect ook vervuld.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1549" title="Speel af vanaf 25:49">▶ 25:49⟨/button> ⟨span>Geestelijke Eenheid als Basis voor Broederliefde⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>"Deze dingen," zegt de Heer Jezus dan, "instrueer Ik jullie." Of: bied Ik jullie dit aan? Eigenlijk is het inderdaad het idee van instrueren, niet zozeer dat van opleggen. Maar Ik geef jullie instructies, en die geef Ik jullie opdat jullie elkaar zouden liefhebben. En deze instructies zijn niet alleen maar een opgave van wat zij zouden moeten doen, maar het bevat ook een belofte: wat jullie ook maar zouden verzoeken, Ik zal het — of de Vader zal het — vervullen; het zal geschieden. Zo stond het toch? Hij zal het jullie geven.⟨/p> ⟨p>Hij zegt dat deze instructies de discipelen bonden tot eenheid tezamen. Opdat jullie elkaar zouden liefhebben. Kijk, doordat de Heer deze dingen sprak, vormden zij een eenheid. De Heer had gezegd: "Dit ga Ik aan jullie geven, dit ga Ik aan jullie vervullen." Die belofte bond hen tezamen, en daarom zegt Hij ook: "Deze dingen instrueer Ik jullie." Waarom? Opdat jullie elkaar zouden liefhebben. Niet als een last van: jullie moeten dat doen. Nee, dat zal het gevolg zijn. Die instructies met die belofte maken dat jullie elkaar gaan liefhebben. Want je gaat dan zien waartoe Ik jullie heb uitverkoren, wat Ik via jullie ga doen en wat Ik door jullie allemaal zal gaan openbaren. Met andere woorden: jullie vormen een eenheid, en juist dat besef een eenheid te zijn, maakt dat je elkaar ook gaat liefhebben, toch?⟨/p> ⟨p>Ik denk dat je elkaar werkelijk kunt liefhebben wanneer je weet dat je één bent. Je bent een eenheid en het besef daarvan... ik heb ooit geleerd dat de definitie van eenheid is: het verlangen naar eenheid of eenwording. Ja, liefde is gemeenschap, is samen willen zijn. En waarom zou je dat willen? Juist omdat je bij elkaar hoort. Je weet: je bent een eenheid. En de echte eenheid waar we het hier over hebben, dat is natuurlijk een geestelijke eenheid. In dit geval vormden zij geen organisatie; nee, ze vormden een geestelijke eenheid. Ze werden gekend en gekozen door hun Heer, en dat maakte hen tot een eenheid. Dat is ook de basis en de motivatie om elkaar lief te hebben.⟨/p> ⟨p>Natuurlijk zat er ook nog een houdbaarheidsdatum aan die belofte, totdat het Woord compleet zou zijn. En dan zouden die beloften toch weer stoppen, althans: alles wat ze zouden vragen in Zijn naam. Je bedoelt dat zelfs in die generatie...? Niet altijd. Volgens mij was het zo dat God aan Zijn discipelen die tekenen gaf totdat het Woord compleet zou zijn, en dan zou je die gaven niet meer ophouden. Maar dat Woord was pas compleet aan het einde van het leven van de apostelen natuurlijk. Dus de dagen van de apostelen... nu denk ik dat ik ook wat beter begrijp wat je bedoelt. De dagen van de apostelen zijn precies de dagen waarin het Woord door hen gesproken werd, maar ook op schrift werd gesteld. Ja, en toen zij daarmee klaar waren...⟨/p> ⟨p>Vandaar ook, om nog eventjes daarop aan te haken: aan het einde van hun leven lees je ook dat Paulus en Petrus zich er met name voor hebben beijverd om de Schriften die inmiddels al opgetekend waren — al die brieven en boeken, et cetera — te verzamelen. Om ze gewoon in één band te brengen, te bundelen en de canon samen te stellen. Aan het einde van hun leven hebben ze dat gedaan en toen konden ze inderdaad ook afscheid nemen, want hun taak was daarmee ook volbracht.⟨/p> ⟨p>Dat was tevens de tijd dat de wondertekenen ook ophielden. Parallel daarmee heb je een andere ontwikkeling, en dat heeft te maken met de prediking van het Koninkrijk. Het Koninkrijk dat openbaar zou worden en de verwachting daarvan; dat werd aan Israël allemaal geproclameerd. Dus dat heeft ook alles te maken met de Handelingen-tijd. Ik bedoel eigenlijk dit te zeggen — misschien, want ik zie wat vraagtekens in je ogen, maakt dit het wat complex — maar je hebt dus eigenlijk twee redenen waarom er zoveel wondertekenen waren in de dagen van de Handelingen van de apostelen.⟨/p> ⟨p>Aan de ene kant omdat zij de apostelen waren. Het waren de 'tekenen van de apostelen'. Zo wordt het ook genoemd; in 2 Korintiërs 12 vers 12 staat dat letterlijk zo. De tekenen van de apostelen, wonderen en tekenen. Zij waren afgevaardigd, zij waren gekozen. Aan hen was het beloofd en die wondertekenen hoorden bij hun bediening. Dat is de ene reden. De andere reden dat die tekenen en wonderen plaatsvonden, had te maken met het feit dat de prediking van het Koninkrijk in die dagen gebracht werd, namelijk: Israël moet tot bekering komen en Israël zou zien wie de Messias is. Dat hebben zij ook demonstratief bewezen in die dagen. Het was dus ook met het oog op de openbaring van het Koninkrijk.⟨/p> ⟨p>Maar goed, Israël heeft het afgewezen en het Koninkrijk is niet openbaar geworden. Vandaar dat we inmiddels een gat van tweeduizend jaar hebben. Ja, hoeveel keuze hadden ze er zelf? Dat is een goeie. Misschien komen we daar straks nog even over te spreken. Want aan de ene kant bereidt de Heer hen al helemaal voor op afwijzing, maar tegelijkertijd zie je ook, en dat zullen we straks nog zien, dat Hij — maar ook de discipelen — de optie nog steeds openhoudt dat er een bekering van Israël zou plaatsvinden. Ik parkeer het even, want dat komt straks nog aan de orde. Hier even iets anders.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2021" title="Speel af vanaf 33:41">▶ 33:41⟨/button> ⟨span>De Haat van de Wereld Voorzegd⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>In mijn Bijbel begint er trouwens een nieuwe paragraaf en daar staat in de NBG-vertaling boven: 'De haat der wereld'. Dat is precies het onderwerp waar vers 18 ook mee aanvangt: "Indien de wereld jullie haat, weten jullie dat zij mij het eerst van jullie heeft gehaat." Ik zet daar heel specifiek bij dat dit natuurlijk gewoon Jeruzalem is. Bij 'de wereld' denken wij meteen aan de hele kosmos – dat is ook het woord dat hier gebruikt wordt: de wereld – maar wat was de wereld voor hen? Wie hebben zij het eerst gehaat? Ja, de Heer Jezus. Maar waarin kwam dat tot uitdrukking? Gewoon in het feit dat Israël, het volk, Hem afwees.⟨/p> ⟨p>Als je je realiseert dat ze misschien wel bij of zelfs op het tempelplein zijn terwijl deze woorden gesproken worden, dan spreekt de Heer Jezus inderdaad over Jeruzalem, de stad van de grote Koning. In koninkrijkstermen is dat de hoofdstad van de wereld. Het is de stad van de grote Koning en dus ook de stad van het koninkrijk en de toekomstige hoofdstad van de wereld. "De wereld haat jullie" – meer specifiek: Jeruzalem zal jullie haten – "maar weet dan dat ze Mij het eerst heeft gehaat." Je hoeft er alleen maar bij stil te staan wanneer dit gezegd wordt. Jezus zou de stad uitlopen en Hij zou in Gethsemane gevangen genomen worden, daar in Jeruzalem veroordeeld worden en buiten de stadspoorten omgebracht worden. Dat alles op dezelfde kalenderdag nog, de 14e Nisan, want dat was de datum die inmiddels was aangebroken.⟨/p> ⟨p>De wereld heeft Mij het eerst gehaat; de wereld heeft haar overste geoordeeld. Daar hebben we het al een keer over gehad en later in hoofdstuk 16 komt het trouwens nog een keer aan de orde. U bedoelt: de meerderheid beslist dat? Ja, dat de wereld dat met haar overste kan doen en dat de overste dat ook laat gebeuren. De wereld zal jullie dus ook zo haten. Weet dan dat zij Mij het eerst van jullie heeft gehaat. "Indien jullie vanuit de wereld waren, zou de wereld van het haar eigene houden." Dat is logisch: je houdt van dat wat bij jou hoort, maar vreemde elementen passen daar niet tussen. Dat kennen we allemaal; er is niets zo oermenselijk als vreemdelinghaat. Gewoon alles wat niet bij jou past, niet jouw kleuren of jouw gewoontes heeft, dat is vreemd, en daarvan heb je de neiging om het van je te werpen.⟨/p> ⟨p>Hij zegt: jullie horen niet bij die wereld. Zouden jullie er wel bij horen, dan had de wereld jullie gewoon in de armen gesloten, maar dat is niet zo. Omdat jullie niet vanuit de wereld zijn – hoezo niet? Nou, omdat Ik jullie uitkies vanuit de wereld. Ze waren niet vanuit de wereld omdat de Heer hen eruit gekozen had. Let op, dat moet je heel letterlijk nemen: uitgekozen. Daarom haat de wereld jullie. Jullie zijn vreemd, jullie horen er niet bij en dat is de reden. "Herinner je het woord dat Ik tegen jullie zei: Een slaaf is niet groter dan zijn heer." We hebben dat in hoofdstuk 13 gezien; de Heer zegt dat daar letterlijk. Het is dus een herhaling van wat Hij al eerder had gezegd: een slaaf is niet groter of niet meer dan zijn heer. Nu zegt Hij het weer, maar met een speciaal doel: "Indien zij Mij vervolgen, zullen ze ook jullie vervolgen." Dat is logisch.⟨/p> ⟨p>Als Ik de Heer ben en jullie zijn slaven, wat zouden ze met jullie dan anders doen dan dat ze met Mij hebben gedaan? Dat is niet vreemd. Ik herhaal: dit werd specifiek tot hen gesproken, maar het is in principe een universele waarheid. Het geldt ook voor ons. Wij hoeven er niet vreemd van op te kijken dat wij een vreemd element in de wereld zijn en dat je op onbegrip stuit. Dat is feitelijk nog een heel vriendelijke variant. We danken bij de aanvang voor het feit dat we hier in vrijheid kunnen samenkomen en kunnen zeggen wat we willen. We leven in een heel tolerant werelddeel en land. Dat is geweldig en ik denk dat we daar niet genoeg voor kunnen danken. Maar tegelijkertijd moet ik erbij zeggen: we blijven natuurlijk een vreemd element in de wereld, en zo hoort het ook.⟨/p> ⟨p>Het hele idee dat wij het eigenlijk voor het zeggen zouden hebben in de wereld – bijvoorbeeld het idee van christelijke politiek, dat wij het hier in deze wereld wel even gaan regelen – nou, echt niet. Zolang onze Heer het hier niet voor het zeggen heeft en als overste niet de macht claimt, zouden wij als Zijn volgelingen dat dan wel moeten claimen? Dat is toch bizar? Het is bizar dat Hij de macht niet claimt en dat wij zouden zeggen: "Wij gaan het hier wel eens even regelen en Zijn koninkrijk openbaren", terwijl de Koning Zelf verborgen is en Zich verborgen houdt. Dat is zo'n kromme gedachte. Je zou maar denken dat wij Israël zijn en dat we nu in de duizend jaren leven en het koninkrijk moeten vormgeven. Dat geeft opnieuw frustratie, want dan moet je vaststellen dat we er na 2000 jaar toch weinig van gebakken hebben. Als je het beter weet, is er helemaal geen frustratie, want dan heb je het niet eens verwacht.⟨/p> ⟨p>Sterker nog, alle vrijheid die we hier hebben – zolang we niet echt te maken krijgen met martelingen en vervolgingen – is een genade op zich. De normale toestand voor een gelovige is dat hij gewoon veracht wordt in de wereld. Ik kan niet anders zeggen: we zitten hier in ongekende luxe omstandigheden. "Indien zij Mij vervolgen, zullen ze ook jullie vervolgen." De Heer Jezus had dat een of twee dagen eerder – in Matteüs 23 – ook al gezegd. Dat waren trouwens Zijn laatste publieke woorden op het tempelplein, toen Hij uitriep: "Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en stenigt wie naar haar toe is afgevaardigd. Hoe vaak wilde Ik jouw kinderen bijeenvergaderen zoals een hen haar kuikentjes bijeenvergadert onder haar vleugels, en jullie willen niet."⟨/p> ⟨p>Ik had het vers daarop eigenlijk ook nog moeten citeren, want daar staat dit: "Zie, uw huis – uw tempel – wordt aan u overgelaten." Dat wil zeggen: die wordt verwoest. "Want Ik zeg jullie: jullie zullen Mij van nu aan niet meer zien, totdat je zegt: Gezegend Hij die komt in de naam van de Heere!" Dit waren de laatste woorden die de Heer Jezus sprak op het tempelplein, gewoon in het openbaar. Hij zegt: van die tempel blijft weinig over, die wordt aan jullie overgelaten en jullie zullen Mij vanaf nu niet meer zien – aan het publiek dan – totdat jullie zullen zeggen: "Gezegend Hij die komt in de naam van de Heere." Met andere woorden: dat moment gaat komen. Jullie zullen Mij weer zien, maar dat is pas wanneer jullie Mij ook zullen verwelkomen. En het duurt niet al te lang meer voordat dat gaat aanbreken.⟨/p> ⟨p>Nu kom ik nog even op iets anders, en dat is het vers waar ik zojuist al even op doelde toen ik zei dat de Heer hen hier, ondanks het feit dat Hij hen voorbereidt op massieve afwijzing, wel degelijk ook de deur van bekering openhoudt. Want let op wat Hij zegt: "Indien zij mijn woord bewaren..."⟨/p> ⟨p>"Dan zullen ze ook dat van jullie bewaren." Het gaat over de wereld dus, hè? Daarmee laat de Heer Jezus — en dat geef ik hier als commentaar erbij — de mogelijkheid open voor een nationale bekering. Toch? "Dat zij, de wereld, ook jullie woord zullen bewaren." En dat is precies wat de twaalf hebben gedaan. Degenen die hier werden aangesproken, hebben even later in de Handelingen-tijd het woord gepredikt: "Kom tot bekering." En als jullie tot bekering komen, dan zal de Messias terugkeren. Als jullie Hem verwelkomen, dan zal Hij weer acte de présence geven. Die optie wordt hier ook genoemd: "Dan zullen ze ook dat woord van jullie bewaren." Er wordt niet gezegd dat dat zo zal gebeuren, maar het wordt wel als mogelijkheid opengelaten, toch?⟨/p> ⟨p>En dat is precies ook wat zij in de Handelingen-tijd hebben gepredikt. Kijk, wij weten inmiddels hoe het gegaan is, maar zij wisten dat toen nog niet. "Maar al deze dingen zullen zij jullie aandoen vanwege mijn naam." Dat wil zeggen: die vervolging die jullie dan ook te wachten zal staan. En dat is omdat zij Hem die Mij zendt niet weten. Ja, dat is eigenlijk de echte reden waarom ze dat woord zullen afwijzen en waarom die vervolging er is: omdat zij Hem niet kennen die Mij zendt. Ze kennen de God van de Schriften niet.⟨/p> ⟨p>Ja, dat kun je wel zeggen, ja. Dat laatste verstond ik, denk ik, niet goed. Je moet toch de tempel daar maar hebben staan? Ik bedoel de godsdienstigen... Precies. Ik bedoel: de Heer staat daar bij de tempel en Hij zegt dat ze de God die Hem gezonden heeft, niet eens kennen. Dat is inderdaad een hele boute uitspraak. Maar de logica is deze: als die God in Zijn woord nou de Messias aankondigt — heel de Schrift gaat over Hem — en dan is Hij er, wat doen ze dan met Hem? Uitgerekend dat deel van de wereld dat Hem had moeten herkennen, juist omdat men zegt naar de komst van de Messias uit te kijken. Dat is toch wat het Jodendom doet, toen en nog steeds trouwens. En dan is Hij er, en dan herkennen ze Hem niet. Sterker nog, ze doden Hem. Nou, daarmee geven ze er blijk van Hem die Hem heeft aangekondigd, die Hem heeft gezonden, niet te kennen.⟨/p> ⟨p>Ik stel voor dat we straks bij vers 22, na de pauze, verder gaan.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2886" title="Speel af vanaf 48:06">▶ 48:06⟨/button> ⟨span>Woorden en Werken Laten Geen Excuus voor Afwijzing⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We hadden het dus over de haat die de wereld aan de dag zou leggen. Zoals ze die haat aan de dag hebben gelegd naar de Heer Jezus toe, zouden ze die ook kenbaar maken en uiten naar de discipelen toe, als Hij eenmaal weggegaan zou zijn. Over die wereld spreekt de Heer Jezus in vers 22: "Indien Ik niet kwam en tot hen sprak, zouden zij geen zonde hebben." Dat wil zeggen: Hij kwam tot de wereld en Hij heeft tot hen gesproken. Ze hebben dus geen excuus van: "Ja, we hebben het niet gehoord." Ze hebben Hem zowel gezien als gehoord en desondanks hebben ze Hem afgewezen.⟨/p> ⟨p>Dan zegt Hij erbij: "Wie Mij haat, haat ook Mijn Vader." Dat wil zeggen: degene die Mij gezonden heeft. Kijk, dat is precies hetzelfde als dat zwart-witte waar we het twee verzen eerder over hadden, vlak voor de pauze. Dat is zo'n hele boude uitspraak waarmee de Heer gewoon zegt dat dit hele systeem, dat hele bouwwerk, het hele tempelcomplex en alle autoriteiten die daar gezeten zijn en het daar voor het zeggen hebben, feitelijk Degene haten in wiens dienst zij zeggen te staan wanneer zij Hem afwijzen.⟨/p> ⟨p>Nu krijg je min of meer een herhaling, alleen spreekt Hij nu niet over het woord, maar over de werken: "Indien Ik niet de werken deed onder hen die niemand anders deed, zouden zij geen zonde hebben." In vers 22 had Hij het over het woord: "Indien Ik niet tot hen gesproken had", en nu zegt Hij: "Indien Ik niet de werken deed onder hen die niemand anders deed, zouden zij geen zonde hebben." Het waren juist Zijn werken die Zijn woord bevestigden. Hij sprak niet alleen; Hij kwam tot hen, Hij sprak tot hen, Hij sprak de woorden en Hij bewees vanuit de Schriften wie Hij was. Hij legde Zijn woord aan het hart, Hij bewees het, en bovendien bevestigden Zijn werken — de wondertekenen die Hij deed — precies wat Hij zei.⟨/p> ⟨p>Hoe duidelijk kan het zijn? Als het licht zo duidelijk schijnt en er is tegelijkertijd die enorme afwijzing van juist de godsdienstige zijde, dan is dat met recht zonde. Dat is met recht doelmissen. Maar nu hebben zij de werken gezien en ze hebben Mij gehaat en dus ook Mijn Vader. Het zijn iedere keer weer die gelijkstellingen.⟨/p> ⟨p>Maar het woord zou vervuld worden dat in hun wet geschreven is: "Ze haten Me zonder reden." Als Ik het bewijs heb geleverd in Mijn woord en in Mijn werken dat Mijn missie en het mandaat wat Ik gekregen heb absoluut waar en onweerlegbaar is, en ze wijzen het desondanks af en haten het echt, dan is daarmee aangegeven: ze haten Me zonder reden.⟨/p> ⟨p>Maar, zegt de Heer Jezus — en dat vind ik nou weer prachtig — in feite is dat een vervulling van het woord. Want er staat al geschreven in de wet: "Ze haten Me zonder reden." Weet je waar dit geschreven staat? In Psalm 69. Ik ben er vanmiddag een tijdje mee bezig geweest en ik heb me voorgenomen om daar in de toekomst eens over te praten. Dat kan nog wel over een paar maanden zijn, maar ik ga er zeker een keer een serie over geven, want het is een schitterende psalm. Het is een psalm van David, maar hij is zo schitterend omdat hij niet alleen maar slaat op David, maar profetisch is over de Zoon van David. Het is prachtig zoals daarin beschreven wordt wie de Messias is. Dat wat David daar al uitroept: "Ze haten me zonder reden", is dus perfect vervuld en heeft inhoud gekregen in de Zoon van David, die duizend jaar later kwam. Maar ja, daar hebben we Hem.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3175" title="Speel af vanaf 52:55">▶ 52:55⟨/button> ⟨span>De Erbijgeroepene: de Geest van de Waarheid⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De Erbijgeroepene. In de vorige Bijbelstudies die ik hier gaf, noemde ik het nog de paracleet, maar toen ik inmiddels die toespraak in Zoetermeer had gegeven, dacht ik: nee, het is inderdaad de Erbijgeroepene. Het is misschien even wennen, maar als je het eenmaal begrijpt, dan is het zoveel beter en mooier dan de trooster. Dus ik houd het gewoon op de Erbijgeroepene. Dat is wat paracleet gewoon betekent. Het is trouwens ook onbetwist; het is niet een eigen uitvinding. Het is gewoon onbetwist, dat is wat het woord ⟨em>paracletos⟨/em> betekent.⟨/p> ⟨p>Maar wanneer de Erbijgeroepene zou komen, die ik tot jullie zal zenden van bij de Vader – dat wil zeggen: als ik straks bij de Vader ben, dan zal ik die zenden. Dat had Hij trouwens in hoofdstuk 14 al gezegd: die de Vader zal zenden in mijn naam. Dus Hij zal gezonden worden. Waarom? Omdat ik Hem zend. De Vader zal zeggen: "Ga", en dat is inderdaad ruim vijftig dagen later precies zo vervuld. Afgezien van het feit dat de Geest al in een eerdere instantie, eigenlijk op de dag van de opstanding, al op hen geblazen werd. Pasen en Pinksteren op één dag.⟨/p> ⟨p>Maar wanneer de Erbijgeroepene zou komen, die ik tot jullie zal zenden van bij de Vader... En wie is dat? Dat is de Geest van de Waarheid. Dan weet je meteen wat die Geest doet, namelijk de Waarheid spreken en ook de Waarheid openbaren en de Waarheid vastleggen. Kortom, dit, dat is de Waarheid. En weet je wat ik het bijzondere daarvan vind? In de dagen dat de apostelen handelden – de Handelingen der apostelen – in die dagen is dit woord allemaal op schrift gesteld, uitgesproken en vervolgens geboekstaafd. En zijn de woorden die de Heer beloofd heeft over wat er zou gebeuren in die dagen, precies ook vervuld? En wat hebben wij sindsdien? Het Woord! Het Woord! Compleet! De Schriften zijn compleet. Die Geest der Waarheid hebben wij in de Schriften. Dat is de Waarheid, maar daarin is ook de Geest. Dat Woord is Geest. Dat Woord is leven, het is krachtig, het is Waarheid.⟨/p> ⟨p>De Geest van de Waarheid die van bij de Vader uitgaat, die zal getuigen omtrent mij. En raad eens wat? Wat doet Hij, dat Woord, als we dit lezen? Ja, het spreekt nog altijd van Hem. Maar ook: jullie getuigen. Let op trouwens wat Hij zegt: de Geest van de Waarheid die zal komen, die van bij de Vader uitgaat, die zal getuigen omtrent mij, maar ook jullie getuigen. Dat is niet dubbelop, maar het geeft aan: Hij getuigt door jullie heen. De Geest getuigt via jullie, omdat jullie vanaf het begin met mij zijn. Zie je ook hier weer waar de Heer op doelt en tegen wie Hij spreekt? Het zijn degenen die vanaf het begin met Hem zijn en die Hij heeft opgeleid. Die had Hij uitgekozen en die zouden die taak gaan vervullen. Nou, dat was hoofdstuk 15.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3406" title="Speel af vanaf 56:46">▶ 56:46⟨/button> ⟨span>Johannes 16: Voorbereid op Vervolging uit de Synagoge⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan maken we nog even een begin met hoofdstuk 16. We lezen daar: "Deze dingen heb ik tot jullie gesproken" — en dan gaat het over deze dingen over haat en vervolging — "opdat jullie niet verstrikt zouden worden." Met andere woorden: jullie weten wat je te wachten staat. De Heer instrueert hen op deze gedenkwaardige dag: dit gaat jullie overkomen. Hij doet dat zodat je niet in vertwijfeling hoeft te geraken of in ongeloof; integendeel, je bent daarmee ook voorbereid. Het woord dat hier trouwens vertaald wordt met 'verstrikt' of 'ten val komen', is het Griekse woord ⟨em>skandalon⟨/em>. Dat kennen we nog in ons Nederlandse woord 'schandaal'. Schandaal is eigenlijk een Grieks woord, al heeft het bij ons trouwens een wat andere betekenis gekregen. Het idee van een ⟨em>skandalon⟨/em> is echter een valstrik. Het was een net waar je bijvoorbeeld vogels in ving, of een val waarin een dier werd gevangen. Dat was een ⟨em>skandalon⟨/em>. De haat en de vervolging die men zou meemaken, zou voor hen geen verstrikking zijn, want de Heer wist namelijk niet alleen dat het zou gebeuren, maar Hij heeft het hun ook van tevoren gezegd, zodat ze geprepareerd waren.⟨/p> ⟨p>Want ze zullen jullie uit de synagoge zetten, waaruit trouwens weer blijkt dat het inderdaad gaat over degenen die bij Hem waren: over de Joodse volgelingen. Ze zouden hen 'excommuniceren', zoals dat met een mooi woord heet. Dat wil zeggen: uit de gemeenschap zetten. We hadden het zojuist over het kerkelijk leven, en dan kun je ook geëxcommuniceerd worden. Als je dan buiten staat, dan sta je ook echt buiten. Dat is veel meer dan alleen maar dat je niet meer in dat gebouw kunt komen; het betekent dat je echt buiten de gemeenschap geplaatst bent. En dat is eenzaam. Maar het uur komt... en de Heer zegt dat het ook nog erger kan. Eigenlijk is excommunicatie nog maar het begin. Dat zouden de discipelen trouwens ook gaan meemaken en beleven.⟨/p> ⟨p>"Maar het uur komt dat een ieder die jullie doodt, zal menen een dienst aan God aan te bieden" — Gode een dienst te bewijzen. Als jullie overgeleverd en omgebracht zouden worden, wat dacht je dan? Ik had de aantekening zelf ook gemaakt: Saulus van Tarsus was zo iemand. Dat was een ijveraar voor God, zoals hij later zei, maar zonder verstand. Aan de ijver voor God ontbrak het niet, maar hij meende ook inderdaad een Gode welgevallige dienst te bewijzen door die sekte van de Nazareners te vervolgen, om te brengen en te verwoesten. De Heer zegt het hier. Trouwens, het is algemeen bekend dat er geen haat en geen fanatisme zo sterk is als godsdienstig fanatisme. We kennen het allemaal: religieus extremisme is de meest felle vorm van geweld die je maar kunt bedenken.⟨/p> ⟨p>En deze dingen — ik lees even verder — "deze dingen zullen zij doen omdat zij noch de Vader kennen, noch Mij." Het is nu de derde keer, vanavond alleen al, dat we dit zien. Je zou het in het hele Johannes-evangelie eens een keer moeten optellen hoe vaak die link gelegd wordt: ze kennen Mij niet, maar dat komt omdat ze de Vader niet kennen. Of omgekeerd kun je ook zeggen: ze kennen de Vader niet en daarom kennen ze Mij ook niet. Let trouwens op dit verschil. Er staat hier: "Het uur komt dat een ieder die jullie doodt, zou menen een dienst aan God aan te bieden." Er wordt gesproken over een dienst aan God, maar hier staat: "En deze dingen zullen ze doen omdat zij noch de Vader kennen, noch Mij."⟨/p> ⟨p>Het is opmerkelijk; vanmiddag werd ik er heel in het bijzonder bij bepaald dat de Heer Jezus altijd spreekt over God als Zijn Vader. Dat is de unieke betrekking waarin Hij Hem kende: namelijk als Vader. Hij was namelijk verwekt door God. Jezus spreekt altijd over "Mijn Vader". Waarom? Omdat Hij de eniggeboren Zoon is. Er is maar één iemand die in de meest unieke zin van het woord een Zoon van God is. Van alle miljarden mensen is er maar één die kan zeggen: "God is mijn Vader, omdat ik door God Zelf verwekt ben." En dat betekent dus dat Hij God als Zijn Vader aanspreekt, omdat dat het meest kenmerkende is van de verhouding die Hij tot God had. En Hij zegt: ze kennen de Vader niet. Ja, hoezo niet? Omdat ze de Zoon niet kennen.⟨/p> ⟨p>"Maar deze dingen", zegt Hij, "heb ik tot jullie gesproken opdat, wanneer hun uur zou komen" — dat wil zeggen: om jullie te vervolgen en om jullie zelfs om te brengen — "jullie je zouden herinneren dat Ik ze tegen jullie zei" op deze bijzondere datum. "Maar deze dingen zei Ik in het begin niet, omdat Ik nog met jullie was." Kijk, de Heer spreekt nu over het feit dat... misschien moet ik het nog even teruglezen in vers 4: "Deze dingen heb ik tot jullie gesproken opdat, wanneer hun uur zou komen, jullie je zouden herinneren dat Ik ze tegen jullie zei." Dat wil zeggen dat zij hen zouden gaan vervolgen. En de Heer zegt: dat zeg Ik nu tegen jullie, maar dat zei Ik nog niet vanaf het begin.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3808" title="Speel af vanaf 01:03:28">▶ 01:03:28⟨/button> ⟨span>Het Heengaan van de Heer en de Droefheid van de Discipelen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Waarom zei de Heer deze dingen in het begin niet? Omdat Hij al die tijd nog bij hen was. Tot nu toe is de haat van de wereld altijd op Mij gericht geweest, zegt de Heer. Maar nu ga Ik weg, en straks zal het zo zijn dat ze jullie gaan haten, net zoals ze Mij hebben gehaat. Zolang Ik nog bij jullie was, heb Ik er niet over gesproken dat ze jullie gaan haten. Maar nu Ik wegga, zeg Ik: ze zullen ook jullie haten. Het was dus niet voor niets dat de Heer hen juist vanaf dit moment op het hart gaat binden wat hen te wachten stond.⟨/p> ⟨p>En nu zegt Hij: "Nu ga Ik heen naar Degene die Mij zendt." Daar klinkt wat droefheid in door: "En niemand vraagt Mij: waar gaat U heen?" De Heer legt ook uit waarom niemand dat vraagt. De Heer had al veel eerder, in hoofdstuk 14 lees je dat al, gezegd dat Hij heen zou gaan. Hij had er ook wel wat over verteld, maar niemand had daar verder over doorgevraagd. Waarom niet? De Heer geeft zelf het antwoord op de vraag die Hij stelt.⟨/p> ⟨p>Omdat Ik deze dingen tot jullie gesproken heb — namelijk deze dingen over de haat die jullie tegemoet zal komen vanaf de zijde van de wereld, de vervolging, het uitgesloten worden uit de synagogen en dat ze jullie zelfs zullen willen doden — omdat Ik deze dingen nu tot jullie gesproken heb, heeft droefheid jullie hart vervuld. Daarom vragen jullie niet meer naar Mijn heengaan tot de Vader. Het is puur de droefheid waardoor jullie geen aandacht hebben voor dat wat Ik al eerder tegen jullie zei.⟨/p> ⟨p>Ik stel voor dat we daar de volgende keer, dat wil zeggen in september, mee verder gaan; namelijk dat het beter is dat de Heer weg zou gaan en heen zou gaan. Dat gaat Hij dan ook uitleggen. Hij zegt: "Jullie zijn nu wellicht droevig vanwege het lot dat jullie te wachten staat, maar het is beter." En hoezo beter? Wel, dat heeft alles te maken met de Erbij-geroepene. We kunnen nog even verder gaan, maar omdat dat weer een nieuwe passage is, denk ik dat we dat beter kunnen parkeren tot de volgende keer. Dus dan sluiten we nu wat eerder af.⟨/p>