⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Inleiding in Caesarea: Paulus voor Agrippa en Festus⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dit is de 42e studie over het boek Handelingen en Paulus' voetsporen die daarin gevolgd worden. We zijn nog steeds bezig in het 26e hoofdstuk van het boek Handelingen. Dat speelt zich af in Caesarea, de plaats waar het boek Handelingen trouwens al een paar hoofdstukken over handelt. We weten dat Paulus daar twee jaar lang gevangen heeft gezeten in dat keizerlijke oord, zoals in een van deze hoofdstukken ook wordt vermeld. Trouwens, dat woord Caesarea betekent eigenlijk ook ‘van de keizer’, Caesar.⟨/p> ⟨p>Inmiddels was stadhouder Festus daar degene die de scepter zwaaide. Hij was, nogmaals in het kort overigens, de opvolger van Felix, van wie we natuurlijk ook al hebben gehoord en gelezen. Nadat hij daar geïnstalleerd was, was ter gelegenheid daarvan ook koning Agrippa op bezoek bij hem gekomen. We lezen dat Festus nogal in zijn maag zat met de kwestie van Paulus, omdat hij vond dat hij naar juridische overwegingen absoluut vrijgelaten zou moeten worden. Maar goed, de kwestie was een hete aardappel en die werd eigenlijk maar opgeschoven en doorgeschoven; omwille van de Joden wilde hij zich niet aan de kwestie branden.⟨/p> ⟨p>Maar nu was Agrippa daar, die hij als een kenner beschouwde, als een expert op het gebied van allerlei interne Joodse aangelegenheden. En dat was hij natuurlijk ook absoluut. Nu Agrippa op bezoek was, was dat een mooie gelegenheid voor Festus om de hele kwestie eens aan Agrippa voor te leggen. Dat kwam goed uit, want ook koning Agrippa had al zo vaak vernomen van deze figuur Paulus. Nu was hij eindelijk in de gelegenheid om hem persoonlijk eens te ontmoeten en uit te horen. Dat was dus een wederzijds belang. Paulus mocht opnieuw opdraven om zijn verhaal te doen en om zich te verdedigen.⟨/p> ⟨p>Nou, dat is eigenlijk Handelingen 26, en we hebben inmiddels al een paar avonden daaraan gewijd. Dit is ook het meest diepgravende betoog dat we lezen. Want als Paulus zich eerder heeft verantwoord voor Festus en nog weer eerder voor Felix, dan is dat toch tamelijk oppervlakkig, aangezien die beide Romeinse stadhouders niet zo erg op de hoogte waren van de ins en outs. Agrippa daarentegen wel, en dat merk je meteen aan de wijze waarop Paulus dat aanpakt. Hij gaat heel diepgravend te werk. Dat wil zeggen: hij vertelt uitgebreid over de dingen en hij veronderstelt ook een heleboel zaken als bekend. We zullen dat vanavond trouwens ook vanzelf nog wel zien.⟨/p> ⟨p>Het lijkt me nuttig om eventjes voor te lezen wat we de voorgaande avond hebben besproken. Dan begin ik te lezen in vers 12, waar Paulus spreekt over de omstandigheden, nadat hij net in het voorgaande nog had gesproken over het feit dat hij zo'n verklaard tegenstander was. Sterker nog, hij was de meest verklaarde tegenstander van die sekte van de Weg, van de Nazarener. Hij was eigenlijk de aanvoerder van die hele beweging tegen de Weg en geen omstandigheid of gelegenheid liet hij onbenut om zich te verzetten tegen de Nazarenen en die hele beweging uit te roeien. Echt uit te roeien, ja.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="255" title="Speel af vanaf 04:15">▶ 04:15⟨/button> ⟨span>De Missie aan Paulus: Omkering van Duisternis Naar Licht⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>In die omstandigheden, zo vertelt Paulus, ging hij naar Damascus met volmacht en vergunning van de hogepriesters. Waaruit trouwens ook maar weer blijkt dat de hogepriesters hem die toestemming daadwerkelijk hebben gegeven. Het initiatief lag eigenlijk bij Paulus zelf om dat te gaan doen. Midden op de dag nam hij onderweg iets waar. Hij richt zich rechtstreeks tot de koning – want tot hem spreekt hij, ook al waren er vele anderen die hem aanhoorden. Festus was daar ook bij, dat zullen we straks nog wel zien, maar in zijn verdediging richt hij zich specifiek tot koning Agrippa.⟨/p> ⟨p>"Midden op de dag nam ik onderweg waar, o koning, van de hemel boven de schittering van de zon." Dat wil zeggen: het licht ging de schittering van de zon ver te boven. Het was een licht dat hem en degenen die met hem meereisden omstraalde. En toen zij allen ter aarde vielen – let op: allen – zagen zij dus ook dat licht. Misschien niet de verschijning zelf, maar wel het licht. Terwijl ze daar lagen, hoorde Paulus een stem tot hem zeggen in het Hebreeuwse dialect: "Saul, Saul, waarom vervolg je Mij? Het is hard voor jou om tegen de stekels – die scherpe punten waar we het eerder over hebben gehad – te trappen." De anderen hoorden wel geluid, maar zij hebben de stem niet verstaan. Ze begrepen in ieder geval niet wat de stem zei, wellicht omdat de medereizigers het Hebreeuwse dialect niet machtig waren. Ze hoorden geluid en zagen licht, maar ze zagen niemand en konden de woorden van de stem niet begrijpen.⟨/p> ⟨p>Dit was natuurlijk het grote moment van de omkering. "Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?" Paulus antwoordde: "Wie bent U, Heer?" En de Heer zei: "Ik ben Jezus, die jij vervolgt." Hij vervolgde de gemeente, maar de Heer identificeert Zich volledig met die vervolgden, alsof zij één zijn. Eén lichaam. In feite zie je hier in de kiem al de openbaring die Paulus later in zijn schriften neerlegt: dat de gemeente een unieke waarheid is die alleen Paulus onder woorden brengt, uitlegt en toelicht. Hij laat vooral ook de toepassingen ervan zien, namelijk dat de Ecclesia – dat wat nu uitgeroepen wordt – één lichaam is met Christus. In die eerste zinnen komt dat al tot uitdrukking: "Waarom vervolg je Mij?"⟨/p> ⟨p>Dan volgt de opdracht: "Sta op en sta op je voeten. Want hiertoe werd Ik door jou gezien: om je voor te bestemmen als een assistent en getuige daarvan dat je Mij waarnam." Hij nam de Heer visueel waar; hij heeft het licht gezien en waarschijnlijk ook een verschijning. Hij heeft Jezus gezien, verblindend, maar hij nam Hem waar met zijn gezichtsvermogen én via zijn gehoor. De tekst vervolgt: "En dat Ik door jou gezien zal worden." Daar hebben we eerder al uitgebreider bij stilgestaan, want dat is van groot belang. Paulus moest namelijk nog verder onderwezen worden. We hebben gezien dat hij daarna niet meteen bij vlees en bloed te rade is gegaan, maar naar Arabië is vertrokken. Daar is de Heer hem verschenen en is hij onderwezen. Dit was dus de eerste verschijning, maar zeker niet de laatste. Dat wordt in deze eerste ontmoeting meteen al aangegeven: "Ik ben door jou gezien, maar Ik zal ook door jou gezien worden." Wordt vervolgd dus; de Heer had hem nog veel meer te vertellen.⟨/p> ⟨p>Zo begrijp je ook meteen waarom Paulus spreekt over "mijn evangelie" en over de verborgenheden die aan hem bekendgemaakt zijn. De Heer is letterlijk door hem gezien en hij is door Hem onderwezen. In die zin is hij in de meest basale betekenis van het woord een afgevaardigde, een apostel. Een kenmerk van een apostel is immers dat hij afgevaardigd is, en Paulus is hoogstpersoonlijk door de opgestane Heer – in dit geval zelfs de verheerlijkte Heer – geïnformeerd en afgevaardigd. Hij heeft dus een heel aparte, bijzondere missie: "Terwijl Ik je uittil vanuit het volk Israël en vanuit de natiën." Paulus had zijn wortels in beide werelden; hij was opgevoed in Jeruzalem, was een Jood en een Farizeeër, maar hij was ook een Romein. Nu wordt hij eruit getild en met een missie op pad gestuurd: "Waarheen Ik jou ook afvaardig."⟨/p> ⟨p>Hier wordt in een vijftal statements aangegeven wat Paulus te doen stond. In feite staat er een paar keer hetzelfde, maar telkens op een andere wijze geformuleerd om de verschillende facetten van zijn missie aan te geven. Strikt genomen gaat het hier over de natiën, de volkeren in het algemeen, inclusief het volk Israël. De opdracht is: "Om hun ogen te openen tot omkering vanaf de duisternis tot het licht." Dat moet je heel letterlijk zien. Je keert je af van de duisternis en richt je tot het licht. De metaforen die hier gebruikt worden, liggen heel dicht bij wat Paulus op dat moment zelf meemaakte: het licht dat hem omstraalde en zijn ogen die werkelijk geopend werden. Hij wordt gezonden om mensen weg te leiden van de volmacht van de satan – want deze wereld leeft in het gebied van de tegenstander, in het domein van de slang. Deze aion wordt de "boze aion" genoemd en de satan is de god van deze aion. Paulus brengt hen van de volmacht van de satan tot God.⟨/p> ⟨p>Het doel is dat zij "loslating van zonden" ontvangen, bevrijding van zonden. Het is meer dan alleen vergeving; het betekent niet alleen dat zonden uit het verleden vergeven zijn en dat daar niet meer aan gedacht wordt, maar het is een actuele aangelegenheid. Je bent bevrijd van de zonde. Het is niet langer ons pakkie aan of ons probleem; daar ben je van verlost. Waarom? Omdat je in een ander gebied bent geplaatst en je op Hem richt. Dat is het: bevrijd van de zonde, het probleem is voorbij.⟨/p> ⟨p>En dan ontvangen zij een "lotsdeel". Meestal wordt dit vertaald met een erfdeel, maar een lotsdeel is iets wat je ten deel valt. Dat kan een erfenis zijn, maar het idee is vooral dat het je als lot toevalt – soms zelfs letterlijk door loting. Het valt je met recht toe. Een lotsdeel te midden van de geheiligden, in het geloof in Mij. Dus wat wordt er ontvangen? Dat is bevrijding van zonden en vervolgens een lotsdeel te midden van degenen die God heiligt, apart zet en vergadert. Hoe dan? In het geloof in Mij. Dat is wat we de vorige keer hebben besproken, dus ik wilde dat nu alleen even herhalen door het voor te lezen.⟨/p> ⟨p>Dan gaat Paulus verder. Hij staat daar nog steeds voor de koning en begint zijn conclusies te trekken: "Vandaar, o koning Agrippa, werd ik niet ongezeggelijk aan het hemelse schouwspel." Eigenlijk is het idee dat Agrippa hier toch moeilijk bezwaar tegen kan maken. Want wie er ook naar Paulus luisterde: als je dit hebt meegemaakt, als je als zo'n felle tegenstander zo overduidelijk bij je nekvel gegrepen bent en deze missie hebt gekregen, wat zou je dan anders kunnen doen? Paulus zegt elders ook dat hij is overweldigd. Dan praat je niet meer in termen zoals evangelische christenen dat graag doen over een "keuze".⟨/p> ⟨p>En dergelijke zaken zijn dan eigenlijk niet eens meer aan de orde. Je kiest niet; Paulus heeft niet voor Jezus gekozen. Dat is een volkomen misplaatst woord in dit verband. De Heer heeft hem gewoon overweldigd. Vandaar ook: 'O koning Agrippa, werd ik niet ongezeglijk aan het hemelse schouwspel.' Dat is wat hij zag. Een hemels schouwspel, letterlijk en figuurlijk, maar in dit geval was het zelfs letterlijk zo.⟨/p> ⟨p>Paulus vervolgt: 'Maar ik heb eerst hen die in Damascus waren en ook in Jeruzalem...' Ik wil daar nog even op terugkomen, want we hebben het de vorige keer al kort gehad over de gang van zaken pal na die roeping van Saulus. Laten we dat eens op een rijtje zetten in een tijdlijn.⟨/p> ⟨p>Saulus wordt dus geroepen op de weg naar Damascus en vervolgens komt hij ook aan in Damascus. U weet het: hij ging naar de straat genaamd De Rechte en hij werd daar opgevangen door Ananias – Hananja, wat betekent: Yahweh is genade. Hij werd opgevangen in Damascus, maar is vervolgens naar Arabië gegaan. Hoe lang hij daar precies geweest is, dat weten we niet.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="967" title="Speel af vanaf 16:07">▶ 16:07⟨/button> ⟨span>De Tijdlijn van Paulus en de Typologische Parallel met Elia⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Hij is naar Arabië gegaan. Dat is trouwens niet wat we in Handelingen lezen, maar in de Galatenbrief is dat volstrekt helder. Paulus benadrukt het zelfs; hij zegt: "Ja, ik ben niet te rade gegaan bij vlees en bloed, maar ik ben naar Arabië gegaan." Met andere woorden: ik ben bij de Heer Zelf te rade gegaan. Hij is naar Arabië gegaan en vervolgens is hij weer teruggekeerd naar Damascus. Dit vind je allemaal in Galaten 1 trouwens, deze volgorde. Hij is weer teruggekeerd naar Damascus en heeft ook daar in Damascus gepredikt in de synagogen. Meervoud, want er waren er meerdere vanwege zo'n grote Joodse gemeenschap daar in die Syrische hoofdstad. Hij heeft daar gepredikt en vervolgens werd daar – zo lezen we in Handelingen 9 – een aanslag op hem beraamd. Paulus moest dus maken dat hij wegkwam. We weten ook dat hij via een mandje door de muur weggelaten werd in de nacht. Hij is dus eigenlijk gewoon ontkomen en is zo aangekomen in Jeruzalem. En we weten, dat zegt Paulus dan, dat vanaf dit moment, vanaf zijn roeping tot aan zijn arriveren in Jeruzalem, dat drie jaar is geweest. Vorige keer kwam nog even de vraag aan de orde hoe lang hij in Arabië is geweest. Dat weet ik niet, hoe lang hij in Arabië is geweest. Ik weet wel dat vanaf zijn roeping op de weg naar Damascus tot aan zijn aankomst in Jeruzalem, dat dat drie jaar was. Dus ja, dat weet je niet helemaal.⟨/p> ⟨p>Aretas hè? En dat hij dan op een nogal niet al te eervolle wijze de stad verlaten heeft. Maar dan zegt hij ook, trouwens ook in dat verband in 2 Korinthe, dat die mens – dat was veertien jaar later geloof ik – dingen gezien heeft die het een mens niet vergund zijn te spreken. Het ging me nu alleen even om de volgorde te laten zien. En dat je dus niet kunt zeggen hoe lang hij gepredikt heeft in de synagoge. Het kan zijn, ik noem maar wat, dat hij daar in Arabië een jaar geweest is en dat die prediking in de synagoge twee jaar geduurd heeft. Dat weet ik niet. Dat is gewoon eigen invulling en daar doen we het liefst niet aan. Hij is in ieder geval eerst naar Damascus gegaan. En ja, dat is ook nog wel een boeiend verhaal, want dat wil ik graag nog eens vertellen.⟨/p> ⟨p>Hij is naar Damascus gegaan en nou zou je eigenlijk daar nog eens een keer de Hebreeuwse Bijbel op moeten naslaan. Want wat weten we? We weten van Elia dat hij ook in Damascus is geweest. Sterker nog, Elia was naar Damascus gestuurd nadat de Heer hem in Arabië was verschenen. Hè, dat is een opmerkelijke parallel. Je komt de naam Damascus wel vaker tegen in de Hebreeuwse Bijbel. Zijn knecht, Eliëzer, dat was een Damascener. Dat had iets te maken met de belofte van Abram. Eliëzer wordt in dat verband ook afgewezen; hij zou in ieder geval niet degene zijn, de erfgenaam van Abraham. Dat is maar een lijfelijke zoon. Maar goed, nu even dit: Damascus. En dan moet je eens opmerken hoe bijzonder die parallel is. Dus Paulus: de Heer is hem verschenen en vervolgens is hij weer teruggekeerd naar Damascus. Ik bedoel, de Heer heeft hem ook in Arabië onderwezen. Laat ik het zo op een rijtje zeggen. Je leest dat in 1 Koningen 19, die geschiedenis. Elia wordt gezonden naar Damascus na de verschijning op de Horeb. Dat lees je dus ook in 1 Koningen 18? Nee, dat is 1 Koningen 19. In 1 Koningen 18 is, meen ik, dat relaas over de priesters van Baäl. Dat is 1 Koningen 18 hè? Ja precies, op de berg Karmel. Dat is trouwens ook een heel profetische gebeurtenis. Ik blijf... laat ik even ter zake blijven. "André, je moet niet van de hak op de tak springen." Ja, het zijn wel mooie dingen. Daarom kom ik weleens zo in de verleiding om meteen wat zijpaadjes in te gaan.⟨/p> ⟨p>Elia wordt naar Damascus gestuurd. Dat was nadat de Heer hem verschenen was op de Horeb. En ik zeg Arabië, want dat is nu juist het hele verhaal. We weten dat de Sinaï in Arabië ligt. Dat mag dan afwijken van onze gangbare inzichten, maar dat doet nu even niet ter zake. De Horeb ligt in Arabië, dat is gewoon de Bijbelse waarheid. En daar moet ik even wat over vertellen. Want we weten, Elia – u weet het – Israël geloofde niet en Elia was eigenlijk helemaal ten einde raad. Iedereen was eigenlijk... dan zegt hij, nee, het is zelfs zo dat Elia zegt: "Ik alleen ben overgebleven." Nou, en dan zwaar depressief komt hij dan daar bij de berg Horeb. En dan vervolgens... Het eerste wat gebeurt, laat ik dat zo zeggen, het eerste wat dan gebeurt is dat er een storm komt. Maar dan lees je: in de storm was de Heere niet. Dan lees je over aardbevingen. Of een aardbeving? Nee, aardbevingen. Maar in de aardbevingen was de Heer er niet. En dan lees je dat er vuur verscheen of dat zich vuur aan hem openbaarde, maar de Heer was in dat alles niet. En die dingen die genoemd worden – storm, aardbevingen en vuur – zijn nu juist de dingen die genoemd worden in verband met de wetgeving op de berg Sinaï. Dus die storm en die aardbeving en dat vuur, dat was niet waar de Heer in was, maar ze herinneren aan wat er ooit op de berg Horeb had plaatsgevonden.⟨/p> ⟨p>En dan lees je: toen vervolgens was daar het suizen van een zachte stilte en daarin was de Heere. Kijk, eerst dus storm, aardbeving en vuur, daarin was de Heere niet. Dat herinnert aan de wet, het Oude Verbond. Dan vervolgens krijg je... dan hoort hij het suizen van een zachte stilte. En dat "zachte stilte", dat heeft zowel te maken met verfrissing, maar ook met zachtheid, met genade en ook met verborgenheid. Het was een zachte stilte en daarin was de Heere. En dat was de verschijning van... en dan lees je ook dat Elia vervolgens geïnstrueerd wordt. Maar het was in dit alles, in het suizen van die zachte stilte, dat de Heere Zich openbaarde aan Elia. Niet in dit... Dus je ziet hier de Horeb: Oude Verbond, Nieuwe Verbond. Toch? Zoals ooit op de berg Horeb de wet werd gegeven en later de Heer Zich zou openbaren aan Paulus, ook in Arabië. Nou, zo is het ook dus met Elia gegaan. Het loopt dus volkomen parallel.⟨/p> ⟨p>En vervolgens, vanaf de Horeb, dan lees je dat Elia een buitenlandse koning moest zalven. Hij krijgt nog iets mee: hij krijgt de verzekering mee dat God Zich in dat ongelovige Israël een overblijfsel zou overlaten van 7000 man. Iemand zei, ik vond het wel mooi geformuleerd: Elia dacht dat hij de enige was die overgebleven was, maar de Heer liet hem zien dat er 7000 meer waren; 7000 keer zoveel als Elia dacht. Maar goed, getalsmatig was het een minderheid. En wat ik hierin ook weer zie, is die parallel met Paulus. Want aan de ene kant wordt Elia nu naar het buitenland gezonden om daar een buitenlandse koning te zalven – dat is eigenlijk ook een eigenaardig fenomeen – Hazaël, daar moet hij naartoe. Hoezo naar een buitenlandse koning? Waarom naar de natiën? Eigenlijk is het zo, wat je hier in type ziet: het gaat hier over een koning nu in het buitenland, maar dat is nou precies wat eigenlijk ook het verhaal van Paulus is. Israël is "im Ganzen Großen", zoals de Duitsers dat zo mooi zeggen, over het grote geheel in ongeloof, maar God behoudt Zich altijd een overblijfsel, een rest. En Paulus legt dat ook uit, want ik verwijs nu naar Romeinen 11 vers 3 en 4. Daar haalt Paulus dat aan van Elia en die 7000 die hun knieën niet hebben gebogen voor Baäl. En dan zegt Paulus: "Ja, dat is een type van de tegenwoordige tijd." Aha, dat is een type van de tegenwoordige tijd. Maar dat gaat nog veel verder dan dat er in de tegenwoordige tijd een overblijfsel is. Het hele verhaal loopt parallel met de tegenwoordige tijd: de Heer is verschenen in Arabië aan Elia in het suizen van een zachte stilte, niet in de wet.⟨/p> ⟨p>Vervolgens moet hij naar het buitenland gaan om een buitenlandse koning te zalven, zoals de Heer vandaag ook feitelijk een 'buitenlandse' koning is. Ik moet eigenlijk meteen denken aan Jozef in het buitenland, en aan Israël en de twaalf stammen die daarbuiten staan. Je leest trouwens – ik moet er ook nog even aan denken – in een gelijkenis die de Heer vertelt, dat een koning naar het buitenland ging. Voor een lange tijd, staat er, om dan vervolgens weer terug te keren. Maar dat is eigenlijk de situatie in onze dagen: de Heer is als koning 'buitenlands', buiten het volk en onder de natiën.⟨/p> ⟨p>Wel, daar moest Elia naartoe gaan: naar Damascus. Hij ontvangt daar het koningschap; zo staat het er. Ja, precies, dat is een mooie taak. Hij ontvangt daar het koningschap en is daarin ook de gezalfde, de mashiach, de Christus dus. En dat alles in combinatie met een Israël dat in het grote geheel in ongeloof is. Nou, dit is een plaatje, lieve mensen, van de tegenwoordige tijd: Israël in ongeloof en de koning is buitenlands, onder de natiën. Maar de Heer is aan iemand verschenen in Arabië en bij hem moet je wezen. Hij is de man Gods.⟨/p> ⟨p>Feitelijk is Elia hier ook een type van Paulus. De Heer is verschenen op de Horeb, en elke Jood zal je vertellen: "Als je de waarheid wilt weten in verband met ons volk, en aan wie de Heer Zich geopenbaard heeft, dan moet je bij Mozes wezen." En als wij nu vragen bij wie je moet wezen voor de tegenwoordige tijd? Nou, bij Paulus! De Heer is verschenen in Arabië en via hem spreekt Hij tot de natiën als de apostel van de natiën. Dat is een schitterend beeld in deze tussentijd waarin Israël tijdelijk buitenspel staat. Het is heel opmerkelijk dat zowel in de geschiedenis van Paulus als in de geschiedenis van Elia de stad Damascus genoemd wordt en model staat.⟨/p> ⟨p>Dat vond ik eigenlijk wel de moeite waard om deze reis naar het buitenland eens even te maken, om zo op het spoor gezet te worden – of laat ik het anders zeggen: om in de Rechte Straat te bivakkeren. Paulus zegt dus: "Ik was geroepen en ik ben eerst naar hen gegaan die in Damascus waren, en ook in Jeruzalem." We hebben het gelezen; ik heb er nu een paar keer aan gerefereerd. Dan zegt Paulus in Galaten 1: "Ook ging ik niet op naar Jeruzalem, naar hen die vóór mij apostelen waren, maar ik vertrok naar Arabië." Heb je het? "En vandaar keerde ik terug naar Damascus. Vervolgens, na drie jaren, ging ik op naar Jeruzalem om aan Kefas mijn geschiedenis te vertellen en ik verbleef bij hem vijftien dagen."⟨/p> ⟨p>Ik blijf het mooi vinden: "mijn geschiedenis vertellen". Niet om onderwezen te worden. Dit is erg belangrijk, want het hele betoog van Galaten 1 is dat hij dat evangelie niet van een mens heeft ontvangen en ook niet door een mens is onderwezen. Zelfs als Paulus uiteindelijk in Jeruzalem arriveert en Petrus bezoekt, dan is dat dus niet om door Petrus onderwezen te worden, maar omgekeerd: om aan Kefas zijn geschiedenis te vertellen. Mooi hè? Ik denk dat Petrus heel wat te horen heeft gekregen. In vijftien dagen kun je toch aardig wat vertellen.⟨/p> ⟨p>En aan heel de landstreek van Judea en aan de natiën heb ik gemeld zich te bezinnen. Als je het historisch wilt neerzetten: we weten dat hij naar Jeruzalem is gegaan en dat hij in de landstreken van Judea later wel bekend is geworden, maar in eerste instantie niet. Dat weten we, want dat zegt hij in Galaten 1: "Vervolgens ging ik naar de streken van Syrië en van Cilicië." Ook dat vinden we in het boek Handelingen terug. Hij was eerst in Damascus actief geworden in de synagoge. Er wordt een moordaanslag op hem beraamd, hij weet te ontkomen en gaat naar Jeruzalem. In Jeruzalem is hij niet al te lang gebleven. Ook daar is hij in de synagoge actief en dan lees je dat hij vanuit de Schriften ging bewijzen wie Jezus is.⟨/p> ⟨p>Maar Paulus lag daar niet lekker – dat is een eufemisme – want er werd opnieuw een moordaanslag gepleegd. Men was daar via via van op de hoogte gesteld en dan wordt Paulus opnieuw door de broeders in veiligheid gebracht en Jeruzalem uitgeloodst. Daar was hij dus ook niet veilig. Dan lees je inderdaad dat hij via de streken van Syrië naar Cilicië gaat. Daar kwam hij vandaar, uit Tarsus. Niet Sicilië, dat is in Italië, maar Cilicië, in Zuid-Turkije. Dat is waar hij opgegroeid was en daar is hij heel wat jaren geweest. Ik wou bijna zeggen: bij mama thuis, maar in ieder geval was hij daar weer in zijn geboortestreek. Later is Barnabas hem wezen halen – dat is in Handelingen 11 – en dan komt hij in Antiochië. Maar dat is inmiddels jaren later, wel tien of twaalf jaar later. Hij is dus echt een hele tijd daar geweest.⟨/p> ⟨p>Hij ging dus naar de streken van Syrië en Cilicië vanwege een beraamde moordaanslag van Joodse zijde. Hij zegt: "Ik was aan de uitgeroepen vergaderingen, de ecclesia's van Judea die in Christus zijn, van aanzien onbekend." Kijk, in Jeruzalem was hij als christen nog niet bekend. Hij was er wel opgegroeid als een man van aanzien, maar televisie was er niet en foto's stonden ook niet in de krant. Van Paulus hadden ze ongetwijfeld veel gehoord, maar van gezicht was hij onbekend. Later lees je dat Paulus het land verschillende keren heeft bezocht en in de gemeenten van Judea is geweest; toen was hij inmiddels wel bekend geworden. Maar ze hadden toen al wel van hem gehoord: "Alleen hoorden zij: hij die ons eens vervolgde, brengt nu het goede bericht van het geloof dat hij eens te gronde richtte."⟨/p> ⟨p>Dat hadden ze dus wel van hem vernomen. Later hebben ze hem ook ontmoet en van hem hoogstpersoonlijk dat verhaal gehoord. Hij is dus in Damascus en in Jeruzalem geweest, hij is ook in de landstreken van Judea geweest en hij heeft de natiën gemeld zich te bezinnen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2166" title="Speel af vanaf 36:06">▶ 36:06⟨/button> ⟨span>Het Wezenlijke Verschil Tussen Omdenken en Omkeren⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>...en om te keren tot de God. Ik geef toe, soms klinkt het wat vreemd als je dat bepaalde lidwoord 'de' erbij zet, maar ik vind hem altijd prachtig. Want het bepaalt je echt bij dé God. Vooral omdat de natiën de God niet kennen; die kennen wel goden, maar de God... Ja, want het blijft zo: er is of één God, of geen God. Want zodra er meer dan één God is, dan moet Hij zijn macht delen, maar dan is Hij geen God meer. Dus er is of één God, of er is geen God. Je kunt dus zeggen van al die goden van de natiën dat het met recht afgoden zijn; die leiden alleen maar van God áf. Dat is het mooie van het woordje 'afgod'. Maar hij heeft de natiën gemeld zich te bezinnen en zich om te keren tot de God.⟨/p> ⟨p>Hier kom je twee woorden tegen die nogal eens door elkaar gebruikt worden. Het woordje 'bezinnen' is het Griekse woordje ⟨em>metanoia⟨/em>. ⟨em>Meta⟨/em> betekent eigenlijk 'om' of 'met' en ⟨em>noia⟨/em> — dat kennen we allemaal — is de denkzin. ⟨em>Paranoia⟨/em> betekent dat je echt een beetje het spoor bijster bent in je denken. Heb je nog meer woorden met ⟨em>noia⟨/em>? ⟨em>Paranoia⟨/em>, ⟨em>metanoia⟨/em>... daar kom ik niet zo gauw op. Maar in ieder geval: feitelijk kennen we tegenwoordig in het moderne Nederlands van de laatste jaren een woord dat voorheen vrijwel onbekend was, en dat is het woordje 'omdenken'. Eigenlijk is ⟨em>metanoia⟨/em> gewoon omdenken. In je denken een omslag maken. En je leert alleen maar omdenken doordat je iets krijgt te horen wat je verplicht om de consequenties daarvan te overzien. En dan ga je denken.⟨/p> ⟨p>Het woord wordt meestal — of nee, dat weet ik niet of ik dat hard kan maken, maar in ieder geval heel dikwijls — vertaald met 'berouw'. Maar dat is niet wat het is. ⟨em>Metanoia⟨/em> heeft te maken met de denkzin. Het is een omdenken, en vandaar dat het woordje 'bezinnen' of 'omdenken' dat prima weergeeft. 'Zich zouden beteren', 'zich verbeteren'... nou, dat vind ik echt heel kwalijk. Ik zeg heel vaak dat de Statenvertaling vaak veel beter is dan de NBG-vertaling, maar nu zeg ik het in ieder geval niet. Nee, dat is het zeker niet. Sterker nog: als je werkelijk het evangelie hoort en dat brengt je tot bezinning, dan weet je in ieder geval: ik hoef me niet te verbeteren. God maakt een nieuw mens van je. Dat is wat anders, maar dat is juist het omdenken wat er gebeurt. Hij doet dat. Het geeft aan: de denkzin veranderen. Wat zeg jij? Sorry? Het veranderen van de denkzin. Ja, dat is het: omdenken. De denkzin veranderen.⟨/p> ⟨p>Maar dat is toch wat bezinnen is? Zich te bezinnen én om te keren. Dat 'omkeren' is weer een ander Grieks woord: ⟨em>epistrepho⟨/em>. Dat woord ⟨em>strepho⟨/em> heeft te maken met keren, dus met recht — waar we het al even eerder over hadden — je omdraaien. Omkeren dus. In het Hebreeuws heb je ook nog een woord, het beroemde ⟨em>teshuvah⟨/em>. Dat is eigenlijk terugkeren. Voor Israël is dat een heel actueel woord, want Israël was ooit bij de Heer geroepen. Het was als volk ooit bij de Heer begonnen en iedere keer weken ze af en geraakten ze verder van huis. Dan worden ze dus opgeroepen door de profeten om terug te keren tot God. Eigenlijk is dat woordje 'terugkeren' gereserveerd voor Israël; Israël wordt opgeroepen terug te keren omdat ze daar ooit was. Voor de natiën gaat dit verhaal niet op, want wij waren juist ver van God verwijderd.⟨/p> ⟨p>Het probleem met beide begrippen is dat ze nogal eens vertaald worden met 'bekeren'. Bijvoorbeeld hier in Handelingen 2 vers 38, maar er zijn vele andere voorbeelden waar ⟨em>metanoia⟨/em> ook vertaald wordt met 'bekeren'. Weet je wanneer je door de mand valt? Wanneer beide woorden in één zin gebruikt worden. Dan kun je die truc niet meer toepassen; dan val je echt door de mand. Het is van belang: het ene heeft dus te maken met het denken, het omdenken, het veranderen van de denkzin. En de andere gedachte is dat je omkeert. Natuurlijk is er overlap, maar het zijn twee verschillende woorden en je zou ze niet beide met 'bekeren' moeten vertalen.⟨/p> ⟨p>Ik vind trouwens — maar dat is nog een ander punt — dat het woord 'bekeren' bij ons natuurlijk een puur godsdienstige betekenis heeft gekregen. Iemand die zich bekeert, bijvoorbeeld van het boeddhisme naar de islam; dat heet dan een bekering. Ja, maar dan ben je dus helemaal de betekenis kwijt. Dit ⟨em>epistrepho⟨/em> is gewoon omkeren. Je moet eigenlijk weten: waarheen was je gekeerd en waarheen keer je je? Het is geen exclusief godsdienstig begrip, het is gewoon wat het is, namelijk: omkeren. En dat andere is omdenken. Ook hier moet je weer af van al dat soort godsdienstige ballast. Ook het woordje 'bekering' heeft heel veel ballast en ik zou zeggen: weg ermee. Er rust zo'n zware godsdienstige hypotheek op die woorden. Bij het horen van het woord alleen al neem je meteen een heleboel ballast mee van wat je gehoord hebt en waarmee je groot geworden bent. Ik praat nu even uit eigen ervaring, en daar moet je allemaal vanaf.⟨/p> ⟨p>Iemand die daar niet mee groot geworden is, heeft dat probleem niet — die heeft weer andere problemen trouwens. Ik had juist van de week nog een gesprekje met iemand die zei: "Nou, ik heb dat probleem gelukkig allemaal niet, dat ik zo geïndoctrineerd ben in de kerken met allerlei dogma's en theologieën. Daar hoef ik helemaal niet van verlost te worden, want ik ken het niet. Ik ben er gewoon fris ingekomen." Maar goed, zij meldde ook wel dat het een groot nadeel heeft: ze was totaal onbekend met de Bijbelse geschiedenis en de Bijbelse personen. Dat wat je allemaal te horen krijgt in de opvoeding in de loop der jaren, als je daar vertrouwd mee raakt, is dat een enorm voorrecht. Het is een groot voorrecht, zoals je van Timotheüs leest dat hij van kindsbeen aan de Schriften kende. Als je je daar op twintig-, dertig- of veertigjarige leeftijd alsnog vertrouwd mee moet maken, dan heb je toch een flinke achterstand. Maar goed, dat kun je weer wegstrepen tegen het andere nadeel. Het gaat er niet om dat het ene fout is; ook daarvoor geldt: het is wat het is.⟨/p> ⟨p>Nog even de laatste zin van vers 20: "Ik heb eerst hen die in Damascus waren, ook te Jeruzalem en heel de landstreek van Judea, en de natiën gemeld zich te bezinnen en om te keren tot de God, werken verrichtend de bezinning waardig." Ook die is heel mooi en het sluit eigenlijk ook wel aardig aan bij wat we vorige keer aan het einde van de avond nog bespraken. Paulus is degene die de genade predikt en hij zegt dat we daarin een totale denkzinverandering ondergaan. Je gaat anders denken. Niet: je móét anders denken. Maar als je dit hoort, gá je anders denken. Net zo goed als wanneer je een bepaalde zonnebril opzet; dan móét je de dingen niet anders zien, dan gá je de dingen anders zien. Dat is het. Het is niet een beschrijving van hoe je het moet doen, het is een beschrijving van wat het doet. En dat is hier ook zo. Wat Paulus leerde was: hoe zou het leven daarna dan zijn? Sommigen zeggen: "Ja, dan moet je dit en dat." Nou, dan ben je dus nog niet goed tot bezinning gekomen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2806" title="Speel af vanaf 46:46">▶ 46:46⟨/button> ⟨span>Een Waardevol Leven Dat de Bezinning Weerspiegelt⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dan gaan we werken verrichten die de bezinning waardig zijn. Ik vind dat woordje 'waardig' heel mooi. U ziet het: bij geen enkele vertaling wordt het weergegeven met 'in overeenstemming met', maar het gaat juist om dat woordje waarde. Het houdt in dat onze werken – dus dat wat wij doen, wat we verrichten in ons dagelijks leven – de waarde reflecteren van de bezinning. Dat betekent trouwens ook dat het begint bij omdenken; het begint bij het denken en dat werkt vervolgens uit in het leven. De bedoeling van ons leven is dat het waarde krijgt. En wat geeft het waarde? Wel, doordat je de God leert kennen en Zijn woorden gaat verstaan. Dat geeft waarde en zo mag je leren leven. Dat is een voorrecht, het is niet een wet van wat je moet; dat is waarde.⟨/p> ⟨p>Ik vind het wel geestig dat men tegenwoordig in het politieke vocabulaire heel vaak spreekt over normen en waarden. Eigenlijk moet je het omkeren. Het begint bij een waarde; je hebt iets wat waardevol is en een norm is alleen maar ter bescherming van die waarde. Het gaat om de waarde, want alleen een norm is een lege huls. Ik noem maar wat: als het leven waarde heeft, dan bescherm je dat. Dan heb je de norm: daar blijf je met je tengels vanaf. Waarom? Omdat het leven waarde heeft. Maar op het moment dat je alleen nog maar een norm hebt van 'je moet dit' of 'je moet dat', dan is dat met recht waardeloos.⟨/p> ⟨p>Feitelijk is dat toch wat er gebeurt. De politiek kan wel roepen over normen en waarden, maar de hele moderne filosofie die van alle kanten in je oren getetterd wordt, predikt dat het leven waardeloos is. Ons leven zou ooit begonnen zijn met een oerknal; het heeft geen zin en geen doel, en er is niemand die aan het begin en aan het einde staat. Het is met recht waardeloos en zinloos. Zo wordt het verteld. Maar hoe is het mogelijk dat je nog normen zou kunnen hanteren als het leven waardeloos is? Dat bestaat helemaal niet. Wat valt er dan nog te vertellen tegen mensen? Waarom zou je dan nog zeggen wat wel of niet mag?⟨/p> ⟨p>Ik had het erover met mijn jongste zoon, die tegenwoordig rechten studeert. Hij vindt rechtsfilosofie erg leuk en kreeg les op de Leidse Universiteit van een hele bekende rechtsfilosoof, Paul Cliteur. Hij is een van de meest vooraanstaande atheïsten in Nederland. We hadden het over die rechtsfilosofie: hoe zou je, als er geen God is, nog tegen mensen kunnen vertellen wat ze zouden moeten doen of laten? In de Franse Revolutie zei men al: 'geen God, geen meester'. Wie zou jou dan nog vertellen wat goed is en wat niet goed is? Dan doe je maar wat. En als mensen dan zeggen dat iets niet mag, is de vraag: 'Van wie niet? Er is helemaal geen God. Het leven is waardeloos en heeft geen enkele zin.' Alleen als het leven echt waarde heeft en er Iemand is die het bedacht heeft en die een zin aan de dingen geeft, dan is het zinvol om na te denken over de richting en over normen. Anders niet.⟨/p> ⟨p>Afijn, ons leven heeft waarde want we kennen de God en we mogen leven om die waarde, om een waardevol leven te leiden en vanuit die rijkdom uit te delen. Nou, dat was vers 20 en inmiddels is het negen uur. Ik stel voor dat we even een kopje koffie gaan drinken. Over vers 20 hadden we het voor de pauze nog, en dan gaan we straks verder met vers 21.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3095" title="Speel af vanaf 51:35">▶ 51:35⟨/button> ⟨span>Aanhoudend Getuigenis Dankzij de Hulp van de God⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Paulus verklaart vervolgens dat het om deze dingen is – datgene wat hij zojuist heeft gezegd en wat hij in Jeruzalem, in Judea en aan de natiën heeft verkondigd – dat de Joden hem gezamenlijk grepen terwijl hij in de tempel was. Hiermee komt Paulus dichter bij de gebeurtenissen die direct aan zijn huidige gevangenschap voorafgingen. Hij spreekt over zijn arrestatie, de geschiedenis die we hebben gelezen in Handelingen 21, wat inmiddels alweer enige tijd geleden was.⟨/p> ⟨p>"Om deze dingen grepen de Joden mij gezamenlijk terwijl ik in de tempel was." U weet nog hoe daar een enorme oproer ontstond omdat men dacht dat hij een man uit de natiën, Trofimus, met wie hij inderdaad in Jeruzalem was gearriveerd, mee naar binnen had genomen. Joden uit Azië veroorzaakten tijdens het pinksterfeest een volksoploop door te beweren dat Paulus deze Trofimus binnen de omheining van de tempel had gebracht. Op het overtreden van die heilige grens stond de doodstraf. Hoewel de beschuldiging niet waar was, vormde dit de aanleiding voor zijn gevangenneming en de reden dat hij nu in Caesarea voor de rechter stond.⟨/p> ⟨p>Zij probeerden voor de zoveelste keer de hand aan hem te slaan. Als je het telt in het boek Handelingen, wordt dit maar liefst negen keer vermeld. Het begint al in Damascus (Handelingen 9:23) en gaat verder in Jeruzalem. De Schrift formuleert het op verschillende manieren, en dan laat ik de algemene vervolgingen nog buiten beschouwing; het gaat hier puur om beraamde moordaanslagen. In Handelingen 21:31 probeerden ze hem te doden, en later was er zelfs een complot op de weg naar Caesarea waarbij een hele cohort betrokken was. Het was werkelijk schering en inslag.⟨/p> ⟨p>Maar, zo zegt hij: "Hulp van de God ten deel vallend tot op deze dag, sta ik nu hier." Dat moet ook wel, want als je zoveel aanslagen overleeft, kan dat alleen maar omdat je de hulp van de God hebt ontvangen. Omdat die hulp hem ten deel is gevallen, staat hij daar nog steeds en is hij niet omgebracht.⟨/p> ⟨p>Terwijl hij daar staat, geeft hij getuigenis. Dat is prachtig, want het woord getuigenis is verwant aan ⟨em>marturion⟨/em>, waarvan ons woord martelaar is afgeleid. Van origine is een martelaar gewoon iemand die getuigt. Het verhaal achter het woord is echter dat iemand die getuigt van de waarheid, dat vaak met de dood moet bekopen. In dit woord zit ingebakken dat het in een boze aion, waarin de waarheid wordt onderdrukt, levensgevaarlijk is om van de waarheid te getuigen. Waarheid en leugen verdragen elkaar simpelweg niet.⟨/p> ⟨p>Paulus zegt dat hij getuigenis geeft aan zowel klein als groot. Dat kun je letterlijk nemen als jong en oud, maar ook figuurlijk als laaggeplaatsten en hooggeplaatsten. Hij stond daar immers voor zeer hooggeplaatste personen zoals koning Agrippa en stadhouder Festus. Ongeacht voor wie hij staat, in welke positie of van welke leeftijd zij ook zijn, hij geeft getuigenis.⟨/p> ⟨p>Hij benadrukt daarbij dat hij niets zegt buiten wat de profeten en Mozes spraken over hetgeen aanstaande was te geschieden. Hij spreekt over wat zou gaan komen. Paulus stelt hiermee dat zijn volledige bediening erop gericht is te vertellen wat er al in de profeten en in de boeken van Mozes geschreven staat; hij verkondigt precies datgene waarvan zij reeds hadden gesproken.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3436" title="Speel af vanaf 57:16">▶ 57:16⟨/button> ⟨span>De Verborgenheden Ontsluierd: Mozes en de Profeten⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Paulus’ bediening was om de bedekking weg te nemen, zoals we dat ook in 2 Korintiërs 3 letterlijk zo lezen. Er ligt een bedekking op de voorlezing van het oude verbond, het Oude Testament. Wat Paulus doet – en wat hij trouwens ook zegt – is dat wanneer Israël zich tot de Heer keert, de bedekking wordt weggenomen. Dat is wat Paulus eigenlijk deed: de bedekking wordt weggenomen, oftewel dat wat daarin verborgen is. U weet het: als er een bedekking opligt, betekent dat dat wat daaronder ligt, verborgen is. Paulus was met recht ontdekkend bezig met de bedekking van het oude verbond, van Mozes en de profeten. Hier wordt het in omgekeerde volgorde gezegd; hij redeneert eigenlijk vanuit het heden naar het verleden toe, vandaar Mozes als laatste. Hij zegt niets buiten wat de profeten en Mozes spraken.⟨/p> ⟨p>Ik moet hier nog iets bij zeggen, want het wordt heel vaak anders geïnterpreteerd. Men zegt dat aan Paulus verborgenheden geopenbaard zijn die niet in de Hebreeuwse Bijbel staan opgetekend. Ik ben het daar al lange tijd zeer mee oneens. Ik geloof namelijk dat wat Paulus vertelt, in het Oude Testament staat, alleen is het verborgen. Maar het loutere feit dat het verborgen is, betekent dat het er wel staat. Ik heb daar een heel mooi voorbeeld van in Genesis 2 vers 24: "Een man zal zijn vader en moeder verlaten, zijn vrouw aanhangen en die twee zullen tot één vlees zijn." Paulus zegt: "Deze verborgenheid is groot, maar ik zeg het met het oog op Christus en de Ecclesia." Met andere woorden: de verborgenheid van Christus en de Ecclesia die één vlees zijn. Staat dat in het Oude Testament? Ja, maar verborgen; in typen is het allemaal verborgen. Het staat niet expliciet geprofeteerd, maar het staat er allemaal. Dat wat God vandaag doet, is verborgen in het Oude Testament.⟨/p> ⟨p>Dat maakt het ook zo boeiend voor ons, een avontuurlijke reis om juist bezig te zijn met de Hebreeuwse Bijbel. Waarom? Omdat er zoveel te ontdekken valt. Die verborgenheden die Paulus in zijn brieven optekent en die aan hem geopenbaard zijn, zijn allemaal te ontdekken in de Hebreeuwse Bijbel, in al die geschiedenissen. Wat ik trouwens ook heb gemerkt en ervaren in de loop der jaren, is dat alleen als je het inzicht hebt dat al wat Paulus openbaar maakt verborgen is in de Hebreeuwse Bijbel, juist dat je aanzet om ermee bezig te zijn. Ik ken ook heel wat gelovigen met wie ik geweldige dingen deel, maar voor wie het Oude Testament eigenlijk niets is. Zij zeggen: "Dat was voor Israël, daar hebben wij niets mee te maken, want we moeten bij Paulus wezen en Paulus maakt verborgenheden bekend die in het Oude Testament allemaal verborgen waren." Die redenering deugt niet, omdat men concludeert dat je daar daarom niet moet wezen om het te vinden. Ik zeg juist: omdat het er verborgen is, moet je er wel wezen om het te vinden. Aan de hand van Paulus’ brieven komen we als vanzelf in de Hebreeuwse Bijbel terecht.⟨/p> ⟨p>Om een voorbeeld te geven waar we het over hadden: Elia die naar Damascus ging. Daarin ligt de waarheid verborgen van Paulus, die vandaag naar de natiën gaat en een verborgen koninkrijk predikt, enzovoort. Het is allemaal verborgen, en juist daarom is het te vinden. Jesaja 25 spreekt ook van de sluier die Hij op deze berg zal vernietigen, die alle natiën ontsluiert, en de bedekking waarmee alle volken bedekt zijn. Daar zie je eigenlijk al een toekomstbeeld van het wegnemen van de bedekking. Het gaat me nu even om het feit dat wat Paulus hier claimt, is dat wat hij vertelt allemaal geschreven staat in de profeten en Mozes. Die hebben daarover gesproken, namelijk van hetgeen aanstaande was te geschieden. Soms expliciet, maar ook de verborgen dingen zijn er wel degelijk te vinden.⟨/p> ⟨p>Dat moet je eerst wel weten, en dan weten we het te vinden omdat Paulus het in zijn brieven geopenbaard heeft. Dat is waar, want als je die waarheden niet zou kennen, dan zou je die verborgenheden in het Oude Testament ook niet kunnen aanwijzen, kunnen zien en gaan verstaan. Dat is onmogelijk, dus je begint bij Paulus. Maar die verborgenheden staan in de Tenach opgetekend. Dat maakt de Bijbel tot een goudmijn. Heerlijk om te onderzoeken, want je gaat verborgenheden opdelven. Schitterend! Ik heb heel sterk de overtuiging dat er nog zo oneindig veel daarin te ontdekken valt en dat vind ik niet ontmoedigend. Sommige mensen zeggen: "Goh, ik weet eigenlijk nog niks." Juist daarom vind ik het zo heerlijk; dat vind ik geweldig, want er valt nog zoveel meer te ontdekken. Ik had vandaag een dagstukje over Ephesus 2, dat Paulus zijn knieën buigt en zegt dat de God van onze Heer Jezus Christus ons een geest van wijsheid en onthulling geeft. Onthulling van wat? Nou, van al die geheimenissen en verborgenheden die daar zijn in de Schriften. En dat je dat gaat ontdekken, dat is iets heel avontuurlijks. Hij zei dus niets buiten wat de profeten en Mozes spraken van hetgeen aanstaande was te geschieden.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3901" title="Speel af vanaf 01:05:01">▶ 01:05:01⟨/button> ⟨span>De Absolute Noodzaak van Christus' Lijden en Opstanding⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Aangezien de Christus zou lijden. Dit is trouwens geen verborgenheid, hoor. Het feit dat de Christus zou lijden... nou ja, ik moet er wel bij zeggen: Israël ziet het nog steeds niet. Er ligt een bedekking op hun hart. Maar het staat toch echt gewoon zwart-op-wit geprofeteerd dat de Christus zou lijden. Ik geef hier twee voorbeelden, maar eigenlijk zou ik een vette streep onder 'et cetera' moeten zetten. Dit zijn de bekendste: Jesaja 53. Ik haal ze ook aan omdat ze in het Nieuwe Testament, in de brieven, maar ook in het boek Handelingen worden genoemd. U kent de geschiedenis: Filippus voegt zich bij die kamerling, die eunuch uit Ethiopië. Wat las hij? Een gedeelte uit Jesaja 53: "Als een lam werd Hij ter slachting geleid." Dan vraagt de kamerling zich af over wie de profeet het hier heeft, over zichzelf of over een ander. Uitgaande van het schriftwoord verkondigde Filippus hem Jezus, de Christus.⟨/p> ⟨p>En Psalm 22. Allemaal profetieën dat de Christus zou lijden. Dat is trouwens iets wat totaal niet in het concept en in het denkraam van Israël paste — en ook van het huidige jodendom niet — dat de Christus zou lijden. Men kent een Messias die heerst vanuit Jeruzalem, de Zoon van David, die in Israël en uiteindelijk over de hele wereld zal regeren. Dat is de Messias die zij herkennen. Maar dat de Christus zou lijden... dat is trouwens precies dat deel van de profetie wat de kerk weer niet gelooft. Nee, geestig is het zeker niet en grappig is het eigenlijk ook al niet, maar het is wel frappant. Ik bedoel dat de profeten spreken over wat een Jood gelooft over de Messias, namelijk dat Hij in Jeruzalem zal heersen op de troon van David, de twaalf stammen zal terugbrengen en over de volkeren zal heersen. Daar weet de kerk helemaal niets van en dat geloven ze ook niet. Maar de Christus zou inderdaad wel degelijk lijden.⟨/p> ⟨p>Aangezien de Christus zou lijden, en aangezien Hij als eerste vanuit de opstanding van de doden het aanstaande licht zou aankondigen, zowel aan het volk als aan de natiën. Kijk, als het waar is — en dat is een onmiskenbaar Bijbels feit, ook als het jodendom dat niet kan of wil inzien — dat de Christus zou lijden, dan betekent dat maar één ding. Als Hij zou lijden en als een lam ter slachting geleid en ook daadwerkelijk geslacht zou worden, dan betekent het dat de Christus wel op moet staan uit de doden, toch? Als Christus inderdaad degene is, de Zoon van David die zal heersen in Jeruzalem, maar Hij is ook degene die zou lijden en sterven, dan kan het maar één ding betekenen: dat die lijdende en stervende Messias ook uit de doden weer wordt opgewekt om vervolgens alsnog in heerlijkheid te heersen. Dus die opstanding van de doden is in die zin zelfs een logische voorwaarde. Als je eenmaal ziet dat de Christus zou lijden, dan kan het niet anders: dan moet Hij ook opstaan uit de doden.⟨/p> ⟨p>Afgezien van het feit dat de profetieën het daar ook gewoon concreet en letterlijk over hebben gehad. Ik denk aan Psalm 2: "Mijn Zoon zijt Gij, Ik heb U heden verwekt" — uit de doden, let op. Of Psalm 16, enzovoort. En in typen is het helemaal overduidelijk. De hele offerdienst: een dier dat geslacht wordt om vervolgens na de slachting verhoogd te worden en op te stijgen voor God, is een type van dood en opstanding. Of Izaäk, die geslacht wordt — u weet wel — en op de derde dag als het ware uit de dood wordt ontvangen en alsnog de zoon van de belofte wordt. Of Jozef, Mozes en David: allemaal typen van opstanding uit de doden. Je zou dat uitgebreid in al deze voorbeelden en vele meer kunnen zien. Denk ook aan Mozes die uit het water getrokken werd: opstanding uit de doden! Hij was gelegd in de doodswateren, de Nijl — eigenlijk één grote begraafplaats — maar hij werd uit het water getogen, getrokken. Opstanding!⟨/p> ⟨p>De Christus zou lijden en ook als eerste vanuit de opstanding van de doden het aanstaande licht aankondigen, zowel aan het volk als aan de natiën. Dat licht is synoniem voor openbaring. Als het donker is, zie je niets, maar als het licht aangaat, worden dingen openbaar. Licht is ook synoniem voor leven. Daar waar het licht komt, ontstaat leven en ook redding. U ziet het: dit zijn allemaal schriftplaatsen waarin Paulus dit aan Agrippa duidelijk maakt. Zoveel schriftplaatsen! Hij, de Christus die zou lijden, maar ook als eerste zou opstaan uit de doden om vervolgens het licht aan te kondigen aan het volk, maar ook aan de natiën. Heel de Hebreeuwse Bijbel, hun eigen geschriften, staan daar vol van. Echt vol. Deze dingen verdedigde Paulus nu; alles is nog onderdeel van zijn betoog.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4318" title="Speel af vanaf 01:11:58">▶ 01:11:58⟨/button> ⟨span>De Dwaasheid van het Kruis: Festus Noemt Paulus een Maniak⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Maar nu wordt Paulus ineens onderbroken, om niet te zeggen afgebroken. Terwijl hij deze dingen ter verdediging aanvoert, zegt Festus met luide stem en nadrukkelijk — waarbij hij zich feitelijk bemoeit met iets waar hij buiten stond, want Paulus richtte zich immers tot koning Agrippa — maar hij wordt nu afgebroken, onderbroken door Festus. En die zegt: "Je bent gek, Paulus!" Hier staat in het Grieks het woordje maniak. Nou, dat hoef ik niet toe te lichten, want dat kennen we allemaal: ons woordje maniak.⟨/p> ⟨p>Ik moest ook denken aan wat Paulus zegt in 1 Korinthe 1. Daar zegt hij tegen de Korinthiërs: "Wij proclameren een gekruisigde Christus." Daar had hij het net over: de Christus is de opgestane. Jawel, maar Hij is ook Degene van Wie het laatste dat de wereld gezien heeft, een kruis is. Wij proclameren een gekruisigde Christus; voor Joden is dat een valstrik, een aanstoot. Vandaar ook dat Paulus nu gevangen was. En voor de natiën is het geen valstrik, maar gewoon stupide. Dat is domheid. In de NBG-vertaling zegt hij: "Voor de heidenen is het dwaasheid."⟨/p> ⟨p>Het is net zoals wanneer Paulus in Athene komt, het podium van wijsheid bij uitstek. Wanneer hij daar op een gegeven moment over de ⟨em>anastasis⟨/em>, over de opstanding, komt te spreken, wordt hij meteen afgebroken. Dat was zo. Als je begint over iemand die aan een kruis genageld is en die opgestaan zou zijn, die door God werd opgewekt... dat is gewoon dwaas. Net zo goed als dat God Zich altijd bedient van een stok of een slinger; allemaal van die dwaze dingen. Hoe is het mogelijk? Of met een rechthoekige kist — ik bedoel de ark. Maar juist daarin is de redding gelegen. God bedient Zich nooit van de wijsheid van deze wereld, of probeert Zich nooit acceptabel te maken voor de grootheden. Paulus legt dat uit in de eerste Korinthiërbrief.⟨/p> ⟨p>En deze Festus, als exponent van de natiën, zegt: "Je bent gek, Paulus. Je vele geschriften doen jou malen tot waanzin." Dat is wel treffend. Eén ding is duidelijk: voor Festus was deze Paulus een geleerd man. Maar u weet, geleerde mensen hebben wel vaker de reputatie dat wanneer ze zoveel geleerdheid tentoonstellen, men denkt: die draait helemaal door, die maalt. Dat is trouwens ook het woord wat in het Grieks hier eigenlijk staat: je draait rond. Wij zeggen dan ook: "Je maalt." We hebben daar zelfs een gebaar voor, dit ronddraaien bij het hoofd. Voor degenen die nu het mp3'tje beluisteren is dat een beetje lastig, maar dat malen tot razernij, tot waanzin... Nee, wacht even, het is ronddraaien. Daarom het woordje malen; volgens mij komt dat heel mooi overeen met ons Nederlandse woord.⟨/p> ⟨p>Dit woord kennen we trouwens ook in het Nederlands. Niet alleen maniak, maar ook geschriften. In het Grieks is dit ⟨em>grammata⟨/em>. Dat is natuurlijk verbonden met ons woordje grammatica, maar letterlijk betekent ⟨em>gramma⟨/em> 'schrijven', van het werkwoord schrijven. En ⟨em>grammata⟨/em> betekent het resultaat van wat je krijgt als je geschreven hebt. Met andere woorden: het zijn letters of letteren, geschriften, documenten. Dat is ⟨em>grammata⟨/em>. Vandaar dat de NBG-vertaling zegt: "Hoeveel studie doet jou malen?" De Statenvertaling zegt: "Uw grote geleerdheid." Ja, je grote geleerdheid. Maar u begrijpt, als je even onder de oppervlakte kijkt of in ieder geval naar de kern van het woord teruggaat, begrijpt u waarom men het zo heeft weergegeven.⟨/p> ⟨p>Letterlijk zijn het dus geschriften. Maar aangezien iemand die veel geschriften tot zich neemt, studeert, is dat de manier waarop je geleerd wordt. Paulus zal daar die twee jaar trouwens ook... hij had daar een grote mate van vrijheid. Dus wat zal hij gedaan hebben? Gestudeerd, ja natuurlijk. Bijbelstudie, dat heeft hij gedaan. En nu zegt die Festus: "Je vele geschriften doen jou malen tot waanzin." Festus wist: dit is een zeer belezen, geleerd en bestudeerd man. En feitelijk was het de onnozelheid van Festus om hem dit te doen zeggen. Wist hij veel. Alles waar Paulus zijn hele leven mee bezig was, dat kende hij allemaal niet, die geschriften. En nu denkt hij, omdat hij Paulus niet begrijpt, dat Paulus aan het malen is, of waanzinnig is, of een gek. Maar in feite etaleert hij zijn eigen onkunde. Maar Paulus zei met nadruk...⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4709" title="Speel af vanaf 01:18:29">▶ 01:18:29⟨/button> ⟨span>Gezond Verstand en Woorden van Feitelijke Waarheid⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Heel beleefd ook, want hij zegt: "hoogedele" — of eigenlijk letterlijk "machtige" of "meest krachtige" — Festus. "Ik ben niet gek, zeer machtige Festus." Met alle eerbied en respect, maar uit datgene wat ik uitspreek, dat zijn uitspraken van waarheid en bezonnenheid; dat is wat ik verwoord. Waarheid wil zeggen: feiten. Zelfs voor een groot gedeelte controleerbare feiten. De feiten die hij nu verteld had, ook zelfs zijn roeping, dat was voor een groot gedeelte allemaal controleerbaar. Er waren namelijk heel wat getuigen van. Ook als het gaat om het lege graf van Jezus Christus en de verschijningen; er waren talloze getuigen.⟨/p> ⟨p>Dus het zijn uitspraken waar Festus helemaal niets mee kon. Het was voor hem dwaasheid, maar hij kon één ding niet ontkennen: hij kon niet ontkennen dat Paulus inderdaad een geleerd man was. Bovendien was het waar wat Paulus zei; het was van woord tot woord gewoon waar, feitelijk juist. Het waren uitspraken van waarheid en bezonnenheid.⟨/p> ⟨p>Als je het woord bekijkt... dit wordt je zo... dat is een afgeleide, dat zeg ik niet om interessant te doen, maar we kennen dit allemaal. Bijvoorbeeld in de theologie hebben ze een richting over soteriologie, en soteriologie betekent de leer van de redding. "Heil" zit daarin, redding. En dat gedeelte heeft te maken met gezindheid. En dat laatste, dat heeft te maken met "samen". Het idee is dat wanneer redding, nut en waar verstand hand in hand gaan, je gezond verstand krijgt. En vandaar: bezonnenheid.⟨/p> ⟨p>Paulus — dit is trouwens een begrip wat hij nogal eens in zijn brieven gebruikt, met name in Titus en Timotheüs — over, ja... Helaas wordt het in onze vertalingen weergegeven met "ingetogenheid", maar dat is het niet. Het is niet ingetogenheid. Nee, sorry: bezadigd. Bezadigd. Ik weet niet hoe u het ervaart, maar bij het begrip "bezadigd" denk ik aan iets heel anders: oude mensen, een beetje suf. Met respect, hoogedele Kees... maar ik vind jou trouwens best wel... oh, gezond verstand, oké, heel mooi.⟨/p> ⟨p>Ja, maar het is wel een ander woord dan waar we het net over hadden, want dat was het woordje ⟨em>metanoia⟨/em>, en dat is dit niet. Vandaar ook: bezinning of bezonnenheid. Maar dit begrip wordt dus in de pastorale brieven, de persoonlijke brieven, meestal vertaald met "bezadigd". Maar het is niet bezadigd, alsof de fut of de spirit eruit is. Nee, het is juist gezond verstand wat Paulus iedere keer benadrukt: dat wij zouden leven met gezond verstand.⟨/p> ⟨p>Mensen willen heel vaak wetten hebben, nou die krijg je bij Paulus niet. Want Paulus zegt: "Alle dingen zijn geoorloofd, maar niet alles is nuttig." Dus om te weten wat nuttig is, moet je je gezond verstand gebruiken. En dan is het van belang dat je dus ook in staat bent om te denken. Hij zegt: "De uitspraken die ik doe, dat zijn uitspraken van waarheid — feitelijk — en ook gezond verstand." Juiste conclusies. Gezond denken heeft ook te maken met gezond redeneren: weten wat je wel en wat je niet kunt waarmaken. Nou, dat is wat Paulus vertelt en verwoordt. Want de koning⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="5012" title="Speel af vanaf 01:23:32">▶ 01:23:32⟨/button> ⟨span>De Confrontatie: Paulus Spreekt Agrippa Direct aan⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Niet Festus, maar Agrippa wel. Sterker nog, Festus had juist Agrippa erbij geroepen omdat Agrippa juist wel op de hoogte was van een heleboel dingen waar Festus de ballen van begreep, als ik het even onverbloemd mag zeggen. Paulus zegt: "Want de koning – niet jij Festus, maar de koning – is van deze dingen op de hoogte en tot hem spreek ik vrijmoedig." Ja, eigenlijk wel, met alle respect. Hij zegt: "Maar hij weet van deze dingen. Hij is op de hoogte en met vrijmoedigheid kan ik deze dingen tot hem vertellen."⟨/p> ⟨p>Paulus gaat eigenlijk ook gewoon weer verder tegen Agrippa praten. Hij heeft dus Festus gewoon weerlegd kort nadat deze riep: "Je bent gek!" "Nee," zegt Paulus, "jij bent onkundig, je weet er eigenlijk helemaal niets van. Ik ga nu verder met Agrippa." Zo. Moet je nagaan, daar staat dat mannetje Paulus. Maar die stadhouder Festus, de machtigste man, vergis je niet hoor, die wordt op zijn plaats gezet. Want de koning is van deze dingen op de hoogte en tot hem spreekt Paulus vrijmoedig. Hij zegt dat hij ervan overtuigd is dat niets van deze dingen die hij zojuist naar voren had gebracht, hem onopgemerkt is gebleven.⟨/p> ⟨p>Dan moet je ook nog even bedenken: Agrippa... we hebben het al eerder over die familie gehad, maar heel de Herodes-familie was vanaf het begin betrokken bij de weg. Vanaf het begin, ik bedoel vanaf de geboorte van Jezus. Het was al Herodes de Grote die in Bethlehem de kinderen van twee jaar en daaronder heeft vermoord. Dat was de opa van deze Agrippa. Dan kreeg je Herodes Antipas, die het hoofd van Johannes de Doper heeft laten afslaan. Dat was Herodes Antipas, als ik me niet vergis. Dan kreeg je Herodes die uiteindelijk een beslissende stem heeft gehad in het hele proces tegen Jezus. En later kreeg je Agrippa de Eerste, die de apostel Jacobus heeft omgebracht. Met andere woorden: heel die Herodes-familie was zo door en door op de hoogte van 'de weg'.⟨/p> ⟨p>Ik ben ervan overtuigd dat niets van deze dingen hem onopgemerkt is gebleven. Agrippa weet van deze dingen. Sterker nog, de Herodes-familie, al die Herodessen, vormden in veel opzichten zelfs de spil in de geschiedenis. En, zegt Paulus erbij: "Het is immers niet in een uithoek verricht." Ziet u hoe Paulus zich bedient van de historie? Hij is een getuige. Hij spreekt van controleerbare dingen, van waarheid en bezonnenheid. Het was dus niet te weerleggen.⟨/p> ⟨p>Nu gaat hij het Agrippa zelfs moeilijk maken, zeer moeilijk, want de grond wordt erg heet onder zijn voeten. Als Paulus zegt dat het niet in een uithoek geschied is, dan bedoelt hij dat het grootste gedeelte van waar hij het nu over heeft gehad, allemaal heeft plaatsgevonden in de hoofdstad Jeruzalem. Herodes wist daarvan. Het was nota bene in of rond de hoofdstad Jeruzalem dat het allemaal had plaatsgevonden. Dus hoezo? Ik zei al: hij zet Herodes echt onder druk, er komt druk op de ketel.⟨/p> ⟨p>Hij zegt: "Gelooft u de profeten, koning Agrippa? Ik weet dat u ze gelooft." Nou ja, geloven, voor waar houden. Dat wil niet direct zeggen dat je met je hart ook alles gelooft, maar in ieder geval dat je het voor waar houdt. Paulus zegt dus: "Ik weet dat u dat doet." En dan reageert Agrippa: "Maar Agrippa zei tot Paulus: 'Je overreedt me bijna een christiaan te doen zijn.'" Bijna. Eigenlijk staat er letterlijk 'in kort', en dat kan twee dingen betekenen: ofwel 'in korte tijd' – je probeert me wel heel snel te overtuigen – ofwel 'bijna', 'spoedig' of 'in weinig woorden'. Er is wat discussie over wat er precies bedoeld werd, maar goed: "Je overreedt me in het kort, om bijna een christiaan te doen zijn."⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-12" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="5320" title="Speel af vanaf 01:28:40">▶ 01:28:40⟨/button> ⟨span>Het Woord 'christiaan' als Scheldwoord van Buitenstaanders⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ik zeg expres 'christiaan', want dat is namelijk het woord wat er in het Grieks ook staat. De Engelsen zeggen het ook zo, Christian, en vele andere talen ook. Het is een woord dat in het Nieuwe Testament maar drie keer wordt gebruikt, en het valt op dat dit telkens gebeurt door buitenstaanders. Dat vind ik veelzeggend. Ik noem ze alle drie gewoon even. De eerste keer is in Handelingen 11. Daar lees je over onder andere Paulus en hoe zij een aanzienlijke menigte onderwezen. Er staat dat de discipelen, of de leerlingen, in Antiochië voor het eerst als 'christianen' betiteld worden. Het woord christen of christiaan wordt daar dus voor het eerst gebruikt, maar dat deden ze niet zelf. Ze noemden zichzelf niet zo; ze wérden zo betiteld. Het waren de buitenstaanders die hen zo noemden. Er is dan ook alle reden om aan te nemen dat het oorspronkelijk een soort scheldwoord was, dat de gelovigen vervolgens zelf als een geuzennaam zijn gaan gebruiken. Dat is wat anders, maar men noemde hen christianen.⟨/p> ⟨p>De volgende keer dat we dit woord tegenkomen is in 1 Petrus 4. Daar zegt Petrus: "Maar indien hij als christiaan lijdt, laat hij zich dan niet schamen, maar laat hij God verheerlijken in deze naam." Juist het feit dat je lijdt als christiaan is hier het punt. Dat wil zeggen: men noemt je een christiaan en daarom word je verworpen en krijg je lijden over je heen. Ik geloof dus dat het woordje christen van origine een woord was dat verachting uitdrukte. Een 'christiaan'. Dat heeft natuurlijk alles te maken met 'de Christus'. De buitenwacht, die er helemaal niets van begrijpt, hoort de gelovigen telkens over de Christus spreken en zegt dan: "Oh, die christianen."⟨/p> ⟨p>Dat is dus ook wat Agrippa hier zegt: "Je overreedt me bijna een christiaan te doen zijn." Zit hier spot in? Of zegt hij dit omdat hij een keuze moet maken? Als Agrippa namelijk zou erkennen dat hij inderdaad de profeten geloofde, dan zou hij vervolgens moeten aantonen waarom Jezus daar niet aan voldeed en waarom Hij dus niet de Christus was. Maar dat kon hij niet. Hij wist dat hij dat nooit kon waarmaken ten opzichte van Paulus. Dus probeert hij het te ontwijken met: "Je overreedt me bijna een christiaan te doen zijn."⟨/p> ⟨p>Paulus antwoordt daarop: "Ik mocht wensen bij God dat, zowel bijna als in het geheel" — of zoals de NBG zegt: spoedig en voorgoed — "niet alleen u, maar ook allen die mij vandaag horen, zo zouden worden als ik ben." Dat is een heel gezelschap dat daar zit. Let er trouwens op dat Paulus het woordje christiaan vermijdt. Agrippa nam dat woord in de mond, maar Paulus niet. Hij zegt tegen iedereen die hem daar aanhoort: "Ik zou willen dat jullie waren zoals ik." Hij wenst hen zijn overtuiging toe, zijn vreugde en alles wat hij van Godswege had ontvangen. "Nou ja," zegt hij erbij, "buiten deze boeien." Dat is humor, hè? Hij was letterlijk geboeid en hij had dus 'geboeid' gesproken. Niet boeiend, maar hij had geboeid gesproken. Hij zegt eigenlijk: "Ik wou dat jullie allemaal waren zoals ik, maar dan zonder deze boeien, want die verwens ik." Dat kan ik me zo voorstellen. Laten we het voor nu daar even afronden.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-13" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="5603" title="Speel af vanaf 01:33:23">▶ 01:33:23⟨/button> ⟨span>Het Oordeel: Vrijspraak Voorkomen Door het Keizerlijk Beroep⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En de koning stond op, en de stadhouder, en Bernice en die met hen samen zaten. We hebben het daar eerder al over gehad wat betreft die familierelaties. Ze trokken zich terug en spraken met elkaar en zeiden: "Niets des doods of gevangenschap waardig handelt deze mens." Met andere woorden: deze man is gewoon onschuldig.⟨/p> ⟨p>En Agrippa zei nu met nadruk tegen Festus: "Deze mens had vrijgelaten kunnen zijn, indien hij zich niet had beroepen op de keizer." En nu? Was dat ook het laatste? Ja, dat was ook het laatste vers van hoofdstuk 26. Ik dacht dat er nog één vers volgde, maar met andere woorden: hij had vrij kunnen zijn. Maar aangezien hij zich beroepen heeft op de keizer, zal hij ook naar de keizer gaan. En dat gaat dan ook daadwerkelijk gebeuren.⟨/p> ⟨p>Met andere woorden, Paulus gaat naar Rome. En dat is precies waar Handelingen 27 mee begint: de reis naar Rome. Nou, dat wordt ook een heel boeiend verhaal hoor, die scheepsreis. Die kan ik ook wel erg aanraden. Het is een schitterende geschiedenis, ook met een geweldige typologie. Maar daar zullen we het allemaal uitgebreid over gaan hebben. Handelingen 26 hebben we hiermee afgesloten en ik stel voor dat we deze avond ook zullen afsluiten met dankgebed.⟨/p>