⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Introductie en Recapitulatie van de Context⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De laatste keer dat we hier bij elkaar waren, was dat een informele avond. Toen hebben we wat met elkaar overwogen, maar dat stond min of meer los van de serie die nu gaande is. Dat betekent dus dat de laatste keer dat we ons echt bezig hebben gehouden met het boek Handelingen, in november was. Daar gaan we vanavond mee verder: Paulus voor koning Agrippa.⟨/p> ⟨p>Om alles weer even goed in herinnering te roepen en op een rijtje te zetten: Paulus was gevangen genomen in Jeruzalem en overgeplaatst naar Caesarea, daar aan de kust. In die Romeinse vesting was hij eerst verschenen voor Felix, zoals we in Handelingen 24 lezen. Vervolgens werd Felix opgevolgd door een andere stadhouder, een procurator, en dat was Festus. Ook dat wordt beschreven in Handelingen 25, waar Paulus zijn getuigenis geeft.⟨/p> ⟨p>Ter gelegenheid van de installatie van Festus als de nieuwe stadhouder, kwam koning Agrippa op bezoek. Hij was een telg uit de Herodes-familie. Ik heb de vorige keer laten zien hoe die tamelijk complexe verhoudingen in elkaar steken en heb dat toen ook schematisch uitgebeeld. In ieder geval kwam deze telg uit die dynastie op bezoek bij Festus. Het was trouwens ook allemaal familie van elkaar; ik heb u dat eerder laten zien met die vrouwen. Hoe heetten ze ook alweer? Drusilla... en Claudia? Nee... Nou, ik blijf er even vanaf. In ieder geval kwam Agrippa op bezoek met zijn vrouw, en dat was tevens zijn zus. Dat was allemaal erg incestueus.⟨/p> ⟨p>Als Agrippa dan op bezoek komt bij Festus, wil hij graag Paulus horen. Dat kwam van twee kanten, want Festus zat eigenlijk met de kwestie-Paulus in zijn maag. Hij moest hem naar Rome sturen, naar de keizer, omdat Paulus zich daarop had beroepen. Maar hij wist dat hij dan wel een goed verhaal moest hebben, en dat had hij niet. Hij wilde de Joden weliswaar ter wille zijn en hen een dienst bewijzen door Paulus gevangen te houden, maar hij wist dat Paulus eigenlijk helemaal geen crimineel was en, strikt genomen, niet gevangen gehouden hoefde te worden. Hij wist dat dat eigenlijk buiten de orde was. Kortom, hij zat ermee in zijn maag.⟨/p> ⟨p>Toen Agrippa op bezoek kwam, die een kenner was van alle interne Joodse aangelegenheden en de godsdienstige zaken die daar speelden, dacht Festus: ik moet Agrippa eens benaderen over wat hij van Paulus vindt. Dus Paulus wordt opgetrommeld en mag inderdaad opnieuw zijn verhaal houden, nu dus met Agrippa erbij. Feitelijk richt Paulus zich in Handelingen 26 dus rechtstreeks tot Agrippa. De vorige keer hebben we daar al het een en ander van bezien.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="229" title="Speel af vanaf 03:49">▶ 03:49⟨/button> ⟨span>Paulus' Voorgeschiedenis als Vervolger van de Weg⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Paulus vertelt eerst zijn voorgeschiedenis: wie hij is, waar hij vandaan komt en hoe hij is opgegroeid als een strikt Joodse man. Hij kwam uit de meest nauwgezette partij van onze godsdienst, zoals hij dat in vers 5 noemt. Als farizeeër heeft hij geleefd; zijn vader was dat ook. Hij gaat verhalen dat hij in eerste instantie een tegenstander was die de dood zocht van de mensen behorend bij die beweging van de Nazareners, de groep die zichzelf 'De Weg' noemde. Hij was de meest verklaarde tegenstander binnen het Jodendom. Een jonge kerel nog, maar de meest fanatieke tegenstander van die beweging.⟨/p> ⟨p>Ik begin te lezen vanaf vers 9. We hebben dat weliswaar al besproken, maar ik lees het om weer even aan te haken. Paulus zegt dan: "Ik inderdaad meende voor mezelf tegen de naam van Jezus, de Nazarener, veel tegenmaatregelen te moeten nemen." Ik heb daar de vorige keer ook wat over verteld, waarom Nazareth ook een profetische lading heeft. "Wat ik ook deed in Jeruzalem en velen ook van de heiligen sloot ik in cellen op en bij de hogepriesters ontving ik volmacht."⟨/p> ⟨p>Eigenlijk staat hier een punt: "bij de hogepriesters ontving ik volmacht." Het idee daarbij is dat Paulus zelf het initiatief nam tot deze vervolging. Hij kreeg toestemming en volmacht van de hogepriesters, maar dat betekent dus dat zij hem min of meer de vergunning gaven en officieel toestemming verleenden. En dan zegt hij er nog bij: "Ook droeg ik mijn stemsteentje bij om hen uit de weg te ruimen." We weten dat hij dat bijvoorbeeld ook gedaan heeft in het geval van Stefanus. Daar was hij bij en daar heeft hij zijn instemming mee betuigd.⟨/p> ⟨p>Hij vervolgt: "En in alle synagogen strafte ik hen dikwijls. En ik dwong hen te lasteren. En bovenmate razend op hen..." Het fanatisme spat er vanaf. "En bovenmate razend op hen vervolgde ik hen ook tot in de buitenlandse steden aan toe." Dus als hij in het Joodse land actief is geweest, dan blijft het daar niet bij, maar dan gaat hij ook naar het buitenland. In vers 12 pakken we nu de draad op: "In die omstandigheden..." In welke omstandigheden? Er staat letterlijk: "in welke", zoals u hier ziet. Dat betekent: in deze vervolgingen waar ik zo actief in was.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="430" title="Speel af vanaf 07:10">▶ 07:10⟨/button> ⟨span>Met Volmacht en Vergunning Naar Damascus⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>In die omstandigheden ging ik naar Damascus. Die grote stad, de hoofdstad van Syrië, speelde in het Oude Testament ook nogal eens een rol. Ik kom daar nog even op terug, want er valt typologisch ook het nodige over te melden. Weet u trouwens wanneer de stad Damascus voor het eerst wordt genoemd? Dat is in de geschiedenis van Abraham. Je leest dat Abram een knecht had die bij name wordt genoemd: Eliezer. Dat was een Damaskener, een inwoner van Damascus dus. Het is heel opvallend om in Genesis 15 te lezen dat Abram, inmiddels hoogbejaard, zegt: "Ik ga straks kinderloos sterven." Hij was een vermogend herdervorst en concludeerde dat de erfenis en het beheer over alles naar zijn knecht zou gaan, naar de Damaskener Eliezer. Maar dan zegt God tegen hem: "Nee, dat is niet je eigen erfgenaam; jij krijgt een lijfelijke erfgenaam." Vervolgens mag hij naar buiten gaan en naar de sterrenhemel kijken: "Zo zal jouw nageslacht zijn." En dan staat er dat Abraham God geloofde en dat het hem tot gerechtigheid werd gerekend. Die Damaskener wordt dus genoemd op het moment dat de belofte van God dreigt mis te lopen; dan komt de stad Damascus in het vizier. Ik zeg dat een beetje dubbelzinnig, maar misschien zeg ik daar zometeen nog wel wat meer over.⟨/p> ⟨p>In die omstandigheden ging ik naar Damascus, met volmacht en vergunning. In de vertalingen wordt dit soms verschillend weergegeven, maar er staat hier inderdaad ⟨em>exousia⟨/em>, wat autoriteit betekent. Het gaat om toegekende autoriteit, iets wat je van bovenaf hebt gekregen: volmacht. Het andere woord draagt de gedachte van vergunning in zich. Ook hier zie je weer dat het initiatief bij Saulus zelf ligt. Hij kreeg volmacht en vergunning van de hogepriesters, wat betekent dat hij naar de hogepriesters is toegegaan. Zij gaven hem de geloofsbrieven en ondertekenden die: "Alsjeblieft Saulus, ga je gang." Het initiatief lag echter bij hem.⟨/p> ⟨p>Saulus was de man, de tegenstander bij uitstek van Jezus en de hele beweging daaromheen. Er was geen groter vijand dan juist hij. Hij brengt dat op allerlei manieren onder woorden, maar in 1 Timotheüs 1 vind ik het wel heel sterk verwoord. Daar zegt hij: "Ik ben de eerste der zondaren." Ik neem dat heel letterlijk. Realiseert u zich dat de vervulling van de profetieën daar was: de Messias was gekomen, God had Hem opgewekt uit de doden en het bewijs was geleverd. En uitgerekend binnen het volk dat geacht werd de Messias te aanvaarden, was hij de grote tegenstander. Dat betekent dat hij een veel grotere zondaar — een 'doelmisser' — was dan wie dan ook ter wereld. Als notabene een orthodoxe Jood zo’n verklaard tegenstander is van de door God opgewekte Messias, dan is het geen vrome overdrijving wanneer hij zegt dat hij de eerste der zondaren is en het niet waard is om een apostel te heten. Het is gewoon precies zoals het is.⟨/p> ⟨p>Hij ging nu dus ook buitenlands met zijn vervolgingsacties, met volmacht en vergunning van de hogepriesters. En dan neemt hij midden op de dag onderweg iets waar. Koning Agrippa, vanaf dit vers volgt de derde keer in het boek Handelingen dat de roeping van Saulus wordt verhaald. De eerste keer was in Handelingen 9, het verslag van Lucas zelf. De tweede keer vertelt Paulus zijn verhaal in Jeruzalem aan de menigte die in grote woede was ontstoken — een woede die Paulus maar al te goed kende uit eigen ervaring en verleden. Hij vertelt daar zijn relaas op het tempelplein en geeft allerlei details. En nu horen we voor de derde keer het verhaal van zijn roeping voor koning Agrippa. Ik moet erbij zeggen dat dit derde verslag veruit het meest uitgebreid is. Het is geen domme herhaling; Lucas heeft niet simpelweg 'gekopieerd en geplakt'. Hij vertelt het iedere keer met het oog op het oogmerk van het boek en op een wijze die relevant is voor de context. Paulus staat hier voor Agrippa, en wat voor Agrippa en de context in Caesarea van belang is, dat vermeldt hij. Details die in Handelingen 9 en 22 niet genoemd werden, komen nu wel aan de orde, terwijl andere zaken juist worden weggelaten. Het is geen zomaar herhalen. Het loutere feit dat deze geschiedenis drie keer in dit ene boek wordt verteld, geeft aan hoe zeer deze gebeurtenis feitelijk de meest centrale gebeurtenis van het hele boek Handelingen is. Van geen enkele andere geschiedenis kun je zeggen dat deze zo vaak herhaald wordt. Dat is heel erg markant.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="875" title="Speel af vanaf 14:35">▶ 14:35⟨/button> ⟨span>Het Overtreffende Licht Midden op de Dag⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dit is dus de derde keer dat Paulus' roeping wordt verhaald. Hij zegt: "Midden op de dag nam ik onderweg waar, o koning, vanuit de hemel, boven de schittering van de zon..." Schitterender dan de glans van de zon. Dat "boven" kun je opvatten als: het was boven de zon. We kennen een Bijbelboek waar het altijd gaat over de dingen "onder de zon", het boek Prediker. Dit gaat over dat wat hij zag boven de zon. Maar het gaat er niet zozeer om dat het zich fysiek boven de zon bevond – hoewel dat ook waar is – maar het gaat om de intensiteit: het was boven de schittering van de zon.⟨/p> ⟨p>Stelt u zich eens voor: waar op de wereld zou je sterker zonlicht hebben dan juist daar in de streken van Syrië en in die hele gordel op de aarde? En dan nog wel op het midden van de dag. Dus niet hier in Nederland of in Noorwegen, nee, daar in Syrië, midden op de dag. Nergens op aarde vind je zulk sterk zonlicht als juist op dat moment en juist daar. En dan staat er: "Ik zag een licht." Niet alleen ik, maar ook degenen die met mij waren. Een licht dat de schittering van de zon overtreft. Het gaat dat te boven. Het is de hemel der hemelen waaruit hij een verschijning kreeg. Maar bovenal: dat licht is zo sterk, en met name dat wordt hier benadrukt.⟨/p> ⟨p>Paulus kon die vergelijking heel concreet maken. Het was niet bij wijze van spreken schitterender dan het zonlicht; nee, hij kon het vergelijken omdat het midden op de dag gebeurde. Zo sterk was dit licht. Een licht dat hem en degenen die samen met hem gingen omstraalde. Niet alleen Saulus dus. De verschijning die Saulus hier ontving, was er een waar gewoon andere ooggetuigen bij waren. Paulus vertelt dus niet iets wat hij in zijn verbeelding heeft gezien. De mensen die bij hem waren, hebben het net zo goed gezien. Ik wijs daar even op: men zegt wel eens dat het een hallucinatie is geweest. Nee, dat kan helemaal niet, want al die anderen waren er ook bij. Zij hebben datzelfde licht gezien en zij vielen eveneens ter aarde, zoals we straks in het volgende vers zullen zien.⟨/p> ⟨p>Ik heb de verklaring ook meer dan eens voorbij zien komen dat Saulus waarschijnlijk een epileptische aanval gehad zou hebben. Maar het loutere feit zoals Paulus het verhaalt, is: er waren mensen met mij. Je kunt het gewoon checken. Trouwens, Lucas heeft het ook vermeld. De verklaringen die men geeft om dit weg te redeneren, deugen simpelweg niet, omdat uit de geschiedenis blijkt dat er ooggetuigen waren. Er waren mensen bij wie men het kon navragen. Dat is trouwens typisch iets voor Lucas: hij beschrijft de dingen om ze aan te tonen door getuigen. Dingen die niet alleen gezien zijn, maar vervolgens ook door anderen zijn bevestigd. Het zijn solide zaken; geschiedenis, historie. We praten niet over verhaaltjes, er zijn geen "kunstrijk verdichte fabelen" nagevolgd.⟨/p> ⟨p>Nee, het is echt gebeurd. Dat geldt ook voor de gebeurtenis dat de grootste tegenstander werd omgezet. Je moet je goed realiseren dat Saulus niet alleen een fanatieke tegenstander was, maar bovendien een intellectuele reus. Hij was een van de "rising stars" in het jodendom; hij zat aan de voeten van Gamaliel, zoals we al eens eerder hebben overwogen. In Galaten 1 zegt Paulus ook over zichzelf dat hij het in het jodendom verder had gebracht dan vele van zijn tijdgenoten. Als jonge kerel had hij intellectueel al zoveel in zijn mars en hij combineerde dat met een gigantische ijver. Om zo iemand te overtuigen dat Jezus de Messias is, terwijl hij de meest verklaarde tegenstander is... ja, dan moet daar toch echt iets gigantisch hebben plaatsgevonden.⟨/p> ⟨p>Laat Paulus gewoon zelf aan het woord. Dit is een verklaring die wordt bevestigd door zovelen. Zij hebben het ook allemaal gezien en gehoord. "En toen wij allen ter aarde vielen..." Ze zagen het niet alleen, ze vielen ook vanwege dat plotselinge verschijnen van dat licht dat de zon overtrof. Ze vielen gewoon van hun paard of hun wagen – hoe ik het me ook voor moet stellen – maar ze vielen in ieder geval ter aarde. Dat moet een gigantische gebeurtenis zijn geweest, zo onverwacht.⟨/p> ⟨p>Ik denk daar wel eens vaker over na. Het feit dat de Heer Jezus is opgestaan uit de doden en het graf leeg was, dat zijn historische bewijzen. (Gaat het, Kees? Ja joh. Niet iedereen heeft de luxe van even een glaasje water...) Maar wat ik wilde zeggen over de bewijskracht: Jezus is opgestaan, het graf was leeg. Vriend en vijand waren het over één ding eens: het graf was leeg. Dat kon men niet ontkennen. De tegenstanders zeiden dat Hij uit het graf was geroofd door de discipelen, wat overigens onmogelijk was omdat het zwaar bewaakt werd. Maar het feit dat men die verklaring gaf, bewijst wel dat men één ding niet kon ontkennen: dat het graf leeg was. Vervolgens is Hij door honderden getuigen gezien, zoals Paulus zelf ook zegt. Het is een gedocumenteerd historisch feit, veel beter bevestigd dan vele andere historische gebeurtenissen.⟨/p> ⟨p>Hetzelfde geldt voor de ommekeer van Saulus. Dat is een sensationeel en spectaculair gegeven. Verklaar dat maar eens. Van de twaalf apostelen zou je nog kunnen zeggen dat het "wishful thinking" was – wat overigens ook niet opgaat. Waarom zouden zij zeggen dat Hij is opgestaan terwijl ze zelf het lichaam zouden hebben gestolen? Werden ze er beter van? Kregen ze een makkelijker leven? Werden ze daardoor ineens van angstige, zielige mensen blijmoedige mensen die stad en land en de hele wereld hebben afgereisd? Daar is maar één verklaring voor: ze waren ooggetuigen van de opgestane Messias. Maar het feit dat juist Saulus die ommekeer heeft meegemaakt, is echt een sensationeel gegeven dat Agrippa ook niet heeft kunnen ontkennen. Iedereen wist dat die Saulus van Tarsus de meest verklaarde tegenstander was. Wat was er in vredesnaam met hem gebeurd? "Toen wij allen ter aarde vielen..."⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1463" title="Speel af vanaf 24:23">▶ 24:23⟨/button> ⟨span>De Stem in het Hebreeuws en de Transformatie van Saulus Naar Paulus⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Toen hoorde ik een stem tot mij zeggen in het Hebreeuwse dialect. In het Hebreeuwse... er staat hier letterlijk het woordje ⟨em>dialekto⟨/em>, ziet u? En ⟨em>dialekto⟨/em> betekent eigenlijk gewoon de omgangstaal. Dat is wel interessant, omdat we het even naast elkaar kunnen leggen. Ik herinner me dat ik dat al een keertje eerder gedaan heb, maar dat is al zo lang geleden. Juist omdat we hier nu de meest uitgebreide beschrijving van de roeping van Saulus hebben, wil ik dat nog even kort memoreren.⟨/p> ⟨p>Je leest in Handelingen 9 over deze gebeurtenis. Tegenstanders van de Bijbel hebben wel gesuggereerd dat de Bijbel in strijd is met zichzelf, omdat Lukas in Handelingen 9, Handelingen 22 en Handelingen 26 verschillende verhalen vertelt. Dat klopt; wat hij in die verschillende hoofdstukken naar voren brengt, verschilt van elkaar. Maar het completeert elkaar; het strijdt niet met elkaar. Integendeel, het is juist een hele subtiele bevestiging van elkaar en bovendien een aanvulling op wat hij eerder had gezegd.⟨/p> ⟨p>Eerst dit: in Handelingen 9, het eerste verslag, lees je dat de mannen die met hem reisden sprakeloos stonden. Ze waren ter aarde gevallen en stonden daarna sprakeloos. Waarom? Omdat zij inderdaad het geluid hoorden. Er werd tot Saulus gesproken en ze hoorden geluid, maar niemand aanschouwde. Maar als je in Handelingen 22 leest, wanneer Paulus in Jeruzalem voor dat grote publiek zijn verhaal doet, dan vertelt hij: "En die samen met mij zijn, die slaan het licht gade, maar de stem van degene die tot mij spreekt, die horen ze niet."⟨/p> ⟨p>Toen heeft men gezegd: "Kijk, dat zijn twee verschillende dingen. Hier staat dat ze het geluid wel hoorden en daar staat dat ze de stem niet horen. Hier staat dat ze niemand zagen en daar staat dat ze het licht gadesloegen. Is dat een tegenstrijdigheid?" Nee, dat is helemaal geen tegenstrijdigheid als je het even reconstrueert en de verschillende gegevens naast elkaar neerlegt. Dan stel je gewoon vast: Saulus’ medereizigers horen geluid. Ze hebben wat gehoord en ze zien ook licht, zodanig zelfs dat ze ter aarde vallen. Maar ze verstaan de stem niet. Je kunt geluid horen, ik hoor zo vaak een geluid en zelfs stemmen, zonder dat ik er ook maar een jota van begrijp.⟨/p> ⟨p>Dat was ook zo met die medereizigers van Saulus. We weten trouwens over die figuren verder niets af. Was het vanwege het Hebreeuwse dialect waarin Saulus werd aangesproken dat ze de stem niet verstonden? Dat zou kunnen, of had het een andere reden? Dat weet ik niet, het staat er niet bij. Ze horen in ieder geval het geluid, maar de stem en wat de stem zei, hebben ze niet verstaan. Dat is een ding dat zeker is. En hoewel ze dus dat geweldige licht zagen, hebben ze niemand gezien. Ze zagen niet de verschijning die daarachter zat. Dat betekent dus dat deze verschijning alleen voor Saulus een ontmoeting is geweest. Voor de medereizigers was het een gebeurtenis met een gigantische lichtzee die hen omstraalde. Ze hoorden ook geluid en ze waren versteld, sprakeloos en helemaal verbaasd, maar wat er gaande was, wie hier verscheen en wat Hij zei, dat wisten ze niet. Dat is alleen voor Saulus geweest. Het was alleen een ontmoeting tussen de Heer en Saulus, ondanks het feit dat die medereizigers daar wel het geluid hebben gehoord en het licht hebben gezien.⟨/p> ⟨p>Paulus is wel verblind, maar hij heeft dus wel een gestalte gezien. Saulus heeft de Heer gezien. Wellicht dat hij daarom drie dagen lang blind was; misschien heeft hij net even te lang in het licht gekeken. Maar hij heeft een gestalte gezien, oogverblindend. Het loutere feit dat er staat dat de anderen niemand aanschouwden, suggereert dus dat Paulus zelf wel iemand aanschouwde. Hoezeer het hem ook verblindde, hij heeft dat gezien. Bovendien hoorde hij die gestalte, die hij waarschijnlijk maar in een flits gezien heeft, spreken. Sterker nog, er heeft zelfs een korte conversatie plaatsgevonden waar Handelingen 9 en 22 niets over zeggen. Alleen in Handelingen 26, nu hij voor Agrippa staat, vertelt hij daarover.⟨/p> ⟨p>"En toen wij allen ter aarde vielen, hoorde ik een stem tot mij zeggen in het Hebreeuwse dialect: Saul, Saul, waarom vervolg jij mij?" Die dubbele aanspreking is heel veelzeggend. Dat betekent dat er iets heel belangrijks wordt gezegd. Denk aan Martha, Martha of Samuel, Samuel. Ik heb ooit een hele verzameling aangelegd van mensen die in de Bijbel dubbel worden aangesproken. Er zijn er nog een stuk of drie, vier die ik nu even niet ter plekke weet. Hebben jullie er één? Ja, Saul, Saul. Of: "Adam, waar ben je?" Nee, dat is geen dubbele aanspreking. Samuel, Samuel; Martha, Martha. De lijst is niet compleet, maar ik weet het even niet meer uit mijn hoofd.⟨/p> ⟨p>Ik wil op iets anders wijzen. Hij heette Saul, dat was een Hebreeuwse naam. Hij wordt in het Hebreeuws aangesproken en er wordt gezegd: "Shaul, Shaul". Dat was natuurlijk de naam van de eerste koning van Israël, die ook uit de stam van Benjamin kwam. Dat is wel leuk, want eerst heette hij Saul en later wordt hij Paulus. Saulus wordt Paulus. Wat is het verschil tussen Saulus en Paulus? Dat is eigenlijk alleen de beginletter. De eerste letter van Saulus is een S. In het Hebreeuws zeg je dan dat het de letter Sjien is.⟨/p> ⟨p>Hebreeuwse letters vormen een heel boeiend verhaal. Een Hebreeuwse letter is een soort teken, een symbool, een icoon. Eigenlijk is het een tekening. Het is trouwens ook nog een getal; de Sjien is het getal 300. Het is een beetje vergelijkbaar met het Latijnse letterschrift, waarbij letters ook getallen zijn. Zo kennen wij ze ook vooral. Dat is met het Hebreeuws ook zo: die letters zijn cijfers, maar het zijn ook woorden. Neem bijvoorbeeld het Hebreeuwse alfabet, eigenlijk het alef-bet. Alef, wat in het Grieks dan weer alfa is, is oorspronkelijk de kop van een stier. Het grappige is dat je dat zelfs in ons letterschrift nog terugziet. In het Grieks is de alef de alfa geworden, maar je ziet nog steeds die kop van de stier. Bij onze hoofdletter A — trouwens ook bij onze kleine letter a — is dat nog steeds de kop van een stier met twee hoorns, maar dan omgekeerd. En de Beet, de tweede letter, is een huis. ⟨em>Bet Lehem⟨/em> betekent letterlijk 'huis van brood'.⟨/p> ⟨p>Al die Hebreeuwse letters zijn dus ook gewoon woorden en symbolen. Het is een heel boeiend verhaal. Ik zoek nog een ander woord voor symbolen... zometeen kom ik er nog wel op. Ik word ouder, hou het daar maar op. Maar wat in dit geval van belang is: weet je wat nou zo boeiend is? De naam Saulus begint met de Sjien. De Sjien is eigenlijk een tand of een kies, en daarmee een vermaler. Dat is de betekenis van de letter Sjien als woord. Dan heb je de naam Paulus. Wat is het verschil? De Sjien wordt een P. De letter Sjien, de kies, de vermaler, wordt een Pé. De Hebreeuwse letter Pé betekent letterlijk 'mond'. Als je de verandering van Saulus naar Paulus dus wilt samenvatten, dan wordt de vermaler een mond.⟨/p> ⟨p>Dan zou je zeggen: de sjien werd een pé. Oftewel, de vermaler werd een mond. Als ik het zo zeg, dan markeert dat tevens precies de grote transformatie die in zijn leven heeft plaatsgevonden. Hij was een vermaler, een vernietiger; die kies, die tand, die de gemeente Gods vernietigde en vermaalde.⟨/p> ⟨p>God had hem uitgekozen en de Heer verschijnt aan hem. Hij wordt in zijn nekvel gegrepen. Saul – de sjien – wordt een pé. Waarom? God wilde hem gaan gebruiken om via zijn bediening het Woord door te geven. Hij wordt eigenlijk de mond Gods, de mond van God. Voor wat God te zeggen heeft, daarvoor moet je bij Paulus wezen. Dus de sjien wordt een pé. De vermaler is de mond van God geworden. Dat is toch schitterend, hoe dat in die letter zo ligt besloten?⟨/p> ⟨p>Over de naam Paulus hebben we het al vaker gehad, en recentelijk hebben we daar ook al eens over gesproken. Daar is een studie over – ja, en geschreven trouwens ook – dus dat laat ik even voor wat het is, maar dit wilde ik toch graag vermeld hebben: de vermaler die de mond van God wordt.⟨/p> ⟨p>Hij wordt geroepen: "Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?" Ook hier zie je dan weer zo'n opmerkelijk verschijnsel. Want wat er duizend jaar eerder gebeurde, was dat daar ook een man was uit de stam van Benjamin met de naam Saul; exact dezelfde naam. En wat deed hij? Hij vervolgde David. En nu heb je weer een man, ook uit de stam van Benjamin, en die vervolgt de Zoon van David. De geschiedenis herhaalt zich en dan weet je ook meteen waar David en Saul een type van zijn. Het zijn prachtige lijnen, parallellen en typologieën. "Waarom vervolg je Mij?"⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2266" title="Speel af vanaf 37:46">▶ 37:46⟨/button> ⟨span>Hard Om Tegen de Stekels te Trappen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan staat er nog bij: "Het is hard voor jou tegen de stekels te trappen." Ik heb deze term onderzocht en wat hier gezegd wordt, was in die dagen een bekende uitdrukking. Wij hebben tegenwoordig natuurlijk allemaal gemotoriseerde en gemechaniseerde tuinbouw- en landbouwwerktuigen. Als we willen ploegen, zetten we er een trekker voor. Maar in die dagen, en gedurende duizenden jaren van de menselijke geschiedenis, werd dat werk gedaan door een lastdier, meestal een os.⟨/p> ⟨p>Ik heb hier een plaatje waarbij ik zelf iets heb moeten toevoegen, omdat ik geen goed bestaand plaatje kon vinden. Dit is het idee: als er een ploeg achter zo'n dier was gespannen en het dier werd onwillig en stapte achteruit, dan waren daar een soort stekels of prikkels. Scherpe punten, zodat de os het wel uit zijn kop liet om tegen te stribbelen. De Statenvertaling zegt inderdaad: "de versenen tegen de prikken te slaan." "Versenen" is een oud-Nederlands woord voor de hiel. Dus je slaat met je hiel tegen de scherpe punten.⟨/p> ⟨p>Wat de Heer hier eigenlijk tegen Saulus zegt terwijl hij geroepen wordt, is: "Ik ga jou gebruiken, maar tot dusver ben jij onwillig; jij bent als zo’n lastdier dat achteruit slaat." Hij zegt: "Het is hard voor jou om tegen die stekels, tegen die scherpe punten, te trappen." Het idee is dat de Heer hier de Landbouwer is die Saulus wil inzetten, maar Saulus is tot dusver erg onwillig geweest.⟨/p> ⟨p>Saulus reageert dan — en dat vind je trouwens niet in Handelingen 9 of Handelingen 22 — en zegt: "Wie bent U, Heer?" Dat wist hij namelijk niet. Moet je je dat voorstellen, met alles wat Saulus wist en waar hij mee bezig was. Ik ben er absoluut van overtuigd dat hij daarin, hoezeer hij ook een zondaar was — dat wil zeggen: een volstrekte doelmisser — volkomen oprecht was. Hij was er echt van overtuigd dat hij God een welgevallige dienst bewees.⟨/p> ⟨p>En dan wordt hij zo overrompeld, zo overweldigd. In 1 Timotheüs 1 noemt hij het ook zo: de genade van God heeft mij overweldigd. Dat is als een tsunami. We hebben vandaag bijna een orkaan meegemaakt en dan word je ook gewoon meegesleurd. Zo was het: hij kon niet anders. En dan hoort hij de mededeling, nadat hij dit licht heeft gezien en gevallen is: "Ik ben Jezus, die jij vervolgt." Wauw! Probeer je voor te stellen wat dat voor hem geweest is.⟨/p> ⟨p>Er zit iets heel bijzonders in deze hele formulering. Saulus vervolgde immers de gemeente van God. Zo zegt hij dat zelf ook in 1 Korinthiërs 15 en Galaten 1: "Ik heb de gemeente van God vervolgd." Maar de stem vanuit de hemel zegt niet: "Je vervolgt de gemeente." De stem zegt: "Je vervolgt Mij." Met andere woorden: de stem vanuit de hemel, oftewel Jezus, verheerlijkt in dat oogverblindende licht, zegt: "Jij vervolgt de gemeente van God, maar feitelijk vervolg je Mij." Dat is wat het zegt: "Ik ben Jezus en jij vervolgt Jezus."⟨/p> ⟨p>Dat betekent dat in de kiem van deze eerste zin al de waarheid besloten ligt waar Paulus later uitgebreid in zijn brieven over zou schrijven. Namelijk de waarheid dat de gemeente, de Ecclesia, dat "uitroepsel", het lichaam van Christus is. Oftewel: als hij de gemeente vervolgt, dan vervolgt hij Jezus Christus. Want de Christus, zegt hij in de Korinthiërbrief, dat is hoofd en lichaam tezamen. Dus hier in deze ene mededeling ligt in de kiem al helemaal vervat wat hij later nader onderwezen heeft gekregen — want Paulus is ook nog nader onderwezen, ik kom er straks nog op terug — en in zijn brieven uiteenzet: de eenheid tussen Christus Jezus in de hemel en de gemeente van God hier op aarde. Dat is een eenheid, en dat zie je hier in de allereerste zin die hij vanuit de hemel hoort al als openbaring meegegeven. Het is heel bijzonder dat je dat hier al ziet.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2655" title="Speel af vanaf 44:15">▶ 44:15⟨/button> ⟨span>Voorbestemd als Dienaar en Getuige⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Maar, zegt de stem uit de hemel vervolgens: "Maar sta op." Dat vind ik ook zo mooi. Sta op. Daar zit de gedachte al in van opstanding, van nieuw leven. Hij was als dood neergevallen en nu klinkt het: "Sta op! Sta op je voeten, want hiertoe werd Ik door jou gezien." Hoezo hiertoe? Nou, dat volgt direct: "om je voor te bestemmen." Dat is eigenlijk het woord dat hier gebruikt wordt. In de NBG-vertaling staat "om je aan te wijzen", maar het idee is vooral om je voor te bestemmen. De paar keren dat dit woord nog meer gebruikt wordt, wordt het in de NBG-vertaling ook vertaald met "voorbestellen". Dus: om je voor te bestemmen, want dat is waartoe Ik jou gesteld heb: om een assistent – of de NBG-vertaling zegt dan dienaar – te zijn en een getuige daarvan.⟨/p> ⟨p>Leuk hè? Hij wordt nu een assistent. Eerst was hij dat lastdier voor wie het zwaar was om tegen de verzenen en de prikkels te slaan. Eigenlijk vind ik die uitdrukking veel mooier. Zo leerde hij dat, en dat deed hij wel, maar het viel hem erg hard. Maar nu zegt de Heer: "Wat jij gaat worden, is Mijn dienaar. Ik ga jou gebruiken en jij bent gereedschap in Mijn handen, jij bent Mijn assistent." En getuige. Je mag dat gaan vertellen, verklaren en melden als een getuige. Het woord getuige is weer zo'n typische term uit de rechtspraak. Het gaat erom dat Paulus gesteld zou worden om een getuige te zijn, om bewijs te leveren. Precies dat wat verlangd wordt in een rechtbank: daar moet het bewijs geleverd worden. En Paulus is een getuige. Hij hoeft zelf niks te bewijzen, hij mag alleen vertellen: "Dat heb ik zelf gezien en gehoord." Dat is het. In dit geval kon hij er ook nog bij vertellen wat zijn medereizigers hebben gezien en gehoord. Of liever: niet wat hij heeft gezien en gehoord, maar wat hij waarnam was indrukwekkend genoeg, ook voor hen.⟨/p> ⟨p>Hij zou voortaan een assistent, een dienaar en een getuige zijn "daarvan dat je Mij waarnam" – nu dus – "en dat Ik door jou gezien zal worden." Die laatste toevoeging is veel minder bekend. In het algemeen weten de meeste mensen alleen te vertellen: "Ja, Saulus is door de Heer geroepen en hij is daar ooggetuige van geweest." En vervolgens zou Saulus dan in de leer zijn gegaan bij de andere apostelen om daarna samen het evangelie te vertellen. Nee, Saulus is door de Heer geroepen én vervolgens door Hem opgeleid. Hij is niet opgeleid bij de twaalf; integendeel. Er is een heel hoofdstuk waarin Paulus omstandig duidelijk maakt dat dit uitdrukkelijk niet het geval is. Hij zegt: "Ik heb het evangelie gehoord en onderwezen gekregen, niet door een mens, maar door Jezus Christus Zelf." En kijk, hier wordt hij geroepen, maar de Heer zegt eigenlijk: "Wacht maar, Ik heb je nog veel meer te vertellen. Je hebt Mij nu waargenomen, maar je zult Me nog meer zien." I'll be back; Ik kom terug en je zult Me weer zien. Daarmee bedoel ik nu niet Zijn toekomstige parousia, maar: "Jij zult Mij zien. Ik heb je nu geroepen en ga je nu nog opleiden."⟨/p> ⟨p>Die opleiding heeft hij ook daadwerkelijk gekregen, namelijk in Arabië. Maar ik stel voor dat we eerst even gaan pauzeren. Zullen we naar Arabië gaan? Ja, het is daar beter weer en het waait er natuurlijk niet zo hard. We hadden het dus over vers 16, waarin de Heer tegen hem zegt: "Sta op je voeten, want hiertoe werd Ik door jou gezien: om je voor te bestemmen als assistent en getuige daarvan dat je Mij waarnam en dat Ik door jou gezien zal worden." Dat is ook daadwerkelijk gebeurd, dat weten we.⟨/p> ⟨p>Als we naar het verslag in Galaten 1 gaan, dan vertelt Paulus in zijn brief aan de Galaten over het verhaal van zijn roeping. Met een andere reden natuurlijk, maar daar beschrijft hij het zelf. Ik lees het voor uit Galaten 1 vers 15: "Maar toen het God behaagde, die mij afzonderde vanuit de schoot van mijn moeder en roept door de genade van Hem, om Zijn Zoon in mij te onthullen..." Of, zoals er in de gangbare vertalingen staat: "te openbaren". Let trouwens op, want velen ontgaat dit: er staat hier dat het puur Gods genade was dat hij vanaf de moederschoot hiertoe gesteld was. Waarom? Hij was afgezonderd om Gods Zoon "in mij te onthullen". Hoe zou Gods Zoon in Paulus onthuld worden? Wel, "opdat ik Hem zou evangeliseren" – zo staat het er letterlijk – "te midden van de natiën." God zou Zijn Zoon in Paulus gaan onthullen door hem het evangelie te midden van de natiën te laten prediken.⟨/p> ⟨p>In Paulus wordt Christus onthuld. Maar let op wat er gebeurde toen het God behaagde hem af te zonderen en Zijn Zoon in hem te onthullen: "toen ben ik geen ogenblik te rade gegaan met vlees en bloed." De Heer is hem tegengekomen op de weg naar Damascus, en wat heeft hij toen gedaan? Hij vertelt hier eigenlijk vooral wat hij niet gedaan heeft. Hij zegt: "Ik ben niet te rade gegaan met vlees en bloed. Ook ging ik niet op naar Jeruzalem, naar hen die vóór mij apostelen waren." Dat was op zich heel logisch geweest: "Ik ben nu eigenlijk geroepen en afgevaardigd, dus ik vervoeg mij gewoon bij die andere apostelen." Nee, dat heeft hij niet gedaan. Waarom niet? De Heer had gezegd: "Ik ga aan jou verschijnen." En dus gaat hij niet te rade bij vlees en bloed en gaat hij ook niet naar Jeruzalem, naar hen die vóór hem apostelen waren. Nee, hij vertrok naar Arabië.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3126" title="Speel af vanaf 52:06">▶ 52:06⟨/button> ⟨span>Onderwijs Door de Heer Zelf in Arabië⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Aha! Dus hij ging niet te rade bij vlees en bloed, maar hij vertrok naar Arabië. Waarom? Wel, hij ging niet te rade bij vlees en bloed, dus ging hij te rade bij de Heer Zelf, die aan hem zou verschijnen. En dat is zo bijzonder, omdat Arabië de plaats is waar de Heer ooit verschenen is. Ik kom daar straks nog even op terug, maar ik lees eerst eventjes verder.⟨/p> ⟨p>Hij zegt dan: "Ik ging niet naar Jeruzalem, ik vertrok naar Arabië." In het boek Handelingen lezen we dat trouwens niet, maar hier in Galaten lezen we dat wel. Hij ging dus direct na zijn roeping linea recta vanuit Damascus naar Arabië, en vandaar keerde hij terug naar Damascus. Daar was hij dus al en vervolgens is hij daar ook weer teruggekeerd. En dan zegt hij: "Vervolgens, na drie jaren, ging ik op tot in Jeruzalem om Kevas — dat is dus Petrus — mijn geschiedenis te vertellen, en ik verbleef bij hem vijftien dagen."⟨/p> ⟨p>Dit vertelt hij allemaal zo om aan de Galaten duidelijk te maken dat zijn bediening en het onderwijs dat hij geeft, niet afkomstig is van de apostelen of van andere mensen. Nee, hij is regelrecht door Jezus Christus Zelf onderwezen. Hij zegt eigenlijk dat hij met Jeruzalem nooit wat te maken heeft gehad. Ja, hij is wel naar Jeruzalem gegaan, maar dat was pas drie jaar later. En toen was hij alleen maar bij Kevas geweest. Niet om door Petrus onderwezen te worden, maar om zijn geschiedenis aan hem te vertellen. Het is precies omgekeerd: hij is niet door Petrus geleerd, nee, hij heeft Petrus wat te vertellen. Hij verbleef vijftien dagen bij hem en in ruim twee weken kun je aardig wat vertellen, toch?⟨/p> ⟨p>Maar let even op. Hij was dus niet te rade gegaan bij vlees en bloed, maar naar Arabië gegaan. Dit staat in Galaten 1, maar ik neem u nu even mee naar Galaten 4, want het woord 'Arabië' vind je eigenlijk maar twee keer in het Nieuwe Testament. In Galaten 4 wordt het weer genoemd. Ik ga trouwens aanstaande zondag in Urk over dit Bijbelgedeelte spreken, maar dat terzijde. Daar zegt Paulus over Hagar — hij is daar bezig met typologie — dat zij de berg Sinaï in Arabië is. Hij zegt dat zij op één lijn staat met het huidige Jeruzalem, omdat zij met haar kinderen in slavernij is. Dat is een heel verhaal apart dat ik nu even laat liggen, maar het gaat mij om de opmerking van Paulus dat Hagar de voorstelling is van de berg Sinaï in Arabië.⟨/p> ⟨p>Aha! Dat betekent dus dat de berg Sinaï in Arabië ligt. Arabië is de landstreek waar de Heer ooit verschenen is aan het volk Israël en waar Hij via Mozes de wet heeft gegeven. Dat is Arabië: de plaats waar de Heer aan Mozes en aan Israël verscheen. Nu zijn we vijftienhonderd jaar later en dan verschijnt de Heer aan Saulus. Hij roept hem en zegt: "Je gaat Me nog meer zien." En Paulus gaat niet te rade bij vlees en bloed, maar gaat direct naar Arabië, de plaats waar de Heer ooit eerder was verschenen aan Mozes. Toen heeft de Heer aan Mozes zulke diepe dingen onthuld en via Mozes aan het volk Israël gegeven. Nu verschijnt de Heer aan Saulus en onderwijst Hem vervolgens inderdaad in Arabië.⟨/p> ⟨p>Daar is Paulus dus naartoe gegaan. Of dat de enige gelegenheid is geweest en hoe lang dat precies heeft geduurd, weten we niet. In ieder geval niet langer dan drie jaar, want drie jaar later ging hij naar Jeruzalem. Misschien heeft hij er een jaar of zelfs twee jaar gebivakkeerd; dat zou een mooie tijd zijn, maar dat staat er niet bij. In ieder geval is hij daar door de Heer onderwezen. Daarom heeft Paulus zulke bijzondere openbaringen mogen optekenen en doorgeven. Hij heeft geheimenissen en verborgenheden doorgegeven, omdat hij rechtstreeks door de Heer Zelf is onderwezen.⟨/p> ⟨p>Daarvan mocht hij gaan spreken. Hij moest getuigen van de dingen die hij al had waargenomen, maar ook van de dingen die hij vervolgens nog van de Heer Zelf zou gaan zien. Daarom ging hij niet te rade bij vlees en bloed; de Heer Zelf zou hem onderwijzen. Dat is heel bijzonder en het werpt er licht op dat Paulus een heel specifieke, apart gezette bediening heeft, namelijk voor de natiën. Goed, nu pak ik de draad van het verhaal weer op.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3492" title="Speel af vanaf 58:12">▶ 58:12⟨/button> ⟨span>Paulus als Afgevaardigde van de Natiën⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>In Handelingen 26 vers 17 zegt de Heer: "Ja, je gaat getuigen van het feit dat je Mij gezien hebt, maar ook nog door Mij gezien zal worden, terwijl Ik jou uittil vanuit het volk en vanuit de natiën waarheen Ik jou afvaardig." Ik heb hier het woordje 'uittillen' en dat is precies de letterlijke vertaling. In de MBG-vertaling wordt het vertaald met 'verkiezen'. Het idee is dan vooral uitgekozen worden, zoals Minnie zojuist vertelde; je wordt op een hele bijzondere manier uitgekozen. Maar hier is de gedachte niet alleen maar van apart stellen en uitgekozen of geselecteerd worden. Het is ook vooral: je wordt ontheven aan of verheven uit. Uitgetild boven, uitgetild vanuit het volk en vanuit de natiën. Hij krijgt dus een hele bijzondere bediening waarheen hij dan vervolgens ook inderdaad afgevaardigd wordt. Waarheen? Dat verwijst dus naar de natiën en het volk.⟨/p> ⟨p>Paulus is de apostel van de natiën. Wij denken daarbij heel gemakkelijk: "O, Paulus is gezonden naar de natiën en dat betekent dat hij een apostel van de natiën is." Maar dat is niet helemaal de gedachte. Het is wel waar hoor, hij is een leermeester die gezonden wordt naar de natiën, maar hij is ook een apostel of een afgevaardigde van de natiën. Hij hoort bij de natiën. En dat is de naam Paulus eigenlijk ook. Hij is een heidense apostel. Hij is ook een Romein. Vergeet dat niet, we hebben dat in de laatste hoofdstukken van Handelingen 21, 22 en 23 gezien: Paulus, als hij daar in Jeruzalem gevangen wordt genomen, dan wordt vooral benadrukt dat hij een Romein is. Hij had het Romeinse burgerrecht. En als zodanig is hij dus een Romein die gezonden wordt naar het volk Israël.⟨/p> ⟨p>Hij hoort bij de natiën, hij is een heidens apostel en hij wordt afgevaardigd naar het volk. Dus het idee is niet zozeer dat hier een Joodse apostel naar de natiën gebracht wordt, nee. Hij is een apostel, hij komt uit Tarsus, hij had het Romeinse burgerrecht. Hij had ook een Romeinse of een Griekse naam: Paulus. Zijn Hebreeuwse naam was Shaul, maar zijn heidense naam was Paulus. Als zodanig wordt hij nu gezonden naar Israël. Want hij had Israël een bijzondere boodschap te vertellen, namelijk dat het heil naar de natiën werd gezonden. Dat was een hele ondankbare boodschap, maar dat was wel wat hij aan Israël te vertellen had. In het hele boek Handelingen is dat eigenlijk de grote clou. Als we Paulus' voetsporen zo volgen in het boek Handelingen, gaat het er iedere keer om dat deze Romeinse, heidense apostel aan het volk Israël iets bijzonders te vertellen heeft, namelijk: het heil is nu naar de natiën gegaan. Nou, ga er maar aan staan. Dat werd niet in dank afgenomen, maar dat was wel wat hij te melden had. Hij werd daarin afgevaardigd.⟨/p> ⟨p>Dat dat inderdaad de gedachte is van de apostel van de natiën, dat wil ik u laten zien aan de hand van Romeinen 11. Daar lezen we in vers 13: "En ik zeg tegen jullie, de natiën." Paulus schrijft deze brief aan de Romeinen. "Ik zeg tegen jullie, de natiën, in zoverre ik dan inderdaad de afgevaardigde, een apostel dus van de natiën ben, verheerlijk ik mijn bediening." Dat wil zeggen: ik maak mijn bediening heerlijk. Waarin? Of ik op de een of andere manier degenen van mijn vlees – gewoon zijn volk, zijn familie, zijn verwanten naar het vlees, dat wil zeggen de Joden – jaloers zou kunnen maken en enigen uit hen zou kunnen redden. Paulus wist wel dat het volk Israël niet tot bekering zou komen. Maar waarin Paulus als apostel van de natiën zijn bediening heerlijk maakt, is dat hij juist als apostel van de natiën zijn vlees jaloers maakt. Dat wil zeggen: zijn volksgenoten, zijn verwanten naar het vlees.⟨/p> ⟨p>Dan volgt vers 15: "Want indien hun verwerping – het wegwerpen van hen – de verzoening van de wereld is, wat zal de aanneming anders wezen dan leven uit de doden?" Dus hij plaatst dat in dat hele grote perspectief. Nu staat Israël terzijde. Paulus moet dat ook aan Israël gaan vertellen. Hij zegt: het feit dat Israël nu terzijde staat, dat betekent de verzoening van de wereld. Dat is zijn boodschap: de verzoening van de wereld. En als straks Israël weer aangenomen wordt, ja, dat is een leven uit de doden, want dan zal Israël verrijzen uit het graf van de natiën. Dan krijg je de volgende aeon, waarin het Messiaanse Rijk gevestigd zal worden. Dus er zit nogal wat aan vast, aan het feit dat hij de apostel of de afgevaardigde van de natiën is. Hij wordt als zodanig als Romein gezonden, ook naar Israël, om hen te vertellen wat de huidige situatie is.⟨/p> ⟨p>Ja, en dan wordt in vers 18 verteld wat hij daar dan moet gaan doen. In vers 17 lees je nog – vooruit, uit de MBG-vertaling: "Richt u op, sta op uw voeten, want hiertoe ben Ik u verschenen, om u aan te wijzen als dienaar en getuige daarvan dat je Mij gezien hebt en dat Ik aan u verschijnen zal, u uittillende uit dit volk en de heidenen waarheen Ik jou zend." En dan staat er: waarom? Nou, om hun ogen te openen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3906" title="Speel af vanaf 01:05:06">▶ 01:05:06⟨/button> ⟨span>Roeping tot Omkering van Duisternis Naar Licht⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Het gaat erom hun ogen te openen tot omkering vanaf de duisternis, tot aan het licht. Ik neem dat woordje 'omkering' heel letterlijk. In de gangbare vertalingen staat hier meestal gewoon 'bekeren', maar eigenlijk is bekeren simpelweg omkeren.⟨/p> ⟨p>Voor Israël wordt vaak een ander woord gebruikt, namelijk 'terugkeer'. Israël wordt door de profeten altijd opgeroepen om terug te keren. Zij waren bij God, maar ze dwaalden van Hem af, en daarom wordt Israël opgeroepen om terug te keren naar waar ze ooit waren begonnen. De natiën daarentegen worden niet geroepen om terug te keren, maar om zich om te keren. Zij leven in de duisternis en worden opgeroepen om zich nu te keren tot het licht.⟨/p> ⟨p>Dat licht is uiteraard het evangelie dat Paulus mocht vertellen. Hij spreekt in 2 Korinthe 4 over de verlichting van het goede bericht van de heerlijkheid van de Christus, die het beeld van de God is. Dat is licht; het is het licht van het goede bericht dat hij mocht verkondigen. En als je dit licht ziet, zoals Paulus ook daadwerkelijk het licht heeft gezien, dan keer je je af van de duisternis.⟨/p> ⟨p>De wereld wandelt in de duisternis. Het volk dat in duisternis wandelt, ziet een groot licht; dat gold toen en dat geldt nu nog steeds. Ik denk er vaak aan dat feitelijk de hele wereld in de duisternis wandelt. Mensen weten niet waar ze vandaan komen en ze weten niet waar ze naartoe gaan. Ze hebben geen God; kortom, ze leven echt in de duisternis. Wat doet het goede bericht dan? Het spreekt van de God en van Iemand die Zijn icoon is, die God zichtbaar maakt en die de dood overwint. Die dood is uiteindelijk de duisternis van de dood, maar het licht is het leven.⟨/p> ⟨p>Het doel is dus hun ogen te openen tot omkering vanaf de duisternis tot het licht. Saulus zelf was daar een prachtig embleem van, want hij werd geroepen en zijn ogen werden inderdaad geopend. Hij werd afgevaardigd naar de natiën en naar het volk Israël om hun ogen te openen, van de duisternis tot het licht en van de volmacht van de Satan tot de God.⟨/p> ⟨p>In dit vers zie je verschillende motieven waarom Saulus geroepen werd. De manier waarop het beschreven wordt verschilt telkens, maar feitelijk is het steeds een andere manier om hetzelfde te zeggen: de ogen worden geopend en mensen worden geroepen om zich om te keren van de duisternis tot het licht. Dat betekent ook een omkering van de volmacht van de Satan. De wereld leeft in de duisternis en wordt beheerst door de vorst van de duisternis. Wat gebeurt er dan als zij zich keren tot het licht? Dan bekeren zij zich tot de God.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4147" title="Speel af vanaf 01:09:07">▶ 01:09:07⟨/button> ⟨span>De Ware Vrijheid: Loslating van Zonde⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En wat ontvangen ze daarmee? Loslating van zonde. Ik heb het expres zo vertaald; het is ook vergeving van zonde, maar het is veel meer. Hier staat in het Grieks een woord dat letterlijk 'loslating' betekent. Helaas wordt het in de vertalingen meestal weergegeven met 'vergeving'. Ik zeg niet dat het fout is, maar het is veel meer. Ik heb hier een mooie verwijzing naar Lukas 4 staan. Waarom? Omdat je daar leest over de gevangenen aan wie loslating gepredikt wordt. Wat zou een gevangene anders wensen dan loslating? Dat woord loslating is hetzelfde woord dat hier wordt weergegeven met vergeving. Het is dus letterlijk de loslating van zonde, en dat betekent bevrijding of vrijlating.⟨/p> ⟨p>Ik vind het lastig om dat goed uit te leggen, maar ik bedoel dit: zoals het altijd verteld wordt, ontvangen wij vergeving van zonden als we geloven. Dan denk je aan het feit dat je verleden niet meer wordt aangerekend. Maar vrijlating van zonden is veel meer. Vrijlating van zonden houdt in dat de zonden totaal geen punt meer zijn; daar zijn wij van bevrijd. Dat wordt meestal niet verteld. Ik had juist vanmorgen nog een gesprek over hoe er vanaf de kansel meestal gepredikt wordt. In feite worden mensen altijd bepaald bij hun zonde, altijd. Er wordt hen vooral verteld hoe ze daarmee moeten dealen of hoe ze hun best moeten doen om zo weinig mogelijk te zondigen. U weet wel, dat is het hele idee van heiliging, om vervolgens altijd weer te struikelen en tekort te schieten.⟨/p> ⟨p>Maar een godganse leven – sorry dat ik het zo grof zeg – altijd maar in de kerkbank zitten en je hele leven bezig zijn met de zonden waar je zo mee tobt... Dat is precies het tegenovergestelde van wat Paulus is toegezegd, namelijk dat mensen bevrijd zouden zijn van de zonde. Niet meer praten over de zonde, niet meer bezorgd zijn over de zonde. Je leeft in vrijheid, je leeft voor Hem. Dan ben je bevrijd van zonde. Paulus zegt in Romeinen 6 dat we ons dood moeten rekenen voor de zonde. Houd het erop dat je dood bent voor de zonde en dat je onbekommerd leeft voor God. Leef voor Hem. Van die zonde zijn wij bevrijd.⟨/p> ⟨p>Ik weet wat men daar altijd op zegt: "Ja, dat zou mooi wezen!" Men denkt dat een leven bevrijd van zonde pas in de opstanding mogelijk is. Maar Paulus zegt dat wij nu al in het nieuwe leven leven. Bevrijd van de zonde leven wij voor God en is die zonde volstrekt verleden tijd. Zo mogen we leven. Laat de mensen maar roepen dat dit te veel van het goede is; dat is nu precies de blijde boodschap. Ik herinner me dat mijn vader dat een keer zei over een conferentiespreker. Wie het was, weet ik niet meer en dat doet er ook niet toe, maar die man had gezegd: "Die christenen hebben het altijd over bevrijding, maar ik heb daar niet zoveel mee, want ze zien er weinig bevrijd uit." Dat is een aanklacht van de wereld. Ze hebben het wel over bevrijding, maar leven ze ook bevrijd? Geloven ze het ook? Nee, ze geloven het niet eens; ze tobben hun hele leven met zonde. Is dat de bevrijding van zonde?⟨/p> ⟨p>Om loslating van zonden te ontvangen – oftewel bevrijding, vrijlating van zonde – dat is veel meer dan alleen maar dat je verleden niet wordt aangerekend. Het betekent dat je nu gewoon in vrijheid leeft en niet meer tobt met je zonde, maar onbekommerd leeft voor God. De wet is tenietgedaan en dus wandelen wij in vrijheid. Dat is soms heel moeilijk omdat men altijd zo is opgevoed. Dat is misschien ook wel de strijd. Juist in een godsdienstige sfeer wordt je altijd het precieze tegenovergestelde voorgehouden. Dan vraagt men: "Is alles dan geoorloofd?" Ja, alles is geoorloofd. Maar niet alles is nuttig, niet alles bouwt op. Natuurlijk gaat het erom dat we Hem verheerlijken in ons leven en onbekommerd voor Hem leven. Maar dat tobben met zonde, kom zeg. Leg die last gewoon weg en leef in dat vrije, zonlichte, open hemelse en stralende perspectief. Dat is die bevrijding van zonde. Daar hoef je niets voor te doen, want het wordt je gegeven. Zeg jij 'dankjewel'?⟨/p> ⟨p>Het is een feit. Dit is niet een ideaal waar we naar moeten streven; wij zijn bevrijd van zonde. Als je in Christus bent, dan ziet God ons volmaakt. Je kunt zeggen: "Dat geloof ik niet," maar zo ziet God het. Leef dan gewoon zo. Dat is je identiteit en zo mag je leven. "Ja, maar ik voel het niet." Wat heeft dat ermee te maken? Wat zegt mijn gevoel over mijn identiteit? Je hebt mensen die denken dat ze Napoleon zijn. Zijn ze dat daarom? Ik ken ook mensen – ik kan zelf ook wel denken dat ik 25 ben, maar ben ik dat daardoor? Natuurlijk niet. Wie ik ben, wordt bepaald door wat God over mij zegt. Dat ben ik. Of ik dat nu zo voel of niet, dat heeft er niets mee te maken. God zegt: "Jij bent rechtvaardig." Nou, dat is het dan. Dat ontvang je. Leef gewoon.⟨/p> ⟨p>Als ik God dagelijks vraag: "Help me te strijden tegen de zonde," dan ben ik in wezen nog altijd aan het tobben met mijn zonde, namelijk door ertegen te strijden. In feite ben je door die dagelijkse strijd tegen de zonde juist een slaaf van de zonde; je zit eraan vast. Dat is echt een heel tobberig leven. Maar wij mogen de loslating van zonden ontvangen. Uit de duisternis, in het licht. Niet van de tegenstander, maar van de God.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-12" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4629" title="Speel af vanaf 01:17:09">▶ 01:17:09⟨/button> ⟨span>Een Lotsdeel te Midden van de Geheiligden⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En om te ontvangen een lotsdeel te midden van de geheiligden. Je krijgt een lotsdeel; dat krijg je zomaar, dat ontvang je. Laat ik dat nog even lezen, want er is een passage in Kolosse 1 waar die dingen die hier op een rijtje worden gezet, terugkomen. Hier is nog steeds de Heer aan het woord. Jezus spreekt hier vanuit de hemel tot Paulus – die hier nog Saulus wordt genoemd bij zijn roeping – en Hij zet op een rijtje wat Saulus mag gaan doen: om te gaan prediken, waartoe hij afgevaardigd wordt, om dit te laten zien en om dit uit te delen.⟨/p> ⟨p>Later in Kolosse 1, als Paulus vanuit de gevangenis schrijft, zegt hij in vers 12: "...terwijl jullie de Vader danken, die jullie bekwaam maakt voor het lotsdeel van de heiligen in het licht." Dat is precies hetzelfde als wat de Heer ooit tegen hem had gezegd toen hij geroepen werd op de weg naar Damascus. En let ook op: je dankt de Vader. Wij maken onszelf niet bekwaam; dat doet Hij, en daar danken we Hem voor. Geloof je dat? Hij doet dat, Hij belooft dat. Dus aangezien je het ontvangt, zou ik zeggen: dank God daarvoor. Dat is een geschenk, inderdaad rechtstreeks uit de hemel.⟨/p> ⟨p>Hij maakt jullie bekwaam voor het lotsdeel – dat wil zeggen dat wat jou toekomt en wat we straks ook zullen ontvangen in het licht – om dat te mogen ontvangen. En dan staat er in vers 13: "Hij redt ons." Ook hier weer: Hij redt ons, dat doen we zelf niet. Hij redt ons vanuit de autoriteit, de macht die hier op aarde heerst: de autoriteit van de duisternis. Deze hele wereld, ook religieus gezien, is duisternis. Er zijn machten die je daarin manipuleren. Maar nu schijnt het licht van Gods Woord, en dat licht redt ons vanuit de autoriteit van de duisternis. Het verplaatst ons in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde.⟨/p> ⟨p>Vervolgens staat erbij: "...in wie wij de verlossing" – dat wil zeggen de vrijkoping – "hebben, de vrijlating van de zonden." Hier heb je weer diezelfde uitdrukking waar we het net over hadden; je kunt er niet omheen. Hij redt, Hij maakt bekwaam, Hij plaatst ons in het licht en in Hem hebben wij de verlossing. Dat is een feit, en dat is de vrijlating van de zonden. Dat is ons bezit, ons geschenk. Ik zou zeggen: pak het uit, ontvang het, geniet ervan, leef eruit, vertel het en geef het door. Want het mooie is: dit is een cadeau. Dat geldt maar voor weinig cadeaus, maar het bijzondere van dit geschenk is dat hoe meer je het geeft, hoe groter en heerlijker het wordt. Je raakt het niet kwijt als je het weggeeft; integendeel, het wordt alleen maar meer.⟨/p>