⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Terugblik op de Blindgeborene en de Structuur van Johannes 9⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dan gaan we de studie voortzetten die we een paar weken geleden al begonnen zijn over de blindgeborenen. Dat zeg ik trouwens niet helemaal juist, want de vorige keer was het ook al de tweede avond over Johannes 9, over de blindgeborene. Tijdens die eerste avond hebben we ons met name met dat derde vers beziggehouden, over de reden waarom die man nou blind geboren was. Dat was in eerste instantie immers ook de vraag van de discipelen. De Heer geeft daar zo’n geweldig antwoord op en dat was de moeite waard om daar een hele avond bij stil te staan.⟨/p> ⟨p>Vervolgens hebben we de vorige keer echt meters gemaakt, want toen zijn we van vers 4 tot en met vers 34 gekomen. Dat komt ook een beetje doordat er in die geschiedenis die verhaald wordt een paar keer een herhaling zit. Iedere keer opnieuw wordt diezelfde geschiedenis verhaald van de afwijzing door de Joden. Dan komen de Farizeeën weer terug en wordt het opnieuw nog een keer verteld. Dat onderstreept vooral dat het ongeloof van de Joodse wereld – en meer specifiek de leiding, de Farizeeën worden genoemd – vooral voor het voetlicht gebracht wordt. Zij waren de echte blinden. Dat zullen we vanavond trouwens ook nog wel zien, want we hebben nu nog een zestal verzen van Johannes 9 te bespreken. Daar zijn we toen niet meer aan toegekomen. Met name in dat laatste gedeelte, wat we dus vanavond zullen zien, wordt dat geaccentueerd.⟨/p> ⟨p>Die blindgeborene is, zoals we dat iedere keer bij die tekenen zien, een type van Israël dat genezen zal worden op de Sabbat. Want het was een dag, de zevende dag, dat dit wonderteken plaatsvond. Het lijkt wel alsof de Heer daar een voorliefde voor die dag had om juist dan genezingen plaats te laten vinden. Maar dat bleek nu juist ook de reden waarom hij op zoveel verzet stuitte, want ja, hij had gewerkt. Hij had namelijk slijk op de ogen van die man gedaan en dat werd als werk gemarkeerd en geïnterpreteerd, en daarmee werd eigenlijk die hele genezing – en de Genezer dus – ter discussie gesteld.⟨/p> ⟨p>Misschien is het nuttig om nog even de structuur van Johannes 9 te tonen die ik de vorige keer ook heb laten zien, en de wijze waarop dat hoofdstuk is opgebouwd. Het gaat dan over de Heer en de Farizeeën. Dan de eerste zeven verzen over de Heer en de man, de blindgeborene dus. Vervolgens van 8 tot 12 de buren en de man. Dan krijg je de Farizeeën en de man. In 18 tot 23 de ouders en de man. In vers 24 tot 34 weer de Farizeeën en de man. Ik zei zojuist al dat er nogal wat herhaling in voorkomt, en dat zie je in deze opbouw dus eigenlijk ook weer terug. Dan in vers 35 tot 38, waar we vanavond mee verdergaan: de Heer en de man. En dan eindigt het in vers 39 tot 41 weer met de Heer en de Farizeeën, waar het ook mee begon.⟨/p> ⟨p>Je ziet ook hier weer die inversie; zo noemen ze dat bij de structuur. Het is naar binnen gekeerd. Je ziet dat centraal in dit gedeelte de Farizeeën staan en de wijze waarop ze zich opstellen tegenover die man. Dat is het mooie van die structuren: het laat niet alleen zien dat er een bepaald plan en opbouw in zit, het laat zelfs zien waar het feitelijk allemaal om gaat. Verreweg het grootste gedeelte van dit hoofdstuk gaat eigenlijk over de wijze waarop de Farizeeën vervolgens met die man omgaan. Dat staat dus in het midden; alles wijst naar dat centrum. Het betekent dus eigenlijk ook dat het eigenlijke wonder, dat in de eerste zeven verzen plaatsvindt, qua lengte van het verhaal nog betrekkelijk kort is. Maar de reactie van ongeloof beslaat de rest van het hoofdstuk en dat wordt vooral belicht.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="308" title="Speel af vanaf 05:08">▶ 05:08⟨/button> ⟨span>Buitengeworpen uit de Religie en Gevonden Door de Heer⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ik pak de draad op bij vers 34, het laatste vers dat we de vorige keer hebben gezien. 'En zij antwoordden en zeiden tot hem.' Die 'hem', dat is de blindgeborene. 'Zij', dat zijn de Farizeeën. Ze zeiden tot de blindgeborene: 'Jij bent geheel in zonde geboren en jij onderwijst ons?' Daarbij kun je de nadruk leggen op dat woordje 'jij'. Zij hadden waarschijnlijk dezelfde gedachte die de discipelen ook hadden: als die man zo ter wereld is gekomen, dan moet dat wel in zonde zijn geweest – wat daar dan ook de reden van was, of het nu bij zijn ouders lag of bij hemzelf. In elk geval: jij bent in zonde geboren en vervolgens: jij onderwijst ons? Wij, die alles al weten? Dat is natuurlijk de suggestie.⟨/p> ⟨p>Deze man was blind geboren, maar hij kon zien wat zij niet konden waarnemen. En dat was dan zo'n beetje het laatste: 'en ze wierpen hem buiten'. Dat wil zeggen: buiten de synagoge. Ook daar hebben we al even bij stilgestaan. Uiteindelijk is dat een van die telkens terugkerende refreinen in dit boek: degenen die de Heer volgen, ervaren hetzelfde als de Heer Zelf. Hij komt buiten te staan; ze moeten Hem niet. Degenen die Hem volgen en naar Zijn woord luisteren, ondergaan hetzelfde lot. Buiten de legerplaats, buiten de gevestigde erkenning.⟨/p> ⟨p>Vergis je niet: als je buiten kwam te staan, dan was dat niet alleen maar dat je niet meer in hun samenkomsten mocht komen. Het betekende eigenlijk ook dat je sociaal gezien een paria was geworden. Je telde gewoon niet meer mee en dus moest je ook delen in de afwijzing van de Heer. Dat heeft die man ook ondervonden. 'Jezus hoorde dat zij hem uitgeworpen hadden en vond hem.' Feitelijk waren ze nu in dezelfde positie. De Heer Jezus was uitgeworpen en de man, de blindgeborene, ook; zo vonden ze elkaar, zou je kunnen zeggen. Jezus heeft hem dus daadwerkelijk opgezocht toen Hij vernam dat hij was uitgeworpen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="475" title="Speel af vanaf 07:55">▶ 07:55⟨/button> ⟨span>De Zoon van de Mens: een Messiaanse Titel in de Grondtekst⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En Hij, de Heer Jezus, zei tegen hem: "Geloof jij in de Zoon van de mens?" Die uitdrukking hebben we nu al een heel aantal keren gezien, juist in Johannes' evangelie. Het evangelie naar Johannes staat er vooral om bekend dat de Heer Jezus wordt geschilderd als de Zoon van God. Dat is ook zo, al is het opmerkelijk dat juist in dit evangelie ook deze term, de Zoon van de mens, nogal eens wordt gebezigd. Ik moet er trouwens bij zeggen dat als u een Statenvertaling hebt, deze is gebaseerd op een ander type grondtekst, de zogenaamde Textus Receptus, net als de Engelstalige King James. Dat zijn allemaal vertalingen van een paar eeuwen geleden die gebaseerd waren op de kennis die men toen had van de grondtekst. Gek genoeg zou je zeggen dat dit langer geleden is en dat zij dus toegang hadden tot een oudere grondtekst, maar dat is niet zo. Inmiddels is de kennis van de grondtekst van de Bijbel nog weer toegenomen; men heeft nog meer en ook oudere handschriften gevonden, zodat we de tekst zoals de oorspronkelijke schrijvers dat hebben opgetekend nu met nog meer kennis van zaken kunnen vaststellen.⟨/p> ⟨p>Overigens is het verschil niet heel groot. Ik wil absoluut niet de indruk wekken alsof de Statenvertaling gebaseerd is op een grondtekst die totaal anders was. Helemaal niet, het verschilt nauwelijks. Maar voor zover we nog meer kennis hebben gekregen van hoe het oorspronkelijk is opgetekend, staan wij inmiddels op hun schouders. We weten nu nog meer; het licht is eigenlijk alleen maar helderder gaan schijnen. In die zin is het ook donkerder geworden in de wereld, maar de kennis van het Woord is groter geworden. We hebben nu zo enorm gemakkelijk toegang tot bronnen van de grondtekst, gewoon iedereen. Vroeger moest je echt naar de bibliotheek als je wilde weten wat er echt stond geschreven, en dan was het ook wel erg handig als je kennis van zaken had van Grieks en Hebreeuws. Kortom, er waren enorme hobbels te nemen voordat je niet alleen maar een vertaling kon lezen, maar ook echt toegang had tot het origineel.⟨/p> ⟨p>Vandaag is dat ongekend. Ook al ken je geen Grieks of Hebreeuws, we hebben tegenwoordig de technische middelen. Er is internet en als je wilt weten hoe het er precies staat geschreven, zijn er concordanties en dergelijke. Vroeger was dat allemaal een aanschaf van jewelste; dat was niet zomaar gemakkelijk te achterhalen. Natuurlijk, wie zoekt die vindt, dat is altijd zo geweest, maar nooit is de kennis van de Schrift zo toegankelijk geweest als in onze dagen. Dus als u klaagt over het feit dat het zo duister is, dan zeg ik: tot uw dienst, maar vergeet ook de andere kant niet. Het is donker, maar het licht heeft ook nog nooit zo helder geschenen.⟨/p> ⟨p>Even ter zake: de Statenvertalers hebben gelezen dat de Heer Jezus hier zou zeggen: "Geloof je in de Zoon van God?" Maar dat is vermoedelijk niet correct. Ik moet er wel bij zeggen dat zowel de uitdrukking 'de Zoon van de mens' als 'de Zoon van God' beide Messiaanse titels zijn. Dat wil zeggen dat de Messias in de Hebreeuwse Bijbel, het Oude Testament, onder allerlei namen wordt aangekondigd. Bekend is Jesaja 9, waar staat dat men Hem zal noemen: Wonderbaar, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Hij heeft vele namen, maar een van die namen is ook 'Zoon van God'. In Psalm 2 bijvoorbeeld zegt God tegen Hem: "Ik heb Mijn Koning gesteld over Sion" en "Jij bent Mijn Zoon, Ik heb Je heden verwekt." God zegt daar tegen Hem: "Jij bent Mijn Zoon." De Zoon van God is dus de Messias, door God Zelf verwekt.⟨/p> ⟨p>En wat dacht u ook van de 'Ben Adam'? De Zoon van de mens betekent eigenlijk de Zoon van de Mens, namelijk de eerste mens: Adam. Hij is de Erfgenaam, daarmee ook van de mensheid. En dus vraagt de Heer Jezus aan die blindgeborene, maar inmiddels genezene: "Geloof jij in de Zoon van de mens?" De man antwoordde: "Wie is Hij, Heer, opdat ik in Hem zou geloven?" Kortom, hij is onwetend, hij weet het niet, maar hij is bereid te geloven. Want hij vraagt wie dat dan is, opdat hij zou geloven. Als je het niet eerst hoort, hoe zou je dan kunnen geloven? Hoe zullen zij geloven, zegt Paulus, indien zij het niet eerst horen? Dat is nogal wiedes.⟨/p> ⟨p>Jezus zei tot hem: "Je hebt Hem ook gezien, en Die met je spreekt, Die is het." Hoe helder kan een antwoord zijn? "Je hebt Hem ook gezien." Dat kon de Heer nu met recht zeggen. "Je hebt Hem gezien en Die met je spreekt, Die is het." Meteen is deze man overtuigd. De grond was natuurlijk ook al helemaal bereid gemaakt. Hij verklaarde nu ook met nadruk: "Ik geloof, Heer." Ik vertrouw U. Want dat is wat geloven natuurlijk is: "Ik vertrouw U, Heer, namelijk dat U het bent."⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="882" title="Speel af vanaf 14:42">▶ 14:42⟨/button> ⟨span>Voortschrijdend Inzicht en de Ware Betekenis van Proskuneo⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Het is eigenlijk wel leuk om ook in dit hoofdstuk te zien hoe er sprake is van een ontwikkeling; van voortschrijdend inzicht, noem ik het hier op dit plaatje. In vers 11 lees je nog dat de blindgeborene volkomen onwetend is. Wanneer er gevraagd wordt wie hem genezen heeft, zegt hij: "De mens die Jezus genoemd wordt." Weet hij veel. Hij wist dat een mens hem genezen had, of in ieder geval dat het door Zijn hand was gedaan, en hij wist dat Hij Jezus genoemd wordt. Meer wist hij niet, dus meer kon hij ook niet vertellen.⟨/p> ⟨p>Later zien we een geweldige logica waar je echt niets tegenin kunt brengen. Wanneer de farizeeën hem het vuur aan de schenen leggen en vragen wat hij ervan vindt, zegt hij: "Één ding weet ik: ik was vroeger blind en nu kan ik zien." Nou, breng daar maar eens iets tegenin. "De mens die Jezus genoemd wordt", dat was het eerste stadium. Wanneer er daarna gevraagd wordt wat hij zelf denkt, zegt hij: "Hij is een profeet." Wie anders dan iemand die van God komt, kan zoiets doen? Je ziet hier een opklimming: eerst "de mens die Jezus genoemd wordt", daarna "hij is een profeet". In vers 33 lees je dat hij zegt dat Hij van God gekomen moet zijn. In vers 36 vraagt hij: "Wie is Hij?" Hij wil dan inderdaad meer weten. En uiteindelijk zegt hij: "Ik geloof." Wanneer de Heer Jezus zegt dat hij Hem gezien heeft en dat Hij het is die met hem spreekt, is de man meteen verkocht. Hij weet het: dit is het.⟨/p> ⟨p>Ik denk trouwens ook dat we even moeten doordenken over het feit dat hij eruit is gegooid. Dat wil zeggen: buiten het systeem, buiten de godsdienstige wereld. Juist daar, buitenwaarts geworpen, vindt hij de Heer. Of eigenlijk moet ik het anders zeggen: de Heer vond hém daar. Daar komt hij werkelijk tot die ontmoeting en tot het echte inzicht. Ik zie daar een geestelijke waarheid in, namelijk dat je juist buiten de godsdienstige wereld en buiten de wereld van godsdienstige prestaties — dat wat mensen hebben opgebouwd en waar je van de mens niets meer hoeft te verwachten — erachter komt wie Hij is en wat de rijkdom is van Zijn woord. Zo verging het deze man. Hij was buiten geworpen, maar de Heer vond hem en hij vond de Heer. Nu wist hij over wie hij het had. Hij zei: "Ik geloof, Heer." Hij wist: dit is de Ben Adam.⟨/p> ⟨p>Hoe ver dat inzicht gaat, blijkt wel uit wat volgt: "En hij wierp zich voor Hem neer." Als je daarover doordenkt, ben je nu ongeveer op het hoogtepunt van deze hele geschiedenis. De man was blind vanaf zijn geboorte en de Heer had al gezegd waarom dat zo was: opdat de werken Gods in hem openbaar zouden worden. Natuurlijk werden eerst zijn ogen geopend, maar nu vindt hij uiteindelijk de Heer — of nogmaals, de Heer vindt hem — en leert hij de Heer kennen. Met de woorden "Ik geloof, Heer" werpt hij zich voor Hem neer. Dan heb je werkelijk het ultieme hoogtepunt bereikt en zie je dat het waar is wat de Heer gezegd heeft over de reden van zijn blindheid. Dat is nu uiteindelijk gebleken. Toen die man zich voor Hem neerwierp, wist hij waarom hij al die jaren vanaf zijn geboorte blind was geweest.⟨/p> ⟨p>In deze handeling zie je natuurlijk ook een principe uitgedrukt: uiteindelijk zal heel de schepping voor Hem neerbuigen. Elke knie gaat buigen en elke tong zal zeggen: "U bent Heer!" Dat is het eindpunt en dan zal blijken waar het allemaal goed voor geweest is. In de naam van Jezus zal elke knie buigen; dat wil zeggen in de naam van Hem wiens naam betekent: 'Yahweh redt'.⟨/p> ⟨p>Hij wierp zich voor Hem neer. Ik moet daar nog iets bijzeggen. In de NBG-vertaling staat hier: "Hij wierp zich neder voor Hem." In de Statenvertaling staat er: "En hij aanbad Hem." Daar zit nog wel wat aan vast. Het Griekse woord is 'proskuneo'. Dat bestaat uit twee delen. Het woordje 'pros' is een voorzetsel dat 'naartoe' betekent. Je gaat ergens naartoe. Ik gaf afgelopen dinsdag toevallig Nederlandse les aan Polen en de voorzetsels zijn een vast onderdeel van de cursus voor beginners: op, in, aan. Vroeger leerde ik dat je bij voorzetsels aan een doos of tafel moet denken: op de tafel, in de tafel, onder de tafel, voor de tafel. Het Griekse 'pros' betekent 'naartoe', zoals 'naar de tafel'. In sommige voorzetsels zit beweging. 'Op de tafel' is rust, maar 'naar de tafel gaan' is beweging.⟨/p> ⟨p>Het tweede deel, 'kuneo', is afgeleid van het woord voor 'hond'. De gedachte achter 'proskuneo' — en dat kun je gewoon in de officiële handboeken terugvinden — is de wijze waarop een hond zich keert naar zijn baas. Hij werpt zich voor hem neer, maakt zich klein en likt zijn handen. Het is het idee van zich voor iemand neerwerpen. Dat betekent niet per se dat iemand die zich voor een ander neerwerpt die ander daarmee goddelijke verering schenkt. Dat heeft men er vaak uit afgeleid, maar dat klopt niet.⟨/p> ⟨p>Ik zal een paar voorbeelden geven van dit specifieke Griekse woord. 'Proskuneo' komt ook voor in Mattheüs 18 vers 26 in een gelijkenis die de Heer vertelt. Daar lees je: "De slaaf wierp zich neder als smekeling en zei: Heb geduld met mij en ik zal u alles betalen." Hier wordt ook 'proskuneo' gebruikt. Die slaaf aanbidt zijn heer niet als een god, maar als een hond maakt hij zich klein en onderwerpt hij zich volledig. In volstrekte nederigheid is hij er volledig voor zijn heer. Nog een voorbeeld staat in Openbaring 3 vers 9, in een van de zeven brieven aan de Ecclesiërs in Klein-Azië: "Zie, Ik geef sommigen uit de synagoge van hen die zeggen dat zij Joden zijn en het niet zijn, maar zij liegen; zie, Ik zal maken dat zij zullen komen en zich nederwerpen voor uw voeten en erkennen dat Ik u heb liefgehad."⟨/p> ⟨p>Hier staat het woord weer. Nu moet ik even onderbreken, want naar het zich laat aanzien is er zojuist een half uur audio-opname verloren gegaan. Ik kijk thuis wel even hoe dat is afgelopen, maar ik heb het bange vermoeden dat dit het geval is. Dat is heel jammer voor degenen die nu via de audio-opname luisteren, maar wij zeggen dan triomfantelijk: dan hadden ze hier maar moeten wezen! Er zijn bij slot van rekening nog wat plaatsen vrij. Goed.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1502" title="Speel af vanaf 25:02">▶ 25:02⟨/button> ⟨span>De Beeldspraak van de Schaapskooi: de Dief en de Ware Herder⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We waren dus bij vers 1, waar de Heer vervolgt. Want Hij zegt tegen diezelfde groep die daarbij stond: "Amen, amen! Ik zeg tegen jullie: wie niet door de deur binnenkomt in de kooi der schapen, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover." We hadden het er al even over, maar voor degenen die de audio-opname beluisteren en dat niet weten: die kooi der schapen is een ommuurde ruimte in het open veld met een opening die als deur dient. Ik heb hier een artistieke weergave daarvan. Het was dus een ommuurde ruimte en dit diende tijdens de nacht als de plaats waar de schapen veilig waren. Je ziet hier inderdaad de deur met de herder ervoor. Het idee daarbij is – maar dat zullen we straks of de volgende keer trouwens ook nog zien – dat de Heer niet alleen zegt dat Hij de goede herder of de ideale herder is, maar ook: "Ik ben de deur der schapen." Ik kom er straks nog eventjes op terug, maar in ieder geval is dit zo ongeveer het idee.⟨/p> ⟨p>Ik heb zo het vermoeden dat die schaapskooien in werkelijkheid veel groter waren en dat er soms diverse kudden in zo’n ruimte, in zo’n veld, geherbergd werden, waarbij er ook een speciale poortwachter of deurwachter aanwezig is. Maar dat komt zo direct even aan de orde. Die kooi der schapen is hier overduidelijk beeldspraak. Dat zegt Hij ook, en het staat al in vers 6: "In deze beeldspraak sprak Jezus tot hen, maar ze begrepen niet wat het was wat Hij tot hen sprak." Maar die kooi der schapen en het idee van een kudde is heel bekend. Israël is die kudde; het is dat volk dat inderdaad ook ommuurd was. Ik wil er nu alvast op wijzen dat het erom gaat dat de Heer hen, Zijn kudde, uitleidt. Dat wil zeggen: Hij brengt hen uit de schaapskooi. Het idee is ook dat die muur een plaats is waarbij het volk wordt beperkt. Het is een begrensde plaats; daarbuiten heb je de vrije ruimte. De kooi der schapen spreekt ook van het feit dat het volk in die dagen beperkt werd door de wet. Het volk dat door de wet werd afgezonderd, dat is die kooi der schapen. We komen daar later nog even op terug.⟨/p> ⟨p>Maar Ik zeg tegen jullie: wie niet door de deur binnenkomt in de kooi der schapen, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover. Dat wil zeggen: niet via de deur. Degene die dat niet doet, is uiteraard niet de herder zelf, maar de dief en de rover. Even voor het onderscheid: de dief is degene die steelt wat hem niet toebehoort. Een rover is in wezen ook een dief, maar iemand die daarbij geweld gebruikt; dat is het verschil tussen die beiden. Een rover is iemand die met geweld steelt, oftewel: hij berooft. En kijk, in vers 6 lezen we: "In deze beeldspraak sprak Jezus tot hen." Maar ze begrepen niet wat het was wat Hij tot hen sprak. Dan weet je ook meteen dat die dief en die rover hier beelden of typen zijn van de Farizeeën. Dat is heel terecht, want ze maakten namelijk ten onrechte aanspraak op de kudde. Dat is wat een dief doet: die pakt iets wat hem eigenlijk niet toekomt, en dat is precies wat die Farizeeën deden. Ze maakten aanspraak op het volk om hen te onderwijzen enzovoorts, maar dat was onterecht. Feitelijk was het diefstal. Ze pakten in feite van de Heer af wat zij claimden: de leiding van het volk. Maar de Heer had gezegd: "Jullie zijn Mijn volk." Daarbij schuwden ze ook geen geweld. Dat lijkt me nogal duidelijk, want je ziet steeds duidelijker dat ze barrières opwierpen, dat ze stenen opwierpen en dat ze de Heer Zelf probeerden om te brengen. Binnen een half jaar zouden ze dat ook daadwerkelijk doen. Deze man hadden ze er al uit gegooid; kortom, ze gedroegen zich als een dief en een rover.⟨/p> ⟨p>Maar wie binnenkomt door de deur – de enige juiste, correcte en legale weg – dat is de herder van de schapen. Christus Zelf voldeed daaraan. Hij is degene die via de legale weg binnenkwam. Hij voldeed aan alles wat de Messias van Israël, namelijk de ware herder, zou moeten zijn. Wist u trouwens dat Israël heel vaak als kudde wordt omschreven? Dat zal waarschijnlijk vooral het onderwerp van de volgende keer zijn, maar Israël is dikwijls de kudde bij profeten als Jesaja, Jeremia en Ezechiël. Je zult dat op allerlei plaatsen tegenkomen. De Messias die wordt aangekondigd – we zagen vanavond al dat Hij de Ben Adam en de Zoon Gods wordt genoemd, en dat is Hij met recht – wordt ook heel vaak als de herder geprofeteerd. Hij zal het volk leiden als een kudde. Ik moet er ineens aan denken dat Hij hen straks ook zal voorgaan als herder door de woestijn, wanneer er gesproken wordt over het feit dat Hij het volk van Israël zal verzamelen als een kudde. Dat zal zijn in Bosra. Maar Bosra betekent letterlijk "schaapskooi". Het is een eigennaam van een plaats in de woestijn waar het volk verzameld zou worden, maar het betekent dus schaapskooi. Is dat niet bijzonder? Er zitten dus heel veel profetische linken in dit beeld, die ongetwijfeld nog ter sprake zullen komen.⟨/p> ⟨p>Feitelijk is het zo dat een ware koning, iemand die in staat is het volk te leiden, zijn opleiding vaak heeft genoten als een herder. Er zijn prachtige Bijbelse voorbeelden van. Wie van de aartsvaders waren trouwens geen herders? Abraham was een herder, Isaak was een herder en Jakob was een herder. Mozes was een herder; in feite heeft hij als herder zijn opleiding genoten en pas toen hij in staat was om de kudde te leiden, mocht hij ook daadwerkelijk het volk van Israël gaan leiden. David was een herder, een goede herder, en toen hij eenmaal bewezen had dat te zijn, mocht hij ook koning worden. Dus wie binnenkomt door de deur, dat is de herder van de schapen.⟨/p> ⟨p>Wie binnenkomt door de deur... ik vind dat zo'n interessant taalkundig dingetje. We hadden het al eerder over een ander voorzetsel, namelijk "pros", wat "naartoe" betekent. Maar je hebt ook het voorzetsel "door". In het raam, onder het raam, boven het raam, door het raam. Het voorzetsel "door" is eigenlijk ook een "deur". Dat is leuk, hè? Ik denk daarbij niet alleen aan het Engelse woord "door", wat ons woord "deur" is. Als je ergens doorheen gaat, dan vervult dat woord eigenlijk de functie van een deur. Als ik door een tunnel ga, dan ga je de tunnel in. Je gaat eerst naar de tunnel toe, dan ben je in de tunnel en vervolgens ga je uit de tunnel. "Door" drukt ook zo'n beweging uit, precies zoals "uit" een beweging uitdrukt: je zat erin en je komt eruit. "Door" laat zien dat je erin gaat en er vervolgens weer uit komt. Wie binnenkomt door de deur is herder van de schapen. Er staat trouwens niet "de" herder – ik kom daar straks nog even op terug – maar "herder". Hij is herder van de schapen, namelijk de rechtmatige eigenaar van de schapen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2098" title="Speel af vanaf 34:58">▶ 34:58⟨/button> ⟨span>De Functie van de Deurwachter en het Kennen van Zijn Stem⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Voor hem, voor die herder van de schapen dus, doet de deurwachter open. Dat beeld van de herder, de kudde en de deur gaat in de rest van het betoog in dit hoofdstuk toegelicht worden. De deurwachter speelt verder geen rol meer. Dus wie is nu die deurwachter? Op wie doelt de Heer dan specifiek? Ik weet zeker dat de Heer dit niet voor niets heeft gezegd, maar Hij licht het niet toe. "Voor hem doet de deurwachter open." Ik moet u zeggen dat als ik erover nadenk, er volgens mij maar één persoon in aanmerking komt die inderdaad zo aangeduid kan worden als een deurwachter. Als de Heer zelf de herder is, de goede herder — en trouwens ook de deur van de schapen — wie is die deurwachter dan? Dat moet Johannes de Doper zijn, lijkt mij.⟨/p> ⟨p>Inderdaad heb ik er hier een vraagteken bij gezet, omdat ik het niet kan bewijzen in die zin dat er nergens letterlijk staat dat híj de deurwachter is. Maar aan de andere kant was Johannes de Doper degene die de weg bereidde voor de Heer. Hij was degene die de deur voor Hem openzette. In feite praat je over een soortgelijke beeldspraak. Voordat de Heer kwam, heeft hij de weg zodanig gereedgemaakt, stenen en oneffenheden verwijderd en de paden rechtgemaakt om de Heer te ontvangen. Daarmee heeft hij ook voor de Messias de deur opengezet. Er zijn diverse beelden voor de functie van Johannes de Doper. In Johannes 3 wordt hij ook de vriend van de bruidegom genoemd. Dat is ook een soort ceremoniemeester; degene die feitelijk de bruidegom introduceert. Hier is hij degene die de herder introduceert — letterlijk introduceert — wat wil zeggen dat hij Hem naar binnen leidt.⟨/p> ⟨p>Voor hem doet de deurwachter open, en de schapen horen zijn stem. Dat is uiteraard niet de stem van de deurwachter, maar die van de herder natuurlijk. De schapen horen zijn stem en de eigen schapen roept hij bij name. Dat is wel herderseigen. De eigen schapen — hoezo de eigen schapen? Dat suggereert dat daar in die schaapskooi ook nog schapen rondlopen die niet van Hem zijn. Dan komen we bij wat ik zojuist al even aangaf: dat zo’n schaapskooi vaak een plek was die door meerdere herders werd gedeeld en waar iemand de functie van een deurwachter vervulde om die schaapskooi te bewaken. Dat is een beetje het idee. Het wordt verder niet toegelicht, maar het gaat er uiteraard om dat die herder roept.⟨/p> ⟨p>Die herder kent zijn schapen. En schapen, dat zijn domme beesten, u weet het hè? Schapen staan niet bekend als hyperintelligent en ook niet als hyperactief, maar één ding kunnen ze feilloos, en dat is de stem van de herder herkennen. Daar gaan ze helemaal op af. Verder doen ze niet zoveel; ze zijn ook niet erg creatief. Ze volgen. Dit is in tegenstelling tot bokken. Je hebt de schapen en de bokken, en die hebben een heel andere functie. Bokken staan erom bekend dat ze bokkig zijn, maar schapen zijn hele volgzame dieren. Ze kunnen één ding en dat is de stem van de herder kennen. Dat is het allerbelangrijkste, lijkt mij ook.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2381" title="Speel af vanaf 39:41">▶ 39:41⟨/button> ⟨span>Uitgeleid in de Ruimte: de Profetische Bestemming van de Kudde⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En wat doet hij? De herder kent zijn schapen. Het gaat hier over een ideale herder, over een goede herder; een kwalitatief goede herder. Die kent de kudde, maar die kent ook individueel de schapen. Hij noemt ze bij name en wat doet hij? Hij leidt ze uit. Dat wil zeggen: hij brengt ze naar buiten. In de NBG-vertaling staat: hij voert ze naar buiten, oftewel naar de grazige weide. Dat is wat de goede herder beoogt. Je ziet hier trouwens ook al wat die herder dan doet. Hij kent zijn schapen, die schapen horen zijn stem en hij brengt ze buiten de schaapskooi. Dus hij brengt ze in de ruimte, hij zet ze in de vrijheid. Dat is wat hier van die herder gezegd wordt en ik denk dat het van belang is, want we zullen het straks ook zien.⟨/p> ⟨p>En hier vind je... je bedoelt dat wat de herder straks ook gaat doen? Ja, dat geloof ik zeker. Maar nu komen we tevens met wat jij nu zo eventjes oppert, Daniël, op een veel grootser en hoger terrein. Want aan de ene kant spreekt de herder en de kudde van Israëls Messias. En de kudde is Israël. Als je vraagt: van wie is de kudde? Dan is dat Israël. Maar dan moet ik wel bijzeggen dat het dubbelzinnig is. We zullen dat nu vanavond niet meer zien, maar het lijkt me een aardig opstapje om het de volgende keer wat breder nog toe te lichten. Om te zien wat hier over die kudde gezegd wordt en ook dat de Heer zegt — dat is een heel aantal verzen later — dat hij nog schapen heeft die niet van deze stal, niet van deze schaapskooi zijn. Ook die moet hij leiden en die moet hij brengen. En dan zegt hij: het zal worden één kudde, één herder. We zullen zien dat dit profetisch is. Dat vindt straks zijn vervulling als de Heer hen ook verzameld zal hebben in Bosra, vanuit heel de wereld. En daar zal hij trouwens ook de natiën voor gebruiken. Dat vind ik leuk, zou ik daar alvast eventjes iets over zeggen? Ik bedoel: een herder, hoe brengt die de schapen bij elkaar? Als ze verspreid zijn, dan gebruikt hij daar honden voor. En wat zijn honden? Heidenen. Ja, die brengen... dat hoeven niet per se Duitsers te zijn; je hebt allerlei herdershonden, nietwaar. Maar die brengen de kudde bijeen.⟨/p> ⟨p>Leuk hè? Israël is de kudde en hoe wordt de kudde bij elkaar gebracht? Dat doet hij door honden. Dat is bekend, dat is niet iets van gisteren. Juist een speciaal type honden is daar zeer geschikt voor. Maar dan vind ik het weer zo mooi dat honden in de Bijbel — zoals de kudde per definitie een type is van Israël — per definitie een beeld zijn van de natiën, van de heidenen. En hoe wordt dat volk dan bij elkaar gebracht? Nou, daar gebruikt hij de natiën voor, de heidenen voor. Het is allemaal even een opstapje, want zover zijn we nog niet met die schapen die niet van deze stal zijn enzo. Dat komt later in dit hoofdstuk.⟨/p> ⟨p>Eén ding moeten we nu alvast wel zien. Oh sorry, op één ding moest ik nog eventjes terugkomen, want dat breng jij zo ter sprake: het is profetisch. Het gaat over Israël, ook over de toekomst en wat er zal gebeuren straks in Bosra. We komen daar echt op terug. Maar ik geloof ook dat het een verborgen toepassing heeft op onze dagen; dat de Heer zich een volk verzamelt uit Juda, maar ook uit de natiën. Hij brengt ze allemaal bij elkaar en nu al is het een eenheid. De twee worden één. Ook Paulus spreekt erover. Er is dus een verborgen toepassing die er ook wel degelijk al in zit: diegenen uit de Joden die ook geloven gaan, die naar buiten geleid worden, in de ruimte gezet worden en dan in de vrije velden van de genade komen en daar weide vinden.⟨/p> ⟨p>Hij leidt ze naar buiten, buiten de ommuring. Die muur is trouwens ook een beeld van de wet. Dat vind je ook in Epheser 2, waar staat dat hij de muur die scheiding maakte tussen Jood en heiden heeft afgebroken. Hij brengt ze naar buiten en hij maakt er een eenheid van. Hij leidt ze uit; in de ruimte, in de weide zet hij ze. Naar buiten. En ook dit sluit weer direct aan op het voorgaande: de geschiedenis van die blindgeborene. Want wat gebeurde er met die blindgeborene? Doordat hij in aanraking kwam met de Heer en genezen werd, kwam hij buiten te staan. Nou, dat is precies wat er gebeurt als je de Heer volgt. Je wordt uitgeleid. Gods volk wordt uitgeleid. 'Zij gaan in vreugde voort', maar daar zit heel wat aan vast. Het is ook een geestelijk principe: degenen die zijn stem horen, die blijven niet in de schaapskooi, maar die gaan naar buiten, in de ruimte, in de vrijheid. Hij leidt ze uit.⟨/p> ⟨p>Wanneer hij zijn eigen schapen zou uitdrijven, namelijk buiten de schaapskooi, dan gaat hij voor hen uit. De gedachte is hier dat hij de schapen uit de schaapskooi brengt; eruit drijven. Maar wat doet een herder vervolgens als ze buiten zijn? Dan drijft hij niet meer, dan gaat hij gewoon vooruit. En die schapen volgen intuïtief gewoon die herder. Nou, daar zit geloof ik meer aan vast dan ik nu zeg, want herder zijn is echt een vak. We hadden het net over meel maken als een vak, maar wat dacht je van herder zijn? Zeker in die dagen kwam daar heel wat bij kijken, nog afgezien van de gevaren van wilde dieren et cetera. Maar het idee is — en daar gaat het hier nu eventjes om — dat een herder voor de schapen uit gaat. En wat een schaap doet, is gewoon volgen. Ik zou haast zeggen: na-apen. De kudde wordt niet gedreven; nee, ze volgt waar de herder geweest is. Daar gaan de schapen ook naartoe.⟨/p> ⟨p>En ik moet zeggen: ook al weet ik dat de kudde in de eerste zin en in de directe betekenis van het woord een type is van Israël, zie je hier wel degelijk ook algemene, universele waarheden die ook voor ons waar zijn: we volgen hem. En daar waar hij is, daar gaan wij ook naartoe. Wanneer hij zijn eigen schapen uitdrijft, gaat hij voor hen uit en de schapen volgen hem. Waarom? Omdat ze zijn stem kennen. Omgekeerd is het ook zo, dat is vers 5: maar een vreemde zullen ze absoluut niet volgen. Het staat hier op een hele sterke manier in de NBG-vertaling: die zullen ze voorzeker niet volgen. Doen ze niet. Nee, die stem herkennen ze niet. Dat geldt trouwens voor meer dieren: ze hoeven maar de stem van de eigenaar te horen. Een vreemde zullen ze absoluut niet volgen, maar ze zullen van hem wegvluchten. Waarom? Omdat ze de stem van die vreemde niet kennen en dus ook niet herkennen en daar ook niet op ingaan. Sterker nog, ze vluchten daarvoor weg.⟨/p> ⟨p>In deze beeldspraak (vers 6) sprak Jezus tot hen. Ik heb al een paar keer op dit vers gewezen. Hij sprak in deze beeldspraak tot hen, namelijk tot degenen die de blindgeborene hadden uitgeworpen. Maar ze wisten niet wat het was wat hij tot hen sprak. Dat is wel mooi met die beeldspraak. Praat je hier dus over leidslieden, maar ze begrepen het niet. Je zou kunnen denken dat ze niet alleen blind waren, maar ook nog eens een keertje doof; ze hoorden het niet, ze verstonden het niet. En daaruit blijkt trouwens ook nog iets: dat ze niet tot zijn schapen behoorden. Want 'mijn schapen kennen mijn stem, die herkennen mij'. Zij dus niet. Jezus zei dan nogmaals...⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3035" title="Speel af vanaf 50:35">▶ 50:35⟨/button> ⟨span>Ik Ben de Deur: Naar Buiten Gaan en Weide Vinden⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Amen, amen, ik zeg tot jullie: Ik ben de deur van de schapen. Kijk bij ons, daar hadden we het eventjes voor de pauze nog over. Wij denken bij een deur vaak aan een plank voor het gat, maar dat is eigenlijk niet wat de deur is. De deur is gewoon de doorgang, waar je er doorheen gaat. En vandaar ook, als de Heer zegt: "Ik ben de deur van de schapen," dan is dat wat Hij deed. Hij ging voor de opening liggen, ook ter bescherming in de nacht. Hij lag dus met recht in de deur.⟨/p> ⟨p>Hij zei: "Ik ben de deur der schapen." Je hebt ook een Hebreeuwse letter, de vierde Hebreeuwse letter, en dat is de Dalet. Dat is een letter die het getal vier vertegenwoordigt. Net als Romeinse letters zijn Hebreeuwse letters ook cijfers. De vierde letter is de Dalet, maar het Hebreeuwse woord voor deur is ook dalet. En de vijfde letter is een venster. Dus dan begrijp je ook die beeldspraak: als er een deur gesloten wordt, dan gaat er een venster open. De vier heeft trouwens te maken met de dood. De deur wordt afgesloten en vervolgens krijg je de vijf van het venster dat opengaat. Ik wilde er nog wat over zeggen, maar ik kom er nu even niet op.⟨/p> ⟨p>"Allen," zegt de Heer in vers 8, "alle die vóór mij kwamen, die zijn dieven en rovers, maar de schapen luisteren niet naar hen." Allen die vóór mij kwamen en zich aandienden als herder, maar dat waren valse pretenties. Daarmee geeft de Heer aan dat zij een valse aanspraak maken op Hem, op het herderschap en op de kudde. Maar de schapen luisteren niet naar hen.⟨/p> ⟨p>"Ik ben de deur," zoals Hij dat twee verzen eerder ook zei. "Ik ben de deur. Als iemand door mij binnenkomt, zal hij gered worden." Dat is exclusief, hè? Er is één opening en er is één manier om gered te worden, en dat is via Hem. Buiten Hem is er geen redding. Ik weet het, ik heb het zo vaak te horen gekregen als je het goede bericht mag kennen en je weet dat God het met heel Zijn schepping welmaakt. Dan zeggen ze: "Ja, maar er is geen redding buiten Jezus Christus om." Alsof je dat niet zou prediken of vertellen! Wat je juist vertelt, is dat Hij de Redder van allen is. Juist dat geeft aan dat er buiten Hem geen Redder is. Want Hij is namelijk de Redder van allen; een andere Redder is er niet. Hij redt allen.⟨/p> ⟨p>En hoe wordt een mens gered? Wel, door via Hem in te gaan. "Als iemand door mij binnenkomt, zal hij gered worden en hij zal binnenkomen en naar buiten gaan en weide vinden." Eerst nog eventjes dit: het doel is weide vinden. Dat binnenkomen en naar buiten gaan illustreert precies waar we het net over hadden. Het gaat hier niet over de schaapskooi hoor; het is niet de schaapskooi binnenkomen als einddoel. Het idee is door die deur binnenkomen en weer uitgaan. Weet u nog wat ik zojuist zei over dat voorzetsel 'door'? Het is iets waar je naartoe gaat, waar je ingaat en weer uitgaat. Nou, de Heer zegt: "Ik ben die deur." Dan moet je eerst in en dan ga je eruit. Het idee is vooral dat je naar buiten gaat en zo weide vindt. Maar wel via Hem.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3330" title="Speel af vanaf 55:30">▶ 55:30⟨/button> ⟨span>Het Doel van Zijn Komst: Onvergankelijk Leven en Overvloed⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan in vers 10: de dief komt niet dan om te stelen. Die heeft maar één doel en dat is uiteraard wat zijn naam ook betekent, namelijk zich datgene toe te eigenen wat niet van hem is, om te slachten – te beroven – en om om te brengen. Hij heeft helemaal niet de bedoeling om er voor de kudde zelf te zijn; hij heeft geen hart voor de kudde, maar heeft slechts zichzelf op het oog.⟨/p> ⟨p>Tegenover die dief zegt de Heer: "Ik kwam" – of "Ik ben gekomen", zoals de NBG-vertaling zegt – "opdat zij leven zouden hebben en overvloed, en overvloedig zouden zijn." Dat roept de vraag op: wat is nu die redding waar de Heer het over heeft? Hoe redt de Heer? Hoezo via Hem? Waarom is er geen andere weg? Wel, Hij kwam om leven te geven. Dat is de kern van het onderwerp.⟨/p> ⟨p>Dit lijkt me een goede aanleiding om het voor vanavond af te sluiten, want dit is precies waar het om gaat. De Heer kwam om leven te geven. Daartoe stierf Hij ook en daartoe gaf Hij Zijn ziel, zoals we later ook nog zullen zien in dit hoofdstuk. Maar waarom? Om het wederop te nemen, zo staat het er, om het leven aan het licht te brengen. Hij stierf om te kunnen opstaan uit de doden en zo onvergankelijk leven aan het licht te brengen. En dat is de redding, sowieso voor elke sterveling. Hij geeft leven, en werkelijk leven, namelijk overvloedig.⟨/p> ⟨p>Dat leven is met recht eindeloos. Niet alleen maar in de zin dat er geen einde aan komt, maar ook eindeloos in de kwalitatieve zin. Zoals je een eindeloze vakantie kunt hebben; zo is dat overvloedige leven. Daartoe kwam de Heer en aangezien Hij de enige is die dat leven aan het licht bracht – leven en overvloed – is er dus ook geen andere wijze waarop redding plaatsvindt. Er is slechts toekomst voor de kudde – en dan bedoel ik voor Israël, maar ook in het algemeen – door Hem.⟨/p> ⟨p>En dan zegt Hij ook: "Ik ben die ideale herder." Waarom Hij dan zo ideaal is? Wel, omdat Hij, zoals ooit David dat al deed en bewees, Zijn leven in de waagschaal stelde voor de schapen. Daarmee bewees Hij ook die goede herder te zijn.⟨/p> ⟨p>Ik stel voor dat we daar de volgende keer over doorgaan, nu we bij vers 10 aangekomen zijn over dat doel van de Heer: namelijk om leven te geven, werkelijk LEVEN met allemaal hoofdletters. Met recht dus overvloedig leven, opstandingsleven. Dat is het doel. En dat wordt in de rest van dit hoofdstuk prachtig uitgewerkt, ook wat betreft de profetische betekenissen en de wijze waarop dat vandaag toegepast wordt. Hoe we vandaag ook op een verborgen wijze deel hebben aan deze zegeningen, zal uit het vervolg zeker nog gaan blijken. Maar dat onderwerp parkeer ik voor de volgende keer.⟨/p>