⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Terugblik op Johannes 8 en Uiterlijk Geloof⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Op deze laatste avond van het seizoen gaan we ons opnieuw bezighouden met het Johannes-evangelie. We waren in Johannes 8 gearriveerd en zijn inmiddels halverwege dat hoofdstuk. Het is wederom een lang hoofdstuk, zoals Johannes wel meer hele lange hoofdstukken telt. Ik denk niet dat het in dit geval direct nodig is om terug te blikken op het voorgaande. We hebben gezien dat het eerste gedeelte van Johannes 8 over die overspelige vrouw gaat, die door de Heer wordt vrijgesproken, en de betekenissen die daaraan vastzitten. Vervolgens hebben we de laatste keer, een paar weken geleden, ons beziggehouden met vers 12 tot en met vers 29.⟨/p> ⟨p>Dan gaan we nu verder bij vers 30. Eigenlijk hoort dat nog min of meer bij het voorgaande, want daar lees je: "Toen Hij deze dingen sprak" — de Heer Jezus dus — "geloofden velen in Hem." Dat lijkt een heel positieve uitspraak. Op zich neemt Johannes waar dat velen instemden met wat Jezus sprak, maar uit het directe vervolg, wat we vanaf vers 31 zullen zien en vooral naarmate het hoofdstuk vordert, blijkt dat het helemaal niet zo’n positieve mededeling is.⟨/p> ⟨p>Het blijkt namelijk dat dit geloof niet bepaald diepgaand of echt is. Dat hebben we al diverse keren eerder gezien. Wanneer het lijkt alsof de scharen Jezus geloven en dat ook zo gezegd wordt, en de menigte instemt of hun verbazing uitspreekt over wat ze hebben gezien en gehoord, dan blijkt dat vaak niet veel te betekenen. Dat lees je bijvoorbeeld al in Johannes 2, waar staat dat de Heer Zich niet aan hen toevertrouwde, want Hij wist wat in hen was. Met andere woorden: Hij had geen hoge pet op van wat er werkelijk in hun hart leefde. Het was slechts uiterlijke instemming. Soms is men simpelweg onder de indruk of geïmponeerd door een wonderteken dat men ziet, maar dat stelt in de praktijk ook niet zoveel voor. Het gaat om de echte interesse in Zijn woord, en dat dit zo is, blijkt uit het navolgende. We lezen gewoon verder.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="175" title="Speel af vanaf 02:55">▶ 02:55⟨/button> ⟨span>Blijven in Zijn Woord en de Waarheid Kennen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Jezus dan zei tot de Joden die in Hem geloofd hebben. Kijk, hier hebben we dus eigenlijk al een selectie. Hier spreekt de Heer Jezus niet meer, zoals in het voorafgaande, tot de Joden in het algemeen, maar Hij spreekt hier nu tot de Joden die in Hem geloofd hebben; die dus in eerste instantie erkenden wat Hij claimde. "Indien jullie in mijn woord zouden blijven, zijn jullie waarlijk discipelen van Mij." Echte discipelen van Mij.⟨/p> ⟨p>Wat is daarvan het kenmerk? Een werkelijke, een echte leerling of discipel – want dat is hetzelfde – is iemand in wie het woord ook daadwerkelijk blijft. Blijven in het woord, dat is het kenmerk van de ware discipel. In feite is een ware discipel sowieso degene die luistert, interesse toont in wat Hij te zeggen heeft en zich daar ook aan ondergeschikt maakt. Maar het gaat erom dat dat woord ook daadwerkelijk in je blijft. Dat is het kenmerk van een echte discipel; niet slechts een tijdelijke bevlieging. "Indien jullie in mijn woord zouden blijven, dan zijn jullie waarlijk discipelen van Mij en jullie zullen de waarheid kennen en de waarheid zal jullie vrijmaken." Dat is een hele bekende uitspraak in vers 32 die we nu voor ons hebben.⟨/p> ⟨p>Kennen, de waarheid kennen. Kennen betekent hier uiteraard verstaan. Niet alleen maar in aanraking komen met de waarheid, maar ook die waarheid gaan kennen en verstaan. Ik vind het altijd heel mooi om dan ook even de Hebreeuwse betekenis van dat woord 'kennen' erbij te betrekken. Dat is het woordje jada. Dat betekent kennen, maar het heeft in de praktijk de betekenis van gemeenschap hebben. Ik verwijs hier even naar Genesis 4 vers 1, maar ik zou de lijst veel langer kunnen maken. Daar lees je bijvoorbeeld over Adam – in de Statenvertaling wordt het altijd correct en letterlijk weergegeven: "En Adam bekende zijn vrouw Eva". In de NBG-vertaling staat dan "en Adam had gemeenschap met zijn vrouw", wat in de praktijk hetzelfde is. Dat is precies wat er staat: het heeft de betekenis van gemeenschap hebben, maar er staat gewoon het woord 'kennen' of 'bekennen'.⟨/p> ⟨p>Kennen is dus veel meer dan alleen maar intellectueel of met je verstand iets zien en begrijpen. Het heeft ook te maken met je verenigen met, het liefhebben van en gemeenschap hebben. Dat is het woord. De waarheid kennen is dus niet alleen maar zo'n uit het hoofd geleerd rijtje van waarheden verstaan en weten op te dreunen. Nee, de waarheid kennen is die waarheid ook liefhebben en je daarmee vereenzelvigen, zodat het je leven wordt.⟨/p> ⟨p>"En de waarheid zal jullie vrijmaken." Let op dat bepaalde lidwoord: de waarheid. Dat woord 'waarheid' is een echt sleutelwoord. Ik heb het eens nagekeken en dat kun je tegenwoordig makkelijk doen met de elektronische concordanties op de computer. In het Johannes-evangelie komt het ongeveer 24 keer voor, terwijl het in de andere evangeliën maar een paar keer gebezigd wordt. Het is echt een sleutelwoord. In Johannes 1 lezen we al: "vol van genade en waarheid". De wet is door Mozes gegeven, maar de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden. Bekend is natuurlijk ook Johannes 14 vers 6: "Ik ben de weg, de waarheid en het leven." Dat is een belangrijke, want daarin zegt de Heer dus – maar dat komen we pas in een veel later stadium tegen – dat Híj die waarheid is. De waarheid waar we het nu over hebben, is niets minder en niemand minder dan de Zoon Zelf. Het is niet zomaar een formule of een woord, maar het is Hét Woord.⟨/p> ⟨p>Bekend is trouwens ook Johannes 18, de laatste keer dat het woord gebezigd wordt, waar Pilatus heel relativerend vraagt: "Wat is waarheid?" In Johannes 3 staat: "maar wie de waarheid doet, die komt tot het licht". Waarheid en licht hebben alles met elkaar te maken. Eigenlijk is de waarheid alles wat aan het licht komt en wat het licht verdraagt, zoals leugen eigenlijk niets anders is dan dat wat ondergehouden wordt en het licht niet verdraagt. Duisternis en leugen zijn twee synonieme begrippen die bij elkaar horen. Waarheid en licht horen ook bij elkaar. "Zend, Heer, Uw licht en waarheid neder" – dat is een berijmde versie geloof ik, maar daar moet ik zomaar aan denken. Licht en waarheid. En die waarheid, "jullie zullen de waarheid kennen en de waarheid zal jullie vrijmaken".⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="559" title="Speel af vanaf 09:19">▶ 09:19⟨/button> ⟨span>Waarheid Maakt Vrij, Leugen Leidt tot Slavernij⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Waarheid en licht horen bij elkaar, maar hier hoort waarheid bij vrijmaken, zoals de leugen bij slavernij hoort. Dus: waarheid maakt vrij. Niet de arbeid — dat is de bekende Duitse versie: "Arbeid maakt vrij" — nee, de waarheid maakt vrij. In de praktijk zie je vaak dat mensen verstrikt raken in een soort arbeidswaardigheid, maar dat doen we hier niet; we doen bijbelstudie. Juist omdat Johannes zulke begrippen als waarheid, licht en leven zo veelvuldig gebruikt in zijn evangelie, blijkt het zo’n diepgaande werkelijkheid te zijn dat waarheid vrij maakt.⟨/p> ⟨p>Zelfs in de algemene betekenis, dus niet eens specifiek in de betekenis waarin de Heer Jezus het hier bezigt, is het al zo dat daar waar de mens de waarheid spreekt, waarachtig is en niets achterhoudt, dat vrijmaakt. Iemand die een kronkelweg bewandelt en dingen onderdrukt of achterhoudt, komt in een kramp. Dat is in feite al een vorm van gebondenheid; je kunt niet meer alle kanten op. Het wordt heel complex en je krijgt er bijna een complex van, omdat je ontzettend veel moet onthouden om de leugen in stand te houden. Dat is wat de leugen doet. Ik heb weleens gehoord over mensen die verslaafd zijn, wat je met recht slavernij kunt noemen. Dat is juist iets wat kan voortduren dankzij het achterhouden van de waarheid. Dan is in feite de slavernij niet eens het grootste probleem, maar de leugen. De leugen is het probleem, want de waarheid zou vrijmaken.⟨/p> ⟨p>Ik zat daar gisteren over na te denken terwijl ik een eindje aan het wandelen was en met deze dingen bezig was. Ik geef het zomaar even door. Maar specifiek hier is het ook nog eens zo dat Hij dit zegt tegen de Joden die Hem ogenschijnlijk gelijk gaven en in Hem geloofden. Jezus zegt: "Indien jullie in Mijn woord zouden blijven, daarmee betonen jullie echt discipelen van Mij te zijn." Dan leer je daadwerkelijk de waarheid kennen en die waarheid zal jullie ook vrij maken. Die waarheid maakt vrij, ook onafhankelijk van menselijke instellingen, tradities en oordelen.⟨/p> ⟨p>We zullen dat trouwens ook in het volgende hoofdstuk zien, in Johannes 9, bij de blindgeborene. Daar was het eerst duister, maar hij krijgt het licht te zien. En wat gebeurt er vervolgens? Er wordt een navraag gedaan en hoewel hij nog niet zoveel weet, zegt hij: "Eén ding weet ik, dat ik vroeger blind was en nu zie." Maar dan lees je ook dat ze hem uit de synagoge hadden gegooid vanwege datgene wat hij beleed, en omdat het bovendien op een sabbat was gebeurd. Ook dat heeft te maken met vrijheid, met vrijmaken en vrijmoedigheid.⟨/p> ⟨p>Het begrip 'vrijmoedigheid' komt drieëntwintig keer voor in het Nieuwe Testament. Denk bijvoorbeeld aan Petrus die zegt: "Wij kunnen niet nalaten te spreken over wat wij gezien en gehoord hebben." Dat is vrijmoedigheid. Omdat ze vrijgemaakt waren, hadden ze die vrijmoedigheid. Het gemis aan vrijmoedigheid is in feite dat je niet echt kunt zeggen wat je weet dat waar is. Zij hadden die vrijmoedigheid wel. Het interessante van het Griekse woord voor vrijmoedigheid is ⟨em>parresia⟨/em>. Als je dat ontleedt — ⟨em>pan⟨/em> en ⟨em>resia⟨/em> — heeft dat te maken met 'alles spreken'. Iemand die vrijmoedig is, houdt niets achter of onder, maar spreekt vrijuit. Iemand die vrijmoedig is, staat daar bijna naïef en vertelt gewoon wat hij te melden heeft zonder zich af te vragen hoe dat bij de ander zal vallen. Dat is namelijk precies wat vrijmoedigheid inperkt, en dan ben je niet meer vrij, maar weer gebonden.⟨/p> ⟨p>De waarheid maakt je echter ook vrij van dat soort menselijke instellingen. Je komt dan ook 'buiten' te staan. In die zin zit daar de gedachte in van de gevestigde orde, de legerplaats, om het in de termen van de Hebreeënbrief te zeggen. In de gevestigde godsdienst, in de synagoge of in de kerk — daar waar mensen hun eigen naam hebben gevestigd — is er vaak geen plaats voor je. Maar ook daarvoor geldt: de waarheid zal je vrijmaken. Het maakt je onafhankelijk van menselijke instellingen, oordelen, inzichten en tradities, want je weet hoe het zit. Als je kunt getuigen: "Ik weet dat het zo is, niet omdat een mens dat zegt, maar omdat er staat geschreven," of om het met de psalmdichter te zeggen: "Ik heb het zelf uit Zijn mond gehoord." Ik weet het, want de Schrift zegt het hier en daar; dan kun je daar vrijmoedig van getuigen. Dat wordt je niet overal in dank afgenomen, en dan kom je misschien alleen te staan. Dan word je vrijgemaakt met recht.⟨/p> ⟨p>Je moet soms erg scherp luisteren naar wat er gezegd wordt. Je wordt hervormd in je denken. Ik wilde bijna een ander woord gebruiken, maar nee, overal hebben we tegenwoordig weer etiketjes op geplakt. De waarheid maakt vrij. Alleen al dit: de waarheid maakt vrij. Op elk niveau is dat al zo, maar vooral als we ons gaan realiseren ⟨em>wie⟨/em> die waarheid is. Eigenlijk hebben we het nu nog vooral over ⟨em>wat⟨/em> de waarheid is, maar het gaat erom ⟨em>wie⟨/em> de waarheid is. Dat blijkt ook echt uit het vervolg. Maar eerst nog even dit.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1000" title="Speel af vanaf 16:40">▶ 16:40⟨/button> ⟨span>Het Joodse Verweer: Wij Zijn Zaad van Abraham⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Zij antwoordden Hem: "Wij zijn zaad van Abraham." Daar blijkt eigenlijk meteen al uit dat wat we twee verzen eerder nog lazen – dat ze in Hem geloofden – zij daar kennelijk nog niet erg veel van hadden begrepen. Want nu ineens zeggen ze: "Wij zijn zaad van Abraham." Ze bogen zich op hun vleselijke, hun natuurlijke afkomst. "Wij zijn zaad van Abraham en van niemand zijn wij ooit slaven geweest. Hoe zegt U dan dat wij vrij zullen worden?"⟨/p> ⟨p>De Heer had net gezegd: "Als jullie werkelijk Mijn discipelen zijn, dan zouden jullie in Mijn woord blijven." Hun eerste reactie is: "Hoezo vrij worden? Of hoezo vrijmaken? We zijn nooit van iemand slaven geweest." Dat bedoelen deze mensen niet politiek gezien, want al sinds eeuwen was Israël – ook in deze dagen dat dit speelde – onder vreemde heerschappij. In deze dagen die van de Romeinen, daarvóór onder die van de Grieken en daarvóór onder de Medo-Perzen, enzovoorts. Al eeuwenlang ging Israël gebukt onder een politieke overheersing; ze waren bezet. Maar zij bedoelen: wij zijn zaad van Abraham en als zodanig, in godsdienstig opzicht, omdat we uitgekozen zijn en kinderen zijn van de uitverkoren Abraham, zijn we vrij. Wij zijn zaad van Abraham en daarom, alleen om die reden en vanwege deze afkomst: hoezo slaven? Hoe zegt U dat wij vrij zullen worden? Ze suggereren daarmee: wij zijn toch vrij? Waarvan moeten we nog verlost worden? Waarvan moeten we nog bevrijd worden? Dat is wat zij zeggen.⟨/p> ⟨p>Jezus antwoordde hen: "Voorwaar, amen, amen, Ik zeg tot jullie dat ieder die de zonde doet, slaaf is van de zonde." Eerst even dit, want dit klinkt wat abstract. Dat hebben we wel vaker gezien in het Johannes-evangelie, dat je even moet denken: wat is hier de lijn van het betoog? Je kunt een tekst op zich wel begrijpen, maar je moet je afvragen hoe dit verhaal en dit gesprek loopt. Als hier staat "doet" – "Ik zeg tot jullie dat ieder die de zonde doet" – dan staat dat in de tegenwoordige tijd. Dat zeg ik niet om interessant te doen, maar om de kracht van deze uitdrukking aan te geven. Het betekent eigenlijk dat een ieder die bezig is de zonde te doen, als een continu ding, een slaaf is.⟨/p> ⟨p>En dan nog iets: "de zonde". Het gaat hier niet over één specifieke daad, maar over de zonde in het algemeen. De zonde is hier het niet erkennen van de waarheid. Dat is zonde, dat is doel missen. Denk niet meteen moralistisch dat het een foute daad is in de morele zin van het woord of iets wat ethisch niet kan. Dat is het niet. Zonde betekent doelmissen en de zonde, dat is hier het niet erkennen van de waarheid. Immers, de Heer had gezegd: "Als je in Mijn woord blijft, dan zul je waarlijk Mijn discipelen zijn en je zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal je vrijmaken." Wat betekent dan de zonde? Dat is datgene wat gevangen houdt: de leugen, het niet erkennen van de waarheid.⟨/p> ⟨p>We komen er nu heel dichtbij, want de waarheid, dat is de Zoon zelf die hier aan het woord is. "Indien jullie in Mijn woord blijven." Dat is zo cruciaal. De Heer die hier aan het woord is, is Israëls Messias, degene die door God gezonden is, het beloofde zaad van Abraham. Hij is degene die alle beloften en profetieën die de profeten hadden uitgesproken, zou gaan vervullen. Hij zou de toekomende aeon laten aanbrengen. Hij zou het leven aan het licht brengen. Het gaat allemaal om het kennen en het erkennen van Hem. Want Hij doet het; de Zoon doet het. God werkt via de Zoon, daarom is het erkennen van de Zoon cruciaal. Een mooi woord trouwens, cruciaal, want dat woord is afgeleid van het kruis. Slaaf, zonde... en dan volgt er weer zo'n zin.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1329" title="Speel af vanaf 22:09">▶ 22:09⟨/button> ⟨span>De Slaaf Versus de Zoon in Gods Huis⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De slaaf echter blijft niet in het huis tot in de aeon. Onze vertaling heeft daar 'eeuwig' staan, prima, maar er staat letterlijk: tot in de eeuw, of tot in de aeon. De Zoon, die blijft tot in de aeon. Kijk, wat de Heer eigenlijk zegt, is: jullie zijn wel zaad van Abraham, of dat mag dan zo zijn, en jullie mogen dan zeggen dat Abraham onze vader is, maar dat is geen garantie. Die lijfelijke nakomelingschap, het feit dat jullie voortgekomen zijn uit Abraham, is absoluut geen garantie dat jullie die toekomende aeon waar jullie naar uitzien zullen beërven en dat jullie die zullen gaan meemaken.⟨/p> ⟨p>Hij zegt: want die slaaf, die namelijk de leugen doet en vastzit aan de zonde, die blijft niet in het huis tot in de aeon. Het is een beetje lastig om nu de vraag te beantwoorden: wat bedoelt de Heer nu met 'het huis'? Ik heb het hier aangegeven: het huis, dat is toch bij uitstek – tenzij er heel duidelijk blijkt dat er iets anders bedoeld wordt of dat het aangewezen wordt als het huis van die of die – het huis van God. In Johannes 14 leest u over het huis van mijn Vader, de plaats waar Hij woont.⟨/p> ⟨p>Dat is trouwens dan ook nog tamelijk dubbelzinnig. Want ja, is dat de tempel? Of is dat het land? Feitelijk was Israël getrouwd met haar man, de Heer, en het hele land van Israël was feitelijk hun echtelijke woning. Dat was de plaats waar de Heer met zijn volk woonde. Dus het huis zou je ook kunnen opvatten als het land van Israël zelf. Maar Hij zegt: de slaaf, die blijft daar niet in het huis. In het algemeen kun je dit trouwens ook wel goed begrijpen: de slaaf komt weliswaar in het huis, maar dat huis is niet van hem. Hij hoort daar feitelijk ook helemaal niet thuis. Nee, wie hoort daar wel? Dat is de Zoon. Maar de slaaf hoort er niet.⟨/p> ⟨p>En jullie, als jullie de waarheid niet herkennen en daarmee aan de zonde vasthouden, dan zijn jullie daar slaven van en dan blijven jullie niet tot in de aeon in het huis. Wie dan wel? De Zoon. Die blijft namelijk in dat huis tot in de aeon. Wil men blijven in het huis, in welke zin ook, tot in de aeon, dan dient men de Zoon te erkennen. Dat is wat Hij hier zegt. De Zoon, die blijft tot in de aeon daar in dat huis.⟨/p> ⟨p>Indien dan... en nu komen we in vers 36. Feitelijk is dit ook de uitleg van wat we al in vers 32 zagen. 'Indien dan de Zoon jullie zal vrijmaken.' Aha, de Zoon! Want in vers 32 lazen we: 'de waarheid zal jullie vrijmaken'. Nu staat er in vers 36: 'de Zoon zal jullie vrijmaken'. Met andere woorden, trek de conclusie: de Zoon is de waarheid. De waarheid maakt vrij, de Zoon maakt vrij. Met andere woorden: de Zoon, dat is de waarheid. Maar goed, wie het Johannes-evangelie kent, weet dat dat zo is: 'Ik ben de weg, de waarheid en het leven', of de levende, waarachtige weg; dan voeg je het nog samen ook. Het is de Zoon die jullie zal vrijmaken, en dan zullen jullie werkelijk vrij zijn.⟨/p> ⟨p>Bedenk ook nog even goed: als de Heer Jezus hier spreekt daar in Jeruzalem, dan spreekt Hij tot dat Joodse volk. Dat volk met haar verwachting als zaad van Abraham voor de toekomende aeon. Zij dachten dat het loutere feit van de afkomst van Abraham, en het feit dat zij nakomelingen van Abraham, Izaäk en Jakob waren, hen per definitie zou brengen in het Messiaanse rijk in die toekomende aeon. Dat was wat zij dachten. En de Heer zegt: dat is helemaal niet waar. Dat is niet waar. Want als je een slaaf bent, dan zul je daar helemaal niet inkomen. Alleen door de Zoon. De Zoon, die zal jullie vrijmaken, die zal jullie ook het leven geven. Maar dat betekent wel dat je die Zoon ook herkent. Daar komt trouwens bij... en nu gaan we even een uitstapje maken.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1660" title="Speel af vanaf 27:40">▶ 27:40⟨/button> ⟨span>Een Typologisch Uitstapje Naar Galaten 4: Hagar en Sarah⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Abraham had twee zonen. Je kunt wel zeggen, zoals zij deden: "Wij zijn zaad van Abraham." Want daar heeft Paulus het ook over in Galaten 4. Dat Abraham er twee had, dat staat in Galaten 4; laten we even een klein stukje daarvan lezen. Ik wil er niet te diep op ingaan, want per slot van rekening hebben we het niet over Galaten 4, maar over Johannes 8. Maar om dit even goed te begrijpen, legt Paulus dat namelijk geweldig uit. Hij zegt dan — en met excuses dat ik nu zo midden in het verhaal terechtkom: "Er staat immers geschreven," schrijft Paulus, "dat Abraham twee zonen had. Eén bij de slavin en één bij de vrije." Dat wil zeggen: bij de slavin, dat is Hagar, en bij de vrouw die niet een slavin was maar vrij, oftewel Sarah.⟨/p> ⟨p>Maar die van de slavin was naar het vlees verwekt. Dus weliswaar een zoon van Abraham, maar het was naar het vlees. Het was niet Gods belofte; het was niet de drager van de belofte. Doch die van de vrije door de belofte. De slavin heeft dus te maken met dat wat het vlees doet en werkt. De vrije heeft te maken met de zoon van de vrije, de zoon van de belofte. En dan schrijft Paulus dit: "Dit is iets waarin een diepere zin ligt. Want dit zijn de twee verbonden." Nee, wacht even, hij zegt nog iets anders. In de NBG-vertaling staat letterlijk dat dit "twee bedelingen" zijn. Maar er staat niet het woordje bedeling; er staat "verbonden". En let op, er staat nog een bepaald lidwoord: "Dit zijn ⟨em>de⟨/em> twee verbonden." In de Bijbel kom je heel wat verbonden tegen, maar als je het hebt over ⟨em>de⟨/em> twee verbonden, dan heb je het over het oude verbond en het nieuwe verbond.⟨/p> ⟨p>Paulus zegt: "Dit is iets waar een diepere zin in ligt, want dit zijn de twee verbonden. Het ene verbond van de berg Sinaï, die slaven baart, dat is Hagar." Men zegt wel eens: "Typologie, dat is iets waar je je niet teveel mee moet bezighouden, dat is onbijbels." Maar ik vind dit zo’n prachtig voorbeeld van hoe Paulus daarmee omgaat. Het is zelfs nog sterker. Hij zegt tegen die Galaten: "Zeg mij, jullie die onder de wet willen staan" — want dat wilden ze daar in Galatië: allerlei dingen van de wet van Mozes introduceren en houden, zoals de sabbat en de besnijdenis — "luisteren jullie zelf niet naar de wet?" En dan zegt hij: "Er staat immers geschreven..." en dan begint hij dit verhaal. Met andere woorden: hij gaat uit van zo’n geschiedenis die we in het boek Genesis vinden en zegt dat daarin een diepere zin gelegen is. Het is niet zomaar een geschiedenis; nee, het beeldt iets uit.⟨/p> ⟨p>Abraham had twee zonen en dat is een uitbeelding van twee verbonden. Het ene spreekt van de berg Sinaï en heeft te maken met slavernij; dat is Hagar. Dan gaat hij trouwens nog iets verder, want dan zegt hij: "Het woord Hagar betekent de berg Sinaï in Arabië. Het staat op één lijn met het tegenwoordige Jeruzalem, want dat is met haar kinderen in slavernij." Nou, daar hebben we het over. Als we nu even weer teruggaan in onze gedachten naar Johannes 8: daar is de Heer in Jeruzalem en, om met Paulus’ woorden te spreken, het tegenwoordige Jeruzalem is met haar kinderen in slavernij. Dan kun je wel zeggen: "Wij zijn kinderen van Abraham," jawel, maar de vraag is niet wie je vader is, de vraag is: wie is je moeder?⟨/p> ⟨p>Ben je een kind van Hagar, van de slavernij, of van de vrije? Verwacht je het van het vlees, wat naar het vlees verwekt is? Of verwacht je het van dat waar God Zijn belofte aan verbonden heeft en waarvan God gaat zeggen: "Ik ga het doen"? Ja, dat ene is vrijheid, het andere is slavernij. Dus die hele claim van "wij zijn zaad van Abraham" zegt niet zoveel. Je zou dat ook nog in Romeinen 9 kunnen lezen, waar Paulus zegt dat Israël en Israël er natuurlijk twee zijn. Dat is een nogal uitgebreid onderwerp, want het is een thema dat op allerlei wijzen weer terugkomt.⟨/p> ⟨p>We lezen even verder. Ik wil nu ook wat doorgaan in Johannes 8, te meer omdat het een doorlopend betoog van de Heer is. Op het moment dat je een uitstapje maakt, kan dat wel, maar dan moet je iedere keer weer even resetten om terug te komen bij de lijn van Johannes 8. Dan zegt de Heer: "Ik heb waargenomen dat jullie zaad van Abraham zijn." Dat wist Hij uiteraard, dat staat ook niet ter discussie. Maar Hij zei: "Jullie zoeken Mij te doden." En een half jaar later zou Hij ook daadwerkelijk door hen gedood worden. Ik heb al eerder opgemerkt dat deze geschiedenis in Johannes 8 zich afspeelt rond het Loofhuttenfeest. Dat is een half jaar voorafgaand aan het Pascha waarin de Heer werd overgeleverd en waarin Hij stierf. Hij zei: "Jullie zoeken Mij te doden." En eigenlijk is dat ook weer die vijandschap van Ismaël en Isaäk; die twee verdragen elkaar niet.⟨/p> ⟨p>Nu ben ik weer even terug bij Galaten 4, waar Paulus uiteenzet dat het of het een of het ander is. "Zend de zoon van de slavernij uit," zoals de Heer ook tegen Abraham gezegd had, "want de een zal niet gemeenschappelijk erven met de ander." De Heer zegt: "Jullie zoeken Mij te doden, waarom? Omdat het woord, namelijk het mijne, in jullie geen plaats inneemt." Dus waar we een aantal verzen geleden, in vers 30, nog lazen dat velen in Hem geloofden, had de Heer daar echt geen hoge fiducie in. Want het is slechts uiterlijke instemming; het woord, namelijk het mijne, neemt in jullie geen plaats. Niet hier.⟨/p> ⟨p>Hij zegt: "De dingen die Ik gezien heb bij de Vader, die spreek Ik." Wat bedoelt Hij dan als Hij spreekt over de dingen die Hij heeft gezien bij de Vader? Ja, dan heeft Hij het weer over dat wat Hij gelezen heeft in de Schriften. Maar dat is Zijn woord, toch? "De dingen die Ik gezien heb bij de Vader, spreek Ik. En jullie dan? Doen jullie de dingen die jullie horen bij de Vader?" Dat wil zeggen: geloven jullie in het woord dat Hij tot hen zendt? En zij antwoordden en zeiden tot Hem: "De vader van ons is Abraham." Nu herhalen ze wat ze al veel eerder zeiden in vers 33. Ze ontkennen daarmee ook weer dat zij in slavernij zouden zijn. Ze blijven eigenlijk gewoon voet bij stuk houden: "Wij zijn zaad van Abraham, waar heb Je het over?" Basta, ja. Nou, en dan gaat de Heer dat dus inderdaad ter discussie stellen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2185" title="Speel af vanaf 36:25">▶ 36:25⟨/button> ⟨span>De Werken van Abraham en de Werken van de Vader⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Hij zegt: "Indien jullie kinderen van Abraham zijn..." dan zouden jullie een aardje naar je vaartje hebben, om het even op z’n Nederlands te zeggen. Dan deden jullie de werken van Abraham. En wat deed Abraham? Nou, hij luisterde naar wat God had gezegd. Hij was een man van geloof; hij geloofde God. In Hebreeën 11 staat dat Abraham door geloof is uitgetrokken. Door geloof heeft hij zijn zoon op het gebergte van Moria geofferd, et cetera. Het was allemaal geloof. Hij was een man die leefde uit geloof.⟨/p> ⟨p>Bovendien moet ik erbij zeggen – en realiseer je dat goed, want dat was trouwens ook een thema uit de Galatenbrief – dat Abraham 430 jaar vóórdat God de wet aan het volk Israël op de berg Sinaï gaf, al leefde. Abraham leefde niet onder de wet. Abraham was een gelovige. Hij geloofde in God, maar hij stond niet onder de wet. En daarom is die lijn zo duidelijk voor ons; dat geldt trouwens voor ons ook. Wij zijn met dat zaad verenigd. Indien je van Christus bent, dan ben jij zaad van Abraham. En wij leven uit datzelfde geloof als Abraham deed, ondanks dat we het over iemand hebben die 4000 jaar geleden leefde.⟨/p> ⟨p>Maar nu, zegt de Heer: "Nu zoeken jullie Mij te doden. Een mens die de waarheid tot jullie heeft gesproken, wat Ik hoorde bij God." Nou, dan zegt Hij: "Dit deed Abraham niet hoor!" Jullie zoeken Mij te doden, waarom? Omdat Ik de waarheid spreek, namelijk dat wat Ik hoorde bij God. Dat wat God gesproken heeft en wat in de Schriften staat opgetekend. Dat is niet des Abrahams. "Doen jullie de werken van jullie vader?" Dat is een retorische vraag. Met andere woorden: jullie doen dat niet. "Jij doet de werken van uw vader."⟨/p> ⟨p>Sommige vertalingen refereren hier aan de 'vaderen' die in de woestijn ook al zondig waren, maar in het Nederlands is het niet per definitie meervoud. Als ik nu hier in de grondtekst kijk, dan is dat mooier wanneer zoiets ter sprake komt, want dan zie je dat het hier gaat over ⟨em>patros⟨/em>. Dat is enkelvoud: de vader van jullie. Niet de vaderen van jullie, nee: de vader van jullie. Dus ik denk dat het hier echt een vraag is: "Doen jullie de werken van jullie vader?" Namelijk van Abraham? Is dat de vraag?⟨/p> ⟨p>Ik zie nu dat het in de Concordante Vertaling een vraag is, maar in de NBG-vertaling is het geen vraag. Daar is het: "Indien gij kinderen van Abraham zijt, doet de werken van Abraham; maar nu tracht gij Mij te doden, een mens die u de waarheid gezegd heeft, welke Ik van God gehoord heb. Dit deed Abraham niet. Gij doet de werken van uw vader." Als je het zo leest, is de gedachte daar nog weer wat anders, maar het komt in de praktijk toch op hetzelfde neer. De vraag blijft: wat bedoelt de Heer hier met 'jullie vader'? Want we zullen wat later zien, in vers 44, dat Hij dan zegt: "Jullie hebben de duivel, de diabolos, tot vader." Dat kan dan ook nog de gedachte zijn, maar ik vraag me af of dat hier al het punt is. In ieder geval, ik heb hier een interlineair en dan zie je: "Dit deed Abraham niet, en jullie doen de werken van de vader van jullie" – al of niet met een vraagteken. Afijn, ik kan daar verder nu geen uitspraak over doen. Nee, dat maakt voor de algemene lijn ook niet zo heel veel uit. Zij reageerden dan weer.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2534" title="Speel af vanaf 42:14">▶ 42:14⟨/button> ⟨span>De Strijdvraag over Afkomst en Hoererij⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Zij zeiden tot hem: "Wij zijn niet uit hoererij geboren." Ik moet daar nog even iets bij zeggen. De passage die we nu onder ogen hebben, Johannes 8 vanaf vers 30 tot 59, is het heftigste twistgesprek dat we in het hele Johannes-evangelie tegenkomen. We komen er heel wat tegen, maar geen gaat zo diep. We zullen nog veel meer van die enorme, ferme uitspraken tegenkomen waarin je ziet: het is echt licht tegen duisternis, leven tegen dood, waarheid tegen leugen. Het is volkomen zwart-wit.⟨/p> ⟨p>En nu ook weer, wanneer zij zeggen: "Wij zijn niet uit hoererij geboren." Dat levert ons vervolgens de vraag op waar ze op doelen. Eén van de verklaringen — en ik geef hem ter overweging — is dat dit een bedekte beschuldiging is. Zo van: "Wij zijn niet uit hoererij geboren, maar jij wel." Het zou een bedekte verwijzing kunnen zijn naar de gedachte dat Jezus geboren zou zijn uit hoererij; dat hij weliswaar geboren is uit een maagd, maar dat hij in hun ogen een buitenechtelijk kind was. Het staat er niet expliciet, maar het is wel een hele suggestieve opmerking. Door te zeggen "wij zijn het niet", suggereer je immers: "U wel."⟨/p> ⟨p>In vers 48 zullen we iets soortgelijks zien wanneer ze zeggen dat hij een Samaritaan is. Het is een bekende gedachte in de Joodse overlevering, de Talmud, dat Jezus inderdaad een buitenechtelijk kind zou zijn, geboren uit hoererij. Hun claim is dan dat zijn biologische vader een Samaritaan zou zijn, wat dan ook weer zijn sympathie voor de Samaritanen zou verklaren. Dat is wat men zegt, maar men zegt zoveel. In ieder geval zeiden zij tot hem: "Wij zijn niet uit hoererij geboren. Wij hebben één God, de Vader." Dat is een waarheid waar de Joden nooit van afgeweken zijn. Letterlijk zeggen ze: "Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen?"⟨/p> ⟨p>Jezus zei tot hen: "Indien God jullie Vader was, werkelijk, dan zouden jullie mij liefhebben. Want ik kwam vanuit God en ik ben arriverend." Hij komt hier nu aan; dat is letterlijk het woord dat hier gebezigd wordt. Hij zegt: "Ik kwam vanuit God. Ik ben niet van mijzelf gekomen, maar van degene die mij afvaardigt. Hij heeft mij gezonden." Jezus komt niet in zijn eigen naam en het woord dat hij spreekt, is niet van hemzelf. Hij is de vervulling van wat er in Psalm 40 staat: "In de boekrol staat over mij geschreven: zie, ik kom om uw wil te doen." Hij heeft niet anders gedaan dan met het woord van zijn Vader bezig te zijn en om dat woord te vervullen. Hij wist: "Dat is mijn missie, daartoe ben ik gezonden."⟨/p> ⟨p>En nu is hij door die God gekomen en gezonden, maar hij wordt door het volk waar hij naartoe gezonden was massaal afgewezen. Soms uiterlijk niet, maar in de praktijk dus wel. Ook bij dit gezelschap dat hij nu aanspreekt is dat zo. Natuurlijk wist Jezus dit ook; hij wist dat hij niet geloofd zou worden. Maar probeer je eens voor te stellen wat dat voor hem geweest is: om het volk dat hij zo liefhad aan te spreken en dan zulke reacties en zo'n afwijzing te krijgen.⟨/p> ⟨p>Hij zegt: "Vanwege wat onderkennen jullie mijn spreken niet? Wat is de reden dat jullie niet verstaan wat ik te zeggen heb?" Hij geeft zelf het antwoord: "Omdat jullie mijn woord niet kunnen horen." Elders, in Matthäus 13, lees je: "Wie oren heeft, die hore." Nou, zij horen het niet. Dat heeft natuurlijk twee kanten, want je kunt altijd zeggen wat er in de Spreuken staat: "Het oor dat hoort en het oog dat ziet, beide heeft de Heer gemaakt." Dat is geen verdienste. Maar nu spreekt de Heer de waarheid en hij stelt het onder bewijs. Ze konden het weten als ze daadwerkelijk wilden luisteren. Maar ze wilden niet luisteren en ze konden zelfs niet luisteren.⟨/p> ⟨p>Vandaar dat dit hele hoofdstuk, vanaf het gedeelte dat we vanavond onder ogen hebben, eigenlijk een dieptepunt in het evangelie is. Het gesprek dat hier plaatsvindt, is eigenlijk geen gesprek. Een gesprek in de normale zin betekent dat er gecommuniceerd wordt: ik zeg wat en de ander luistert, de ander spreekt en ik luister. Dan vindt er werkelijk een woordwisseling plaats en wordt er naar elkaar geluisterd. Maar hier niet. Dit is zo hakketakkerig. Dat valt ook op als je dit bijvoorbeeld aan tafel zou voorlezen; wat een hakketakkerig gesprek is dit. Er spreekt hier één partij die echt niet wil luisteren. Probeer die maar eens aan te spreken; die is niet te bereiken. Dat is inderdaad wat hier aan de hand is: "Jullie kunnen mijn woord niet horen." Laten we dat voor vers 44 even parkeren, dan gaan we daar straks mee verder. Ik stel voor dat we eerst even een kopje koffie drinken en gaan pauzeren, oké?⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3002" title="Speel af vanaf 50:02">▶ 50:02⟨/button> ⟨span>Hervatting van het Twistgesprek Na de Pauze⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Zullen wij weer verder gaan bij dit heftige twistgesprek, waarbij je echt zo'n sterke confrontatie beluistert tussen licht en duisternis, liefde en haat? Het is zo'n ongeloof waar de Heer op stuit. En wellicht ook — daar hadden we het net in de pauze even over, jij stipte dat zojuist aan — we lazen in vers 30 of 31 dat Jezus zei tot de Joden die in Hem geloofden: "Indien jullie in mijn woord zouden blijven..." In feite is dat nog steeds het gezelschap dat Hij hier aanspreekt.⟨/p> ⟨p>En ze geloofden; wat betekent dat? Betekent het dat ze dat van harte erkennen? Want geloven en geloven zijn twee verschillende dingen. Geloven kan vertrouwen zijn, maar geloven kan ook inhouden dat je weet dat iets waar is, maar het niet wilt herkennen. Nou ja, dat is waar we het zojuist over hadden. "Zeg me waar ik die kracht vandaan haal, maar hou je mond, ik wil het niet horen."⟨/p> ⟨p>Feitelijk is dat iets wat we met name in het Johannes-evangelie al verschillende keren zijn tegengekomen. Dat was alweer een aantal avonden geleden, toen we ons bezighielden met hoofdstuk 7. Er gaat een delegatie naar Jezus toe van de overpriesters en de farizeeën en als ze bij Jezus aankomen, was het eigenlijk de bedoeling dat Hij gearresteerd zou worden. Maar ze gaan onverrichte zaken weer terug en dan zeggen ze: "Nooit heeft een mens zo gesproken." Ze konden er niets tegenin brengen.⟨/p> ⟨p>Geloofden ze daarmee? Ja, in zekere zin wel, in die zin dat ze er niets tegenin konden brengen. Ze erkenden — of in ieder geval wisten ze — dat het de waarheid was. Maar dat is wat anders dan het woord dat zojuist viel: overgave. Dat is wat anders dan je daarin overgeven, daarin rusten en dat dankbaar erkennen.⟨/p> ⟨p>In vers 43 zagen we dat zojuist nog, wanneer de Heer zegt: "Vanwege wat onderkennen jullie mijn spreken niet?" Je kunt het als een beschuldiging opvatten of als een verwijt, maar het is ook feitelijk gewoon een vaststelling. Waarom onderkennen jullie mijn spreken niet? Omdat jullie mijn woord niet kunnen horen. That's it. Daarom. Jullie kunnen het niet horen. En los van de vraag hoe dat nou komt, het is gewoon een vaststelling: jullie kunnen het niet horen.⟨/p> ⟨p>In feite komen we in dit laatste deel op het dieptepunt van deze hele passage vanaf vers 30. Wat we nu nog gaan lezen, overtreft eigenlijk nog weer de felheid en de bitterheid van de confrontatie.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3214" title="Speel af vanaf 53:34">▶ 53:34⟨/button> ⟨span>De Diabolos: de Grote Dooreenwerper en Aardsleugenaar⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Met de tegenstand van wat we hiervoor hebben gezien en gelezen, zegt de Heer vervolgens dit. Jullie zijn vanuit de vader – dat was een thema dat eigenlijk de hele tijd al doorklonk: van wiens zaad zij waren – maar nu zet de Heer het helemaal scherp: "Jullie zijn vanuit de vader, de diabolos, de duivel." Ons woord duivel komt trouwens van het woord diabolos. Dat is een Latijns woord en dat komt weer uit het Grieks. Dat "dia" betekent door of door elkaar, en dat "bolos" – denk aan ons woord bal – heeft te maken met werpen of gooien. De diabolos dus.⟨/p> ⟨p>Ik houd zelf niet zo van het woordje duivel. Hoe dat komt, weet ik niet precies; ik bedoel dat helemaal niet principieel, want het woord duivel betekent gewoon diabolos. Maar bij duivel hebben we vaak zulke rare mythologische voorstellingen. Terwijl ik het woord diabolos juist zo treffend vind, omdat het precies aangeeft wat hij doet, namelijk: door elkaar gooien. Je zou hem dus een dooreenwerper kunnen noemen, of de verdachtmaker. Iemand merkt op dat het woord ook te maken heeft met een "rudder" onderaan een surfmaster, om met alle winden mee te kunnen waaien. In andere talen zeggen ze dat trouwens ook; ik geef les aan Polen en die hebben het in het Pools ook over de diabolos.⟨/p> ⟨p>Tegenstander is weer een ander woord; dat is het Hebreeuwse Satan. Satan is een Hebreeuws woord en dat betekent letterlijk tegenstander. Dat is dus niet hetzelfde als het woord diabolos. In de Schrift worden ze ook onderscheiden; in Openbaring 12 vers 9 lees je bijvoorbeeld: "En de grote draak werd op de aarde geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel, diabolos, en de zatan." Dan heb je ze compleet. Het is inderdaad dezelfde, maar het zijn verschillende aanduidingen. Satan betekent dat hij tegenstaat. Diabolos wil zeggen dat hij door elkaar gooit en daarmee ook verdacht maakt. In de Griekse betekenis wordt het woord diabolos ook gewoon voor mensen gebruikt die dingen ter discussie stellen of verdacht maken. Dat is eigenlijk wat het is: door elkaar gooien om twijfel te zaaien en de betrouwbaarheid te ondermijnen.⟨/p> ⟨p>Het is feitelijk wat de slang van ouds deed: "God heeft zeker wel gezegd dat..." En dan vervolgens meteen zeggen: "Ja, dat heeft Hij alleen maar gedaan opdat jullie ogen niet verlicht zouden worden." Dat is eerst twijfel zaaien over het Woord van God – "God heeft zeker wel gezegd?" – en vervolgens Gods Woord citeren, maar dan net even fout. Hij voegt eraan toe en hij doet er vanaf; dat is heel karakteristiek. En daarmee wekt hij wantrouwen jegens God. Als je vraagt wat het meest karakteristieke is van de diabolos, dan is het wel dat hij het Woord door elkaar gooit, zodat je het niet meer kunt of wilt vertrouwen. De betrouwbaarheid ondermijnen, daarmee staat hij heel effectief tegen. De beste manier om tegen te staan, is immers om het woord van degene die je tegenstaat verdacht te maken en te verdraaien. Daarmee is hij de aanklager van de broeders. Diabolos heeft dus een heel concrete betekenis. Vandaar dat ik het liever over de diabolos heb, om aan te geven wat hij doet: door elkaar gooien, ook met de Schrift, zodat je de Schrift niet meer kunt begrijpen en je vertrouwen in dat Woord wordt ondermijnd.⟨/p> ⟨p>Feitelijk is wat de diabolos doet theologisch werk. Ik bedoel dat niet zo lelijk als het er misschien uitkomt, maar een theoloog houdt zich bezig met de woorden Gods. Dat doet de duivel ook; dat is eigenlijk zijn professie. Hij houdt zich voortdurend bezig met het Woord van God, maar hij doet het niet om ernaar te luisteren, om het te verstaan of om het te promoten, maar juist om het verdacht te maken en het door elkaar te gooien, zodat je er helemaal niets meer van begrijpt. Ik denk dat hij het nergens zo druk heeft als juist in de theologische instituten, daar waar men zich bezighoudt met de Schrift. Want als je die centra waar het Woord bestudeerd wordt kunt beheersen en daar je stempel op kunt zetten, dan is dat uiterst effectief. Op die plaatsen waar je zou denken het Woord te horen, wordt het dan door elkaar gegooid. Dan is hij heel succesvol.⟨/p> ⟨p>Je ziet het hier ook. De Heer is in Jeruzalem, bij de tempel; de plaats waar men zich juist altijd bezighield met de woorden Gods. Maar Hij zegt tegen deze mensen – notabene mensen die wisten dat wat Hij zei de waarheid was, maar die het niet wilden erkennen: "Jullie zijn vanuit de vader." En dan noemt Hij het gewoon bij de naam: "De diabolos." Jullie willen de begeerten van jullie vader doen, dat waar hij altijd naar neigt, namelijk Gods woorden verdraaien. Hij was ook een mensenmoordenaar van begin af aan. Hoezo? Hij beval de verboden vrucht aan, waardoor de mens de toegang tot de boom van het leven werd ontzegd. Daarmee kwam de dood in de mensenwereld en werd hij een mensenmoordenaar van begin af aan. Dat is precies wat zij hier ook doen. We hebben vanavond al twee keer gelezen dat zij Jezus zoeken te doden. Zij claimen zaad van Abraham te zijn, maar ze zoeken Hem te doden die de waarheid spreekt, de van God gezondene. Daarmee geef je aan dat je roots bij de diabolos liggen. Het Woord niet willen erkennen, het door elkaar gooien, verdraaien en verdacht maken, en bovendien de Getuige willen doden; dat is precies wat de mensenmoordenaar van het begin aan deed.⟨/p> ⟨p>In de waarheid heeft hij niet gestaan, want er is geen waarheid in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij vanuit zijn eigen dingen, vanuit zichzelf. Niet uit wat hij hoort, maar wat hij zelf creëert. Hij parasiteert trouwens wel altijd; een leugenaar is nooit origineel. Een leugen is feitelijk altijd een verdraaide waarheid. Elke leugen moet het hebben van de waarheid, maar verdraait deze. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij vanuit zijn eigen dingen omdat hij een leugenaar is en de vader daarvan. Zo betonen de Joden die hier aangesproken worden zich kinderen van de diabolos. Ze zijn afkerig van de waarheid en ze willen de getuige van de waarheid doden. Daarmee staan ze helemaal in de lijn van de diabolos die een mensenmoordenaar was. Ik laat dit even zo zien om te tonen hoe het gesprek verloopt en wat de argumentatie is waarom Jezus dit zo scherp zegt. Natuurlijk gaan we daarna nog een niveau hoger spreken.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3855" title="Speel af vanaf 01:04:15">▶ 01:04:15⟨/button> ⟨span>De Oude Slang als Creatie en Instrument van God⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dat is dat die diabolos natuurlijk ook een creatie van God is. Dat is waar. De slang was door God gemaakt. Er staat al in Genesis 3 dat hij de listigste was van de dieren of van de levende wezens die God geschapen had – daar zit nog meer aan vast dan wat ik nu zeg – dus: een creatie van God. In het boek Job staat het ook zo prachtig. Ja, er staat dat Gods hand – zo staat het er letterlijk, het staat in Job 19 als ik me niet vergis – geboortewee leed toen Hij de slang formeerde. Prachtige tekst. Het geeft dus aan dat God Zelf de slang gemaakt heeft, met die gespleten tong. En Gods hand leed geboorteweeën. Dat is een hele vreemde manier, maar het leed pijn toen Hij hem creëerde. Dat wil zeggen: God wist dat hij nodig is. Hij is gemaakt voor een doel, want God heeft alles gemaakt voor Zijn doel. Zodat ook de slang, de oude slang... dat moeten we nooit vergeten.⟨/p> ⟨p>Dit jaar is een Lutherjaar, dus ik mag hem vrijuit citeren – trouwens, waarom zou ik hem andere jaren niet mogen citeren? Maar Luther zei: "Hij is de kettinghond van God." Hij kan ook nooit meer doen dan God hem toestaat natuurlijk. En in feite staat hij, ook al wil hij dat niet, gewoon ten dienste van God. En ik moet zeggen: ik vind dat een geweldige, geruststellende gedachte dat ook deze mensenmoorder van den beginne en deze aardsleugenaar, deze oude slang, een creatie van God is. Hij zondigt van den beginne; hij heeft nooit anders gedaan.⟨/p> ⟨p>En dat werpt trouwens ook nog weer licht op een andere vraag. Bekend zijn de verhalen dat hij eerst een overdekkende cherub was en dat hij gevallen is, maar dat staat allemaal nog zeer te bezien. Ik zeg het nu heel voorzichtig, maar hij is, als u het mij vraagt... Ja, ik begrijp wat je bedoelt. Dat is wat Paulus in de tweede Korintiërsbrief zegt. Hij zegt dat Satan zich voordoet als een engel van het licht. Er wordt meestal gezegd: "Hij was een engel van het licht en hij is een satan geworden." Nee, hij is de Satan, maar hij doet zich nu voor als een engel van licht. Hij manipuleert het licht, het woord, de waarheid – en dus de leugen; ook beide denk ik.⟨/p> ⟨p>Bij gelegenheid kan hij de gestalte van een levend wezen aannemen, zoals in de hof, waarbij trouwens nog even de vraag is hoe die eruitgezien heeft, maar laten we even aannemen: een slang, de gedaante van een slang. Dat geldt voor geesten in het algemeen; die kunnen zich manifesteren en dan worden ze gezien. Dat geldt voor engelen ook; die kunnen in de gedaante van een mens verschijnen. Dat wil niet zeggen dat ze dat al zijn, het zijn geesten, maar ze kunnen zich manifesteren. Maar goed, dat is weer een andere vraag.⟨/p> ⟨p>Het gaat hier eventjes om dat de Heer aanwijst vanwaaruit hun denken, spreken en handelen voortkomt, en dat is uit hun vader: de diabolos. In alles in dit heilige gesprek is dat zo duidelijk. Alles wat naar voren gebracht wordt... Ja, dat geldt trouwens wel voor meer Bijbelgedeeltes. Er zijn van die Bijbelgedeeltes die heerlijk zijn om te overdenken omdat het licht daarvan afstraalt. Dat is in het Johannesevangelie ook zo. De Heer manifesteert Zich als het licht, de waarheid en het leven, maar op het moment dat de afgrond zich opent en er zoveel tegenstand komt, zoals in dit gedeelte, dan komt er ook heel veel duisternis, doods- en haatvrijheid. Dat lees je hier ook.⟨/p> ⟨p>Is dit nou een aangenaam gesprek om te lezen? Ik vind van niet, allesbehalve dat. Ik kan me zelfs voorstellen dat je zegt, als we dat vanavond bespreken: "Dit is heftig, dit is absoluut geen opbouwend gesprek." Maar het is een confrontatie van licht en duisternis, en God heeft het nodig gevonden om dit te doen optekenen. We zien hier de wijze waarop God een mens onderwijst, en dat doet Hij altijd door middel van contrast. In feite leer je alleen maar iets kennen door het contrast: het goede leer je kennen door het kwade, en het licht leer je kennen door de duisternis enzovoorts. Dat zie je hier in Johannes ook heel sterk.⟨/p> ⟨p>Ik ga weer... Ja? "Van den beginne en is in de waarheid niet staande gebleven," lees ik. Oh ja. Ja, nu kom je al... dit is een grammaticale kwestie. Het is frappant dat je dit nu ter sprake brengt, want ik heb hier onlangs over dit ene punt een hele e-mailwisseling gehad. Want als je ziet wat er staat, er staat hier letterlijk: "Hij heeft niet in de waarheid gestaan." Er staat niet: "Hij is niet..." Want dat zou suggereren dat hij er ooit wel in gestaan heeft. Precies, die conclusie zou je dan trekken, dat hij er door God in geplaatst is. Maar er staat: hij heeft niet in de waarheid gestaan. Er wordt vaak gezegd dat hij gevallen is, en dan is er nog een andere tekst die zegt dat hij geworpen moet worden, en dat wordt daar dan ook op betrokken.⟨/p> ⟨p>Als je dat dan leest in Jesaja 14, dan gaat het over de koning van Babel, en in die tekst in Ezechiël gaat het over de vorst van Tyrus. Er worden dus teksten op de val van Satan betrokken die daar helemaal niet over gaan. Maar men baseert het vaak op de gedachte dat hij niet "staande gebleven" is in de waarheid. Maar het staat hier letterlijk – je ziet dat in zo’n klein rondje dat hier voor staat – dat het een voltooid tegenwoordige tijd is. Dat wil zeggen: hij heeft niet gestaan. "Niet staande gebleven", dat staat er niet. Hij heeft niet in de waarheid gestaan. Daar is trouwens niet het laatste woord mee gezegd, want je zou eigenlijk ook even een concordantie moeten pakken om te zien hoe dat woord gebruikt wordt, maar dat zou nu te ver voeren. Letterlijk is dit wat ik wil zeggen: hij heeft niet in de waarheid gestaan, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij vanuit zijn eigen dingen. Waarom? Omdat hij een leugenaar is en de vader daarvan. "Maar Ik, omdat Ik de waarheid zeg..." Hij is ook de belichaming van de waarheid. "Omdat Ik de waarheid zeg, geloven jullie Mij niet."⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-12" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4339" title="Speel af vanaf 01:12:19">▶ 01:12:19⟨/button> ⟨span>Wie Ontmaskert Mij Aangaande Zonde?⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Wie vanuit jullie ontmaskert mij aangaande zonde? Dat staat er. In de MBG-vertaling staat: "Wie overtuigt mij van zonde?" Welk mens kan dat zeggen? Ja, elk mens kan het zeggen, maar zodra je iemand wat beter kent, dan moet je toch het onderspit delven, want elk mens faalt. En de Heer zegt: "Wie..." Letterlijk staat er trouwens niet zozeer het woord overtuigen, maar: "Wie ontmaskert mij?" Dan stel je je echt kwetsbaar op hoor. Want kijk, de waarheid... dat zegt Paulus in de Tweede Korinthebrief ook. Hij zegt... Ik kan het nu wel citeren, maar dan wil ik het even goed doen. In 2 Korinthe 4 zegt hij in vers 2: "Wij hebben verworpen alle schandelijke praktijken die het licht niet kunnen zien. Daarbij niet met sluwheid omgaan of het Woord van God vervalsen, maar de waarheid aan het licht brengen en zo bij elk menselijk geweten onze eigen aanbeveling zijn voor het oog van God."⟨/p> ⟨p>Kijk, van de waarheid kun je getuigen, die maak je niet. De feiten zijn feiten. Aan dat wat er staat geschreven, kun je geen afbreuk doen. De Heer sprak de waarheid. Waar we het zojuist over hadden: niemand die naar Hem luisterde kon Hem tegenspreken. Zelfs degenen die erop uit waren om Hem te arresteren, om Hem te pakken, zoals ik al vanuit hoofdstuk 7 liet zien, zij konden het niet. Hoe vaak lezen we in de evangeliën niet dat er iemand met een strikvraag tot Hem kwam en dat Hij altijd een perfect antwoord gaf? Maar ook nooit heeft men Hem van iets kunnen betichten.⟨/p> ⟨p>Hij zegt: "Wie ont..." Moet je je voorstellen, dan sta je daar in Jeruzalem en ik stel me zo voor dat er hele mensenscharen luisteren. Dan stelt Hij heel uitdagend de vraag: "Wie vanuit jullie...?" Normaal gesproken zou dit grootspraak zijn. Een gewoon mens kan dit niet zeggen, want dan is het niet moeilijk om iemand helemaal onderuit te maaien. Maar Hij zegt: "Wie ontmaskert mij?" Niemand kon Hem. Zijn woord was zo waar, zo solide. Zijn leven demonstreerde het ook; Hij is volmaakt gaaf. Zoals een dier trouwens ook: een offerdier dat geslacht werd als zondoffer of brandoffer moest volmaakt zijn. Dat wil zeggen: gaaf. Daar mag niets aan mankeren. Wel, Hij is dat offerdier. Je leest in 2 Korinthe 5: "Hem die geen zonde gekend heeft, die heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt." In Hebreeën 4 lees je: Hij is in alles ons gelijk geworden, maar er staat bij: "doch zonder..." Het staat er trouwens niet als "zonder te zondigen", maar er staat letterlijk "zonder zonde". Zonder doelmissing. Ja, dat is eigenlijk wat het is.⟨/p> ⟨p>Vandaar dat Hij dit zo kon zeggen: "Wie vanuit jullie ontmaskert mij aangaande zonde? Indien ik de waarheid zeg..." Dat konden ze niet ontkennen. "Vanwege wat geloven jullie mij dan niet?" Nu weer, dit zijn van die waarheden in het Johannes-evangelie die ons al zo vaak zijn opgevallen en dit is er ook weer zo een die als een refrein iedere keer weer klinkt. Het is zoals je dat met een lied hebt: iedere keer wordt het refrein weer ten gehore gebracht of gezongen. Nou, dit is ook zo'n refrein: "Degene die vanuit God is, die hoort de uitspraken van God." Als je vanuit Hem bent, wat is dan het meest karakteristieke? Wel, dat je luistert naar wat Hij te zeggen heeft. We zullen dat trouwens later in het Johannes-evangelie ook nog eens lezen over de schapen: "Die hebben tot mijn kudde gehoord, die kennen mijn stem." Logisch. Hoe weet je nou wie er tot die kudde behoort? Dat zijn al die schapen die horen naar de stem. That's it.⟨/p> ⟨p>En dan zegt de Heer, want het is zwart-wit: "Degene die vanuit God is, hoort de uitspraken van God." Dat is wit. "Daarom horen jullie niet, omdat jullie niet vanuit God zijn." Hè? Ja, dat is keihard. Hartscherp, zeg het maar. Maar kijk, zo'n uitspraak is nu niet bepaald een wandtegeltje. Daar zou het om te beginnen niet voor geschikt zijn, want dit is zó geen "evangelie" in de populaire zin van het woord. Maar dit staat natuurlijk in het verband van een confrontatie: de Heer die de waarheid spreekt en dan dat verzet. En vervolgens ook de beschuldigingen, want die zijn niet van de lucht hoor. Lees maar.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-13" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4707" title="Speel af vanaf 01:18:27">▶ 01:18:27⟨/button> ⟨span>De Joodse Hoon: een Samaritaan met een Demon⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De Joden dan antwoordden en zeiden tot Hem: "Zeggen wij niet terecht dat U een Samaritaan bent en een demon hebt?" Ja, dat is sneren, dat is beschuldigen. Wat zit hier nu achter? Ik gaf zojuist al even aan dat zij zeiden: "Wij zijn niet uit hoererij geboren!" Met andere woorden: U wel. Zij waren natuurlijk al enorm getriggerd doordat de Heer in twijfel trok of zij wel ware kinderen van Abraham waren. En nu gaan zij zeggen: "Zeggen wij niet terecht dat U een Samaritaan bent?"⟨/p> ⟨p>Misschien is het trouwens in zekere zin nog waar ook: Hij is die warmhartige Samaritaan. Dat was natuurlijk niet de bedoeling van wat zij zeiden, maar zelfs in deze leugen zit nog een originele waarheid. Denk aan Lucas 10, de barmhartige Samaritaan. Wie is het? En wie is de naaste? Dat is degene die barmhartigheid bewezen heeft. Nou ja, dat is weer van een andere orde.⟨/p> ⟨p>Maar hier zie je hoeveel duisternis er vrijkomt op het moment dat het licht gaat schijnen. Die confrontatie: "Zeggen wij niet terecht dat U een Samaritaan bent?" En dan gaat het nog een treetje dieper, harder. Want jij zegt zojuist, Ari, dat dit hard is, maar wat dacht je hiervan: "En U een demon hebt." Dit was natuurlijk weer een reactie op het feit dat de Heer zojuist had gezegd dat de manier waarop zij handelen demonstreert dat de ⟨em>diabolos⟨/em> hun vader is.⟨/p> ⟨p>In de Statenvertaling worden boze geesten en demonen heel vaak door elkaar gegooid, maar demonen zijn echt iets anders dan de duivel. In de Griekse wereld was het een neutraal woord, maar voor een Jood natuurlijk niet. De goden der volkeren zijn feitelijk demonen, dus hier is het bepaald geen compliment. Men verdroeg de waarheid niet en vandaar dus deze reactie.⟨/p> ⟨p>Jezus reageert niet eens op dat eerste, maar Hij zegt: "Ik heb geen demon. Ik eer mijn Vader." Dat lijkt me inmiddels wel duidelijk. "En jullie onteren Mij." Jullie beledigen Mij en beschuldigen Mij. Ik breng de waarheid en jullie hebben niets daartegen in te brengen, dan alleen maar – hoe noemen we dat – losse flodders; gewoon beschuldigingen zonder enig bewijs.⟨/p> ⟨p>Het is ook heel vermoeiend trouwens. Ik kan me zo voorstellen hoe de Heer dit aanhoort en hiervan beticht wordt. Ik moet denken aan waar ik niet zo lang geleden over gesproken heb in Jesaja 49, waar de Heer zegt: "Tevergeefs heb Ik Mij afgemat." Want het is wat om onder zo'n volk te werken, bezig te zijn, iets te verspreiden en een woord door te geven met zoveel tegenstand. Het is, zoals we dat noemen, zwemmen in stroop. Je schiet er niets mee op. Je kunt spreken, maar het viel op rotsachtige bodem; het viel niet in goede aarde. "Jullie onteren Mij slechts."⟨/p> ⟨p>Hij zegt: "Maar Ik zoek niet Mijn heerlijkheid." Je ziet Hem eigenlijk al wijzen: Hij is het die zoekt en ook oordeelt.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-14" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4975" title="Speel af vanaf 01:22:55">▶ 01:22:55⟨/button> ⟨span>Het Woord Bewaren en de Dood Niet Zien tot in de Aion⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Amen, amen. Ik zeg jullie: indien iemand mijn woord zou bewaren, hij zal de dood niet zien tot in de aeon. Wat bedoelt de Heer nu te zeggen? Dat is trouwens ook weer een vraag apart. Als je het vergelijkt met eerdere uitspraken, dan kom je het meteen op het spoor. Want wat de Heer zegt, is: degene die mijn woord bewaart, ook al zou hij sterven, hij zal opstaan aan het einde van deze aeon. Hij noemt dat iedere keer de laatste dag. We hebben het daar bij een veel eerdere gelegenheid al eens over gehad. Dat refereert aan het boek Daniël: de laatste dag van een periode die dan genoemd wordt. En dan zouden zij opstaan en zo de nieuwe aeon ingaan. En dan vervolgens dus niet meer sterven. Dat wil zeggen: opstaan in het einde van deze aeon en leven tot in de komende aeon.⟨/p> ⟨p>Ik heb hier deze tekst uit Johannes 6: "Want dit is de wil van mijn Vader, opdat een ieder die de Zoon aanschouwt en gelooft in hem, dat hij zou hebben aeonisch leven." Dat wil zeggen: het leven van die toekomende aeon. "En ik zal hem doen opstaan in die laatste dag." Van deze aeon en dan vervolgens de komende aeon ingaan. Dus let even goed op hoe de Heer het zegt. Dan moet je niet ook hier weer naar de vertaling kijken, want daar staat dat er gesproken wordt over "tot in eeuwigheid". Maar er staat niet "tot in eeuwigheid". Er staat dat hij de dood niet zou zien tot in de aeon. Hij zal opstaan op die laatste dag en zo de nieuwe aeon ingaan. Dus hij zal opstaan aan het einde van deze aeon en zo de nieuwe aeon ingaan en de dood niet zien.⟨/p> ⟨p>Is dat duidelijk? Kijk, je hebt hier een tijdperk: deze aeon. Aan het einde van dat tijdperk, de laatste dag, vindt die opstanding plaats van Israël als heiligen, waar ook het boek Daniël over spreekt. Die opstanding vindt plaats en degene die dat woord zou hebben, degene die bij die gelegenheid zou opstaan, die zou zo de komende aeon, dat vrederijk, ingaan. Dus hij zou de dood niet zien tot in de aeon. Dus met recht: tot in de aeon. Hij zou in deze aeon nog opstaan, aan het einde namelijk, de laatste dag, en zo levend opgewekt de nieuwe aeon ingaan. Ik neem dat dus heel letterlijk. Helaas komt dat in de vertaling totaal niet uit de verf omdat men daarvan een "eeuwigheid" heeft gemaakt, maar dat is het niet.⟨/p> ⟨p>Ja, precies, hij wordt in deze aeon nog weer opgewekt. Hij wordt in deze aeon nog opgewekt en zo opgewekt levend de nieuwe aeon ingaan en daarmee de dood niet zien. Nee, want kijk, anders zou dit ook niet waar kunnen zijn, bijvoorbeeld in Johannes 6: "opdat een ieder die de Zoon aanschouwt en gelooft in hem... en ik zal hem doen opstaan in de laatste dag." Maar dat betekent dus dat hij wel gestorven is, toch? Daarom zie je: om dit werkelijk te begrijpen moet je wel zicht hebben op die laatste dag, wat trouwens heel wat keren in het Johannes-evangelie genoemd wordt, en over die aeon.⟨/p> ⟨p>Maar ja, dat was zijn begrip. Ik zou zeggen: breek me de bek niet open over hoezeer de dingen ook door elkaar gegooid zijn. Als je de aeonen niet kunt onderscheiden en als je daar een eindeloze eeuwigheid van maakt, dan wordt het echt een puinhoop. Ik durf zelfs te zeggen: als je geen zicht hebt op die aeonen, dan kun je eigenlijk het evangelie niet eens begrijpen. Want dan denk je bij een "eeuwige toorn" of "eeuwige straf" aan een eindeloze straf, maar het evangelie is juist dat Hij de redder van de hele wereld is. Ja, precies. Het is maar niet zomaar een klein detail wat niet helemaal klopt; nee, het is echt een truc van de diabolos om van begrippen als een "aeon" een "eeuwigheid" te maken. Want het zorgt ervoor dat Hij niet werkelijk de redder van deze wereld kan zijn.⟨/p> ⟨p>Ik citeerde eerder Luther, nu citeer ik een keertje Augustinus. Dat doe ik niet zo vaak, maar dit vind ik een geweldige. Hij had als uitspraak: "Onderscheid de tijden en de Schrift is in harmonie met zichzelf." Maar één van de grootste blokken van tijd die de Schrift kent, dat zijn de aeonen, de wereldtijdperken. Nou, als je die niet onderscheidt, als je van zo'n wereldtijd een eindeloze eeuwigheid maakt, dan is dat een drama. Want dan maak je bijvoorbeeld van zijn toorn en straf en gericht iets eindeloos. Eindeloos! En dan komt het dus nooit meer goed. Nou, weg eeuwigheid. Ja, dat staat er op het spel. Nee, dat klopt, maar dat is ook zo.⟨/p> ⟨p>Het wordt de voleinding der aeonen. Ja, want dat heeft niks met het woordje "eeuw" of "eeuwigheid" te maken. Dan worden er in de Bijbel andere begrippen gebruikt, bijvoorbeeld "onvergankelijk", dat wat niet vergaat. Maar het woordje aeon heeft daar niks mee te maken. De Bijbel spreekt over het einde van deze aeon, het einde der aeonen, de voleinding van de aeonen. Nee, ook dat nog eens een keer. Ja, het is een zoveel concreter begrip: dat God een plan heeft van wereldtijdperken. En wij leven nu in die boze aeon, maar aan het einde daarvan zal Christus de heerschappij opnemen en dan zal Hij gaan heersen tot in de aeonen van de aeonen. Dat zijn die overtreffende aeonen. Dat zijn wereldtijdperken. En Hij zal heersen en aan het einde daarvan, als laatste vijand, zal Hij de dood tenietdoen. Dan zal Hij zijn heerschappij ook afleggen of het koninkrijk overgeven aan zijn God en Vader. En dan wordt God alles in allen.⟨/p> ⟨p>Ja, en dan is die eindeloze eeuwigheid waar u het over had begonnen. Maar het is verwarrend om daar het woordje aeon mee te verwarren, want dat doet de Schrift ook niet. Dat is juist aan het einde van de aeonen. Ja, en dit is een begrip wat zo'n enorme grote rol speelt, dat woordje aeon. In elk van de boeken en geschriften van het Nieuwe Testament komt dat iedere keer weer uit de verf. Maar ja, als het de ene keer met "eeuw" vertaald wordt en de andere keer met "eeuwigheid" en de andere keer met "wereld"... ja, zoek het maar uit. Het wordt allemaal door elkaar geworpen.⟨/p> ⟨p>Ja, ik denk dat ik het daar maar even bij moet houden, want ik zie dat we nu in vers 52 aankomen en bij vers 58 komen we toch niet meer. Dat gaat hem niet meer worden. Het lukt niet. Ik had eventjes gedacht van: "Nou, als ik nu een beetje meters maak vanavond, dan kunnen we het volgende seizoen met Johannes 9 beginnen", maar dat gaat hem niet worden. Want ik zie dat het inmiddels kwart over negen is en ik denk dat we aan de aeonen een einde maken, maar aan een Bijbelavond ook natuurlijk. Voor alles is een tijd.⟨/p>