⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Terugblik: Paulus de Romein voor het Sanhedrin⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De vorige keer zijn we begonnen met Handelingen 23 en ik maak me sterk dat we daar vanavond helemaal doorheen gaan. Dat is veel, maar dat komt ook een beetje doordat betogen en toespraken vaak vergen dat elk woord of zinsdeel veel aandacht krijgt. Nu zullen we zien dat er gewoon een geschiedenis verhaald wordt; een reeks van gebeurtenissen waarbij je soms wat toelichting nodig hebt voor bijvoorbeeld tijdsaanduidingen of plaatsaanduidingen. Waar is dat en hoe zit dat precies? Maar de verhaallijn is op zich heel eenvoudig, en dat zullen we ook vanavond zien.⟨/p> ⟨p>Paulus is, zoals u weet, in Jeruzalem. Laten we nog even terugblikken. Naast zijn rede bij het tempelplein – u weet het, hij was daar gesignaleerd in de tempel – was er een oproer georganiseerd en in no time was de hele stad in rep en roer. Paulus werd toen meteen ook gevangengenomen en kreeg van de Romeinse autoriteiten de gelegenheid om het volk toe te spreken. Vanaf de hoogste treden van de trappen – u moet zich voorstellen dat je het tempelplein had en daarboven de burcht van Antonia – heeft Paulus aan die trappen zijn volksgenoten, een hele grote mensenmenigte, toegesproken. Hij werd enigszins welwillend, of in ieder geval nog afwachtend, aangehoord, totdat hij gaat vertellen dat hem in Jeruzalem door de Heer zelf te verstaan was gegeven dat hij weg moest gaan uit Jeruzalem. Ze zouden de boodschap daar toch niet aannemen; hij moest ver weg gaan naar de natiën. Tot dat woord horen ze hem aan en dan ontstaat er opnieuw zo’n enorme oproer. Er moet opnieuw worden ingegrepen en Paulus wordt feitelijk gewoon in veiligheid gesteld en in de kazerne gebracht.⟨/p> ⟨p>De hoofdman – we komen zijn naam later tegen, want dat zullen we vanavond ook nog wel zien in Handelingen 23, hij heeft de naam Claudius Lysias, maar dat weten we eigenlijk hier nog niet, want zijn naam wordt pas later onthuld – is in eerste instantie van plan hem onder geseling te verhoren. Hij verneemt echter tot zijn grote schrik dat Paulus een Romeins burger is. Dat wil zeggen dat hij beschikt over de burgerrechten van de stad Rome, een recht dat hem veel politieke voorrechten gaf, zodat geseling absoluut 'not done' was. Sterker nog, als Paulus dat aanhangig had gemaakt, dan was die hoofdman in grote problemen gekomen. Hij schrikt er dus enorm van dat Paulus een Romein is, en nog wel van geboorte ook. Hijzelf had het burgerrecht verkregen tegen een grote som geld, zo lezen we.⟨/p> ⟨p>Dat is trouwens ook heel kenmerkend voor de hoofdstukken die we nu onder ogen hebben. In Handelingen 21, als Paulus daar in Jeruzalem is, is hij feitelijk de Romein. Hij staat niet aan de kant van de Joden; integendeel, de Joden zijn enorm tegen hem gekant. Hij is naar waarheid een Romein en zo wordt hij ook in bescherming genomen tegen de Joden. Het is Paulus de Romein, de apostel van de natiën, die de boodschap richt tot Jeruzalem – of gericht heeft, want deze rede die hij daar gehouden heeft, was de laatste toespraak die hij in Jeruzalem hield. Het was eigenlijk ook zijn publieke afscheid. Maar het speelt een grote rol dat hij een Romein is.⟨/p> ⟨p>De volgende dag laat de hoofdman over duizend – hij was de grote militaire leider daar in Jeruzalem – de overpriesters en heel het Sanhedrin bijeenkomen. Die autoriteit had hij. U moet zich voorstellen dat het Sanhedrin de hoogste Joodse bevoegdheid was en veel rechten had gekregen, maar het was altijd onderworpen aan de Romeinse bezetter. De hoofdman kon dat Sanhedrin dus gelasten bij elkaar te komen, want hij wilde weten met wie hij van doen had en wat nou precies de aanklacht tegen Paulus was. Dat wist hij namelijk niet. Hij begreep natuurlijk inmiddels wel dat Paulus daar totaal niet geaccepteerd werd en dat de menigte enorm tegen hem tekeerging, maar wat de achtergrond daarvan was, wat de aanklacht tegen hem was en wat hij daar als Romeinse autoriteit aan kon doen, dat was hem allemaal nog niet duidelijk. Dus dat Sanhedrin moest maar eens bij elkaar komen. Er zal ongetwijfeld een vertaler bij zijn geweest, want de hoofdman zal de taal niet machtig zijn geweest, maar in ieder geval laat hij het Sanhedrin bij elkaar komen om duidelijk te krijgen wat de zaak behelst en in hoeverre dat voor hem interessant is.⟨/p> ⟨p>In de eerste tien verzen van Handelingen 23 hebben we gezien dat Paulus in het Sanhedrin is en zich verdedigt. Hij stelt zich daar heel opmerkelijk op; je mag aannemen dat het ook tactiek is geweest. Paulus weet dat het Sanhedrin uit twee grote partijen bestaat – in de praktijk nog meer, maar in ieder geval uit de Farizeeën en de Sadduceeën. Paulus zegt dan: "Ik ben een Farizeeër." Hij hanteert meteen het motto 'verdeel en heers', want de beste manier om je tegenstander te elimineren, is om verdeeldheid bij hen te creëren. Als zij onderling verdeeld zijn en tegen elkaar strijden, dan ben jij tenminste in veiligheid. Dat was misschien Paulus’ gedachte, of denk ik nu te politiek? Paulus zegt echter naar waarheid: "Ik ben een Farizeeër en zelfs een zoon van Farizeeën." Hij zegt vervolgens: "Ik sta terecht om de hoop van Israël," namelijk de opstanding der doden.⟨/p> ⟨p>Dat was precies wat een Farizeeër geloofde en wat een Farizeeër onderscheidde van de Sadduceeën. We hebben de vorige keer wat uitgebreider stilgestaan bij wat die partijen precies inhielden. Het meest karakteristieke verschil is dat de Farizeeën geloofden in de opstanding. De Sadduceeën hielden zich alleen aan de wet van Mozes, de Tenach, en in de letterlijke zin des woords zagen ze daar geen opstanding in verkondigd. Als je het werkelijk leest, dan zie je het eigenlijk op elke bladzijde, maar goed, als je het alleen letterlijk en daardoor ook oppervlakkig leest, dan ontwaar je daar geen opstanding in en dus geloofden ze daar niet in. Hoe dat verder ook zij, Paulus stelt zich op als Farizeeër en dan krijg je meteen weer gedonder in de glazen. Paulus doet zijn mond open en wat hij in feite doet, is alleen maar vaststellen: "Ik ben een Farizeeër en daarom sta ik terecht." Laat ik de draad oppakken in vers 10. We hebben dit al gezien, maar ik pak dit laatste restje van de vorige keer er nog even bij.⟨/p> ⟨p>Toen er nu veel oproer ontstond, werd de hoofdman over duizend bevreesd dat Paulus onder hen in stukken getrokken zou worden. Dus je kunt wel nagaan: dat is geen deftige vergadering geweest waarbij men elkaar alleen maar verbaal tegemoetkwam. Men viel elkaar aan; dat is echt een oosters tafereel. Ik bedoel, dat gaat dan allemaal ook heel fysiek, letterlijk.⟨/p> ⟨p>In ieder geval was die hoofdman bezorgd. Uiteindelijk blijkt dus ook nog eens dat, ondanks het feit dat Paulus zich als een Farizeeër opstelt, Paulus toch degene is die onder vuur ligt. Want die hoofdman is bezorgd over Paulus, en daarom zet ik toch een vraagtekentje bij dat punt van: is dat alleen maar diplomatiek geweest? Je kunt het zo beredeneren, maar het feit is dat Paulus alsnog onder vuur kwam te staan en in stukken getrokken zou worden – tenminste, daarvoor was hij bevreesd. Dat is het eind van het liedje.⟨/p> ⟨p>Toen beval hij het leger af te dalen. Want u weet het: de kazerne lag daarboven, en het tempelplein en het Sanhedrin, waar het Sanhedrin ook vergaderde, lagen daar beneden. Hij beval dus het leger af te dalen, hem uit hun midden weg te rukken en te leiden tot in de legerplaats, de kazerne dus. En dat was echt het laatste vers dat we hebben gezien.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="693" title="Speel af vanaf 11:33">▶ 11:33⟨/button> ⟨span>De Heer Staat Paulus Terzijde: "je Moet Ook in Rome Getuigen"⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>In de aansluitende nacht echter stond de Heer bij hem, bij Paulus. In het boek Handelingen lezen we dat een paar keer. Wij weten natuurlijk sowieso dat de Heer aan hem verschenen is op de weg naar Damascus, dat is geen verrassing. We weten ook dat de Heer aan hem verschenen is in een gezicht — ik refereerde er zojuist al even aan — toen hij op een keer in de tempel van Jeruzalem was en in een moment van extase verkeerde. De Heer sprak hem toen aan. We lezen ook in Handelingen 18 vers 9 dat wanneer er een tumult was in Korinthe, ook rond de synagoge, Paulus in de nacht door de Heer bemoedigd wordt. De Heer stond aan zijn zijde als bemoediging in Korinthe.⟨/p> ⟨p>We lezen trouwens ook — maar dan gaat het over de boodschapper van de Heer — over de geschiedenis vlak voordat het schip vergaat. Die geschiedenis duurt nog even voordat we het daarover gaan hebben, maar wanneer Paulus met het schip naar Rome gaat en dat schip vergaat, staat vlak voor die schipbreuk een engel in de nacht Paulus terzijde. Die meldt hem en voorzegt al dat niemand van het volk verloren zal gaan; allen zullen behouden aankomen. Dat moest Paulus gaan vertellen. Ik heb de neiging om daar meer over te gaan zeggen, maar de hint is duidelijk: Paulus moest gaan vertellen dat niemand verloren gaat en dat ze zouden aankomen. God heeft ons geen kalme reis beloofd, maar wel een behouden aankomst.⟨/p> ⟨p>Dat waren van die momenten in de praktijk. We weten vanuit de brieven dat de Heer bij nog meer gelegenheden aan Paulus is verschenen. Er zijn in totaal zeven gelegenheden waar de Bijbel melding van maakt dat de Heer aan Paulus verscheen in een gezicht, in een extatisch moment of heel letterlijk. Zoals op de weg naar Damascus, waar ook anderen dat licht zagen en van hun paard rolden. Dat zijn dus allemaal verschillende gebeurtenissen.⟨/p> ⟨p>Maar hier staat: de Heer stond bij hem. Moet je je voorstellen, Paulus daar in Jeruzalem. Na alles wat hij nu heeft meegemaakt — het was weer een turbulente dag geweest — dan maak je wat mee. En nu zijn broeders, zijn eigen volk, waarvan hij in Romeinen 9 zegt: "Ik heb een voortdurend hartzeer voor mijn volk." Zijn eigen volk in Jeruzalem, de stad waar hij was opgegroeid, waar hij was onderwezen en aan de voeten van Gamaliël had gezeten. Hij, die Jood, die Farizeeër tot op het bot, en nu zo'n tumult daar in Jeruzalem waar hij zo werd afgewezen. Dan is het nacht en is het stikdonker, maar de Heer stond bij hem.⟨/p> ⟨p>Hij krijgt een woord van heldmoed: "Want zoals je omtrent mij betuigd hebt in Jeruzalem, zo moet je ook in Rome getuigenis gaan geven." Daarmee wist Paulus: ik kom in Rome, hoe dan ook. Dat moet toch een heel veilig idee geweest zijn voor hem, bij alles wat hij nadien nog heeft meegemaakt. Hij wist één ding: ik ga in Rome komen. Soms had hij ook weleens bemoediging nodig. Hij deed niet anders dan het doorgeven, maar hij was natuurlijk ook maar een mens. Daar in Jeruzalem is het een enorm heftig gebeuren geweest qua locatie, maar ook door de massa's die daar op de been kwamen. Altijd kwam de tegenstand juist weer vanuit die Joodse orthodoxie.⟨/p> ⟨p>Nu zegt de Heer dit tegen hem in de nacht: "Zo moet je ook in Rome getuigenis geven." Paulus had zich dat al eerder voorgenomen, zoals we hebben gelezen in hoofdstuk 19, waar hij zegt dat hij na Jeruzalem ook naar Rome toe wil. Uit de Romeinenbrief, die hij datzelfde jaar kort daarvoor schreef — dat is leuk aan die brieven, je kunt veel ervan pinpointen op een bepaald vers in Handelingen — weten we meer. In Handelingen 20 vers 3, tijdens die drie maanden dat Paulus daar was, heeft hij de Romeinenbrief geschreven. Dat kun je exact traceren als je de omstandigheden vergelijkt.⟨/p> ⟨p>In de Romeinenbrief had Paulus gezegd dat hij zich al zo vaak had voorgenomen om naar Rome toe te gaan, maar dat de Heer het iedere keer had verhinderd. Wat daar trouwens bij komt — en dat is heel interessant, ik ben er de laatste tijd nogal mee bezig geweest omdat er veel aan vastzit — is dat Paulus ook heel veel contacten in Rome had. Heel veel. Is het u ooit opgevallen dat wanneer u de Romeinenbrief leest en aankomt bij het laatste hoofdstuk, hoofdstuk 16, er een hele lijst staat? "Doe de groet aan die, doe de groet aan die..." Je komt wel dertig namen tegen. Hij had dus vele contacten in Rome, hoewel hij er nog nooit geweest was. En dan te bedenken dat hij het burgerrecht van Rome had. Dat blijft een grote vraag: hoe hij aan dat burgerrecht is gekomen. Er zijn verschillende speculaties over, maar tot op dit moment kan ik dat Bijbels niet staven, dus daar houden we het maar even bij.⟨/p> ⟨p>Later leest u in de Filippenzenbrief ook iets interessants: "U krijgt de groeten van degenen die uit het huis van de keizer zijn." Paulus had daar dus niet alleen contacten in Jeruzalem, maar zelfs in de hoogste kringen, in het huis van de keizer. Een goede vriend, Rijtse uit Den Haag, heeft het weleens over "groeten uit het huis van de keizer" — Rijtse Keizer, ja. Misschien dat we bij een andere gelegenheid, als Paulus in Rome gearriveerd is en ik inmiddels voor mezelf een aantal vragen nader heb bestudeerd, daar meer over vertellen. Ik ben er namelijk nog mee bezig. Ik wil graag nog eens meer vertellen over wat Paulus daar in Rome allemaal is tegengekomen en wat voor connecties hij daar had, want daar zit heel veel interessants aan vast. Maar goed, hem was hier in de nacht verzekerd dat hij ook zo in Rome getuigenis moest geven.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1200" title="Speel af vanaf 20:00">▶ 20:00⟨/button> ⟨span>Meer Dan Veertig Joden Smeden een Dodelijk Complot⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Toen het echt dag werd, na die nacht waarin de Heer aan hem die verzekering had gegeven, maakten de Joden een complot. Een samenzwering, een samenscholing, met als doel hem te doden. Dat waren ze de vorige dag ook al van plan geweest, want toen hij daar op het tempelplein was, lees je in hoofdstuk 21 vers 31 dat ze hem trachtten te doden. Daar werd door de Romeinen toen een stokje voor gestoken, maar in ieder geval was Paulus inmiddels wel bekend met dat fenomeen.⟨/p> ⟨p>Maar nu gaat het heel heftig toe, want u moet maar eens opletten. Toen het echt dag werd, maakten de Joden een complot en spraken de banvloek, het anathema, uit over zichzelf. Ze zeiden dat ze noch zouden eten, noch zouden drinken totdat zij Paulus zouden doden. Ze stelden zichzelf dus onder een vloek. Eigenlijk is zo’n vloek een eedzwering; je haalt de naam van God erbij. Dat deden de Joden in de Evangeliën ook met veel gemak. Een eedzwering is wat wij vaak vloeken noemen, maar dat zijn niet zozeer vloeken in de zin van scheldwoorden; het is meer het ijdel gebruiken van de naam van God door Hem erbij te halen.⟨/p> ⟨p>In dit geval smeden zij dus een plan waarbij ze niet zullen eten of drinken totdat ze Paulus zullen doden. Nu hebben ze Paulus uiteindelijk niet gedood, dus de grote vraag is vervolgens: hoe is het met die gasten afgelopen? Hebben ze nooit meer gegeten en gedronken? Ik ben erachter gekomen — en daar moet je Jood voor zijn, dat klinkt misschien wat oneerbiedig — dat daar wel manieren voor waren om daar weer van ontslagen te worden. Ik heb diverse passages in de Talmoed gelezen, althans citaten daarvan, want ik heb de Talmoed zelf niet in huis staan. Daaruit bleek dat er clausules waren waardoor je onder bepaalde omstandigheden ontslagen kon worden van zo'n eedzwering. In dit geval kon het hele complot immers niet doorgaan. Maar u ziet wel wat voor een religieus fanatisme hierachter schuilgaat.⟨/p> ⟨p>Het waren er echter meer dan veertig die deze samenzwering maakten. Er was een veel grotere groep die een einde aan zijn leven wilde maken, maar het waren toch maar liefst meer dan veertig man die op dit niveau dit complot smeden en deze moord beraamden. Het was een samenzwering in het uiterst geheim.⟨/p> ⟨p>Ik kwam daarbij op het spoor van iets anders. Dit is misschien een wat raar begeleidend plaatje, maar ik zal het even toelichten. We hebben het nu over een complot. Het begrip complot speelt de laatste decennia, en vooral het laatste decennium denk ik, een grote rol. Mensen zien overal complotten achter. Ik stuitte op een artikel over de Snowden-formule. Daar werd berekend — er is een wiskundige formule voor — hoe groot de kans is dat een complot uitkomt, oftewel dat het wereldkundig wordt. Er zijn daarbij twee variabelen. De eerste is de factor tijd: hoe lang is de tijd die het complot krijgt vanaf het begin? Naarmate de tijd verstrijkt, wordt de kans dat het complot boven water komt, oftewel dat er 'gelekt' wordt zoals we dat noemen, steeds groter. De tijd is dus een cruciale factor: hoe meer tijd er overheen gaat, hoe groter de kans dat er gelekt gaat worden.⟨/p> ⟨p>Maar er is natuurlijk nog een andere grote factor en dat is het aantal mensen dat op de hoogte is van het complot. Als iets geheimgehouden moet worden, dan is het makkelijker om dat met drie mensen te doen dan met driehonderd of drieduizend mensen. U ziet, het is een ingewikkelde wiskundige formule en we hoeven het daar verder niet uitgebreid over te hebben, maar mensen praten daar heel vaak over als het gaat om complotten in de wereld.⟨/p> ⟨p>Kijk, één ding is duidelijk: we leven in een aeon, in een boze aeon, waar de waarheid in ongerechtigheid ten onder gehouden wordt. Dat is waar. Maar dat hoeft niet per se altijd via complotten te gaan, hoewel veel mensen dat juist heel vaak geloven. Je hebt helemaal geen complot nodig om de waarheid te onderdrukken; mensen hebben sowieso de neiging om weg te kijken van de waarheid. De mensen hebben de duisternis liever dan het licht. Complotten in het algemeen zijn lastig; als je iets echt geheim wilt houden, dan moet je van goeden huize komen. Soms zelfs in de hoogste regionen. Ik bedoel, je zal maar president van Amerika zijn en je hebt dingen gedaan die het daglicht niet kunnen velen. Dan wordt alles in het werk gesteld om het geheim te houden met de weinige mensen die ervan op de hoogte zijn, maar de kans dat er gelekt wordt is erg groot. Ik hoef geen voorbeelden te geven, dat is immers bekend. Men zegt wel dat alles daar bedisseld wordt, maar zelfs de Amerikaanse president blijkt helemaal niet in staat te zijn om dingen geheim te houden.⟨/p> ⟨p>Laten we nu weer even teruggaan naar Handelingen 23. Hier zijn meer dan veertig man op de hoogte van een complot. En wat gebeurt er dan?⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1621" title="Speel af vanaf 27:01">▶ 27:01⟨/button> ⟨span>De Samenzwering Wordt Gedeeld met de Joodse Leiders⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Laten we het eens verder lezen. Die mannen gingen naar de overpriesters. We hebben het er al eerder over gehad: je had elk jaar een andere hogepriester in functie, afkomstig uit een bepaald geslacht uit het huis van Aäron, maar in ieder geval heette die groep de overpriesters of hogepriesters en de oudsten. Kortom, de ‘upper ten’, de autoriteiten van het Jodendom in Jeruzalem. Deze groep van veertig man gaat naar hen toe, wetende dat wat zij van plan zijn in ieder geval op hun sympathie kan rekenen. De overpriesters en de oudsten wilden Paulus immers ook uit de weg geruimd hebben.⟨/p> ⟨p>Zij zeggen dan tegen de leiders: "Met een anathema, een banvloek, hebben wij onszelf vervloekt." Nog niet zo lang geleden heb ik in Zoetermeer een keer uitgebreider gesproken over de betekenis van anathema wanneer dat zo gebezigd wordt in de brieven. Met een anathema banvloeken zij zichzelf om niets te proeven, niets tot zich te nemen en niets te consumeren totdat zij Paulus gedood zullen hebben. Hiermee is trouwens ook het Sanhedrin heel uitdrukkelijk net zo goed verantwoordelijk voor de dood van Paulus, zoals zij dat eerder ook al waren voor de dood van Jezus en de dood van Stefanus. Het gebeurt hier in het geheim, maar daarmee zijn zij verantwoordelijk voor het doden van Paulus. Het gebeurt uiteindelijk niet, maar ze wilden het wel.⟨/p> ⟨p>Je ziet hierin ook dat het gaat over de regering van Jeruzalem, de leiders van Israël. Het is niet zozeer dat álle Joden tegen het evangelie waren of tegen de boodschap van Paulus. Het gaat om de leiding, de regering, de officiële vertegenwoordigers; die hebben het afgewezen. Dus als we zeggen dat Israël de Heer heeft afgewezen, dan bedoelen we niet dat er geen individuele Joden zijn die het wel hebben geaccepteerd. Dat waren er genoeg, of in ieder geval heel veel! Maar de officiële vertegenwoordigers, zij die het volk representeren, hebben het afgewezen. Daarmee heeft Israël officieel nee gezegd. Ik denk dat het belangrijk is om dat onderscheid goed te maken. Als je zegt dat Israël het evangelie heeft afgewezen, dan bedoel je niet eens de meerderheid van de Joden, maar je bedoelt er de vertegenwoordigers mee. De leiding heeft dat zo uitgesproken en gedaan. Dat is een belangrijk onderscheid.⟨/p> ⟨p>Nu dan, zeggen die ruim veertig man: "Maak dit kenbaar." Dit wordt hier in juridische zin gebruikt: dien een aanklacht in bij de hoofdman over duizend, samen met het Sanhedrin. Het verzoek is dat de hoofdman Paulus naar beneden zal leiden naar de tempel, alsof jullie op het punt staan de zaken omtrent hem nauwkeuriger te onderzoeken. Wat zij eigenlijk zeggen is: "Weet je wat, zeg nou gewoon dat we de kwestie Paulus nu gaan afronden." De bedoeling is dat de hoofdman over duizend, de autoriteit van de Romeinen, ervoor zorgt dat Paulus nog een keertje in het Sanhedrin verschijnt, zodat de zaak nauwkeurig onderzocht kan worden. De overpriesters en de oudsten, de elite, worden dus eigenlijk gevraagd om dat verzoek aan die hoofdman over duizend door te spelen.⟨/p> ⟨p>Daar voegen de veertig man onder dat anathema aan toe: "Wij echter zijn gereed om hem uit de weg te ruimen voordat hij nadert." Wanneer Paulus vanuit de kazerne naar het Sanhedrin gaat, van boven naar beneden, dan zullen wij hem op de weg daar naartoe ombrengen. Je kunt wel nagaan dat dit een heel ambitieus plan was vanuit hun oogpunt, maar ook een zeer gevaarlijk plan dat vele mensenlevens zou gaan kosten. Je moet je realiseren dat de weg van de kazerne naar het tempelplein maar een kort stukje was. Op dat traject zou Paulus door één van die veertig mannen of door hen gezamenlijk worden omgebracht. Er waren overal Romeinen in de buurt, dus hoe wilden ze dat precies voor elkaar krijgen? Hun gedachte was dat Paulus, wanneer hij van de kazerne naar het Sanhedrin gebracht zou worden, niet al te streng bewaakt zou worden. Dan konden ze hem alsnog gewoon om zeep helpen. "Wij zijn er klaar voor," zeggen ze, "zodat wij ervoor gezorgd hebben dat hij uit de weg is geruimd voordat hij daar in het Sanhedrin is."⟨/p> ⟨p>Maar nu gebeurt er iets. Kijk, God heeft gewoon de touwtjes in handen, en dat zie je hier. Er is weliswaar een massale afkeer in Jeruzalem tegen Paulus — velen, ik zou haast zeggen tienduizenden, wilden hem graag uit de weg geruimd hebben — en die groep van meer dan veertig man stelt zich onder een anathema om zelfs niets te eten en te drinken voordat Paulus dood is, maar God wist hiervan. De Heer had immers al tegen Paulus gezegd: "Jij moet ook in Rome getuigen." Broeder Dikkers, die een hele zwakke gezondheid had, zei vroeger altijd: "Zolang de Heer nog wat voor mij te doen heeft, ben ik onsterfelijk." En zo is het. De Heer had nog wat voor Paulus te doen, dus was hij onsterfelijk. Daar hoefde Paulus zelf helemaal niets voor te doen; het loopt zoals het loopt. Wat gebeurt er vervolgens?⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2099" title="Speel af vanaf 34:59">▶ 34:59⟨/button> ⟨span>Gods Regie: de Neef van Paulus Hoort van de Hinderlaag⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Maar, zo staat er: de zoon van de zuster van Paulus. Aha, zo komen we toch nog eens iets te weten over de familie van Paulus, want daar weten we eigenlijk heel weinig van. We weten wat van zijn achtergrond: hij kwam uit Cilicië en we weten dat hij een geboren Romein was. Daar zitten nog wel wat vragen aan, maar hij was opgegroeid in Jeruzalem. We weten wel íets van zijn achtergronden, maar als het gaat om zijn familie is het niet veel.⟨/p> ⟨p>Laten we het eens op een rijtje zetten. We weten wat hij de vorige dag in het Sanhedrin had gezegd: "Ik ben een Farizeeër en een zoon van een Farizeeër." Paulus’ vader was dus ook een Farizeeër; hij trad in de voetsporen van zijn vader. We weten ook iets uit Romeinen 16. Dat wordt soms wat wegvertaald met 'stamgenoten', maar er staat geen stamgenoten — en ook geen stamgasten, dat is weer wat anders — nee, er staat 'verwanten'. Dat betekent gewoon familieleden. Hij noemt ze bij name: Andronikus en Junias. Hij zegt: "mijn verwanten". Die woonden trouwens ook in Rome.⟨/p> ⟨p>En dan nog iets interessants uit Romeinen 16. Wat ik nu zeg is omstreden, maar in vers 13 lees je over de groeten aan Rufus. Dat was weer een zoon van Simon van Cyrene. En Paulus zegt: "Doe de groeten aan Rufus en zijn moeder en de mijne." In onze vertalingen wordt dat vaak weergegeven als "die voor mij ook als een moeder is", dus als beeldspraak. Maar er staat letterlijk: "zijn moeder en de mijne". Als ik dat letterlijk neem, betekent het dat hij een broer of een halfbroer van deze Rufus was. In dat geval woonde de moeder van Paulus dus ook in Rome. Maar goed, daar hebben we het op een andere gelegenheid nog wel eens over.⟨/p> ⟨p>In ieder geval, waar het mij nu om gaat is de vraag: wat weten we over de familieleden van Paulus? Dit zijn ongeveer de gegevens. Mocht u er meer van weten of meer gegevens kunnen aandragen, vertel het me, maar ik ben ze nog niet tegengekomen. Eén ding weten we echter zeker: Paulus had een zuster en die zuster had een zoon. Dat was een jongeman. Dat is trouwens een rekbaar begrip; ik heb begrepen dat dit iemand kon zijn tussen de twintig en de veertig. Ik ben dus geen jongeman meer, ook al had u dat misschien gedacht. U gaat het toch niet tegenspreken, Bini?⟨/p> ⟨p>De zoon van de zuster van Paulus hoorde van de hinderlaag. Hoe? Dat weet ik niet, daar wordt verder niets over vermeld. Het enige wat wel duidelijk is, is dat de familie van Paulus "naar het vlees" verweven was met de wereld van de Hebreeën. Paulus was in Jeruzalem opgegroeid en hij had het in het Jodendom verder gebracht dan vele van zijn tijdgenoten. Hij was een bekende van de hogepriester; kortom, hij hoorde echt bij de inner circle van de Joodse elite in Jeruzalem. Hij was een bekende naam, al was het inmiddels al vele jaren een beruchte naam.⟨/p> ⟨p>In hoeverre de zuster van Paulus en haar zoon ook werkelijk in de lijn stonden van Paulus, dat weten we niet. Je kunt hier natuurlijk eindeloos over speculeren. Het enige wat we weten is dat deze neef het voor hem opneemt. Dat is een ding dat zeker is. Het blijkt wel, want hij hoorde van de hinderlaag en terwijl hij binnenkwam in de legerplaats, de kazerne waar Paulus gevangen zat — ik zeg gevangen, maar ik zou ook kunnen zeggen: waar hij beschermd werd. Want het was maar heel goed dat hij daar zat, anders was hij natuurlijk allang gelyncht. Hij was alleen veilig daar bij de Romeinen.⟨/p> ⟨p>Enfin, die jongeman hoorde van de hinderlaag, hij kwam naar de kazerne in de legerplaats en hij berichtte het aan Paulus. Er liep weliswaar een aanklacht en er moest nog het een en ander geregeld worden, maar het regime voor Paulus was kennelijk heel soepel. Hij liep daar vrij rond en mensen konden bij hem komen. In ieder geval berichtte zijn neef het hem. Paulus riep daarop een van de hoofdmannen over honderd tot zich. Je had daar een hiërarchie: je had de hoofdman over duizend, dat was de top, Claudius Lysias. Maar je had ook hoofdmannen over honderd.⟨/p> ⟨p>Paulus riep een van hen tot zich en zei met nadruk: "Leid deze jongeman naar de hoofdman over duizend, want hij heeft iets te berichten." Paulus wilde dit op het hoogste niveau melden. De term voor zo'n hoofdman is chiliarchon; 'chili' betekent duizend. Denk aan een chiliast, iemand die gelooft in het duizendjarig rijk. Een chiliarchon is dus een hoofdman over duizend, in dit geval Claudius Lysias. Die moest dit weten, want de neef van Paulus had iets te melden. Paulus had zelf ook iets te berichten — een goed bericht — maar deze jongeman had een bericht dat de hoofdman over duizend direct moest horen.⟨/p> ⟨p>De hoofdman over honderd nam hem inderdaad mee en leidde hem naar de hoofdman over duizend. Hij zei met nadruk: "De gevangene Paulus riep mij tot zich en vraagt mij deze jongeling naar jou toe te leiden, daar hij jou iets te zeggen heeft." Je kunt nagaan hoeveel waarde er aan de woorden van Paulus werd gehecht. Zijn neef komt bij hem in de kazerne en vertelt over het complot. Meteen roept Paulus een hoofdman over honderd. Hij zegt niet eens wat er aan de hand is, hij zegt alleen: "Dit moet de hoofdman over duizend weten." Hij stuurt feitelijk een officier naar de absolute top toe; zoveel gewicht werd er toegekend aan zijn instructies en aan wat hij te melden had. De hoofdman over duizend nam de jongeman daarop bij de hand. Sommigen hebben daaruit afgeleid dat het nog een klein ventje geweest moet zijn, maar dat hoeft helemaal niet. Het kan ook gewoon een gebaar zijn geweest terwijl je iemand meeneemt. Hij trok zich privé met hem terug, wat wil zeggen dat hij er echt aandacht aan gaf. Hij nam de melding zeer serieus.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2646" title="Speel af vanaf 44:06">▶ 44:06⟨/button> ⟨span>De Hoofdman over Duizend Neemt de Waarschuwing Bloedserieus⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De hoofdman over duizend informeerde bij de jongeman om vast te stellen wat hij hem te berichten had. Hij wist zelf nog niets, maar het was hem wel duidelijk dat er iets gaande was. De jongeling, de neef van Paulus, vertelde: "De Joden kwamen overeen om van u te vragen dat u morgen Paulus naar beneden leidt naar het Sanhedrin." Dat het morgen zou zijn, wisten we trouwens nog niet, maar dat was hun plan. Ze wilden doen alsof ze op het punt stonden om omtrent hem iets nauwkeuriger te informeren om zaken vast te stellen.⟨/p> ⟨p>De neef zei in feite: "Dit moet u weten, die veertig mannen zijn overengekomen om u dit te gaan vragen." De hoofdman wordt hier dus direct in betrokken. Dit is tevens een advies, zoals we straks ook zullen zien. Hun wens aan hem is om Paulus naar het Sanhedrin te brengen onder het voorwendsel om nauwkeuriger te informeren en een aanklacht te formuleren. En dan krijgt de hoofdman het directe advies van de jongeman: "U dan, laat u niet door hen overreden, want meer dan veertig mannen leggen een hinderlaag voor hem." Hij zegt eigenlijk: luister niet naar hen! Waarom niet? Omdat zij een banvloek over zichzelf hebben uitgesproken om niets te eten of te drinken totdat ze hem uit de weg geruimd hebben. Daarmee is wel duidelijk hoe vastbesloten ze zijn. Ze zijn er klaar voor en zien alleen nog uit naar de toezegging van de hoofdman. Dat was het enige wat nog ontbrak. Die veertig man hadden die belofte nodig dat Paulus naar het Sanhedrin gebracht zou worden. Als dat zou gebeuren, dan zouden zij vervolgens hun plannen gaan realiseren. Het enige wat ze nog nodig hadden, was de toezegging van de hoofdman.⟨/p> ⟨p>Wat ik hier geweldig aan vind, is hoe God zo'n jonge man gebruikt die toevallig van dat complot hoort. Reken maar dat dit in het hoogste geheim is gebeurd, want dat is van essentieel belang bij een complot; het moet strikt geheim blijven. Maar één jongeman was genoeg om dit te horen, en dat bleek dan ook nog eens uitgerekend de neef van Paulus te zijn, die zijn oom kennelijk hoog had zitten. Hij hoort het, en daardoor gaat het hele plan niet door.⟨/p> ⟨p>Vervolgens lees je dat de hoofdman over duizend de jongeling inderdaad wegzendt met een opdracht. Dat ligt nogal voor de hand: "Spreek je tegen niemand uit dat je deze dingen naar mij toe kenbaar hebt gemaakt." Wat jij nu aan mij verteld hebt, moet je tegen helemaal niemand zeggen. Wat de hoofdman vervolgens precies van plan is, vertelt hij niet tegen deze jonge man, maar de boodschap is: mond dicht, ik ga hier een stokje voor steken en dit gaat niet gebeuren. Dat hij dat inderdaad heel serieus aanpakt, zullen we straks zien. Maar ik stel voor dat we eerst even een kopje koffie gaan drinken.⟨/p> ⟨p>Het is overigens heel opmerkelijk dat de rol van Jacobus hier totaal niet in voorkomt. Dat is heel eigenaardig. Ik heb hier wel vaker over nagedacht. In het jaar 62 is Jacobus uitgewerkt met de Joden, een paar jaar na deze gebeurtenissen. Ik denk dat er eigenlijk ook iets aan het groeien was tegen de gemeente. Er waren tienduizenden Messiasbelijdende Joden in Jeruzalem, er wordt veel over hen gezegd en ook over de actie die Jacobus op zich nam. Het heeft daar gebroeid. Maar Jacobus komt hier helemaal niet in beeld om het voor Paulus op te nemen, terwijl ze daar toch min of meer vrij waren. Van de andere apostelen weten we trouwens dat ze waarschijnlijk niet meer in Jeruzalem waren, maar Jacobus wel. En bedenk wel: er waren tienduizenden Messiasbelijdende Joden die geloofden dat Jezus de Messias was, maar juist bij hen stond Paulus in zo'n kwade reuk. Zij hebben het dus echt niet voor Paulus opgenomen, ondanks het feit dat ze met hem gemeen hadden dat Jezus de Messias was. Zie je hoe het conflict ligt? Je hebt het hier eigenlijk over het fenomeen dat er niets gezegd wordt over Jacobus en de zijnen. Er is een hele grote groep waarover niets wordt gezegd, maar dat stilzwijgen is wel veelzeggend. Goed, straks na de pauze gaan we verder en dan zullen we zien wat die hoofdman over duizend vervolgens doet.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3009" title="Speel af vanaf 50:09">▶ 50:09⟨/button> ⟨span>Een Ongekende Romeinse Militaire Escorte Wordt Gemobiliseerd⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We hebben zojuist een aardige spurt gemaakt van vers 11 naar vers 22, en nu gaan we door naar vers 35. We hadden het over de neef van Paulus, die de samenzwering ter ore was gekomen. Hij was geloodst naar de hoofdman over duizend, de chiliarch, die de zaak zeer serieus opnam. De hoofdman droeg de jongeman op om te vertrekken en drukte hem op het hart: "Spreek je naar niemand uit dat je naar mij toe deze dingen kenbaar hebt gemaakt."⟨/p> ⟨p>In vers 23 komen we aan bij het vervolg. De hoofdman over duizend riep een tweetal hoofdmannen over honderd tot zich en zei: "Maakt tweehonderd soldaten gereed om naar Caesarea te gaan." Alsjeblieft zeg, tweehonderd soldaten! Maar wacht even, daar zijn we er nog niet. Ze moesten naar Caesarea, een plaats die we al eerder zijn tegengekomen en die aan de kust lag. Onder Herodes de Grote was deze stad uitgegroeid tot de tweede stad in het Joodse land; vergis u niet, dat was een enorm bolwerk, een Romeins bolwerk. In de naam Caesarea zit 'Caesar', het Latijnse woord voor keizer.⟨/p> ⟨p>Als u even een plaatje wilt zien: hier hebt u de kaart van Israël met Jeruzalem en daar het Caesarea National Park. De afstand was zo'n zestig tot tachtig kilometer. De opdracht luidde om tweehonderd soldaten gereed te maken, zeventig ruiters en tweehonderd lansdragers. Die tweehonderd soldaten waren zwaar bewapend, de tweehonderd lansdragers waren licht bewapend en daar kwamen dan ook nog eens zeventig ruiters bij. Dat betekent in totaal 470 militairen. Dat geeft wel aan dat de hoofdman over duizend het vermoeden niet enkel serieus neemt; hij neemt het bloedserieus.⟨/p> ⟨p>Het was hem er alles aan gelegen om deze Romeinse burger veilig te stellen. Ik moet even kijken vanuit het oogpunt van die hoofdman over duizend: over wat Paulus te melden had en over die interne Joodse aangelegenheden, daar had hij geen boodschap aan. Maar hij was de militaire leider daar in Jeruzalem en deze Romeinse burger moest veiliggesteld worden. Daarom moesten 470 mannen gemobiliseerd worden om diezelfde nacht nog te vertrekken. De volgende morgen zouden die veertig mannen immers bij de hoofdman komen met het verzoek of Paulus even naar het Sanhedrin zou willen komen. Voordat dat zover zou zijn, moest Paulus al in veiligheid gebracht worden.⟨/p> ⟨p>Er werden dus tweehonderd soldaten, zeventig ruiters en tweehonderd lansdragers gereedgemaakt om naar Caesarea te gaan. Vanaf het derde uur van de nacht moesten zij vertrekken. Als we rekenen vanaf het moment dat het donker wordt, zo rond een uur of zes 's avonds, dan betekent dit dat het rond negen uur 's avonds was. Dat was dus de nacht voorafgaand aan het moment dat de Joden met hun verzoek bij Claudius Lysias zouden komen.⟨/p> ⟨p>Bovendien zei deze chiliarch: "Doe er beesten bij." In onze vertaling staat 'rijdieren', en dat is precies de gedachte. Letterlijk staat er gewoon: doe het beest erbij. Rijdieren, paarden of ezels, om Paulus op te zetten met al de bagage die hij wellicht nodig had. Alles werd ruimschoots in gereedheid gebracht om hem behouden over te brengen.⟨/p> ⟨p>Dit brengt mij nog op een andere gedachte waar ik al een paar hints voor heb gegeven. Paulus was gevangen ten behoeve van de natiën. Hij schrijft in Efeziërs 3 letterlijk: "Ik ben voor jullie natiën gevangen." Juist omdat hij had gezegd dat hij naar de natiën was gestuurd, had men het in Jeruzalem op hem gemunt. Hij was dus gevangen ten behoeve van de natiën, maar hij werd hier ook beschermd dóór de natiën tegen de Joden. Voor de Joden was hij hier geen Jood; hij was een Romein. En trouwens, voor de Romeinen was hij ook een Romein. Daarom ondernamen zij dit alles.⟨/p> ⟨p>Houd me even vast: Paulus is hier de Romein die zo in veiligheid gebracht wordt. Alles wordt in het werk gesteld om hem behouden over te brengen naar Felix, de stadhouder of gouverneur. Caesarea was zijn residentie, zijn verblijfplaats. We zullen in hoofdstuk 24 zien – maar dat gaan we pas in een volgend seizoen bespreken – dat Paulus voor Felix geleid wordt en daar zijn verhaal doet. Als Felix later na twee jaar wordt afgewisseld door een andere gouverneur, Festus, mag Paulus nog een keer zijn verhaal doen. Dat wordt uitgebreid verhaald in Handelingen 25. Vervolgens komt koning Agrippa op bezoek bij Festus, en mag Paulus nóg een keer zijn verhaal doen in Handelingen 26.⟨/p> ⟨p>Zo zullen we straks drie hoofdstukken achtereen redes en toespraken gaan analyseren. Dan komt er weer een heleboel boven water. Maar voor nu is dit een reeks van gebeurtenissen, een geschiedenis die verteld wordt. Afijn, Paulus wordt dus vanuit Jeruzalem onder zo'n enorme, massale escorte geleid naar Caesarea, naar gouverneur Felix, waar hij vervolgens wordt ondergebracht.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3454" title="Speel af vanaf 57:34">▶ 57:34⟨/button> ⟨span>De Officiële Brief van Claudius Lysias aan Gouverneur Felix⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Hij, de hoofdman over duizend, schreef een brief van dit type, van dit model. Dat staat er gewoon in het Griekse woord: ⟨em>typo⟨/em>. Hoe Lucas zo precies kon weten wat die hoofdman heeft opgeschreven? Misschien omdat deze brief later tijdens het proces is voorgelezen en Paulus dat verteld heeft; ik weet het verder niet. In ieder geval blijkt Lucas goed op de hoogte te zijn van wat deze hoofdman heeft opgetekend. Afijn, die hoofdman over duizend stuurt Paulus dus met die enorme escorte naar Caesarea, naar Felix de gouverneur, en er wordt een brief meegestuurd.⟨/p> ⟨p>En wat stond erin? Claudius Lysias. Hier komen we voor het eerst zijn naam tegen. Nu weten we dus waarom hij zo heette. Ik heb u al bij een eerdere gelegenheid verteld dat Lysias gewoon zijn oorspronkelijke naam was. Later, omdat hij ook een Romeins burger was — hij had immers tegen Paulus gezegd dat hij dat burgerrecht voor een groot bedrag had gekocht — en omdat keizer Claudius toen de keizer was, heeft hij de naam Claudius erbij gekregen. Claudius Lysias, zo ging dat. Goed, daar heb ik al eerder wat over verteld. In ieder geval stelt hij zich voor. Zo werden brieven opgesteld: eerst wordt de afzender vermeld. Dat is logisch, want dat is het eerste wat je wilt weten als je een brief opent: van wie is die afkomstig?⟨/p> ⟨p>Vervolgens de geadresseerde: aan de hoogvermogende — in de NBG-vertaling staat hoogedele — letterlijk de hoogvermogende gouverneur of stadhouder Felix. En dan: "Verheug je." Dat klinkt wel vreemd. In de NBG-vertaling staat er ook gewoon "Groet". Dat is misschien ook wel zo, want dat is de normale officiële groet. Maar u moet weten dat hier het woordje ⟨em>chairein⟨/em> staat, en dat betekent letterlijk verheugen. Het woord genade zit daar ook in; men groette elkaar met genade. Een groet had inhoud dus. De Grieken groetten elkaar met genade, zoals de Joden elkaar groetten met vrede, ⟨em>shalom⟨/em>. Paulus groet altijd met genade en vrede, in die volgorde trouwens ook, want vrede is gebaseerd op genade; het komt uit genade voort. Bij Paulus staat de Griek trouwens ook altijd voorop. Ik weet wat u nu denkt: het is toch eerst de Jood en dan ook de Griek? Jawel, dat is weer een ander onderwerp.⟨/p> ⟨p>In ieder geval zegt hij: verheug je. Maar het is meer dan alleen maar de groeten. Doei, hoi; dat zijn inhoudloze groeten. Goedendag niet, of zegen, zoals in Oostenrijk. Of als je weggaat, zeggen ze in Frankrijk "adieu". "Adios" is ook gewoon God zij met je. Dat zijn groeten die inhoud hebben, daar zeg je heel veel mee. En wist u trouwens — even terzijde — dat het Engelse "goodbye" eigenlijk van "God be with ye" komt? God be with you. Het is eigenlijk oud-Engels: "God be with ye". God zij met u. Dat is wat "goodbye" betekent. Ik heb dat ooit eens een keer verteld aan Thérèse, een goede vriendin die ik elke week wel een keer aan de lijn heb. Altijd als wij ons gesprek afsluiten, zeggen we "goodbye", en zij weet precies wat ik bedoel.⟨/p> ⟨p>Zo begint dus de brief die meegestuurd wordt naar Caesarea: Claudius Lysias aan de hoogvermogende gouverneur Felix: Verheug je. En nu begint hij meteen met de inhoud, gewoon de mededeling waarom die brief gestuurd wordt. Deze man — zijn naam noemt hij niet eens, Paulus dus — werd onder de Joden gegrepen en stond op het punt om door hen uit de weg geruimd te worden. "Hem bijstaande heb ik hem buiten hun bereik gebracht, lerende dat hij een Romein is." Het is wel leuk dat hij zegt: ik heb het verneem en lerende. Dat heeft hij inderdaad geleerd door schade en schande. Maar als je de inhoud van deze brief leest, zie je dat hij niet alleen keurig is opgesteld, maar ook gewoon feitelijk juist is, want zo is het inderdaad gegaan. Hij vermeldt weliswaar niet alle details, maar dit is gewoon de wijze waarop het gegaan is. Paulus was gegrepen onder de Joden en hij zou gelyncht worden, uit de weg geruimd. Toen heeft die hoofdman over duizend ervoor gezorgd hem bij te staan om hem buiten hun bereik te brengen, temeer daar hij ook een Romein is.⟨/p> ⟨p>Daarbij was hij van plan — hij vertelt over zijn eigen voornemen — te weten te komen vanwege welke reden zij hem aanklaagden. Daarom leidde ik hem naar beneden in hun Sanhedrin. Hij zegt dus: ik wilde weten wat eigenlijk de aanklacht was, want dat wist ik niet, en daarom heb ik hem daar beneden in het Sanhedrin gebracht. Maar dan zegt hij: ik bevond dat hij werd aangeklaagd omtrent vraagstukken van hun wet. Wij zouden zeggen: interne kwesties die daar onder de Joden spelen over de Schriften. Ze hadden discussies; voor hem waren dat religieuze discussies, verschillen waar hij totaal geen kaas van gegeten had. Kortom: vraagstukken van hun wet. Hij begreep natuurlijk inmiddels wel maar al te goed dat het erg hoog opliep, maar voor hem was het een interne Joodse kwestie.⟨/p> ⟨p>Hij zegt: ik bevond dat hij werd aangeklaagd omtrent vraagstukken van hun wet, maar niets waardig van dood of boeien was er in de aanklacht. Dat wil zeggen: er was niets waarom hij ter dood gebracht zou moeten worden, of zelfs dat hij gevangen gehouden moest worden. Niets. Oké, het liep hoog op, maar hij zei: ik heb niets kunnen ontdekken waardoor ik hem zou kunnen aanklagen of zelfs gevangen kan houden. Dat betekent trouwens ook dat hij daarmee dus aangeeft dat Paulus ten onrechte gevangen zit. Feitelijk is het zo dat Paulus niet in de eerste plaats als gevangene wordt meegestuurd, maar als beschermeling van de Romeinen, om hem namelijk te beschermen tegen de Joden die het op hem gemunt hadden. Ziet u? Hij zegt hier impliciet dat hij wel gevangen is, maar dat er niets is wat ik als Romeins hoofdman kan aanvoeren waardoor ik hem gevangen moet houden. Paulus was als burger gewoon keurig, er was niets op aan te merken. Dus wat voor problemen zou deze Romeinse hoofdman met hem hebben?⟨/p> ⟨p>Nu gaat hij verder in zijn brief: Het werd mij echter aangegeven dat er een aanslag tegen deze man zou zijn. Eigenlijk hebben we het nu vanavond over deze geschiedenis, maar dit is de derde keer dat we dit nu tegenkomen. Eerst wordt de geschiedenis vermeld, vervolgens is het die jongeman die dat doorgeeft aan de hoofdman, en nu is het deze hoofdman over duizend die het weer doorgeeft aan Felix. We komen de geschiedenis nu dus voor de derde keer tegen. Hij zegt: het werd mij echter aangegeven dat er een aanslag tegen deze man zou zijn, en onmiddellijk — per direct — zond ik hem naar u toe. Ja, hij moest namelijk ook wel heel snel ingrijpen omdat die aanslag zeer aanstaande was, de dag van morgen al. En ook de beschuldigers heb ik opgedragen voor u deze dingen te zeggen; de dingen te zeggen die zij tegen hem hebben. Vaarwel.⟨/p> ⟨p>Zo eindigt dan de brief. Hij zegt hier: "ik heb opgedragen". Daarmee bedoelt hij dat tegen de tijd dat deze brief in Caesarea aankomt, die hoofdman al tegen de Joodse Raad heeft gezegd: als je hem wilt beschuldigen, als je een aanklacht wilt indienen, dan moet je naar Caesarea toe gaan. Op het moment dat Felix dit leest, heeft hij dit inmiddels al opgedragen; vandaar dus dat hij dit in de verleden tijd schrijft: ik heb hem opgedragen. Het is een korte inhoudelijke mededeling: dit is de gang van zaken, zo zit de vork aan de steel, daarom stuur ik hem nu naar jou toe. Vaarwel. En dan lees je verder.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4082" title="Speel af vanaf 01:08:02">▶ 01:08:02⟨/button> ⟨span>Definitief Afscheid van Jeruzalem: de Nachtelijke Reis Naar Antipatris⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De soldaten inderdaad, naar wat hen was voorgeschreven, namen Paulus op en leidden hem door de nacht tot in Antipatris. Zoals het voorgeschreven was, zo gebeurt het ook. Paulus wordt door de nacht geleid. Ik vind dat trouwens zo'n typerende mededeling. Paulus neemt nu met recht definitief afscheid van Jeruzalem. De dag ervoor had hij die menigte nog toegesproken; dat was zijn laatste woord aan de Jeruzalemmers. En nu neemt hij definitief afscheid. We weten ook niet of Paulus ooit nog daar in Jeruzalem is geweest. In de Bijbel wordt het in ieder geval niet vermeld. 'God be with you', goodbye, maar ze hebben hem niet gezien. Het was donker, en die duisternis is heel typerend voor Paulus' afscheid van Jeruzalem. Het was nacht. Al die soldaten hebben dat gedaan; ze hebben Paulus opgenomen en ze leiden hem door de nacht tot in Antipatris.⟨/p> ⟨p>Dat is een stad zestig kilometer ten noordwesten van Jeruzalem. Ze was gebouwd door Herodes de Grote — dat is die man van de kindermoord — en hij had de stad genoemd naar zijn vader Antipater. Antipater betekent trouwens 'in plaats van vader'. Als u even wilt weten hoe dat zat: hier heb je dus Jeruzalem en hier heb je Caesarea, waar die Felix dan gevestigd is. Daar moest hij naartoe, maar ze leiden hem eerst naar Antipatris. Dat is ongeveer halverwege, met nog een kilometer of dertig te gaan. Ze komen dus daar bij Antipatris aan en dan leest u: de volgende morgen echter, als ze daar in Antipatris gekomen zijn, lieten zij de ruiters samen met hem gaan, terwijl zij terugkeerden tot in de legerplaats.⟨/p> ⟨p>Dat wil zeggen dat die vierhonderd man — de soldaten en lansdragers — nu omkeerden, en alleen die zeventig ruiters begeleidden Paulus nu verder naar Caesarea. Zij keren weer terug naar Jeruzalem. Eigenlijk is dat ook heel begrijpelijk, want u moet zich voorstellen dat het een flinke groep was die daar uit de kazerne in Jeruzalem was weggeleid. Zij moesten weer terug naar hun plaats, te meer omdat u zich moet realiseren dat het Pinksteren was. Er waren vele pelgrims daar in Jeruzalem, dus daar moest de wacht gehouden worden. Jeruzalem kon niet zomaar een paar honderd soldaten missen, althans vanuit het oogpunt van de Romeinen; die moesten weer zo snel mogelijk terug.⟨/p> ⟨p>Aangezien nu toch het grootste gevaar geweken was — want nu waren ze immers in Antipatris — was het helemaal niet zo gevaarlijk meer. Trouwens, er waren alsnog zeventig ruiters die Paulus begeleidden, evenzo goed nog. Waarmee je inderdaad ziet welk een belang er aan Paulus gehecht werd daar in Jeruzalem; dat wordt hiermee onderstreept. Dat hij zo'n enorm escorte meekrijgt en het loutere feit dat die hoofdman dat ook laat doen, ondanks het feit dat die vele pelgrims daar in Jeruzalem zijn, geeft wel aan hoeveel gewicht hij aan de zaak van Paulus hecht. Hij had al in de gaten: dit is zo'n hot issue hier in Jeruzalem, dit moet gewoon zo rechtgezet worden. Hoe dan ook, ze komen daar in Antipatris aan, de vierhonderd man soldaten keren weer terug naar de kazerne in Jeruzalem en de ruiters gaan samen met Paulus richting Caesarea.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4388" title="Speel af vanaf 01:13:08">▶ 01:13:08⟨/button> ⟨span>Aankomst in Caesarea en Voorgeleid aan Stadhouder Felix⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Die ruiters kwamen dus binnen in Caesarea en leverden de brief af aan de gouverneur — de stadhouder dus — en zij stelden ook Paulus voor hem op. Je moet je even voorstellen dat het nog maar kort tevoren was, slechts een paar dagen eerder, dat Paulus ook in Caesarea verbleef. We lazen dat in Handelingen 21. Dat is alweer een tijdje geleden, maar weet u nog dat Paulus daar logeerde bij Filippus? Filippus, de evangelist die tot de zeven behoorde, had vier ongehuwde dochters die profeteerden. Zij gaven aan wat Paulus in Jeruzalem zou gaan meemaken en dat hij gevangen genomen zou worden.⟨/p> ⟨p>Hoe zat dat ook alweer precies? Ik lees het even voor uit Handelingen 21 vers 8 en de volgende verzen: "En de volgende dag gingen wij vandaar en kwamen te Caesarea." Lucas was er dus ook bij. "En gekomen in het huis van Filippus, de evangelist, die behoorde tot de zeven, bleven wij bij hem. En deze had vier ongehuwde dochters die profeteerden." Zo staat dat er letterlijk. "En toen wij daar verscheidene dagen bleven" — in Caesarea dus — "kwam uit Judea een zekere profeet genaamd Agabus. En toen deze bij ons gekomen was, nam hij de gordel van Paulus, bond zijn eigen voeten en handen en zeide: Dit zegt de Heilige Geest: de man van wie deze gordel is, zullen de Joden te Jeruzalem zo binden en uitleveren in de handen van de natiën."⟨/p> ⟨p>En nu is het dus precies zo gegaan. De dochters van Filippus hadden geprofeteerd en Agabus kwam speciaal vanuit Judea naar Caesarea om het ook nog eens tegen Paulus te zeggen. Dit wist Paulus natuurlijk en zijn omstanders hebben hem toen gewaarschuwd dat hij niet moest gaan, maar Paulus wist: ik moet wel gaan. Toen heeft hij zijn hart nog week gemaakt, weet u nog? Maar dat was dus slechts een paar dagen eerder, dat Paulus daar in Caesarea als een vrij man verbleef. En toen al was het hem van Godswege zo duidelijk op het hart gebonden: jij zal daar in Jeruzalem gevangen genomen worden.⟨/p> ⟨p>Afijn, de brief wordt daar in Caesarea afgeleverd en Paulus wordt voor Felix, de gouverneur, gesteld. Nadat Felix de brief gelezen had, vroeg hij vanuit welke provincie Paulus kwam. Hij stelde vast dat hij van Cilicië was. Niet Sicilië, maar Cilicië, waar Paulus vandaan kwam. Hij was een Tarsiër, geboren in Tarsus en opgegroeid in Jeruzalem, maar de stadhouder wilde weten wat zijn provincie was. Het wordt niet expliciet vermeld waarom hij dat wilde weten; misschien was het van belang in verband met het proces en de vraag waar dit gevoerd zou moeten worden. In ieder geval vroeg hij daarnaar en stelde hij vast dat hij van Cilicië was, wat we inmiddels al een paar keer hebben gelezen.⟨/p> ⟨p>Dan staat er in het laatste vers dat de stadhouder met nadruk zei: "Ik zal jou een hoorzitting geven zodra ook jouw beschuldigers zullen aankomen." De hoofdman had immers gemeld dat er een aanklacht was en die beschuldigers komen inderdaad. We lezen in Handelingen 24 dat die gasten vijf dagen later arriveren en dan vindt het proces feitelijk plaats. "Ik zal jou een hoorzitting geven zodra ook jouw beschuldigers zullen aankomen," zo zei hij. Ondertussen beval hij om Paulus in het hoofdkwartier van Herodes te bewaken, in het praetorium. Dat is eigenlijk een Latijns woord voor de ambtswoning van de gouverneur, van Felix dus, de stadhouder. Dit woord wordt trouwens ook in de evangeliën gebruikt om het gerechtsgebouw aan te duiden waar de Heer Jezus terechtstond, het gerechtsgebouw van Pilatus. Het praetorium is dus eigenlijk gewoon het hoofdkwartier of het hof. Paulus is nu in Caesarea aangekomen en daar zou hij uiteindelijk twee jaar verblijven.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4729" title="Speel af vanaf 01:18:49">▶ 01:18:49⟨/button> ⟨span>Caesarea als Profetische Poort Naar de Natiën⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Caesarea speelt een hele grote rol in het boek Handelingen. Het is vooral bekend als de stad waar Cornelius woonde. Ja, u zegt misschien Filippus, maar ik bedoel Cornelius. Petrus moest naar het huis van Cornelius in Caesarea gaan en daar opende hij de deur. Aan Petrus waren immers de sleutels toevertrouwd, en wat doe je met sleutels? Daarmee open je een poort of een deur. Dat is precies wat er gebeurt: Petrus opent daar de poort voor de natiën.⟨/p> ⟨p>Het is veelzeggend dat Caesarea een havenstad was. Een haven is een poort, een porto. In vele talen heet een haven simpelweg een poort, namelijk de doorgang naar de zee. Ook dat is weer opmerkelijk, want de zee is in de Bijbel een beeld van de natiën. Caesarea lag aan de kust, aan het uiterste van het land. Daar ging Petrus naartoe om de poort voor de volkeren te openen. Petrus is daar echter verder nooit letterlijk doorheen gegaan. Hij opende de poort voor Cornelius, maar het is Paulus die werkelijk door de poort heen gaat. Ik bedoel dat figuurlijk, maar ook letterlijk. We lezen verschillende keren dat Paulus vanuit Caesarea zijn reizen startte, maar hij kwam daar ook steeds weer aan. Hij ging via Caesarea naar de zee, naar de volkeren. De plaats staat model voor de natiën: Petrus opende daar de deur en Paulus gaat erdoorheen.⟨/p> ⟨p>Paulus verbleef daar vervolgens twee jaar. Daar moeten we het dan ook nog maar eens een keer over hebben, want die twee jaar speelt vaker een rol. Twee jaar was hij in Efeze, in de school van Tyrannus. Later, in Handelingen 28, lees je ook weer dat Paulus in Rome was, in zijn eigen gehuurde woning, gedurende twee volle jaren. En ook hier in Caesarea zit hij twee jaar gevangen. Paulus heeft wel jaren gevangen gezeten hoor. Hier in Caesarea, met zicht op de natiën, is hij twee jaar gevangen en die twee jaar hebben ook weer alles te maken met tweeduizend jaar en met de bedeling waarbij wij, de huishouding waarin wij ons nu bevinden, horen. Ik veronderstel dat even als bekend; de hint moet duidelijk zijn, maar dat soort lijnen kun je met gemak trekken in het boek Handelingen.⟨/p> ⟨p>Hiermee zijn we aan het einde van dit gedeelte gekomen. Ik geloof niet dat we eerder zoveel meters hebben gemaakt in het boek Handelingen als deze avond. Nu zijn we aangekomen bij Handelingen 24 en daar gaan we de volgende keer, in september, mee verder. Deo Volente, of zoals onze Arabische vrienden zeggen: Inshallah.⟨/p> ⟨p>Kijk, van die ruiters kun je het je nog voorstellen: die gaan vervolgens van Antipatris naar Caesarea. Dat is wel snel gegaan. Als je dat te paard doet... de Romeinse discipline van die militairen is volgens mij nog steeds beroemd. Of berucht, dat weet ik niet. Ik kan me zo voorstellen dat je als Romeins soldaat ook wel eens een keer een verwensing uitte. Maar goed, ik kan niet verder. We zijn bij het uiterste van het land gekomen: Caesarea. Dan pakken we te zijner tijd de draad weer op. Ik stel voor dat we met elkaar nog onze hemelse Vader zullen danken.⟨/p>