⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Terugblik: Paulus' Arrestatie en de Demonstratie van het Oude Verbond⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Goed vrienden, wij gaan de studie weer voortzetten in het boek Handelingen. Het is inmiddels de 24ste avond over dit boek en zoals gebruikelijk blikken we nog even terug om onze geheugens op te frissen met datgene wat we de vorige keer hebben gezien.⟨/p> ⟨p>Laten we de situatie nog eens in ogenschouw nemen. Paulus was rond Pinksteren, het Joodse wekenfeest, in ongeveer het jaar 57 van onze jaartelling in Jeruzalem gearriveerd. Hij wist dat hij daar gevangen genomen zou worden, want dat was hem onderweg al vele malen duidelijk geworden. In die zin liep hij met open ogen de val in. Hoewel hij daar vele malen ernstig voor was gewaarschuwd en men hem zei om die reden niet naar Jeruzalem te gaan, wist hij dat hij moest gaan. Hij moest daar namelijk een boodschap achterlaten, en daar zullen we ons vanavond ook mee bezighouden.⟨/p> ⟨p>Ergens halverwege het 21ste hoofdstuk lezen we dat hij een ontmoeting heeft met Jakobus, de man daar in Jeruzalem. Dat was de 'broeder des Heren', zoals Paulus hem in Galaten 1 noemt, wat wil zeggen: de halfbroer van Jezus. Hij had niet alleen een ontmoeting met Jakobus, maar ook met de senioren, de oudsten van de ekklesia daar, die uitermate omvangrijk was. We hebben eerder gezien dat het een gemeenschap van tienduizenden Joden was, die allen Messiasbelijdend waren en ijveraars voor de wet.⟨/p> ⟨p>Paulus had echter een zeer kwalijke reputatie in Jeruzalem en in de streken van Judea. Er werd over hem verteld en zelfs onderwezen dat hij de afval van Mozes predikte. Vanwege die kwalijke reputatie draagt Jakobus hem op om te demonstreren dat hij een wetsgetrouwe Jood is. Op aanraden van Jakobus voegt Paulus zich bij een viertal mannen die een gelofte op zich hebben genomen, een Nazireërsgelofte. Na verloop van tijd is die gelofte voorbij en moet deze officieel worden afgesloten met offeranden en andere rituelen. Dat moet een flink bedrag zijn geweest. Paulus koopt die mannen dan vrij; hij betaalt de prijs daarvoor naar de wet.⟨/p> ⟨p>Toen ik het zo geformuleerd had, dacht ik: dit klinkt al zo dubbelzinnig. Paulus voegt zich bij een viertal mannen die een gelofte op zich hebben genomen, zoals Israël ooit de gelofte op zich had genomen: "Alles wat de Heer gesproken heeft, zullen wij doen." God gaf daarop Zijn wet aan het volk; dat is het oude verbond. Maar er komt een einde aan die gelofte. In de profeten lees je al dat het oude verbond zou worden vervangen; alleen al het woord 'oud verbond' geeft aan dat daar iets nieuws voor in de plaats zou komen. Het feit dat Israël zelf belooft: "Dit zullen wij doen", is typerend voor het hele oude verbond. Het heeft het karakter van een gelofte. Welnu, zij hebben een gelofte op zich genomen en zij worden vrijgekocht in overeenstemming met de wet.⟨/p> ⟨p>Dat is letterlijk zo gegaan in Jeruzalem. Paulus heeft die vier mannen vrijgekocht volgens de regels van de wet. Maar dat is natuurlijk ook heel symbolisch. Er is een einde gekomen aan het oude verbond, het volk is vrijgekocht en Paulus demonstreert dat. Wanneer Paulus bij die gelegenheid in de tempel is, signaleren Joden uit Asia hem. Er ontstaat een grote volksoploop, een volksoproer, in de veronderstelling dat Paulus een 'goi' — om het op zijn Joods te zeggen, een heiden — in de tempel zou hebben gebracht. Dat was in dit geval Trofimus. Het was een doodzonde als je iemand binnen de omheining bracht; die heette de sorek. Het was op straffe van de dood als je daar een heiden binnenbracht.⟨/p> ⟨p>Dat was helemaal niet het geval, maar Paulus' reputatie was al niet goed. De Joden uit Asia kenden hem natuurlijk vanwege zijn zendingsreizen, en zij hebben dit opstootje in no-time georganiseerd. De Romeinse hoofdman over duizend bij de burcht Antonia, vlak naast de tempel, krijgt daar direct bericht van. Hij grijpt onmiddellijk in en beschermt Paulus tegen zijn volksgenoten, want anders zou het volk hem absoluut gelyncht hebben. Er vindt dan een gesprek plaats tussen Paulus en deze hoofdman, de baas van de gestationeerde Romeinse legermacht. Op zijn verzoek krijgt Paulus de gelegenheid om daar bovenaan de trappen van de kazerne het schreeuwende volk beneden toe te spreken. Er ontstaat een rust. Paulus spreekt hen toe in het Hebreeuwse dialect en hij benadrukt daarbij... en dat hebben we tot dusver gezien. We hebben nog maar het begin van de toespraak besproken.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="412" title="Speel af vanaf 06:52">▶ 06:52⟨/button> ⟨span>Paulus' Verdedigingstoespraak: een Overtuigende Joodse Achtergrond⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>In Handelingen 22 zijn we inmiddels zover dat Paulus het volk in het Hebreeuwse dialect toespreekt. Hij benadrukt daarbij krachtig zijn Joodse achtergrond, zijn opvoeding en zijn gedegen opleiding in Jeruzalem. Hij heeft, zoals hij zelf zegt, aan de voeten gezeten van Gamaliel, de meest toonaangevende leraar uit die dagen.⟨/p> ⟨p>Vervolgens brengt hij naar voren dat hij bij uitstek de vervolger was van 'De Weg'. Dat is de specifieke naam die we in het boek Handelingen telkens tegenkomen als het gaat om deze hele beweging, of zo u wilt, de ekklesia. De groep die de Messias beleed, werd zo genoemd, of zij noemden zichzelf zo. In de Schrift lees je dat ze door anderen 'christenen' werden genoemd, maar dat was vermoedelijk een scheldnaam; zelf noemden zij zich 'van De Weg'. Paulus benadrukt dat hij bij uitstek een vervolger was van die weg.⟨/p> ⟨p>Nou, zover waren we in de bespreking gekomen en dan lees ik nog even vanaf vers 4: "Ik die de weg, zo heet dat, vervolgde ten dode." Het is belangrijk om te beseffen dat er in het Jodendom niemand is geweest die zich zo actief heeft verzet tegen die weg en tegen de Messias als hij. Niemand! Vandaar ook dat Paulus zegt dat hij de gemeente van God heeft vervolgd en dat hij daarom de voornaamste van de zondaren is. De uitgerekende weg, de Messias zelf, heeft hij tot de dood toe vervolgd. Dat deed hij door zowel mannen als vrouwen te binden en over te leveren in gevangenissen.⟨/p> ⟨p>Paulus wijst erop dat de hogepriester en de hele raad van ouderen — het Sanhedrin — getuigenis van hem kunnen geven. Dat staat in de tegenwoordige tijd, waarmee hij aangeeft dat de hogepriester hem nog steeds kent en weet wat hij ooit gedaan heeft. Hij ontving van hen zelfs brieven voor de broeders.⟨/p> ⟨p>Als Paulus dit zo naar voren brengt, moet u zich de situatie goed voorstellen. Zoals hij in vers 1 al zei, spreekt hij dit uit als zijn verdediging. Alles wat hij in dit betoog vertelt, zoals Lucas dat heeft opgetekend, is een verdediging van zijn positie en van datgene waarop hij wordt aangevallen. Het is van belang dat Paulus juist nu zijn Joodse achtergrond benadrukt. Want wie zou er overtuigender een verhaal kunnen houden voor dit publiek, dat zich zo duidelijk profileert als wetsgetrouw en als haters van 'De Weg', dan juist Paulus?⟨/p> ⟨p>Paulus was zelf een exponent als geen ander van dat hele publiek. Er stonden daar honderden, misschien wel duizenden mensen op het terrein die hem aanhoorden, maar niemand van dat gezelschap — hoe fanatiek ook — was ooit zo fanatiek en zo'n prominente hater van 'De Weg' geweest als Paulus ooit zelf was. Het loutere feit dat uitgerekend híj daar nu in Jeruzalem staat, is daarom heel veelzeggend. Wat is er dan toch met deze Paulus gebeurd?⟨/p> ⟨p>We hebben de vorige keer ook gezien dat het initiatief voor deze vervolging niet bij de hogepriester of het Sanhedrin lag. Het was niet zo dat Paulus de opdracht kreeg om naar de synagogen in het buitenland te gaan; het was precies omgekeerd. Saulus heeft zelf het initiatief genomen en is naar de hogepriester en het Sanhedrin gestapt. Hij heeft van hen de volmacht gekregen, op eigen aanvraag dus, om de synagogen langs te gaan. We mogen aannemen dat Damascus de eerste stad was die hij in het buitenland zou aandoen, een stad met een zeer grote Joodse gemeenschap en meerdere synagogen. Maar het initiatief tot deze vervolging lag dus bij hemzelf. Dat staat hier weliswaar niet expliciet, maar we hebben dat al veel eerder gezien in Handelingen 9.⟨/p> ⟨p>Dat is toch wel heel veelzeggend. Eerst was het een man als Petrus die daar in Jeruzalem am publiek bij de tempel tot zijn volksgenoten sprak. We kennen ook de toespraken van Stefanus in Handelingen 7, waar we straks nog op terugkomen. Maar nu staat hier Paulus. Als er één man moet zijn geweest die het Joodse volk op dit niveau kon aanspreken, dan was hij het wel. Hij was één van hen, en niet zomaar de eerste de beste. Goed, dit hebben we tot dusver gezien en nu gaan we verder met lezen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="832" title="Speel af vanaf 13:52">▶ 13:52⟨/button> ⟨span>De Roeping op Weg Naar Damaskus en het Overtreffende Licht⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Het is de grote ommekeer in vers 6: "Maar het gebeurde mij toen ik ging en Damascus naderde." We vinden hier in vers 6 en de navolgende verzen de roeping van Saulus op de weg naar Damascus. Die geschiedenis wordt drie keer verhaald: eerst in Handelingen 9, als Lucas de geschiedenis op schrift stelt; nu in Handelingen 22, waar Paulus verslag doet en terugblikt op een gebeurtenis van zo’n twintig of eenentwintig jaar eerder; en later in Handelingen 26, als Paulus voor koning Agrippa staat en opnieuw zijn verhaal vertelt over hoe hij geroepen werd. Dat betekent dus dat in één boek drie keer de geschiedenis van Paulus' roeping wordt verteld. Er is geen gebeurtenis die zo sterk benadrukt wordt in het boek Handelingen en zo centraal staat als juist Paulus' roeping. Dat is overigens niet zomaar een herhaling van drie keer dezelfde geschiedenis; we zullen zien dat er iedere keer verschillende accenten worden gelegd. Als Lucas het verhaal verhaalt in Handelingen 9, worden er andere accenten gelegd dan nu in Handelingen 22, omdat het nu echt het karakter heeft van een verdedigingstoespraak. Alles wat Paulus opmerkt, moet je in dat licht en met dat oogmerk zien.⟨/p> ⟨p>Ik lees hier dat hij Damascus naderde. In Handelingen 26 vers 12 lees je dat hij naar Damascus reisde met autoriteit en volmacht van de oude overpriesters. Dat betekent dat hij inderdaad toestemming had gekregen; hij was geautoriseerd door de oude overpriesters, maar op eigen initiatief. "Het gebeurde mij toen ik ging en Damascus naderde rond het middaguur." In Handelingen 26, wanneer hij voor koning Agrippa staat en zijn verhaal doet, zegt hij: "midden op de dag, een licht schitterender dan de glans der zon." Als u mij vraagt waarom dat juist rond het middaguur was: dan kun je echt een vergelijking maken. Op het heetst van de dag, als de zon recht boven je staat en het licht op zijn felst schijnt, verscheen hem op dat moment een licht dat schitterender is – de overtreffende trap – dan de glans van de zon van de hemel, dat hem en hen die met hem reisden omstraalde. Daarmee wordt benadrukt hoe overtreffend dit licht was. Er is geen licht dat wij als mensen op aarde in de natuur kennen dat zo helder en zo schitterend is als de zon in haar kracht rond het middaguur. Welnu, dit licht overtreft het. Dat is wat Paulus zegt: rond het middaguur omstraalde plotseling vanuit de hemel een fel licht mij.⟨/p> ⟨p>Opmerkelijk is dat hier in Handelingen 22 de nadruk ligt op het feit dat het hem persoonlijk overkwam. In Handelingen 26 zagen we echter al dat het licht niet alleen hem omstraalde, maar ook hen die met hem reisden. Dat zullen we straks nog meer tegenkomen. In vers 7 staat vervolgens: "Bovendien viel ik naar de grond en ik hoorde een stem zeggende tot mij..." Het licht omstraalde hem plotseling zo fel en schitterend dat hij op de grond viel en een stem hoorde zeggen: "Waarom verhoort u mij?" Ook hier in Handelingen 22 spreekt Paulus alleen over zichzelf, maar in Handelingen 26 lees je: "en toen wij allen ter aarde vielen." Het licht omstraalde dus Paulus, maar ook degenen die met hem waren, en zij vielen eveneens ter aarde. In Handelingen 22 in Jeruzalem gaat Paulus daaraan voorbij en hoort hij de stem.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1195" title="Speel af vanaf 19:55">▶ 19:55⟨/button> ⟨span>"saul, Saul": de Verborgen Eenheid van Hoofd en Lichaam⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Saul, Saul. Die dubbele naamsvermelding, we hebben er al eens vaker bij stilgestaan, geloof ik. Het is toch wel eigenaardig wanneer je dat in de Bijbel leest. Als je naam twee keer genoemd wordt, is dat uiteraard om iets te benadrukken. Waarom zou je iemands naam immers twee keer noemen? Dat is juist om aan te geven: het gaat om jou. Saul, ja jij, Saul! Als je naam twee keer genoemd wordt, dan klinkt er altijd wat door.⟨/p> ⟨p>Marta, Marta, ja. Waarom zou ik naar mijn schoonmoeder kijken? Ik zeg het al eens vaker tegen haar: Marta, Marta. Je vindt het vaker, hoor. Abraham, Abraham, als hij zijn zoon Isaak op het altaar heeft liggen. Samuel, Samuel, in de nacht als die jongen geroepen wordt. Er zijn wel meer voorbeelden in de Bijbel te noemen. We noemen er zo voor de vuist weg een paar, maar er zijn er nog meer.⟨/p> ⟨p>Saul, Saul. Waarbij het in dit geval natuurlijk ook heel duidelijk is dat we hier te maken hebben met een man uit de stam van Benjamin, die dezelfde naam droeg als ooit zijn stamgenoot: koning Saul. En wat deed koning Saul? Die vervolgde David. Nu hebben we opnieuw te maken met een Saul, en wat doet hij? Hij vervolgt de Zoon van David. Dus de geschiedenis herhaalt zich. Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?⟨/p> ⟨p>En er zit nog iets in. Hierin vind je de kiem van de waarheid verborgen van het onderwijs aangaande de eenheid van Hoofd en Lichaam. Wat bedoel ik daarmee? Wel, de Heer Jezus zegt: waarom vervolg je Mij? Maar Paulus zegt zelf later: ik was een vervolger van de gemeente Gods. Maar die gemeente Gods blijkt dus de Heer Zelf te zijn. De Heer identificeert Zich met die ekklesia. Dat is nou precies het onderwijs wat hem later gegeven zou worden en wat hij in zijn brieven naar voren brengt: het is Hoofd en Lichaam. Dit is één. Hoofd en Lichaam dragen dezelfde naam: de Christus. Dus in de allereerste stem die hij te horen krijgt vanuit de hemel, zit in de kiem al precies de waarheid die juist aan Paulus geopenbaard zou worden.⟨/p> ⟨p>In de kiem, zeg ik. Trouwens, het blijkt ook dat in deze beschrijving niet alles wat tegen hem gezegd werd, wordt opgemerkt. Want in Handelingen 26, als Paulus voor Agrippa staat, verhaalt Paulus dit ook en dan staat er nog bij: waarom vervolg je Mij? Het valt je zwaar tegen de prikkels achteruit te slaan. Dat is er direct opvolgend gezegd. En dan lees je over de reactie van Paulus: ik echter antwoordde: wie bent U, Heer? Dat hij Hem meteen aanspreekt als Heer geeft wel aan dat hij meteen inziet: dit is iemand die met autoriteit tot mij spreekt en ook over mij spreekt.⟨/p> ⟨p>En Hij zei tot mij: Ik ben Jezus de Nazarener, die jij vervolgt. Jezus de Nazarener. Dat is een uitspraak of een aanduiding die we een aantal keren in het boek Handelingen tegenkomen. Ik heb hier een citaat uit Handelingen 4 vers 10, daar lees je over Jezus Christus de Nazarener, oftewel de man uit Nazareth, die jullie kruisigden, maar die God heeft opgewekt uit de doden. Daar zit natuurlijk ook een zekere verachting in: de Nazarener. Je vindt dat ook al in het Evangelie van Johannes, waar Filippus zegt: kan uit Nazareth iets goeds komen?⟨/p> ⟨p>Dan is het trouwens goed om te bedenken dat Nazareth wel degelijk ook een profetische betekenis heeft, dat daar profetische linken mee gelegd kunnen worden. Was dat de vorige keer dat we dat hier besproken hebben of was dat elders? Heb ik het toen over Nazareth en de Nazarener gehad? Ja, dat is het vervolgste. Oké. Ik heb het volgens mij nog recenter erover gehad; ja, dat zal dan een studie elders geweest zijn. In Nazareth moet namelijk een nederzetting geweest zijn van nakomelingen van David. Maar goed, dat is een verhaal apart, dus dat laat ik hier maar eventjes voor wat het is.⟨/p> ⟨p>Ik bedoel maar: hij krijgt een stem vanuit de hemel te horen en bovendien omstraalt hem dat enorm felle en overtreffende licht. En dan is het eerste wat hij hoort: Saul, Saul, wat vervolg je Mij? En dan vervolgens, na de reactie van wie bent U, Heer: Ik ben Jezus de Nazarener, die jij vervolgt.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1600" title="Speel af vanaf 26:40">▶ 26:40⟨/button> ⟨span>De Medereizigers: Waarom Lucas' Verslagen Niet Tegenstrijdig Zijn⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>In vers 9 staat: "Zij echter die met mij waren, sloegen wel licht gade, maar de stem van degene die tot mij sprak, hoorden zij niet." Er is over dit vers nogal wat te doen, omdat dit een standaardvoorbeeld is in het boek Handelingen van hoe tegenstrijdig Lucas zelf in zijn verslag zou zijn. Dat is dan de beschuldiging, en dat argument ligt op zich vrij voor de hand als men dat naar voren brengt.⟨/p> ⟨p>Voordat ik daarop terugkom, eerst nog even dit: ze sloegen wel het licht gade. Dat betekent trouwens dat degenen die met hem waren ook omstraald werden door het licht, waar we het zojuist al even over hadden. Dat hebben zij gezien en zij vielen daarom ook ter aarde. Dus Paulus was niet — of Saulus, zoals u wilt — de enige die dit ervoer en meemaakte. Nee, er waren anderen die dat net zo goed hebben gezien. Dat is wat hier staat: ze sloegen wel het licht gade. Dat geeft aan dat de gebeurtenis van de roeping van Saulus op de weg naar Damascus geen individuele ervaring was.⟨/p> ⟨p>Misschien, als we het dan toch over bijbelkritiek hebben: men zegt wel eens — ik heb er ooit zelfs een heel boekwerkje over gelezen — waarin betoogd werd dat Saulus een epileptische aanval gehad zou hebben, waarbij je dan ook verschijnselen van licht zou zien. Maar alleen deze mededeling weerspreekt dat al. Ik bedoel, het was namelijk niet een aanval van licht die hij alleen heeft waargenomen; nee, het was iets wat zijn medereizigers net zo goed meemaakten. Ook zij vielen van hun paard, of vielen in ieder geval op de grond. Zij werden niet blind, maar je leest wel dat Paulus de Heer gezien heeft.⟨/p> ⟨p>Ik kom er nog even op terug, want er staat bij: ze sloegen wel licht gade, maar de stem van degene die tot mij sprak, hoorden zij niet. Kijk, en nu komen we op een schijnbare tegenstrijdigheid met wat we eerder lazen. In Handelingen 9, als Lucas dit voor het eerst optekent, lezen we: "En de mannen die met hem reisden, die stonden sprakeloos, daar zij wel van de stem hoorden, maar niemand zagen." Lucas tekent dit op over Paulus, terwijl het in Handelingen 22 in de eerste persoon is; Paulus spreekt daar over zichzelf. Maar in hoofdstuk 9 is het Lucas die over Paulus schrijft.⟨/p> ⟨p>De mannen die met hem reisden, stonden sprakeloos, daar zij wel van de stem hoorden, maar niemand zagen. Ik zeg hier expres "van", want het staat namelijk in de tweede naamval, de genitief. Er staat niet dat zij de stem hoorden, maar eigenlijk "van de stem" hoorden. In het Nederlands zouden we zeggen: ze hoorden geluid. Het woordje dat hier gebruikt wordt is ⟨em>phōne⟨/em>, wat te maken heeft met stem of gewoon geluid. Denk aan het woord grammofoon; dat "foon" heeft te maken met geluid. We hebben meer Nederlandse woorden met foon, zoals telefoon en microfoon; dat heeft allemaal te maken met geluid. Ze hoorden van het geluid, maar ze zagen niemand.⟨/p> ⟨p>Kijk, men zegt wel dat er twee tegenstrijdigheden zijn, want in Handelingen 22 staat dat ze wel licht zagen en in Handelingen 9 staat dat ze niemand zagen. Maar dat is natuurlijk helemaal geen tegenstrijdigheid. Sowieso niet, want Paulus heeft de Heer zelf ook gezien en Paulus was ook de enige die, zoals Aad zojuist al opmerkte, blind werd. Hij heeft dus de verschijning gezien en dat heeft hem een paar dagen blind gemaakt, zoveel indruk als het maakte; hij heeft er echt in gekeken. Zij zagen niemand; ze hebben alleen licht gezien, werden omstraald, waren sprakeloos en vielen op de grond, maar ze hebben niemand gezien.⟨/p> ⟨p>En dan staat erbij: ze hoorden wel van de stem. Dat wil zeggen: ze hebben geluid gehoord. Maar in Handelingen 22 staat: "maar de stem van degene die tot mij sprak hoorden zij niet." Kijk, horen en horen. In feite is de tegenstrijdigheid heel gemakkelijk opgelost, want horen en horen is twee. Je kunt een stem horen — ik hoor heel vaak mensen praten, ik geef les aan Polen en dan hoor je de hele tijd een stem praten — dan hoor ik wel het geluid, maar ik versta het niet. Ik hoor niet echt wat zij zeggen. Ze kunnen me voor alles en nog wat uitmaken, maar ik hoor het niet. Dus je kunt iets horen, je hoort wel het geluid dat ze produceren, maar je verstaat het niet.⟨/p> ⟨p>Er komt trouwens nog iets bij. Je leest dat Paulus aangesproken werd in het Hebreeuwse dialect. Dan is het zomaar mogelijk — ik weet verder niets van die medereizigers — dat zij dat niet begrepen hebben of dat zij die taal niet machtig waren, zodat zij weliswaar geluid hoorden of misschien zelfs wel iemand hoorden spreken, maar niet verstonden wat er gezegd werd. Of ze hoorden alleen maar geluid, hoe dan ook, ze hebben het niet verstaan. Dat is het dus: ze hoorden geluid en ze zagen licht, maar ze zagen niemand en ze verstonden het ook niet. Dat is eigenlijk de gedachte.⟨/p> ⟨p>Er is dus helemaal geen sprake van een tegenstrijdigheid, maar ze waren in die zin wel echt ooggetuigen van dat wonderbare verschijnsel, want ze hoorden en ze zagen wel wat. Vorige keer heb ik daar ook wat over verteld. Er staat iedere keer: in het Hebreeuwse dialect of in de Hebreeuwse omgangstaal, want zo noemt Lucas het. Dat is wat wij dan Aramees noemen, maar het Aramees heeft sowieso hetzelfde schrift en is er nauw aan verwant; vandaar dat het een dialect wordt genoemd.⟨/p> ⟨p>Vervolgens zien we Paulus' reactie: "Ik echter zei: wat zal ik doen, Heer?" Mijn Heer zegt tot mij: "Sta op, ga tot in Damascus" — ze waren immers op de weg naar Damascus — "en daar zal tot jou gesproken worden omtrent alle dingen die voor jou verordend zijn te doen." In de Statenvertaling staat trouwens "geordineerd". In geordineerd zit iets vasts; het is een orde die opgelegd wordt. Het spreekt van het plan dat God al van oudsher met Paulus had. We zullen daar straks, als we in vers 14 aankomen, nog wat meer over zien. Maar als hij in Damascus zou arriveren, dan zou hij worden aangesproken over al die dingen die voor hem verordend waren om te doen. Wat hem te doen stond; wat het specifieke, bepaalde plan voor hem was. Dan staat er in vers 11:⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2155" title="Speel af vanaf 35:55">▶ 35:55⟨/button> ⟨span>Drie Dagen Blind: het Contrast Tussen Paulus en de Twaalf Apostelen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>"Maar daar ik vanwege de heerlijkheid van het licht niet kon zien..." Het was immers een licht dat overtreffender was dan het licht dat schijnt in haar krachten als op het middaguur. Vanwege dat licht kon hij niet zien. Je leest in Handelingen 9 — en daar zie je trouwens hoe de verschillende verslagen elkaar ook iedere keer weer completeren en aanvullen — in vers 9, dat Paulus drie dagen niet kon zien en dat hij niet at of dronk. Drie dagen lang heeft hij dus kunnen beseffen hoe blind hij was.⟨/p> ⟨p>Aan de ene kant is er de gedachte dat hij werd omschenen door zo'n overtreffend licht, maar ik moet er ook bij zeggen hoe verschillend dit is van de wijze waarop de twaalf apostelen de Heer hebben gekend. Trouwens, dat geldt voor al die apostelen, want er waren er nog veel meer dan de twaalf; al die honderden mensen aan wie de Heer in Zijn opstanding verschenen is. Dat was natuurlijk in glorie, in een verheerlijkt lichaam, maar dít kenden zij niet.⟨/p> ⟨p>Paulus is op een bijzondere wijze geroepen in het buitenland. De hele setting is al zo veelzeggend: in het buitenland, niet in Israël, maar buiten het volk. Buiten het terrein van Israël is hij geroepen, en dan door een licht dat zo overtreffend was. Dat wil zeggen dat Paulus de Heer Jezus Christus heeft leren kennen in zo'n ongekende heerlijkheid en licht waar de twaalf totaal geen idee van hadden. Dat verklaart eigenlijk ook meteen weer het verschil tussen de twaalf, als beeld van Israël hier op aarde, en Paulus, aan wie een openbaring wordt gegeven die hemels is. Een ongekend overtreffend licht buiten het land, terwijl de twaalf geroepen waren ín het land. Paulus werd geroepen door een overtreffend licht vanuit de hemel, terwijl zij de Heer gewoon op aarde hebben kunnen zien.⟨/p> ⟨p>Zulke karakteristieke verschillen zijn er meteen al in de aanvang. Dan heb ik het nog helemaal niet over wat Paulus vervolgens is bekendgemaakt, maar dit typeert Paulus' hele bediening. Als je zijn brieven kent, dan word je daar eigenlijk iedere keer weer bij bepaald: bij die verschillen met de twaalf. Natuurlijk is het dezelfde Heer, maar met een heel andere invalshoek en ook in een heel ander stadium. Paulus wordt immers geroepen na de steniging van Stefanus, nadat het volk van Jeruzalem officieel afstand heeft genomen van het hele getuigenis aangaande de Messias. Dan pas komt Saulus in the picture, en dan op deze wijze. Het is in die zin ook echt het vervolg daarop.⟨/p> ⟨p>Het is een verschijning in heerlijkheid. Trouwens, dit woord ⟨em>doxa⟨/em>, heerlijkheid, wordt ook heel vaak synoniem gebruikt voor licht. Je leest bijvoorbeeld in 1 Korinthe 15 dat Paulus spreekt over de heerlijkheid van de zon, die anders is dan de heerlijkheid van de maan en de sterren. Wat is de heerlijkheid van de zon? Dat is licht. En in 2 Korinthe 3 spreekt Paulus over de heerlijkheid op het aangezicht van Mozes toen hij van de berg afkwam. Maar wat was de heerlijkheid van zijn gezicht? Dat was het licht! Dat zijn feitelijk min of meer synonieme begrippen; de heerlijkheid van het licht, die begrippen zijn aan elkaar gelieerd en gekoppeld.⟨/p> ⟨p>Maar goed, Paulus was dus blind gedurende een aantal dagen. "Daar ik vanwege de heerlijkheid van het licht niet kon zien," werd hij bij de hand geleid. Hij, de initiatiefnemer, moest nu als een kind bij de hand genomen worden. En door hen die met hem waren, kwam hij in Damascus.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2496" title="Speel af vanaf 41:36">▶ 41:36⟨/button> ⟨span>Ananias: Voorbestemd Om Gods Wil te Kennen en de Rechtvaardige te Zien⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dan komt een zekere Ananias in beeld. We hebben het natuurlijk al in een veel eerder stadium over hem gehad, toen we deze geschiedenis voor de eerste keer bespraken. Ik weet niet of u zich dat nog herinnert; het is alweer een hele tijd geleden. Dat zal ongeveer de tweede of derde avond geweest zijn, en nu is dit alweer de vierendertigste avond. Dat is een flinke tijd terug, maar ik heb er toen ook al op gewezen dat de naam Ananias de Griekse vorm is van een Hebreeuwse naam: Chananjah. Het is een naam die we vaker in de Hebreeuwse Bijbel tegenkomen, zoals in de boeken Ezra en Daniël. Chananjah betekent: ‘Yahweh is genadig’.⟨/p> ⟨p>Saulus wordt geroepen in het buitenland en de eerste naar wie hij toe moet — of liever gezegd: de eerste die naar hém toe komt — is Chananjah. Het is precies omgekeerd: Paulus gaat niet naar hem toe, nee, Chananjah komt naar hém toe. Als ik het zo zeg, is het prachtig: ‘Yahweh is genadig’ kwam tot Saulus. Alleen de betekenis van die naam is al zo veelzeggend, want Chananjah is feitelijk de samenvatting van wat Paulus zou gaan vertellen: Yahweh is genadig.⟨/p> ⟨p>Paulus noemt zijn naam hier ook weer expliciet. U moet zich realiseren — en ik herinner u er iedere keer aan — dat dit een verdedigingstoespraak is. Hij staat daar bovenaan die trappen en dat fanatieke, Joodse, wetsgetrouwe volk luistert. Daarom merkt Paulus over deze Chananjah op dat hij een toegewijd, godvruchtig man was. In de vertaling staat ‘vroom’, maar het betekent letterlijk een ‘goede vereerder’. Hij was toegewijd overeenkomstig de wet, dat wil zeggen de wet van Mozes. Dat is voor Paulus' publiek natuurlijk van groot belang, want alleen dan kreeg je van hen het kwaliteitskeurmerk. Deze Chananjah was dus toegewijd overeenkomstig de wet en van hem werd door al de Joden die daar in Damascus woonden een goed getuigenis gegeven. De man had een uitstekende reputatie.⟨/p> ⟨p>Nou, die man kwam naar mij toe, zegt Paulus. Hier zie je het precies: hij kwam naar mij toe, ging bij mij staan en zei tot mij: ‘Saul, broeder, kijk weer!’ Ik wees er al op dat Paulus blind was en wanneer hij weer kon zien. Het was de derde dag dat hij het licht weer ontving. Dat vind ik prachtig, want dat staat zo in Handelingen 9. Daarmee is Paulus natuurlijk ook weer een prachtig type van hoe het het volk Israël zal vergaan. Na twee dagen — lees: twee millennia — zal het op de derde dag opgericht worden en zal het ook het licht ontvangen en geestelijk gaan zien. De ogen gaan dan open.⟨/p> ⟨p>Hetzelfde uur keek ik weer naar hem, staat er heel duidelijk. Ik zag hem. Letterlijk staat er dat hij op datzelfde moment weer keek, na die dagen van blindheid, naar hem... of liever: tót in hem. Tot in wie? Nou, tot in Chananjah: ‘Yahweh is genadig’. Daar gingen zijn ogen nu voor open. Het eerste wat Saulus zag na dagen van blindheid, was: ‘Yahweh is genadig’. Dat is wat hier staat, en dat is toch prachtig? Meteen hoort hij: ‘Saul, broeder, kijk weer!’⟨/p> ⟨p>Ananias vervolgt: ‘De God van onze vaderen...’ We kwamen deze uitdrukking al eerder tegen in Handelingen 3, waar je leest over de God van Abraham, Isaak en Jakob. Dat is de God van onze vaderen. In het Hebreeuwse denken zijn de vaderen niet zomaar voorouders in het algemeen; het zijn de vaderen aan wie de beloften werden gegeven: Abraham, Isaak en Jakob. Welnu, die God, de God van onze vaderen, bestemde jou voor om Zijn wil te kennen.⟨/p> ⟨p>We hadden het zojuist even over dat woordje ‘geordineerd’. Weet u nog? Hij was verordend om iets te gaan vertellen. Hier lees je: de God van onze vaderen bestemde jou voor om Zijn wil te kennen. Ik maak even een uitstapje naar een ander verslag van de roeping van Saulus, wat Paulus heeft opgetekend in de Galatenbrief, hoofdstuk 1. Daar schrijft Paulus: ‘Maar toen het God behaagde...’ — namelijk de God van onze vaderen — ‘...toen het God behaagde, die mij afzonderde vanuit de schoot van mijn moeder en roept door Zijn genade...’ Terwijl ik dit lees, moet ik ineens weer aan Chananjah denken, door wie hij inderdaad ook zo aangesproken werd: ‘Saul, broeder’.⟨/p> ⟨p>Het eerste wat hij zag, nadat hij vanuit de hemel geroepen was en een tijd blind was geweest, was dus Chananjah. Maar het gaat me er nu om dat de God van onze vaderen een plan heeft, een bestemmingsplan. Hij bestemt tevoren, Hij predestineert. Hij bestemde jou voor. Al vanaf de moederschoot was hij afgezonderd. Trouwens, hij was al uitgekozen vóór de nederwerping van de wereld, net als u en ik overigens. Als we Hem mogen kennen, dan zijn we uitgekozen voor de nederwerping der wereld en voorbestemd om zonen van Hem te zijn.⟨/p> ⟨p>Dat vind ik geweldig: de God die wij kennen, heeft een geweldig, alomvattend plan. Daarin hebben bepaalde mensen, zoals hier Paulus, een speciale, bevoorrechte taak. Dat brengt ook lijden met zich mee, maar het is altijd God die uitkiest. Dat is bij Paulus het geval, maar uiteindelijk is dat een universeel principe: God kiest uit ten behoeven van de rest. Het is nooit een uitkiezen in de zin van: ‘Jij krijgt de zegen en de rest interesseert Mij niet.’ Nee, er wordt een kanaal van zegen uitgekozen om de rest met die zegen te bereiken. Denk aan Abraham, de vader van de gelovigen. Abraham werd geroepen opdat in hem en in zijn zaad alle geslachten van de aardbodem gezegend zouden worden.⟨/p> ⟨p>Uitverkiezing is dus altijd ten behoeven van de rest. Dat geeft zo’n enorm zicht op het feit dat God genadig is. Dat uitkiezen is geen demonstratie van kieskeurigheid, alsof de rest Hem niet zou interesseren. Dat zijn verschrikkelijke en zelfs godslasterlijke denkbeelden, want ze belasteren de God die werkelijk genadig is en die de hele schepping omvat en op het oog heeft. Het feit dat er mensen uitgekozen worden — ik kan het niet genoeg benadrukken — is niet omdat de rest daarmee wordt terzijde geschoven. Integendeel, het is juist om hen te bereiken. Dat zet roeping en uitverkiezing in een totaal ander licht.⟨/p> ⟨p>‘Hij bestemde jou voor om Zijn wil te kennen en waar te nemen...’ In de vertaling staat ‘te zien’, en inderdaad moet het in dit verband ‘zien’ zijn. Waarnemen is in feite breder dan alleen zien; waarnemen kun je met elk zintuig. Je kunt iets ruiken, horen, zien, voelen of tasten; dat is allemaal waarnemen. Dat woord wordt hier gebruikt, maar vanwege het contrast gaat het hier vooral om het waarnemen via het zien. Het gaat erom de Rechtvaardige te zien en een stem uit Zijn mond te horen. Aan de ene kant dus de Rechtvaardige zien en aan de andere kant een stem uit Zijn mond horen.⟨/p> ⟨p>Hierbij is ‘de Rechtvaardige’ — ja, dé Rechtvaardige, niet zomaar een rechtvaardige — een aanduiding van de Messias. Laat ik dat nog even tonen, want eerder in het boek Handelingen vind je dat al. Stephanus zegt in hoofdstuk 7 vers 52 — een van zijn laatste woorden overigens — en hoe striemend zal dat het volk hebben geklonken: ‘Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? Zelfs hebben zij hen gedood die geprofeteerd hebben van de komst van de Rechtvaardige, van wie jullie nu verraders en moordenaars geworden zijn.’ Het gaat mij hier vooral om die titel: de komst van de Rechtvaardige.⟨/p> ⟨p>...die geprofeteerd was: de Rechtvaardige. Dat is die ene, de Rechtvaardige, de Messias. En die hebben zij verraden en hebben ze vermoord. En nu vervolgens Stefanus dit zo vaststelt, zal hij zelf ook nog worden vermoord om die reden.⟨/p> ⟨p>Goed, ik stel voor dat we eerst eventjes pauzeren, dan pakken we straks de draad op bij vers 5.⟨/p> ⟨p>Wij hadden het over Chananjah, Ananias, die aan het woord was en tot Paulus sprak dat God hem had voorbestemd om Gods wil te kennen en de Rechtvaardige waar te nemen en een stem vanuit Zijn mond te horen. Dat kan niet missen; dat is uiteraard een aanduiding van de Messias, en we hebben dat zojuist gezien.⟨/p> ⟨p>En dan staat er in vers 15: "want jij...", Paulus, Saulus — we praten natuurlijk even terug in de tijd.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3246" title="Speel af vanaf 54:06">▶ 54:06⟨/button> ⟨span>Een Getuige voor Álle Mensen: de Radicale Boodschap van Genade⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Paulus werd hij pas – tenminste in de Bijbel werd hij dat pas – toen hij zich tot de natiën ging wenden in Handelingen 13. Want jij, Saulus, zal een getuige voor Hem zijn. En een getuige is niet alleen iemand die spreekt. Een getuige is iemand die in juridische termen een ooggetuige is; een getuige van iets wat je zelf hebt gezien. Dat is belangrijk hoor, want dat begrip speelt in het boek Handelingen een hele grote rol. Saulus, Paulus, was een ooggetuige. En daardoor was hij ook echt iemand die met recht een apostel is: een afgevaardigde. Hij was rechtstreeks geroepen. Hij zegt in de Korinthebrief: "Ben ik geen apostel? Heb ik niet Jezus onze Heer gezien?" Dat maakt hem daadwerkelijk tot een gevolmachtigde, een ooggetuige.⟨/p> ⟨p>Ik wil er trouwens ook nog even op wijzen dat het woord 'getuigen' te maken heeft met ons woord 'martelaar'. Een martelaar is van origine een getuige (⟨em>martys⟨/em>). Bij ons heeft het de betekenis gekregen van iemand die om zijn getuigenis omgebracht wordt, maar oorspronkelijk is het gewoon iemand die getuigt of een ooggetuige is. Maar daarin zit al de gedachte besloten dat iemand die spreekt van dat wat hij gezien heeft en de waarheid spreekt, in deze wereld niet wordt erkend. Hij wordt omgebracht en wordt zo een martelaar. Iemand die getuigt, wordt een martelaar. Eigenaardig hoe dat in de taal al wordt gedemonstreerd; hoe dat gaat met iemand die spreekt van de waarheid. Ja, we leven in een boze aion. Waarom een boze aion? Omdat de waarheid daarin ten onder gehouden wordt.⟨/p> ⟨p>Ananias zegt tegen hem: "Jij zal een getuige voor Hem zijn naar alle mensen toe." Ik heb dat expres even onderstreept. Juist vandaag had ik een dagstukje geschreven met deze titel: "Alle mensen". In het Nederlands heeft dat een speciale klank: állé mensen. Dat is dan weer de Nederlandse invulling, maar als ik "alle mensen" zeg, dan denk ik meteen aan Paulus. Hij gebruikt dat bijvoorbeeld in dat stukje waar ik het zojuist over had, naar aanleiding van Romeinen 5 vers 18: "Door één misstap is er tot veroordeling gekomen voor alle mensen, zo ook door één rechtvaardigheidsdaad voor alle mensen tot rechtvaardiging van leven."⟨/p> ⟨p>Dat is een perfecte en ook simpele vergelijking. Alle mensen zijn veroordeeld om stervelingen te zijn; dat is geen keuze, dat is gewoon een gegeven. Zo zijn alle mensen bestemd om gerechtvaardigd te worden. Dat is toch geweldig! Kijk, dat is nou precies wat Ananias – Chananjah – betekent. Als je nu concreet vraagt wat het betekent dat "Jahweh genadig is", dan betekent het dat Hij om niet geeft aan alle mensen. En op het moment dat je daar wat van af gaat doen... kijk, een beetje genade bestaat niet. Een beetje gratis bestaat niet. Een beetje zwanger ook niet. Nee, het is heel goed dat ik u dit zeg: een beetje zwanger bestaat niet en een beetje gratis ook niet. "Bijna gratis", dat is net zoiets als "bijna geslaagd". Dan ben je dus gezakt. Nee, het bestaat niet.⟨/p> ⟨p>Dat is met genade ook zo. Paulus zegt dat in Romeinen 11 ook: "Als het genade is, dan is het niet uit werken; en als het uit werken is, dan is het geen genade." Het is zwart-wit, grijs bestaat hier niet. Het is zwart-wit. Dit demonstreert precies de boodschap waar Paulus toe gesteld is: om een getuige voor Hem te zijn naar alle mensen toe. Natuurlijk kun je zeggen dat dit te maken heeft met zijn bediening die ongelimiteerd is; niet alleen naar de Jood, maar naar de hele wereld. Jawel, maar hij heeft ook een boodschap voor héél de wereld, voor alle mensen. Het is niet: "Als jij gelooft, dan wordt Hij jouw Redder." Nee, Hij ís jouw Redder en dat mag je geloven! Je moet de boel niet omkeren, want dan is het niet meer voor alle mensen en is er ook geen genade meer. Want dan heb je namelijk een voorwaarde ingebouwd. Maar op het moment dat je een voorwaarde inbouwt, is er geen genade meer.⟨/p> ⟨p>Onvoorstelbaar hoe deze simpele boodschap van genade zo uitgerangeerd is en zelfs tot een ketterij is verklaard. Kijk, dat gebeurt er met de waarheid. De waarheid die zo simpel is en zo overtreffend, schitterender dan het zonlicht midden op de dag. Zo groots! Die boodschap is compleet verduisterd. Op het moment dat je een voorwaarde inbouwt bij genade, is genade compleet in zijn tegendeel veranderd. Dat is wat Paulus ook tegen de Galaten zegt: "Wie heeft u betoverd?" U hebt u zo schielijk laten afbrengen van de genade van Christus. Dat is Galaten 1. En dan is Paulus heel stellig: "Indien iemand u een evangelie predikt afwijkend van wat wij u verteld hebben... anathema!" Die zij vervloekt. Dan wordt Paulus echt fel. Want als je deze boodschap van genade weerspreekt, ontkent of verdraait – dat is nog het ergste trouwens – dan tast je de kern aan. Kijk, als je het tegenspreekt, dan is het al duidelijk; dan blijft het nog zwart-wit. Maar op het moment dat je het verdraait en er een slag aan geeft en zegt: "Wij prediken ook genade, alleen zeggen we dat het niet voor alle mensen is", ja, dan is er dus geen genade meer. Zie je, dat is echt sneaky. Er zit 'snake' in; dat heeft ook te maken met de slang.⟨/p> ⟨p>Alle mensen. Dit typeert Paulus' bediening. In 1 Timotheüs 4 vers 10 zegt hij dat natuurlijk ook: "...die een Redder is van alle mensen, speciaal van gelovigen." En dan zegt hij ook: "Hiertoe arbeiden wij en worden we ook gesmaad." Martys, hè? Gesmaad. Omdat we onze verwachting hebben gesteld op de levende God, die de Redder is voor alle mensen, speciaal van degenen die dat geloven.⟨/p> ⟨p>Laten we dit vooral even positief benaderen, hoe geweldig dit is. "Want jij zal een getuige voor Hem zijn naar alle mensen toe, van de dingen die je hebt gezien en gehoord." Trouwens, als ik weer even – het is nu de zoveelste keer dat ik dat vanavond vergelijk met wat we in Handelingen 9 of in Handelingen 26 vinden – als Paulus voor Agrippa staat, dan lees je dat de Heer dit tegen hem gezegd heeft: "Maar richt je op, sta op uw voeten! Want hiertoe ben Ik je verschenen: om je aan te wijzen als dienaar en getuige daarvan dat je Mij gezien hebt en dat Ik aan je verschijnen zal." Het was niet de laatste keer dat de Heer aan hem verscheen, maar Hij zou ook nog vaker aan hem gaan verschijnen om hem nog zoveel te vertellen en te onderwijzen. Afijn, weer even terug naar Ananias die tot Saulus kwam en zei: "En nu, waarom aarzel je?"⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3852" title="Speel af vanaf 01:04:12">▶ 01:04:12⟨/button> ⟨span>"sta Op, Word Gedoopt": de Betekenis van de Joodse Waterdoop⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Sta op, word gedoopt. Kijk, en nu moet je opnieuw even teruggaan naar die context. Paulus verdedigt zich tegenover zijn Joodse broers, die de doop allemaal kenden. Ja, hier staat: "word gedoopt". En dat was wel nieuw in de dagen van het Nieuwe Testament. Want zoals dat nu nog steeds trouwens in het jodendom het geval is, kent men een ritueel bad, een mikvah. Men doopte zich bij allerlei gelegenheden. Men doopte zichzelf; als men ritueel onrein was, om welke reden dan ook, dan doopte men zich. Toen kwam Johannes en die zei: "Word gedoopt!" In de zin dus van: laat je dopen. Dat kenden zij niet.⟨/p> ⟨p>De waterdoop waarbij je wordt gedoopt, dat is de doop van Johannes. Ananias zegt hier: "Word gedoopt". Over die doop van Johannes lees je in Johannes 1 vers 35. Johannes zegt daar over de Messias — die hij trouwens juist bij die gelegenheid ook zelf gedoopt heeft in de Jordaan — dat Hij aan Israël geopenbaard zou worden. Daarom kwam Johannes de Doper dopen in water. Dus dan zie je ook meteen wat de bedoeling was, niet alleen van de waterdoop in het algemeen, maar specifiek van Johannes’ doop. Hij doopte daar in de Jordaan. Waarom in de Jordaan, dat doet er nu niet direct toe, maar het heeft allemaal betekenis. Het heeft te maken met het feit dat de Messias aan Israël geopenbaard zou worden. Het is dus een Israëlitisch gebeuren, een Israëlitisch ritueel.⟨/p> ⟨p>"Wel, sta op," zegt Ananias tegen Saulus, "word gedoopt en word schoongewassen." Hier zie je trouwens ook weer dat het inderdaad een rituele wassing is. "Word schoongewassen", zoals een Jood zich bij allerlei gelegenheden ritueel waste. Word schoongewassen van je zonden, terwijl je de naam van Hem aanroept.⟨/p> ⟨p>Ik heb hier een verwijzing naar Hebreeën 6 vers 2. Daar lees je over het ABC van de fundamenten van het Joodse geloof, van dat wat de Hebreeën, de Israëlieten, kenden. Er staat: "geloof in God", en dan volgt er een leer of onderwijzing van "dopen". Dat slaat op allerlei wassingen bij allerlei gelegenheden. Waarom ik dit naar voren breng, is om aan te geven dat zo'n waterdoop in het licht gezien moet worden van die rituele wassingen die de Hebreeën kenden. Een hele bijzondere rituele wassing waar Johannes mee kwam: "Word gedoopt!"⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4064" title="Speel af vanaf 01:07:44">▶ 01:07:44⟨/button> ⟨span>Terugkeer in Jeruzalem: Paulus' Extase in de Tempel⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Het gebeurde echter, terugkerende tot in Jeruzalem, dat ik bad in de tempel en in extase geraakte. We zijn inmiddels in het zeventiende vers van Handelingen 22. Let op, Paulus spreekt daar bovenaan de trappen en hij vertelt dat het gebeurde toen hij terugkeerde naar Jeruzalem. Hij had het tot dusver over wat hem was overkomen en wat er was gebeurd in Damascus direct na zijn roeping, maar hij is daarna ook weer teruggekeerd naar Jeruzalem. Het vervolg gaat over die terugkeer.⟨/p> ⟨p>Laten we even op een rijtje zetten wat er is gebeurd. We weten dat Paulus na zijn doop in Damascus is vertrokken naar Arabië. Ik moet erbij zeggen dat dit door Lucas niet verhaald wordt; Lucas zwijgt daarover. Nergens in het boek Handelingen wordt er gesproken over het feit dat Paulus een bezoek heeft gebracht aan Arabië, maar Paulus vermeldt dat zelf in zijn brief aan de Galaten, waar ik het eerder over had. Hij zegt dat hij, nadat hij geroepen was — hij was eerst blind, kwam vervolgens in aanraking met Chananjah en werd gedoopt en gewassen — onmiddellijk naar Arabië is gegaan. Dat lezen we in Galaten 1. Daar heeft de Heer hem nader geïnstrueerd en onderwezen, en is Hij aan hem verschenen. Arabië is de plek waar de Heer ook ooit eerder was verschenen en de wet aan Israël had gegeven; dat aspect komt ook in Galaten 4 terug.⟨/p> ⟨p>Het gaat me nu even om de chronologie. Na zijn doop is hij vertrokken naar Arabië en daarna is hij weer teruggekeerd naar Damascus, wat je leest in Handelingen 9:19. In de synagogen van Damascus heeft Paulus toen ook gepredikt. Daar werd de grond hem echter te heet onder de voeten, want hij deed dat met zoveel verve dat er een moordaanslag op hem beraamd werd en hij via de muur moest ontsnappen. Vervolgens vluchtte hij naar Jeruzalem. Dat was feitelijk een vlucht, maar het was wel drie jaar later. In Handelingen 9 zou je dat niet direct zo zeggen, want daar wordt helemaal niet over zo'n tijdsverloop gesproken, maar vanuit Galaten 1 weten we dat daar drie jaar tussen heeft gezeten. Dus hij werd geroepen, is in Arabië geweest, heeft gepredikt in Damascus, er werd een moordaanslag op hem beraamd en toen is hij naar Jeruzalem gegaan. Dat was drie jaar na zijn roeping. Wanneer hier dus staat: "het gebeurde echter terugkerende tot in Jeruzalem", dan is dat een kwestie van Schrift met Schrift vergelijken; het was drie jaar na zijn roeping.⟨/p> ⟨p>Het gebeurde bij die terugkeer naar Jeruzalem dat hij bad in de tempel en in extase geraakte. Hij was dus in Jeruzalem, meer specifiek in de tempel. Daar was hij in gebed en hij raakte in extase. Ook hier zie je het Griekse woord ⟨em>ekstasis⟨/em>. Dat is interessant, want wij kennen dat woord natuurlijk ook. 'Extase' is een Grieks woord, we kennen het ook als 'ecstasy'. 'Ek' betekent 'uit' en 'stasis' heeft te maken met 'staan'. De gedachte is dat je dan buiten jezelf staat; het is het 'buiten jezelf zijn'. In de NBG-vertaling staat trouwens 'zinsverrukking'. In de herziene Statenvertaling staat bij hoofdstuk 22 vers 17 hetzelfde: 'zinsverrukking'. De Telos-vertaling gebruikt 'geestvervoering'. Dat zijn allemaal uitleggingen van wat dit woord inhoudt. Eigenlijk, als je het gewoon goed wilt weergeven, moet je het onvertaald laten, en dat heb ik gedaan. Hij raakt in extase en daar is een goede reden voor om het zo te laten staan; het is namelijk gewoon een Nederlands woord.⟨/p> ⟨p>Ik moet er nog bij zeggen dat je in 2 Korinthe 12 leest dat Paulus ook in een extase was. Of dat dezelfde gelegenheid is, is maar zeer de vraag. Het wordt soms beweerd, maar ik denk het niet. In 2 Korinthe 12 zegt hij: "Ik weet van een mens in Christus, veertien jaar geleden..." Dat kan trouwens nooit deze gebeurtenis zijn, want dat was al veel langer geleden, wel zeventien of achttien jaar. Waar het mij om gaat, is dat het ook daar om een extase ging. Hij zegt: "Of het in het lichaam was, weet ik niet, of dat het buiten het lichaam was, weet ik niet." Buiten het lichaam; dan sta je dus 'uit' jezelf. Hij zegt dat hij het niet weet, maar hij weet wel dat het kennelijk niets met zijn lichaam te maken had, anders zou hij wel geweten hebben of het in het zintuiglijke lichaam was of niet. Wij zouden inderdaad zoiets zeggen als een geestvervoering; dat lijkt mij op zich een aardige uitleg. Hij raakte dus in extase, waarbij de Heer Zelf aan hem verscheen. In 2 Korinthe 12 lees je dat de Heer hem optrok in de derde hemel en dat hij daar dingen heeft gezien. Dat is hier opnieuw het geval: het is de Heer die aan hem verschijnt terwijl hij in extase is. Hij nam Hem waar, terwijl de Heer tot hem zei: "Haast je en kom snel uit Jeruzalem."⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4516" title="Speel af vanaf 01:15:16">▶ 01:15:16⟨/button> ⟨span>De Waarschuwing van de Heer: Jeruzalem Zal Uw Getuigenis Niet Aannemen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Paulus is na een paar jaar teruggekeerd in Jeruzalem. Hij is nu in de tempel en raakt buiten zichzelf. Het is de Heer zelf die hij dan waarneemt en die tot hem zegt: "Maak dat je wegkomt uit Jeruzalem." Waarom? Dat wordt verklaard doordat zij van jou – ook van jou, of zelfs van jou – geen getuigenverklaring omtrent Mij zullen aannemen. We praten hier over een gebeurtenis die in Handelingen 22 wordt beschreven, maar Paulus blikt hier terug op een verblijf eerder in Jeruzalem nadat hij geroepen was, drie jaar na zijn roeping. Toen al, in Handelingen 9, toen hij in Jeruzalem was, is de Heer aan hem verschenen en is er tegen hem gezegd: "Wegwezen hier uit Jeruzalem, want ze zullen van jou geen getuigenverklaring omtrent Mij aannemen."⟨/p> ⟨p>De Heer zegt dus: zelfs van jóu niet. Van Petrus deden ze het niet en Stefanus hadden ze kort tevoren – een paar jaar eerder – officieel vermoord. Dat was door Jeruzalem gebeurd, door het Sanhedrin; die hadden hem omgebracht. En nu wordt tegen Paulus gezegd: jij, die fanatieke Jood die in hetzelfde stramien liep als dat hele Sanhedrin waar jij ooit een knechtje van was, een aspirant-lid min of meer, ze zullen van jou geen getuigenverklaring omtrent Mij aannemen. Ook van jou niet. Tegen Paulus wordt dus al bij zijn eerste bezoek in Jeruzalem gezegd dat het hem niet gaat worden. Jeruzalem zal de Heer niet aanvaarden, zelfs niet als jij daarover gaat spreken. Eigenlijk wordt de tegenstand steeds heftiger. Ik vind het heel belangrijk om ons goed te realiseren wanneer dit tegen hem gezegd wordt: al bij zijn eerste verblijf in Jeruzalem. Jeruzalem zou niet luisteren.⟨/p> ⟨p>Dan volgt de reactie van Paulus: "Heer, zij zijn zelf op de hoogte dat ik het was die degenen die op U vertrouwden in de cel zette en per synagoge afranselde." Dat deed hij eerst in Judea, in het vertrouwde gebied van het land zelf, en vervolgens, toen het daar gedaan was, ging hij naar het buitenland. Zij weten dat en zijn daar zelf van op de hoogte. Paulus’ reactie vertolkt zijn eerste gedachte: "Als er iemand is van wie ze het zouden aannemen, dan ben ik het wel." Hij heeft gedacht: "Misschien voor Stefanus niet, maar nu voor mij zullen ze het wel aannemen." Maar de Heer zegt: "Nee, jou ook niet." Dan begrijpt u trouwens ook waarom Paulus altijd weerzin gehad heeft om naar Jeruzalem te gaan. De Heer had hem al bij zijn eerste bezoek aan Jeruzalem verteld dat hij daar niet veilig was. Ze zullen niet naar jou luisteren, ook niet naar jou, ondanks wat jij allemaal gedaan hebt. En Paulus vult dat in zijn reactie nog eens een keertje aan.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-12" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4791" title="Speel af vanaf 01:19:51">▶ 01:19:51⟨/button> ⟨span>Kroongetuige Stefanus en de Aflegde Mantel van Israëls Heerlijkheid⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We hadden het er zojuist even over. En toen het bloed, zegt Paulus dan, toen het bloed werd vergoten van Stefanus, de getuige van U. Stefanus hoorde er ook bij, maar hier wordt hij genoemd: de getuige van U. Dat is mooi, want eigenlijk is Stefanus zelfs een kroongetuige. Waarom? Nou, ik zal het u uitleggen. Stefanus betekent ‘kroon’ of ‘krans’. En waar spreekt Stefanus over? Stefanus spreekt over de verworpen Jezus die door God is gesteld tot Heer en tot Christus en verheerlijkt is. Hij is de Koning. Dus hij is met recht een kroongetuige, in de dubbele zin van het woord; in twee dubbele zinnen van het woord: een getuige van de kroon.⟨/p> ⟨p>Nou, die Stefanus, door wie wordt hij gedood? Wel, laat ik het even erbij lezen. Het was het Sanhedrin. Dat wil zeggen: het officiële leiderschap, de leiding van het volk, de officiële vertegenwoordigers van het volk. Zij hebben deze Stefanus omgebracht. En daar staat erbij — dat is wat Paulus nou tegen de Heer zegt: "Toen het bloed werd vergoten van Stefanus, stond ik er zelf ook goedkeurend bij en ik bewaakte de bovenkleding, de mantels van degenen die hem uit de weg ruimden."⟨/p> ⟨p>Stefanus was daar niet alleen maar getuige van; Saulus heeft dat gesupport. Hij was zelf toen nog een jonge man, zo lees je in Handelingen. Hij had zelf toen nog niet eens de leeftijd bereikt om daadwerkelijk in aanmerking te komen voor een officiële positie, maar hij was al een aspirant-lid. Want hij had het in het Jodendom verder geschopt dan vele van zijn tijdgenoten. Dus ja, hij was een man die het in de godsdienstige wereld van die dagen ver zou gaan schoppen. Een veelbelovende, intelligente jongeman, opgeleid in de beste school en met een geestdrift en een fanatisme waar iedereen een puntje aan kon zuigen. Zo eentje was dat.⟨/p> ⟨p>En toen het Sanhedrin die Stefanus ombracht, stond hij daar goedkeurend bij en hij bewaakte de bovenkleding. Dat is mooi als je daar typologisch ook over doordenkt, want de bovenkleding, de mantel, is in de Bijbel altijd een type van heerlijkheid. Niet zo moeilijk, we zeggen ook: "Kleren maken de man." De mantel is iemands glorie. Denk maar aan — wie denk je dan het eerst? Ja, maar ik bedoel ook een Bijbels voorbeeld. Dan denk je aan de geschiedenis van Jozef: de mantel van Jozef. Of de mantel van Elia die dan weer overgaat. In ieder geval is dat een demonstratie van glorie.⟨/p> ⟨p>Maar als je daar even over doordenkt, wat hier gebeurde toen Stefanus werd vermoord en zijn bloed werd vergoten. Dan lees je dus dat de leden van het Sanhedrin hun mantels, hun bovenkleding, hun heerlijkheid afleggen. Israël ontdoet zich — de officiële vertegenwoordiger van het volk ontdoet zich feitelijk van hun heerlijkheid, van hun glorie. Dat is wat er gebeurt. En bij wie wordt dat neergelegd? Bij Saulus. Dus Israël ontdoet zich van haar heerlijkheid op het moment dat zij de kroongetuige vermoordt; Israël ontdoet zich van haar glorie. En bij wie komt die heerlijkheid dan terecht? Ja, dan is het Saulus die dat beheert en bewaakt. Ja, dat is weer een ander voorbeeld van mantelzorg. Dat doen ze: ze ontdoen zich van hun heerlijkheid.⟨/p> ⟨p>Afijn, Paulus is daar dus bij, goedkeurend; hij bewaakt de bovenkleding. Paulus is in extase, en nu is het de Heer zelf die vervolgens daar kort op reageert. Het is belangrijk wat je nu leest.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-13" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="5120" title="Speel af vanaf 01:25:20">▶ 01:25:20⟨/button> ⟨span>Het Breekpunt in Handelingen: de Zending Naar de Natiën Ver Weg⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dit 21ste vers van hoofdstuk 22 is een heel belangrijk moment in het boek Handelingen. En Hij, de Heer, die Saulus aanspreekt, zei tot mij: "Ga." Kort daarvoor had Hij gezegd dat hij moest wegwezen uit Jeruzalem, want ze zouden van hem geen getuigenverklaring aannemen. Paulus sputtert nog tegen: "Maar ik... voor mij niet." Maar dan zegt de Heer: "Ga, Ik stuur je naar de natiën ver weg."⟨/p> ⟨p>Dat komt er dus gewoon op neer dat missie Jeruzalem voorbij is. Het is over. Ze luisteren niet. Dit wordt verhaald in Handelingen 22, maar het grijpt terug naar de geschiedenis van Handelingen 9. Saulus heeft vanaf het begin geweten, vanaf het moment dat hij daar in Jeruzalem was, dat ze de Heer niet zouden aannemen. Jeruzalem zou het getuigenis van de Messias niet accepteren en daarmee wist Paulus vanaf dit moment ook meer dan de twaalf. De twaalf waren immers gezonden naar Jeruzalem en tot Israël, opdat zij tot erkenning zouden komen van de Messias. Saulus wordt echter geroepen en hem wordt meteen te verstaan gegeven: ze zullen het niet horen. Hij wordt gestuurd naar natiën die ver weg zijn. Dat kun je geografisch aanduiden, maar de natiën staan ook in geestelijk opzicht ver weg.⟨/p> ⟨p>En dan staat er: "Zij hoorden hem echter aan tot dit woord." Dit is het laatste wat Paulus daar in Jeruzalem mocht zeggen; dit is echt zijn afscheidsboodschap. Alles wat hij tot dusver verteld heeft, konden ze nog aanhoren, maar bij dit moment is het over en uit. Waarom? Dit was in feite Paulus' pinksterboodschap. Dat is een beetje ironisch, want als we het hebben over de pinksterboodschap, dan denken we aan Handelingen 2, toen Petrus in Jeruzalem sprak terwijl de Geest op hen neerdaalde en hij daar getuigenis van aflegde. Maar dit was de pinksterboodschap van Paulus.⟨/p> ⟨p>Denk nog even terug: Paulus moest naar Jeruzalem toe en hij wist dat hij gevangen genomen zou worden. Maar waarom moest hij precies met Pinksteren in Jeruzalem zijn? Het antwoord is: om dit te vertellen. Hij moest tegen Jeruzalem gaan vertellen dat bij zijn roeping al was gezegd dat hij een getuige zou zijn, maar ook dat ze het niet zouden horen. Op Paulus rustte de zware taak om tegen Israël te zeggen: het is voorbij. In Handelingen 28 lees je dat hij uiteindelijk vertelt dat dit heil van God naar de natiën werd gezonden, maar hier is hij nu in Jeruzalem, in het hol van de leeuw. Hier moest hij het gaan vertellen: Jeruzalem luistert niet, en nu gaat de boodschap en de zegen naar de natiën toe.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-14" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="5395" title="Speel af vanaf 01:29:55">▶ 01:29:55⟨/button> ⟨span>De Grote Ergernis: Zegen voor de Natiën Door Israëls Verwerping⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En ze verhieven hun stem, zeggende: "Weg van de aarde met zo iemand! Want hij behoort niet te leven." Tot dusver hebben ze hem dus aangehoord, en nu klinkt massaal deze reactie. Kijk, wat was nou – om het eventjes samen te vatten voordat we de volgende keer verdergaan bij vers 23 – de reden waarom dit nou zo’n enorme ergernis was?⟨/p> ⟨p>Kijk, de orthodox-joodse visie van al die mensen die daar beneden stonden en tot wie Paulus zich richtte, hield in dat zij ook wel geloofden dat er heil was voor de natiën. Maar weet je hoe? Als Israël hersteld wordt, dan zal de zegen vanuit een hersteld Israël en vanuit Jeruzalem naar de natiën gaan. Dat is wat zij geloven. Dat is trouwens ook zo; zo zal het ook in de toekomst gaan. Maar wat Paulus nu vertelt – en kijk het maar na, je vindt het al in de Romeinenbrief – is dat de zegen niet door Israëls herstel naar de natiën gaat, maar juist door Israëls verwerping. Jeruzalem aanvaardt het niet, en dan gaat de boodschap en de zegen naar de natiën, met voorbijzien van Jeruzalem en Israël.⟨/p> ⟨p>Het is dus niet, zoals ik in de Studiebijbel las, dat de ergernis alleen was dat Paulus hier Jood en heiden op één voet zet. Nee, het is nog sterker: hij zegt dat Jeruzalem de zegen niet krijgt en dat het naar de natiën gaat. Dat zeggen tegen een volk dat zich superieur waande boven de natiën, verklaart deze reactie: "Weg van de aarde met zo iemand, want hij behoort niet te leven!" Dit was Paulus' finale boodschap. Alles wat we nu nog gaan lezen, tot we bij Handelingen 28 zijn, is niets anders dan de echo van dit woord en het effect dat dit vervolgens heeft: hoe hij gevangen genomen wordt en hoe hij uiteindelijk in Rome terechtkomt. Het is allemaal vanwege dit getuigenis.⟨/p> ⟨p>Reken maar dat dat voor hen een ondenken is geweest. Ook voor de twaalf, want – ik onderstreep het duizendkoppig wat hier naar voren wordt gebracht – dit was niet alleen de orthodox-joodse visie, dit was ook wat de twaalf dachten. Dit was het evangelie van de besnijdenis: Israël komt tot geloof, en als Israël tot geloof komt, dan gaat de zegen naar de natiën. En nu gaat Paulus vertellen dat Israël niet tot geloof komt en niet zal luisteren, maar dat de zegen naar de natiën gaat juist door het ongeloof van Israël. Dat was bij de profeten verborgen. Dat is de verborgenheid die we feitelijk in de Efeziërsbrief vinden.⟨/p> ⟨p>Er is ook nog een hele mooie gedachte over de bruid. Wat is de heerlijkheid van een bruid? Dat is toch haar kleding, nietwaar? Die kleding wordt afgelegd, maar uiteindelijk komt het daar toch weer terecht. Maar met die tussenpozen... dit is echt een breekpunt. Dus ja, als Paulus dit gezegd heeft en hij wordt aangehoord, dan volgt deze reactie. Maar goed, hij was al door de Heer Zelf ingeleid en opgeleid. Hij wist dit – ik heb dat inmiddels al diverse keren benadrukt – al sinds Handelingen 9. Bij die schroom die hij iedere keer had als hij naar Jeruzalem ging, is hij met lood in de schoenen gegaan. Hij móést dit gaan vertellen.⟨/p> ⟨p>Paulus' boodschap was een boodschap voor alle mensen, maar tegelijkertijd is zijn boodschap aan Israël heel dramatisch. Namelijk dat waar de profeten over gesproken hebben en wat jullie verwachten, nu niet in vervulling gaat door jullie ongeloof. En dat mocht hij in Jeruzalem gaan vertellen. Ik versta het zo dat Paulus vanaf zijn eerste verblijf in Jeruzalem al geweten heeft dat Jeruzalem de boodschap niet zou aannemen. Dat hij eerst naar de synagoge ging, was juist om dat ook tegen de synagoge te vertellen. Vandaar ook die enorme reactie van aversie en ongeloof ten opzichte van Paulus' boodschap. Maar goed, het wordt geparkeerd en wordt vervolgd. Dat is trouwens ook vrij dubbelzinnig als ik zeg "wordt vervolgd". Ja, met recht een blinde vlek. Zullen we het hierbij laten dan?⟨/p>