⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Terugblik op Paulus' Aankomst in Jeruzalem⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Het is inmiddels de drieëndertigste avond dat we stilstaan bij het boek Handelingen. De vorige keer hebben we al uitgebreid gekeken naar het eenentwintigste hoofdstuk en daar gaan we vanavond mee verder. We zagen toen iemand die wellicht niet reageerde zoals hij zou moeten reageren – wat daar ook de reden voor geweest mag zijn. Zoals gebruikelijk is het goed om even in herinnering te roepen wat we de vorige keer hebben besproken.⟨/p> ⟨p>Ik beperk me hierbij tot de aankomst van Paulus in Jeruzalem. Dat was rond Pinksteren in het jaar 57 van onze jaartelling. We moeten daar niet al te dogmatisch over doen, maar het moet ongeveer in dat jaar hebben plaatsgevonden dat Paulus in Jeruzalem arriveerde. Het was het feest van Pinksteren, of zoals dat in het Jodendom heet: het Wekenfeest. Paulus was daar gearriveerd met een hele delegatie, want hij had een grote collecte georganiseerd in het buitenland en was nu daarmee naar Jeruzalem gekomen. Hij wist wat hem te wachten stond; het was hem van stad tot stad betuigd, en we hebben dat ook uitgebreid gezien: boeien en verdrukking stonden hem te wachten als hij daadwerkelijk in Jeruzalem zou aankomen.⟨/p> ⟨p>Wanneer hij daar arriveert, heeft hij een ontmoeting met de voorman in Jeruzalem. Als ik spreek over de voorman, dan moet u denken aan een enorme gemeenschap van tienduizenden Joden die allemaal gelovig waren in Jezus als de Messias. Er staat van hen geschreven dat zij allemaal ijveraars voor de wet waren. Paulus heeft dan een ontmoeting met Jakobus – eigenlijk Jacob, wat op zichzelf een zeer betekenisvolle naam is. Het is deze Jakobus die elders de 'broeder des Heren' wordt genoemd, wat wil zeggen dat hij de halfbroer van Jezus was. Paulus en Jakobus hadden elkaar al bij meerdere gelegenheden ontmoet, maar bij dit gesprek waren ook de senioren, de ouderen van de ekklesia van Jeruzalem, aanwezig.⟨/p> ⟨p>Tijdens deze ontmoeting hoort Paulus over zijn niet-wetgetrouwe reputatie. Het verhaal ging namelijk dat hij in het buitenland afval van Mozes predikte. Die reputatie had hij onder al die tienduizenden Messias belijdende Joden. Ik noem ze even zo, omdat dat de term is die we meestal gebruiken voor Joden die geloven dat Jezus de Messias is en die zich tegelijkertijd in meerdere of mindere mate aan de gebruiken houden. Paulus stond bij hen zeer negatief bekend. Dat was niet alleen maar iets wat rondzong in de wandelgangen, maar het werd ook echt onderwezen. In de scholen en bijeenkomsten werd verteld: die Paulus deugt niet, en wel om die specifieke reden.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="245" title="Speel af vanaf 04:05">▶ 04:05⟨/button> ⟨span>De Raad van Jakobus: Deelnemen aan de Nazireeër Gelofte⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Daarom is het zo dat Jakobus aan Paulus aanraadt zich te voegen bij een viertal mannen die onder een Nazireeërs gelofte stonden. Zo wordt dat hier niet direct genoemd, maar uit de wijze waarop het vervolgens beschreven wordt, kun je dat er direct uit opmaken. Ze stonden onder een gelofte en aan het einde van die gelofte zou hun haar geknipt worden en moesten de offers gebracht worden. Welnu, Paulus voegt zich bij dat gezelschap; dat wordt hier ook aangeraden. Door dat te doen, zou hij daarmee ook demonstreren dat hij wel degelijk ook zelf als Jood meeging in de gebruiken, en dat het niet waar was dat hij de Joden in het buitenland zou afraden of zou zeggen dat ze dat niet zouden moeten doen.⟨/p> ⟨p>We hebben daar toch ook wel vrij uitgebreid bij stilgestaan. We hebben met opzet vooral zijn brieven daarbij even buiten beschouwing gelaten, want dat is natuurlijk een thema dat zo dikwijls terugkomt. Met name de Galatenbrief staat erom bekend, maar ook in de Kolossenzenbrief, in de Efezebrief en in de Romeinenbrief vinden we het terug. Ach, ik zou wel zeggen: in welke brief niet? De thema's die hier worden aangesneden, die hier eigenlijk het grote item waren, brengt hij zo dikwijls in zijn brieven naar voren. Maar we kijken er hier vooral naar vanuit historisch oogpunt. Dat wil zeggen zoals Lucas dat als historicus in zijn geschiedenisverslag heeft opgetekend.⟨/p> ⟨p>We hebben dus daarmee gezien dat Paulus zelf meeging in de gebruiken van de wet. Dat heeft hij zijn hele leven ook gedaan. Hij predikte echter de vrijheid, ook voor de Jood. De natiën waren daaraan sowieso niet onderworpen. Dat was trouwens ook geen issue in Jeruzalem. De natiën waren vrij van de onderhouding van de wet. Aanvankelijk was dat ook nog een punt, maar dat was jaren eerder al besloten en beslist; in Handelingen 15 lezen we dat.⟨/p> ⟨p>Het was een heel veelzeggend gebaar dat Paulus daarbij deed, want Paulus stemt in met die raad. Feitelijk is het ook zo dat hij hen daarmee vrijkoopt van de gelofte. We hebben ook daar met een typologische bril naar gekeken, omdat het feitelijk ook weer zijn boodschap representeert. Het representeert namelijk Israël, dat onder de gelofte stond: het oude verbond. "Al wat de Heer geboden heeft, dat zullen wij doen." Feitelijk is dat het oude verbond. Welnu, ze zijn daarvan bevrijd; ze zijn daarvan vrijgekocht. En dat is wat Paulus ook in die daad dan uitbeeldt.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="439" title="Speel af vanaf 07:19">▶ 07:19⟨/button> ⟨span>Valse Beschuldigingen over de Tempel Door Joden uit Azië⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>In de tempel, als hij daar dan mee bezig is, wordt Paulus opgemerkt door Joden uit Asia. Dat waren mensen die hem maar al te goed kenden, en die hij zelf ook heel goed kende vanwege zijn jarenlange verblijf daar in Asia en Efese. Je leest heel uitdrukkelijk dat deze Joden uit Asia hem opmerken en hem schreeuwend aanwijzen: "Dit is de mens die iedereen overal onderwijst tegen het volk, de wet en deze plaats" – de tempel dus. Daar zie je precies wat de aanklacht was. Hij was in hun ogen feitelijk anti-Joods. Natuurlijk was Paulus zelf Joods, dat wisten zij ook wel, maar wat hij deed en predikte, betekende in hun beleving en optiek eigenlijk gewoon de ondergang van het volk. Hij ging tegen de wet in en tegen de tempel.⟨/p> ⟨p>"Dit is de mens." Het is op zich eigenaardig dat het zo geformuleerd wordt. Waarschijnlijk werd er hier in Jeruzalem al vaker gesproken over die ene mens die daar in het buitenland zulke kwalijke dingen zei. "Nou, dit is die mens, hier heb je hem!" En nu zeggen ze ook nog eens dat hij bovendien een specifieke daad heeft begaan die de directe aanleiding vormt voor de beschuldigingen. Hij wordt er namelijk van beschuldigd Grieken in de tempel te hebben gebracht. Dat was, om het eufemistisch te zeggen, een misverstand. Eigenlijk was het zelfs geen misverstand; het was gewoon onwaar. Maar in zekere zin was er wel een aanleiding voor deze gedachte. Ze hadden hem namelijk eerder in Jeruzalem opgemerkt met Trofimus, en van hem staat vast dat hij inderdaad een Griek was. Nu zagen ze Paulus weer en dachten ze: "O, nu heeft hij die Trofimus, met wie we hem de hele tijd zagen optrekken, dus ook nog in de tempel gebracht."⟨/p> ⟨p>Je moet weten dat dit een doodzonde was. Dat is letterlijk zo, want als iemand als heiden – als niet-Jood, als een gooi – binnen de sorek kwam, de omheining van de tempel, dan stond daar de doodstraf op. Dat kon je destijds zelfs op inscripties op bordjes nalezen: degene die dat deed, was des doods schuldig en moest zonder meer geëxecuteerd worden. U begrijpt dus wel dat als je dat deed, dat echt je dood betekende. Het was niet waar, maar dit is wat er overal geroepen en geschreeuwd werd; dat zijn de termen die in dit verband worden gebruikt.⟨/p> ⟨p>Letterlijk was het natuurlijk niet waar, maar in de geest klopte het in zekere zin wel. We hebben dat al verschillende keren gezien. Paulus spreekt daar later ook over in de Evese brief: dat God vandaag een geestelijk bouwwerk maakt, een geestelijke tempel waarin Jood en heiden één zijn en het verschil tussen die beiden totaal geen rol meer speelt. Daarin vormen mannen zoals Trofimus – en wij natuurlijk net zo – gelijkelijk met Joden één geestelijk bouwwerk, omdat dat onderscheid er helemaal niet meer toe doet. Dus in die zin is het waar. Maar als het gaat om het fysieke tempelplein, die specifieke plaats in Jeruzalem, dan had Paulus dat niet gedaan. Maar goed, hij wordt er dus wel van beschuldigd.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="692" title="Speel af vanaf 11:32">▶ 11:32⟨/button> ⟨span>Oproer in de Stad en Romeins Ingrijpen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dat gezegd hebbend, geraakte de hele stad in rep en roer. We hebben dit al besproken, maar ik lees het even opnieuw om de draad weer op te pakken voor het vervolg. De hele stad werd bewogen en er ontstond een samenloop van het volk. Terwijl zij Paulus vastpakten, trokken zij hem buiten de tempel en onmiddellijk werden de deuren gesloten. Dat vind ik een veelzeggende manier van spreken, want dit is letterlijk zo gegaan. De Romeinen ondernamen meteen actie. Vanuit de burcht Antonia had men zicht op dat tempelplein en toen daar zo'n oproer ontstond, werden onmiddellijk de deuren gesloten.⟨/p> ⟨p>Maar het is natuurlijk ook geestelijk waar: op dat moment ging de deur dicht. Ik ben dan altijd geneigd om eraan toe te voegen: en er gingen vensters open. Dat is waar. Maar deze deuren werden onmiddellijk gesloten. Terwijl zij hem bovendien zochten te doden — en als de beschuldiging waar was geweest, was dat strikt genomen nog legaal geweest ook — kwam de melding boven bij de hoofdman over duizend.⟨/p> ⟨p>Die hoofdman wordt trouwens bij naam genoemd. Dat is tekstkritisch gezien een wat omstreden vers, maar in Handelingen 24:7 wordt er nog een keer naar terugverwezen. Het duurt nog een tijdje voordat we daar zijn, want we zitten nu in Handelingen 21 en voordat we bij hoofdstuk 24 aankomen, zijn we weer enige maanden verder. In ieder geval wordt daar teruggegrepen op deze gebeurtenis hier in Handelingen 21. Daar staat: "Maar de hoofdman over duizend, Lysias..." Ik geloof dat hij elders nog Claudius Lysias genoemd wordt. Deze hoofdman over duizend is tussenbeide gekomen en heeft hem met groot geweld buiten hun bereik gebracht. Dat is een beschrijving van wat we hier in Handelingen 21 vinden. Die man wordt daar met name genoemd omdat hij een hele grote en ook de meest belangwekkende rol speelde.⟨/p> ⟨p>Ik zat even te denken, dat ambt heeft nog een speciale naam. Je leest een vers later over de hoofdman over honderd, maar hij was de hoofdman over duizend. Hij had een specifieke titel en een bepaalde politieke bevoegdheid met een groot gezag. Ik ben inmiddels 56, dus ik kom even niet meer op de naam. Nee, niet Praetorium, dat is de plaats waar hij later vanuit de burcht naartoe gebracht wordt. Het gaat over de naam van dat ambt. De Griekse term voor een hoofdman over duizend is chiliarchos. Dat is het woord dat hier gebruikt wordt. Maar het had nog een naam, al geloof ik dat die in Handelingen niet specifiek genoemd wordt. Neem me niet kwalijk, ik breng nu iets ter sprake wat ik vervolgens niet direct af kan maken. Maar goed, in ieder geval: als je een hoofdman over duizend man bent, dan begrijp je wel dat je heel wat manschappen onder je hebt.⟨/p> ⟨p>De melding kwam 'boven'. Dat is trouwens wel interessant en ik heb u de vorige keer beloofd dat ik een plaatje zou meenemen over hoe u zich dat ongeveer moet voorstellen. Nu moet ik er eerlijkheidshalve aan toevoegen dat wat u hier ziet een plaatje is uit een boek van Ernst Martin. Een aantal van u kennen deze naam wel. Hij heeft een dikke pil geschreven, en later nog meer boeken, getiteld ⟨em>The Temples That Jerusalem Forgot⟨/em>. Zijn onderzoek daarover is wat omstreden, maar buitengewoon boeiend. Waar het in de kern op neerkomt, is dit.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="973" title="Speel af vanaf 16:13">▶ 16:13⟨/button> ⟨span>Intermezzo: de Exacte Locatie van de Tempel en Burcht Antonia⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Wat hij naar voren brengt, is dat wat wij vandaag de dag over het algemeen het tempelplein noemen, abusievelijk zo wordt aangeduid. Dat klopt niet; het is niet het tempelplein. Die berg heet de Haram el-Sharif. Hij zegt: dat is niet de locatie van de voormalige tempel, maar dat is de Romeinse legioenplaats, oftewel de burcht Antonia. Daar waren duizenden, tienduizenden Romeinen gelegerd.⟨/p> ⟨p>Ten zuiden daarvan bevond zich de eigenlijke tempel. Om het te visualiseren: als dit het Kidrondal is, dan sta ik hier vanaf de oostkant op de Olijfberg. Wat wij nu het tempelplein noemen, waar de Dome of the Rock staat, was volgens dr. Martin – zo breng ik het even naar voren, zoals op dit plaatje te zien is – niet het tempelcomplex. De tempel lag ten zuiden daarvan. Ik zeg dit even terzijde, want het is een onderwerp apart en het doet voor dit hele verhaal niet eens zo heel veel ter zake, maar het is wel boeiend wat hij zegt. De Westmuur, de Klaagmuur (the Wailing Wall), wordt altijd aangewezen als een overgebleven stuk van de tempel. Hij zegt echter: "Nee, dat is geen muur van de tempel, want daar zou geen steen op de andere blijven." Hij stelt dat dit een stuk muur is van de Romeinse burcht Antonia, gewoon van de bezetters dus, de Romeinse bezetters.⟨/p> ⟨p>David Silaf – ik was net even zijn naam vergeten, maar deze weet ik weer – is een paar keer in ons midden geweest. We hebben hem destijds uitgenodigd via Rijtse Keizer. David Silaf heeft het stokje overgenomen na het overlijden van dokter Martin en hij heeft hier uitgebreid over gesproken, ook over allerlei aanverwante kwesties betreffende de precieze locatie van de tempel. Wat hij dus zegt, is dat de tempel van Salomo en ook die van Herodes een stukje zuidelijker lagen dan altijd wordt aangenomen. Dat is boeiend genoeg. Ik moet er eerlijk bij zeggen dat ik er zelf nog niet helemaal uit ben, maar ik volg het met grote belangstelling. We zullen zien.⟨/p> ⟨p>De reden waarom ik het nu noem, is dat één ding in ieder geval onomstreden is, ongeacht de precieze lokalisatie: je had de tempel en daar direct naast en boven de burcht Antonia. Dat blijkt ook uit deze beschrijving in Handelingen. Men zocht Paulus te doden en toen kwam de melding 'boven' – dat staat er letterlijk zo – in de hoger gelegen burcht Antonia bij de hoofdman. De burcht had uitkijkposten, wat logisch is, zodat men overzicht had over de hele stad en vooral over de tempel, het centrum van Jeruzalem. Mocht er een volksoproer uitbreken, dan kon men direct ingrijpen.⟨/p> ⟨p>Op de trappen van die burcht speelt het zich af. Paulus was inmiddels al buiten het tempelcomplex getrokken, dat hebben we zojuist gelezen. Er was een ruimte tussen de tempel en de burcht Antonia waar het volk zich bevond. Paulus wordt de trappen opgedragen en uiteindelijk houdt hij bovenaan die trappen zijn rede. Het is als het ware zijn spreekstoel, maar nu loop ik even vooruit op wat we straks gaan lezen.⟨/p> ⟨p>De melding kwam boven bij de overman van de legerafdeling dat geheel Jeruzalem in verwarring 'wordt' gebracht. Niet 'werd', maar 'wordt'; dat proces was op dat moment in volle gang. Deze overman over duizend nam direct soldaten en hoofdmannen over honderd met zich mee. Dat betekent dat hij minstens tweehonderd soldaten heeft meegenomen. Hij liep naar beneden op hen af, wat logisch is als je vanuit de burcht naar het volk toe gaat.⟨/p> ⟨p>Toen het volk de hoofdman over duizend en de soldaten waarnam – er kwamen immers ineens allemaal gewapende mannen, Romeinen, aan – schrokken ze terug. Omdat hij meerdere hoofdmannen bij zich had, moeten het er minstens tweehonderd zijn geweest, misschien wel drie-, vier- of vijfhonderd militairen. Allemaal soldaten die daar naartoe kwamen. Toen zij die overmacht waarnamen, hielden ze op Paulus te slaan.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1364" title="Speel af vanaf 22:44">▶ 22:44⟨/button> ⟨span>Paulus Wordt Gevangengenomen en Geboeid⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En toen naderde de hoofdman over duizend en pakte hij Paulus vast. Hij beval dat hij met twee ketenen gebonden zou worden. Hier gaat dan ook in vervulling wat we eerder in Handelingen 21 lazen, namelijk wat Agabus, die profeet die hen in Caesarea aantrof, had voorzegd. Hij was speciaal vanuit Jeruzalem naar Caesarea gegaan met één boodschap: dat Paulus gebonden zou worden en overgeleverd zou worden in de handen van de natiën. Nou, hier is dat precies wat aan de orde is. Hij zou gebonden blijven in zekere zin, want hij werd gevangen genomen. Het gaat hier trouwens, heb ik begrepen, over letterlijke handboeien. Waarschijnlijk is hij dan ook met beide handen geboeid en aan een Romeinse soldaat vastgebonden.⟨/p> ⟨p>Je leest al eerder dat Agabus als laatste daarvoor heeft gewaarschuwd, maar in Handelingen 20 lees je de rede die Paulus op het strand van Milete heeft gehouden. Daar zegt hij al, wanneer hij afscheid neemt: "En nu, neem waar, ik ga gebonden in de geest naar Jeruzalem, niet waargenomen hebbend wat mij daar tegemoet komt." Dat wil zeggen: dat weet ik niet, behalve dan dit: wat me allemaal gaat overkomen weet ik niet, behalve dan dat de heilige geest van stad tot stad mij betuigt, zeggende dat mij boeien en verdrukkingen wachten. Nou, die boeien kreeg hij nu dus inderdaad om.⟨/p> ⟨p>Het is eigenlijk in die zin voor Paulus echt een ommekeer, deze gebeurtenis. Handelingen 21 echoot ook in het hele vervolg van Handelingen nog na, want hier wordt hij gevangen genomen in Jeruzalem. Het zou nog een hele tijd duren voordat hij Jeruzalem zou verlaten; hij werd vervolgens gevangen gezet in Caesarea omdat er een moordaanslag op hem beraamd werd. Uiteindelijk komt hij vanwege deze gevangenschap, vanwege deze boeien, in die positie. Paulus wijst er nog wel eens een keertje op dat hij een gevangene in boeien was. "Een gezant," zegt hij, "een gezant, een ambassadeur in boeien." Die gevangenschap is hier begonnen, hier in Jeruzalem bij deze gelegenheid waar we het nu over hebben. Dit is dus echt weer een mijlpaal in de hele historie van Paulus.⟨/p> ⟨p>Die hoofdman over duizend pakt Paulus vast en beveelt dat hij met twee ketenen gebonden zou worden. En hij, die hoofdman dus, informeerde om vast te stellen wie hij mocht zijn en wat hij gedaan had. Dat vind ik dan toch wel weer heel contrastrijk als je dat zo vergelijkt, want dit is namelijk de correcte weg. Het staat in contrast met wat de Joden zojuist in de tempel hadden gedaan: een valse beschuldiging. Als ze hadden geïnformeerd, hadden ze geweten dat het niet waar was. Dit was gewoon voor hen een aanleiding om eindelijk hun slag te slaan, maar het was niet correct. En dat waren de religieuze Joden die daar massaal in de tempel waren, juist vanwege deze feestelijke gelegenheid. Het is een Romeinse man, een heiden die God niet kent — we mogen aannemen dat niets in die richting wijst, maar in ieder geval een Romein — die de correcte weg bewandelt door in ieder geval te informeren, zodat hij wist met wie hij te maken had en wat Paulus dan misdaan had. Dat is natuurlijk de enige juiste route. De natiën aan de ene kant, in contrast met de godsdienstige Joden aan de andere kant.⟨/p> ⟨p>In de schare echter, zoals Lucas het hier allemaal optekent... het is haast filmisch. Je kunt het je zo voorstellen hoe dat ongeveer gegaan moet zijn. Het is een buitengewoon massaal gebeuren; de hele stad raakte in rep en roer. Je kunt je voorstellen dat er door een enorme menigte wordt geschreeuwd en geroepen. In de schare riep de één dit en de ander dat hem toe, zodat de één dit en de ander dat wijst erop dat de ene hem hiervan beschuldigt en de andere daarvan. Zo krijg je dat; op een gegeven moment weet je het helemaal niet eens meer. Heel veel mensen zullen ongetwijfeld niet eens echt geweten hebben waar het eigenlijk om ging. Bovendien, als de één dit roept en de ander dat, dan werden ze ook nog eens onverstaanbaar daardoor.⟨/p> ⟨p>Toen de hoofdman vanwege het rumoer niet met zekerheid te weten kon komen wat er aan de hand was, beval hij hem tot in de legerplaats — dat is hier de kazerne, de burcht Antonia — te leiden. Dit was om hem even te isoleren en om vanuit het rumoer en al dat geschreeuw in rust de waarheid aan het licht te kunnen brengen. Maar toen hij op de trappen kwam, geschiedde het dat hij gedragen moest worden door de soldaten vanwege het geweld van de schare. Het is dus niet alleen maar geschreeuw geweest, maar dat was sowieso al duidelijk. Nu echter, ondanks het feit dat er ingegrepen was van Romeinse zijde en dat er zoveel soldaten waren, was er nog steeds sprake van geweld van de schare en moest Paulus dus beschermd worden.⟨/p> ⟨p>Ook dat is weer zo veelzeggend: Paulus wordt hier door Romeinen beschermd tegen zijn eigen Joodse volksgenoten. Hoe veelzeggend! Waardoor Paulus een gevangene is — hij zegt dat later in de Efezebrief, maar bij allerlei andere gelegenheden misschien ook weer op een andere manier — hij zegt in Efeze 3 vers 1: "Ik ben een gevangene voor jullie natiën." En dat is hij. Hij is door het volk van Israël in hun hoofdkwartier in Jeruzalem gevangen genomen en het is juist daar dat de Romeinen hem moesten beschermen voor zijn eigen volk.⟨/p> ⟨p>Als je dan eventjes de film laat terugdraaien naar hoe dat ooit begonnen was met Saulus: hij was van hetzelfde laken een pak, een kampioen dan ook nog wel. Nou ja, dat zullen we straks ook nog wel zien als hij het woord gaat nemen. Maar dit is wel heel veelzeggend, want de menigte van het volk volgde al schreeuwende: "Weg met hem!" Ook hier hoor ik weer een echo, want waar kennen wij dat van? Dat er geschreeuwd werd "Weg met hem!"? Je leest in Lukas en Johannes dat dat ooit al, trouwens op dezelfde locatie daar bij de tempel in Jeruzalem, geschreeuwd werd: "Weg met hem! Wij willen niet dat deze verder leeft." Zo Meester, zo volgeling.⟨/p> ⟨p>Trouwens, als we even later kijken, op dezelfde dag nadat Paulus van wal is gestoken, dan lees je dat hij op een gegeven ogenblik geïnterrumpeerd wordt. Dan roepen ze opnieuw weer: "Weg met hem!" In hoofdstuk 22 vers 22 lees je dat: "Weg van de aarde met zo iemand, want hij behoort niet te blijven leven." Dus de menigte van het volk had al lang besloten wat er met hem moest gebeuren. Toen hij bovendien op het punt stond de legerplaats, de kazerne, binnengeleid te worden, nam Paulus het woord. Je leest dat Paulus tot de hoofdman over duizend zei: "Is het mij geoorloofd iets tot u te zeggen?" Een hele beleefde, fatsoenlijke, vriendelijke vraag. Nadat hij dat gevraagd heeft, krijgt hij de verbaasde reactie.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2013" title="Speel af vanaf 33:33">▶ 33:33⟨/button> ⟨span>De Overste Verwart Paulus met een Egyptische Opstandeling⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De hoofdman zei met nadruk: "Ken jij Grieks?" Het wordt een beetje ingewikkeld natuurlijk, want het was in een Joodse, Hebreeuwse entourage, dat zullen we straks ook zien. De algemene taal in die dagen was echter Grieks; vergelijk het een beetje met ons Engels, stel ik me zo voor. Paulus spreekt hier tot een Romein, en een Romein spreekt, zoals u begrijpt, doorgaans Latijn. Of Paulus dat ook gesproken heeft, dat is een goeie vraag. Zijn er aanknopingspunten? Wat heb je, Menno? Ik weet het ook niet; het is eigenlijk voor het eerst dat ik mezelf die vraag stel, of Paulus Latijn heeft gesproken. Maar in ieder geval lees je hier dat de hoofdman hem in het Grieks deze vraag stelt, en dan met name: "Ken jij Grieks?" De verbazing klinkt daarin door.⟨/p> ⟨p>Nou, of Paulus Grieks kende! Een groot gedeelte van het Nieuwe Testament is van zijn hand opgetekend in mooie Griekse letters. Die hoofdman had namelijk een heel ander idee over zijn identiteit. Die was hem nog helemaal niet duidelijk geworden vanwege dat enorme rumoer en het geschreeuw. Nu hoort hij Paulus Grieks tot hem spreken, of in ieder geval een Griekse vraag stellen, en ineens realiseert hij zich dat hij niet te maken heeft met de persoon van wie hij dacht dat Paulus zou zijn. Hij zegt: "Dus jij bent niet de Egyptenaar die voor deze dagen oproer maakte?"⟨/p> ⟨p>Kennelijk was dat zeer recentelijk nog gebeurd, vandaar dat deze hoofdman hem met die man verwarde. We weten vanuit de Schrift weinig over die gebeurtenis, maar er zijn wel wat buitenbijbelse bronnen die melding maken van deze Egyptenaar die dat oproer veroorzaakt heeft, zo ergens halverwege de jaren vijftig van onze jaartelling. Deze man claimde een profeet te zijn. Heel eigenaardig, want je leest dat hij in de woestijn een leger van vierduizend man om zich heen verzameld had. Die man beloofde iets: hij beloofde namelijk dat de stad Jeruzalem zou vallen, zoals ooit in de dagen van Jozua de muren van Jericho vielen. Toen is hij met dat leger van vierduizend man naar de Olijfbergen gegaan, kennelijk in afwachting daarvan. Hoe dat verder allemaal is afgelopen is een ander verhaal, maar in ieder geval was het feitelijk een guerrillabeweging.⟨/p> ⟨p>Dit heeft heel veel weg van een valse profetie van iemand die wel de klok heeft horen luiden. De profetie is namelijk dat de Messias ooit daar in de woestijn een volk om zich heen zou verzamelen, dat Hij vervolgens zou keren naar de Olijfberg en dat bij die gelegenheid ook de stad Jeruzalem zou vallen. Dat klopt, alleen dacht die man dat híj het was. Bovendien was het de foute persoon op de foute tijd. De locatie was goed, maar dat was dan ook alles. Het was vals.⟨/p> ⟨p>In ieder geval, hoe dat dan verder ook geweest mag zijn, deze Romeinse hoofdman verwart Paulus met die Egyptenaar. Hij zegt: "Jij bent dus niet die Egyptenaar die voor deze dagen oproer maakte en de vierduizend mannen van de Sicariërs uitleidde tot in de woestijn?" "Bandieten", zegt de NBG-vertaling kort gezegd. Sicariërs is het Griekse woord dat hier wordt gebezigd, maar dat komt dan weer uit het Latijn, van het woord 'sica', wat dolk betekent. Vandaar natuurlijk dat de NBG-vertaling van bandieten spreekt. Ik weet niet wat de Statenvertaling zegt... ook bandieten? Moordenaars? Nou ja, dat ligt dan ook wel voor de hand, want als je een dolk in je handen hebt, dan doe je dat doorgaans niet om brood te snijden, neem ik aan.⟨/p> ⟨p>Vierduizend mannen van de Sicariërs dus. Het idee was dat zij van een Joodse partij waren die je trouwens in het Nieuwe Testament vaker tegenkomt: de Zeloten. 'IJveraars' betekent dat letterlijk, maar dat was in feite een gewelddadige beweging die zich verzette tegen de Romeinse bezetters. Zij weigerden niet alleen belasting te betalen aan de Romeinse keizer, maar vonden ook echt dat ze de verantwoordelijkheid hadden om het Romeinse juk van zich af te werpen. Het waren dus wat wij vrijheidsstrijders noemen. Je had verschillende van zulke bewegingen en hier wordt er een specifiek genoemd.⟨/p> ⟨p>De Romeinse hoofdman denkt met Paulus die Egyptenaar in handen te hebben, maar dat is een groot misverstand. Paulus was helemaal geen vrijheidsstrijder. Hij was wel een prediker van de vrijheid, dat wel, maar hij had niets met geweld te maken, totaal niet. Paulus was niet de aanvoerder van een jihad, hoewel hij wel spreekt van een strijd. Maar dat is een geestelijke strijd. De wapenen van onze veldtocht zijn niet vleeslijk, maar krachtig voor God tot het slechten van bolwerken. Ik weet het nog goed, want juist een paar weken geleden heb ik in Zoetermeer daar nog over mogen spreken. Afijn, Paulus wordt met die Egyptenaar verward, maar de Romein realiseert zich nu: "Ah, je bent het dus toch niet." En Paulus zegt inderdaad: "Ik ben een Joods mens."⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2430" title="Speel af vanaf 40:30">▶ 40:30⟨/button> ⟨span>Een Joods Man en Burger van de Universiteitsstad Tarsus⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dat wil zeggen, ik ben niet die Egyptenaar waar jij het over hebt. Ik ben een Joods mens, zo zegt hij dat. Ik ben een Tarser. Daar moet je even bij stilstaan, want een Tarser is gewoon een inwoner van Tarsus. Die stad Tarsus is al verschillende keren in het boek Handelingen genoemd. In Handelingen 9 vers 11 lees je al over Saulus van Tarsus, zo wordt hij dikwijls genoemd. Het was het Tarsus van Cilicië. Tarsus lag tegen de Zuid-Turkse kust, zouden wij nu zeggen, en dit was de provincie Cilicië. Hoe groot die precies was weet ik ook niet, maar in ieder geval lag Tarsus in deze streek.⟨/p> ⟨p>Dit Cilicië moeten we niet verwarren met Sicilië. Dat is iets heel anders, want dat is Zuid-Italië. En trouwens, dit Tarsus moet ook niet verward worden met Tarsis, dat in Spanje ligt. Je leest van Jona dat hij met een schip op weg ging naar Tarsis. Typologisch denk ik dat het alles met Tarsis te maken heeft, maar dat is een ander verhaal. In ieder geval was dat een andere stad, aan de oostkust van Spanje, vlak bij het huidige Barcelona. Maar hier gaat het dus om Tarsus in Cilicië.⟨/p> ⟨p>Paulus zegt: "Inderdaad, ik ben een Joods mens, een Tarser van Cilicië, burger van een niet onbetekenende stad." Je moet je realiseren dat Paulus dat ook met reden en met gepaste trots kon vermelden. Want er waren, zo heb ik begrepen, drie universiteitssteden waar hoger opgeleiden werden getraind. Dat was Athene, de stad bij uitstek die nog steeds bekendstaat om haar wijsheid. Maar er was nog een stad: Alexandrië. Dat ligt daar ook ergens in de buurt en daar had je trouwens ook een heel grote Joodse nederzetting, Joodse gemeenschappen is een beter woord. En bij Athene en Alexandrië hoorde ook Tarsus, waar Paulus vandaan kwam. Dus als Paulus zegt dat het een niet onbetekenende stad is, dan gaat het niet eens zozeer over de omvang van de stad, maar over het feit dat het een stad was die een enorme invloed had en bekendstond vanwege de vele kenners die zij vertegenwoordigde.⟨/p> ⟨p>Paulus neemt hier de juiste, correcte houding aan. Per slot van rekening hebben we te maken met een man die nu geboeid is, hoewel hij overigens Romeinse burgerrechten heeft. Maar hij is een geboeide man en hij spreekt tot een hoofdman over duizend, de man die daar bij uitstek de leiding heeft over de Romeinen in Jeruzalem. Hij zegt: "Ik smeek u, sta mij toe om tot het volk te spreken." Hij vraagt heel nederig en beleefd of hij het woord mag voeren tegen die enorme, schreeuwende en rumoerige menigte. Heel bescheiden stelt hij die vraag.⟨/p> ⟨p>De hoofdman stond dit toe, en waarschijnlijk heeft hij dat gedaan in de veronderstelling dat Paulus het volk weer rustig zou krijgen. Deze man was een Romeinse hoofdman en zijn verantwoordelijkheid was het om de stad Jeruzalem in het gareel te houden. Zeker in die tijd, met het Pinksterfeest, waren er honderdduizenden mensen en pelgrims in de stad samengestroomd. Het was zijn hoofdverantwoordelijkheid om te zorgen dat het allemaal rustig zou verlopen; dat was zijn militaire functie. Als Paulus daaraan zou kunnen bijdragen om het volk weer stil te krijgen, was dat meegenomen. Misschien heeft hij ook meteen in de gaten gehad: dit is helemaal geen bandiet of oproerkraaier, dit is een beschaafde man uit Tarsus, een stad bekend om haar kennis. Bovendien was dit een man die op een heel bescheiden en beleefde manier zijn vraag stelde in het Grieks. De hoofdman dacht waarschijnlijk dat hij in staat zou zijn om het volk tot rust te krijgen. Dat is in eerste instantie ook het geval, maar daarna wijzigt de situatie. Dat zullen we nog wel zien.⟨/p> ⟨p>Terwijl hij dit nu toestond, stond Paulus bovenaan de trappen. Het is eigenlijk een film die hier draait; het wordt heel filmisch beschreven. Je ziet het tafereel zo voor je ogen voltrekken, maar nu zitten we even stil en kijken we naar het plaatje. Het volk bevindt zich daar beneden en Paulus staat daarboven aan de trappen. Paulus, in politieke termen een Romein vanwege zijn Romeins burgerrecht, staat bovendien op een wel heel Romeinse plek, namelijk bij de burcht Antonia. Hij spreekt van bovenaf het Joodse volk toe.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2838" title="Speel af vanaf 47:18">▶ 47:18⟨/button> ⟨span>Een Typologisch Beeld: Paulus Spreekt Vanuit een Romeinse Positie⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Paulus spreekt dus vanaf een Romeinse positie. Ik bedoel dat letterlijk: hij spreekt het Joodse volk daar beneden toe. Dat is precies wat hier beschreven wordt, maar het is natuurlijk ook een geestelijke waarheid. Dit is typerend. Ik kan het niet bewijzen, maar als Lucas dit zo heeft opgetekend, moet hij toch dezelfde associaties gehad hebben. Wat zal er allemaal door Paulus' hoofd gegaan zijn? Het is een hele bijzondere vaststelling: vanuit de Romeinse positie — laat ik het anders zeggen: vanuit de natieën, vanuit de Romeinse burcht, wordt het volk, hier specifiek Jeruzalem, toegesproken. Zie daar feitelijk de positie van Paulus als afgezant van Christus Jezus.⟨/p> ⟨p>Hij was de apostel van de natieën. Misschien mag ik daar even wat over zeggen, want die uitdrukking 'de apostel van de natieën' wordt meestal opgevat — en naar mijn mening ten onrechte — met de betekenis: "Paulus richt zich tot de natieën". Dat is weliswaar waar, maar dat is niet de volledige betekenis van die uitdrukking. Paulus is een apostel van de natieën, wat wil zeggen dat hij daar ook bij hoort, als Romein. Trouwens, ook de naam Paulus suggereert dat. Saulus is zijn Joodse naam, Paulus is in ieder geval zijn heidense naam, om het zo te zeggen. Maar Paulus hoort bij de natieën en als apostel van de natieën richt hij zich juist ook tot Israël.⟨/p> ⟨p>Ik twijfel even of ik dat nu hard mag maken, maar laat ik één aanwijzing geven in die richting. Ik ga het voorlezen ook, want ik heb er geen dia van; het is even een intermezzo, een 'Paulus-moment' zeg maar. In Romeinen 11 vers 13 lees je: "Ik spreek tot u, natieën, juist omdat ik apostel der heidenen, apostel van de natieën ben. Acht ik dit de heerlijkheid van mijn bediening?" Dus juist omdat hij apostel van de natieën is, acht hij dit de heerlijkheid van zijn bediening. Waarom? "Dat ik zo mogelijk de na-ijver, de jaloezie van mijn vlees en bloed mocht opwekken en enigen uit hen zou behouden." Wat was dus de heerlijkheid van Paulus' bediening als apostel van de natieën? Dat hij juist zijn eigen volk zou bereiken en enigen uit hen zou behouden. Paulus wist al dat hij het volk als geheel niet meer zou bereiken, dat wist hij vanaf het begin, maar hij spreekt hier dus eigenlijk vanuit de heidense wereld tot het volk.⟨/p> ⟨p>Feitelijk wat je hier ziet, is een prachtige uitbeelding. Hij staat daar bovenaan die hoge trap, op een Romeinse plek, en hij spreekt zo tot het volk. Eigenlijk is dit het Nieuwe Testament: God die door lieden van een vreemde tongval vanuit de natieën tot dit volk spreekt. Ziet u? Dat is ook de betekenis van het teken van het spreken in talen. God spreekt tot Israël, zoals al door Jesaja was voorzegd, maar Hij doet dat vanuit de natieën. Er zijn meer van dat soort plaatjes. Denk bijvoorbeeld aan de Heer Jezus bij de Zee van Galilea. De schare staat daar op de oever en dan lees je dat de Heer Jezus in het schip gaat en van wal steekt. Vanuit de zee spreekt Hij tot het volk op het land. Het is een ander plaatje, maar met dezelfde betekenis: vanuit de zee — een beeld van de volkerenzee — spreekt Hij tot het volk.⟨/p> ⟨p>Zo gaat het hier ook weer toe, en dan ook nog op een hogere positie, want ik ben weer even terug bovenaan de trappen. Paulus is ook in geestelijk opzicht verheven boven het volk. Alles wat hij te melden heeft — de zegeningen waar hij over spreekt — is van een hogere orde dan wat Israël op aarde ooit zal bezitten. God zegent vandaag een volk dat Hij uitroept vanuit de natieën, gezegend met elke zegening te midden van de hemelse regionen. Dat zijn zomaar wat associaties.⟨/p> ⟨p>Het is overigens opmerkelijk dat dit de laatste officiële toespraak tot het Jodendom is, en hier specifiek tot Jeruzalem. We hebben er heel wat gelezen in het boek Handelingen: Petrus op de Pinksterdag, later in Handelingen 3 bij de genezing van de verlamde man, en Stefanus die zich richtte tot het Sanhedrin — officieel tot Jeruzalem. Maar hier in Handelingen 21 is het voor het laatst. Het is eigenlijk een afscheidsrede. Paulus staat daar bovenaan de trap en spreekt het volk van Jeruzalem toe. Hij was hier letterlijk door de Romeinen op handen gedragen de trap op. Hoeveelzeggend! Op handen gedragen door de Romeinen stond hij daar nu hoog en droog om het volk toe te spreken. Dit is waar hij dus stond.⟨/p> ⟨p>Ik zie dat het negen uur is, dus ik stel voor dat we eerst even gaan pauzeren en dan gaan we straks verder met wat Paulus allemaal te melden heeft.⟨/p> ⟨p>Goed mensen, zullen wij weer verder gaan? Hier stond Paulus dus. U heeft de hele pauze naar dat plaatje kunnen kijken. Vanuit de hoogte stond hij daar en hij zou het volk gaan toespreken. Tot nu toe was dit allemaal nog inleiding, want dan lees je: "Terwijl hij dit nu toestond, stond Paulus boven aan de trappen, gebarend met de hand naar het volk." We hebben al gezien dat hij met ketenen aan zijn handen gebonden was. Hij was geboeid, en hij zou vervolgens ook het volk gaan boeien, maar dan in een andere zin.⟨/p> ⟨p>"Gebarend met de hand". Ik kan me zo voorstellen dat je dan een gebaar maakt naar het volk. En dan blijkt vervolgens wat voor effect dat gebaar heeft, want "toen er nu veel zwijgen ontstond...". Dat is misschien een beetje raar geformuleerd, maar stelt u zich de enorme omwenteling eens voor. Het was een gigantisch lawaai; de hoofdman over duizend verstond niet eens de conversatie met Paulus en moest hem isoleren. En nu keert het om: er ontstond veel zwijgen. Paulus maakt dat gebaar — kennelijk een gebaar waardoor het volk stilhield. Nog niet helemaal compleet, want dat zullen we straks ook nog zien, maar er ontstond veel zwijgen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3418" title="Speel af vanaf 56:58">▶ 56:58⟨/button> ⟨span>Paulus Spreekt het Volk Toe in de Hebreeuwse Omgangstaal⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Hij riep in de Hebreeuwse omgangstaal, zeggende... In het Hebreeuws staat er letterlijk: Hebreeuws dialect. Hier ons woord ‘dialect’ is gewoon een Grieks woord: ⟨em>dialecto⟨/em>. U ziet het hier; zelfs als je geen Grieks kunt lezen, begrijp je dat hier ⟨em>dialecto⟨/em> staat. Een dialect hoef ik niet uit te leggen, dat is geen taal, want het woord ‘taal’ is een ander woord in het Grieks. Het is de omgangstaal. Nou, ik hoef dat in Katwijk niet uit te leggen. Nee, ik ben ook import, ik kan het niet eens goed doen, dus ik zal het ook verder niet proberen. Nee, nee, nee. Maar ja, vergis je niet: Katwijk lag in de Romeinse sferen aan het uiterste noordwesten van het Romeinse Rijk. Dit was de grens. De Rijn, de Brittenburg, Valkenburg, Rijnsburg; dat was de natuurlijke grens van het Romeinse Rijk, omdat de Rijn hier de zee in stroomde. Daarom waren er ook Romeinse legerplaatsen, waarschijnlijk niet zo groot als die daar in Jeruzalem, stel ik me zo voor, maar goed. Hoe kom ik daar nu op? Ja, vanwege die omgangstaal, een Hebreeuws dialect.⟨/p> ⟨p>Meestal zegt men dat dit Aramees geweest moet zijn, dat dan heel veel weg heeft van het Hebreeuws. Ik weet niet of dat zo is, maar als men dat zegt, sluit ik me daar direct bij aan. Dit zijn de officiële... ik heb dit ook gelezen in de handboeken: het is vermoedelijk het Aramees geweest, want dat was de voertaal in die tijd in het land Israël. En dat was een Hebreeuws dialect, dat wil zeggen dat het afkomstig was van en gerelateerd aan het Hebreeuws. Maar u weet hoe dat gaat met dialecten: er zijn Nederlandse dialecten waar je helemaal niks meer van verstaat, ondanks dat het Nederlands is. En dat is met het Hebreeuwse dialect wat Paulus hier sprak wellicht ook het geval geweest.⟨/p> ⟨p>Dat is wel opmerkelijk, want Paulus sprak tegen een Romein. Ik attendeerde er al even eerder op: hij sprak eerst Grieks tegen die Romeinse man en nu spreekt hij Hebraeus tot het volk. Eerst ging het over dat Grieks en nu gaat het over het Hebraeus. En eigenlijk is dat ook wel een Paulinische volgorde. Ja, hij zegt elders: eerst de Jood en dan ook de Griek, dat is waar, maar in Kolossenzen lees je dat er geen onderscheid is en dan zegt hij: Griek of Jood. Feitelijk was het verwijt aan zijn adres dat de natiën een voorrang kregen. Hij was ook een afgevaardigde van de natiën. Zo sprak hij tot het volk, maar hij paste zich wel maximaal aan zodat er geen hindernissen waren: de Joden een Jood. En hij deed iets wat al die gasten uit Asia, die die oproer hadden veroorzaakt, niet konden. Ik heb daar het een en ander over gelezen; ik kan het niet direct Bijbelstaven, maar ik kan me er wel iets bij voorstellen. Dat waren buitenlandse Joden die misschien wel een woordje Hebraeus konden verstaan, maar ja, dat waren toch buitenlanders. Het waren geen echte Hebreeën.⟨/p> ⟨p>Paulus was een Hebreeër. Zo zegt hij dat ook, hè? Een Hebreeër. Hij zegt op diverse plaatsen, zoals in de Filippenzenbrief: een Hebraïer. Hij zegt daar... er staat ‘een Hebraïer uit de Hebraïeren’, nee, dat staat er niet, er staat: ‘een Hebraïer der Hebraïeren’. Ik ben de Hebraïouste van allen, dat is de gedachte. Je hebt het Heilige der Heiligen en de Hebraïer der Hebraïeren. Hij was een Hebraïer, ondanks het feit—en daar zie je dus die combinatie van eigenschappen van Paulus—dat hij een Romein was en uit het buitenland kwam. Dat is allemaal waar.⟨/p> ⟨p>Nu ontstond er veel zwijgen. Hij riep hen toe—er was geen geluidsversterking en hij moest daar die grote menigte gaan toespreken. Dan moet je echt schreeuwen om je verstaanbaar te maken. Toen riep hij in de Hebreeuwse omgangstaal, zeggende: “Mannen, broeders en vaders.” Zo staat het ook in de Hebreeuwse vertaling. Daarmee vereenzelvigt hij zich met het volk door hen zo toe te spreken, zo broederlijk en familiair letterlijk. Alleen al door hen zo aan te spreken, niet alleen doordat hij Hebraeus spreekt, maar ook door hen zo aan te spreken als broeders en vaders—de senioren stel ik me zo voor, de ouderen—ontkracht hij ook het verwijt dat je even eerder in vers 28 leest: “Dit is de mens die allen overal tegen het volk en deze plaats en de wet leert.” Nee, helemaal niet. Hij is een Hebraïer, hij spreekt Hebraeus en hij spreekt met de hoogste achting nu tot dat volk wat daar samengedromd is. Hij spreekt hen aan als broeders, als vaders. Hij zegt ook in de Romeinenbrief over “mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees”. Hij had een voortdurend hartzeer voor hen, een kloppend hart voor zijn volk. Hij was één van hen.⟨/p> ⟨p>Hij zegt: “Hoort nu mijn verdediging naar jullie toe.” Dat is wel een interessant woord dat hier gebruikt wordt; we zullen het nog wel vaker tegenkomen in de komende hoofdstukken. Want er volgen nogal wat keren dat Paulus het woord gaat voeren in uitgebreide toespraken, die meerdere keren het karakter van een verdediging hebben. Hier wordt in het Grieks het woordje ⟨em>apologia⟨/em> gebruikt. Dat kennen wij wel, tenminste, ik weet niet in hoeverre u daarvan op de hoogte bent, maar het is ook een vak op de theologische hogescholen: apologetiek. Dat betekent, of het heeft nu de betekenis gekregen van het verdedigen van het geloof, maar het betekent eigenlijk gewoon letterlijk: zich verdedigen. Paulus ging het er trouwens niet zozeer om zichzelf te verdedigen, maar inderdaad om datgene waar hij voor stond te verdedigen met argumenten. Want dat is ook het idee van apologetiek: niet alleen dat je preekt of dat je mensen bemoedigt, nee, dat je weet waar je het over hebt en dat je de aanvallen die op je gericht worden kunt pareren. Dat je antwoord kunt geven op de vragen die gesteld worden en de kritiek kunt weerleggen. Dat is allemaal gelegen in dat woord verdediging.⟨/p> ⟨p>Hij zegt: “Hoort mij nu aan, hoort nu mijn verdediging naar jullie toe.” Toen ze echter hoorden dat hij hen in de Hebreeuwse omgangstaal toeriep, hielden ze zich des te meer rustig. Ik zei al: er ontstond veel zwijgen, maar het geroezemoes ging, stel ik me zo voor, nog wat door. Maar op het moment dat hij daar bovenaan die trap gaat roepen en hen gaat toespreken in het Hebreeuwse dialect, toen hielden ze zich des te meer rustig. Toen werd het dus, stel ik me zo voor... als er al veel zwijgen was en er nu ‘des te meer rustig’ ontstaat, dan wordt het ineens hartstikke stil. Wat een enorme omslag van een gigantische herrie, een lawaai waar niks in verstaan kon worden, naar nu ineens zo rustig en zo stil.⟨/p> ⟨p>Hij sprak met nadruk; dat moet je wel doen als je zo’n menigte zonder geluidsinstallatie toespreekt. Hij sprak met nadruk: “Ik ben een Joods man.” Ook hier weer de nadruk: ik ben net als jullie een Jood. Ik ben een Joods man, maar geboren in Tarsus. Daar hadden we het al eventjes over. Deze combinatie is typerend: een Jood en een Romein. Tarsus was trouwens ook een stad waaraan het recht van zelfbestuur was toegekend door Rome. Tarsus was een stad van standing, ook in dat opzicht. Dat maakte hem dus ook Romein; je leest ook dat hij dat zegt: een burger van Tarsus. Geboren in Tarsus van Cilicië. Nou, dat hoef ik niet meer uit te leggen, want dat had hij tegen die hoofdman over duizend ook al gezegd. Maar, zegt hij, ik ben weliswaar daar geboren...⟨/p> ⟨p>Maar ik ben grootgebracht in deze stad. Op welke leeftijd die verhuizing heeft plaatsgevonden? Geen idee. Bij mijn weten zijn er ook geen Bijbelse aanknopingspunten. Maar in ieder geval... wij zeggen dan: geboren en getogen. Dat zeg ik ook van mezelf: ik ben geboren in Haarlem, maar getogen in Aalsmeer. Dáár ben je grootgebracht. En op welke leeftijd hij in deze stad, dat wil zeggen Jeruzalem, terecht is gekomen, weet ik niet.⟨/p> ⟨p>We weten wel – en dat komen we later nog tegen – dat de zuster van Paulus kennelijk ook in Jeruzalem woonde. Dus kennelijk is de familie al in Paulus' heel jonge jaren verhuisd naar Jeruzalem, zodat Paulus ook daarom gemakkelijk de Hebreeuwse taal kon spreken. Hij was gewoon één van hen en hij was de taal volledig machtig geworden. U weet: als je heel jong een taal leert, dan hoort niemand een verschil. Het wordt al lastiger wanneer je je als 20-, 25- of 30-jarige een taal nog eens een keertje eigen moet maken; dan blijf je het altijd horen. Maar een kind... Paulus is als kind dus al vertrouwd geraakt met dat Hebreeuwse dialect waarin hij hen nu toespreekt.⟨/p> ⟨p>Wat er precies aan de hand was met die zuster en dat neefje – want die zuster had ook nog een kind, een jongen die op de hoogte raakte van een moordaanslag en vervolgens zijn oom Paulus benaderde – dat doet er nu verder niet toe. In ieder geval is de familie kennelijk al in een heel vroeg stadium verhuisd naar de stad. Laat ik me puur houden aan de tekst. Hij zegt: "Ik ben geboren in Tarsus", maar in ieder geval ben ik grootgebracht in déze stad.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4221" title="Speel af vanaf 01:10:21">▶ 01:10:21⟨/button> ⟨span>Opgeleid in de Wet aan de Voeten van Gamaliël⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Aan de voeten van Gamaliël... Die naam kennen we. Tenminste, in onze studieserie zijn we hem eigenlijk nog niet zozeer tegengekomen, want wij zijn pas ingestapt toen de figuur van Saulus ter sprake kwam. 'In de voetsporen van Paulus', zo heet de serie immers. We zijn ingestapt bij Handelingen 7, maar Gamaliël wordt al genoemd in Handelingen 5. Hij was dé voorman, of in ieder geval één van de voormannen, van het Sanhedrin, de Joodse Raad. Als Paulus dan zijn naam noemt — "ik ben grootgebracht aan de voeten van Gamaliël" — dan is dat echt een naam die klinkt als een klok.⟨/p> ⟨p>Laten we daar even naartoe gaan, want in Handelingen 5 lees je de geschiedenis waarin Petrus en Johannes gevangen genomen zijn. Er wordt dan woordgevoerd in het Sanhedrin en daar lees je: "Maar een zeker Farizeeër in de Raad, genaamd Gamaliël, een wetgeleerde, in ere bij het hele volk, die stond toen op." Hij verzocht de mensen een ogenblik buiten te staan — het gaat hier een beetje verachtelijk over Petrus en Johannes — om hen even apart te zetten. Overigens was deze Gamaliël een gematigd man. Hij is degene die het grote conflict daar in het Sanhedrin tot bedaren brengt. Zijn raad was: "Als dit een beweging uit God is, dan moeten we onze handen hier niet aan branden, en als het niet uit God is, dan zal het vanzelf wel weer verdwijnen." Daar kwam het in feite op neer.⟨/p> ⟨p>Dat is interessant voor wie een klein beetje op de hoogte is van het Jodendom in de dagen van het Nieuwe Testament. Hij was de kleinzoon van Rabbi Hillel. Zegt die naam u wat? Ik heb hem ook nooit ontmoet, maar het is bekend dat je in die dagen twee grote scholen had, hoewel die namen in de Bijbel niet genoemd worden: Hillel en Shammai. Rabbi Hillel stond aan het hoofd van de ene school. Tik de naam Hillel maar eens een keertje in op Google en je vindt heel veel over hem. Hij is iemand geweest die voor een belangrijk deel de Talmoed heeft gevuld en ervoor gezorgd heeft dat allerlei uitspraken voor de Babylonische Talmoed werden verzameld. Dat was dus de opa van deze Gamaliël. Gamaliël was de kleinzoon van één van de allerbekendste Joden uit die dagen in het godsdienstige Jodendom, iemand die trouwens ook de reputatie had een gematigd man te zijn.⟨/p> ⟨p>Kleinzoon Gamaliël is in ieder geval in die voetsporen getreden. Ik moet er wel bij zeggen dat hij een leerling aan zijn voeten had zitten die nou niet bepaald gematigd was: Saulus. Paulus zegt erbij: "Ik ben grootgebracht in deze stad aan de voeten van Gamaliël." Dat is een beetje vreemd taalgebruik, maar niet in de context van de Bijbel. Het idee is altijd dat de leraar zit en de leerlingen aan zijn voeten zitten. Wij kennen dat als uitdrukking ook nog wel: aan iemands voeten zitten. Het betekent dat je in een luisterende positie onderwezen wordt. Paulus zegt: "Ik ben opgeleid, gedisciplineerd naar de stiptheid van de vaderen geërfde wet." Stiptheid, exactheid. De NBG-vertaling zegt: "met nauwgezette inachtneming van de vaderen geërfde wet." Paulus noemt zichzelf later in het boek Handelingen ook een Farizeeër. Eigenaardig genoeg doet hij dat in de tegenwoordige tijd: niet "ik was", maar "ik ben een Farizeeër". Hij komt uit die school, net als Gamaliël, en hij is daar met die nauwgezette inachtneming van de wet opgeleid.⟨/p> ⟨p>Ziet u wat Paulus hier doet? Dit is niet lijmen, slijmen of naar de mond praten; hij somt gewoon de feiten op waardoor zij ervan overtuigd zouden worden dat de man die voor hen staat — ze kijken vanaf de trappen allemaal naar hem op — in hetzelfde schuitje zat. Hij was een man die ooit precies zo was als zij nu zijn. Er is nog iets opmerkelijks als je naar de tekst kijkt. Hij zegt: "een ijveraar zijnde van de God, zoals jullie vandaag zijn." Met andere woorden: "Ik ben geen vreemde voor jullie, totaal niet. Ik ben echt één van jullie." Het feit dat hij dit in de tegenwoordige tijd zegt, geeft ook nog eens aan dat hij zegt: "Ik ben nog steeds zo'n ijveraar van de God." Geestdrift. Hier staat trouwens ook dat woordje waar ik het al eerder even over had: Zeloot. Een Zeloot is eigenlijk een ijveraar. "Ik ben een Zeloot, geestdriftig voor de God." Niet "was ik", maar "ben ik". Daar gaat het allemaal om in het hele Bijbelse getuigenis. Paulus had die geestdrift; hij is een ijveraar van de God, zoals zij dat vandaag zijn. Dat konden ze in ieder geval niet betwisten. Ze waren weliswaar vijanden van het getuigenis aangaande de Messias, maar dit feit staat vast. Nog steeds, dus.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-12" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4696" title="Speel af vanaf 01:18:16">▶ 01:18:16⟨/button> ⟨span>Paulus als Ijveraar en Felle Vervolger van 'de Weg'⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dus, ik die 'deze weg' vervolgde ten dode. Nou, dat zijn we nu inmiddels in de loop van de studies al heel wat keren tegengekomen, die uitdrukking 'de weg'. Ik heb het expres ook even tussen aanhalingstekens gezet waar hij zegt: 'deze de weg'. En dat was waarschijnlijk ook de aanduiding van hen die 'van de weg' waren; zij noemden zichzelf zo. Ze werden door anderen 'Christianen' genoemd. Je leest dat als 'christenen', maar vermoedelijk is dat een scheldnaam geweest. Zij noemden zichzelf niet Christianen; ze werden Christianen, christenen genoemd – Christians. Dat deed de buitenwacht. Nou, de buitenwacht noemt je meestal niet met een erenaam. Ze waren zeer omstreden en ze werden 'christianig' genoemd, maar ze noemden zichzelf mensen van 'de weg'.⟨/p> ⟨p>Iedere keer weer zijn we al deze plaatsen tegengekomen en bij meerdere gelegenheden hebben we daar nog wat uitgebreider bij stilgestaan. Ik herinner me nog heel goed toen we bij hoofdstuk 18 vers 26 waren. Dat weet u toch? Nee, dat was die geschiedenis van Apollos. En die was alleen op de hoogte van Johannes, van Johannes de Doper. Door Priscilla en Aquila wordt hij daarna op de hoogte gebracht van 'de weg'. Maar dan lezen we dat het er juist ook om gaat wat die Johannes de Doper deed. Wat was Johannes de Doper ook alweer? Ja, de wegbereider. Jesaja had al gezegd: 'Zie, een stem roepende in de woestijn, die de weg van de Heer zal bereiden'. En dat was Johannes. Johannes kwam om een weg te plaveien of een weg in gereedheid te brengen, namelijk die van de Messias. 'De weg' heeft eigenlijk Hebreeuwse wortels; die vind je al in de Hebreeuwse Bijbel, het Oude Testament. Jesaja had erover gesproken en het is een aanduiding van de Messias, die ook zei: 'Ik ben de weg, de waarheid en het leven'. Ja, 'de weg', zo noemden de gelovigen zich.⟨/p> ⟨p>En over 'deze weg' zegt Paulus tegen al die mensen daar: 'Die vervolgde ik ten dode'. Bindende en overleverende tot in cellen van gevangenissen, uiteraard. Ik vind het wel opmerkelijk dat hij dat zo zegt, terwijl hij zich nu zelf in zo'n positie bevindt. Zijn eigen lot was nu gebonden en hij werd overgeleverd. Hij spreekt nu het volk toe dat hem bond en overleverde, en die hem nu de dood wensten. Zelfs een paar minuten eerder deden ze nog pogingen om hem te vermoorden. Maar Paulus zegt: 'Wat jullie nu doen, dat was ik zelf ook. En niet zomaar eentje; ik was een kampioen'. Er was niemand die zozeer 'de weg' vervolgde als Paulus ooit in zijn jonge jaren. Bindende – dus boeiende – en overleverende tot in cellen, en dat ongeacht of het nou mannen of vrouwen waren.⟨/p> ⟨p>En dan zegt hij erbij... want Paulus moest... u begrijpt het wel, hè? Hij staat in Jeruzalem voor een enorme massa. Je mag aannemen dat daar toch ook prominenten onder het Joodse volk gestaan hebben. Paulus kon alleen maar dingen zeggen als die inderdaad klopten. En nu zegt hij: 'Dat wat ik nu over mezelf zeg, daarvan kan de hogepriester – dé man bij uitstek in het Jodendom – zelf getuigen'. Dus Paulus was bekend bij de hogepriester. 'Zoals ook de hogepriester getuigenis van mij geeft'. 'Getuigenisgevende' is het, hè? Dat staat in de tegenwoordige tijd. Moet u zich eens realiseren: we praten nu over het jaar 57 na Christus ongeveer. Dat Paulus zo'n vervolger was, was inmiddels al twintig jaar geleden. Inmiddels was Paulus al twintig jaar 'van de weg'... nee, 'op de weg'. Niet 'vórt van de weg'. Hoe verwarrend kan dat zijn? Maar het was ooit, halverwege de dertiger jaren, dat hij een paar jaar lang zo'n vervolger was, ten dode toe.⟨/p> ⟨p>En toen had je daar de hogepriester – u kent de naam: Kajafas. En het loutere feit dat Paulus zegt: 'zoals ook de hogepriester getuigenis van mij geeft' – 'gevende', dus nu nog steeds – betekent dat die Kajafas kennelijk nog steeds leefde. Hij kon dat bevestigen, of liever gezegd: hij bevestigde dat. Ze konden het zo bij die man navragen. En trouwens, hij zegt erbij: 'en heel de raad van ouderen, bij wie ik ook brieven ontving voor de broeders'. Dat wil zeggen: hij kreeg het officieel, zwart op wit. Het was niet alleen maar een mondelinge toezegging; nee, hij kreeg brieven met handtekeningen, gewoon gedocumenteerd, waarmee hij echt de boer op kon. Dat waren dus gewoon echt arrestatiebevelen of aanbevelingsbrieven van de hoogste instantie die je maar kunt bedenken binnen het Jodendom: van het Sanhedrin, ondertekend door de hogepriester.⟨/p> ⟨p>Heel boeiend trouwens. Ja letterlijk, 'boeiend'. Ik heb er hier even geen dia van, maar er staat in Handelingen 9 – vlak voordat de geschiedenis beschreven wordt waarin hij geroepen wordt – daar staat in vers 1 dit (ik zal er, als ik het op internet zet, nog wel even een diaatje bij zetten, maar leest u even met mij mee): 'En Saulus...' – o ja, dat is net nadat Stefanus gestorven is, waar Paulus, Saulus toen nog, ook een prominente rol in had gespeeld – en dan staat er: 'En Saulus, nog dreiging en moord blazende tegen de discipelen...' Hij was uit op hun dood. 'Nog dreiging en moord blazende tegen de discipelen van de Heer, ging...' Let op hoe het geformuleerd wordt: '...ging naar de hogepriester en vroeg van hem brieven naar Damascus voor de synagogen, om, als hij mannen en vrouwen die van de weg waren zou vinden, hen gevankelijk naar Jeruzalem te brengen'.⟨/p> ⟨p>Want dat kon je natuurlijk niet zomaar doen. Hoe dat precies juridisch in elkaar stak, weet ik niet, maar Paulus ging dus met brieven naar Damascus toe om daar mensen van 'de weg' te arresteren. Misschien waren er trouwens ook mensen bij die uit Jeruzalem gevlucht waren; ook dat kan heel goed. Ik ga dat nu verder niet uitleggen, dat doet nu niet ter zake. In ieder geval: de mensen die daar in Damascus waren, zou hij dan met de brieven van de hogepriester en het Sanhedrin kunnen arresteren en naar Jeruzalem brengen, zodat ze daar vervolgens in de gevangenis geworpen konden worden, of dat er in ieder geval een proces gestart kon worden. Maar dan moesten ze eerst gevangen genomen worden.⟨/p> ⟨p>En moet u eens opletten hoe dat geformuleerd wordt. Want er staat: 'Nog dreiging en moord blazende tegen de discipelen van de Heer...' Ging hij naar de hogepriester? En hij vroeg van hem – Saulus vroeg dus aan de hogepriester – brieven voor Damascus, voor de synagogen, om, als hij mannen en vrouwen die van de weg waren zou vinden, hen gevankelijk naar Jeruzalem te brengen. Bij wie ligt het initiatief? Bij Saulus! Het was niet de hogepriester, het was niet het Sanhedrin dat hem eropuit stuurde om naar Damascus te gaan. Nee, het was Saulus die het initiatief nam. Hij was het die de vervolging leidde en hij deed dat met goedkeuring en was geaccrediteerd door de officiële bevestiging van het hoogste gezag, van de hogepriester en het Sanhedrin. Maar het initiatief lag bij Saulus. Hij vroeg van de hogepriester om brieven. Hij is dus hoogstpersoonlijk naar de hogepriester gegaan en zei: 'Dat wil ik gaan doen'. Zie je ook hoe bijzonder die figuur van Saulus in dat verband is?⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-13" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="5319" title="Speel af vanaf 01:28:39">▶ 01:28:39⟨/button> ⟨span>De Eerste Der Zondaren, Overweldigd Door Gods Genade⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Hij was dus met recht de vervolger van de Ecclesia. Niet zomaar een vervolger, maar dé vervolger. Het initiatief lag in de eerste plaats bij hem. Dan begrijp je ook wat hij later in zijn brieven zegt. In 1 Korinthe 15 schrijft hij: "Ik ben een apostel en niet waard een apostel te heten." Een afgevaardigde van Christus de Heer. "Ik heb de Ecclesia van God vervolgd." Niet zomaar als een pionnetje, nee, als de grote aanvoerder. Hij was echt... We hadden het al even over zijn afkomst. Hij was een Hebreeër, maar hij was ook van de stam Benjamin. U kent die andere Benjamin nog wel, toch? Die heette ook Saulus: Saul. En dat was ook zo'n vervolger. Die had het gemunt op David. En nu, duizend jaar later in de geschiedenis, heb je weer een Saulus die de Zoon van David vervolgt. "Saul, Saul, wat vervolg je Mij?" Dus ook daarin hoor je weer de echo van de geschiedenis: Saul, Saul, wat vervolg je Mij, de Zoon van David?⟨/p> ⟨p>Hij zegt het zelfs zo sterk in de Timotheüsbrief. In Korinthe zegt hij: "Ik ben niet waard een apostel te heten." In Efeze gaat hij nog wat dieper, dan zegt hij: "Ik ben de geringste van alle heiligen." Dus niet alleen de minste van de apostelen; ik ben de geringste van alle heiligen, van al die mensen die vandaag apart gezet zijn, ben ik de minste. En dan zegt hij in de Timotheüsbrief: "Christus Jezus is in de wereld gekomen om zondaren te redden, onder welke ik een eerste plaats inneem." Dus van alle zondaren waarvoor Christus Jezus in de wereld kwam om ze te redden, ben ik de eerste. En dan zegt hij erbij: "Omdat ik de gemeente van God vervolgde." Als je daar even over nadenkt: de grootste zonde die een mens kan doen. De Messias was gekomen, de beloofde Messias, en notabene een Jood die de Schriften kende was nu de meest falicante tegenstander van die Messias. Hij zegt: "Ik ben de eerste van de zondaren." Er is niemand van de hele mensheid die zo'n grote zonde begaan heeft als ik, namelijk degene die de gemeente van God vervolgde. Ik, een Jood, die notabene de Schriften kende. Hoe verblind kan een mens wezen?⟨/p> ⟨p>Ik neem dat heel letterlijk: "Ik ben de eerste van de zondaren." Maar dan zegt hij: "Zijn genade is overweldigend over mij geweest." In de Timotheüsbrief staat: "Zijn genade was overweldigend." Ik vind dat prachtig. Hij is daarmee het demonstratiemodel van het evangelie. Want hij zegt daarmee feitelijk: Christus Jezus is in de wereld gekomen om zondaren te redden en ik ben de eerste onder hen. Ik heb Hem niet gezocht, Hij zocht mij. Als er hoop is voor déze zondaar, dan is er hoop voor alle zondaren. En niet omdat je voor Hem kiest. Paulus heeft nooit voor Hem gekozen; Christus koos voor hem. Ja, dus is er hoop voor alle mensen. Dat zegt hij trouwens in diezelfde brief ook: Hij is de Redder van alle mensen. Dat is de boodschap van genade. Eigenlijk is Paulus zelf als figuur, zijn geschiedenis, een uitbeelding van de boodschap van genade. "Zijn genade heeft mij overweldigd." Zoals een tsunami is hij meegenomen. Er was geen keuze. Kijk, dat is genade. Dat is Paulus overkomen.⟨/p> ⟨p>Dat was eventjes een uitstapje, maar het gaat erom wat Paulus hier naar voren brengt. We zijn weer even bovenaan de trap. Hij zegt: "Ik ontving brieven." Waarom? Voor de broeders. In vers 5 zegt hij: "Ik ging tot in Damascus." Want nu zou hij ook naar de buitenlandse steden gaan. Hij was namelijk actief geweest in Judea en het Joodse land, maar zijn ijver kende letterlijk geen grenzen. Hij moest nu ook daar naartoe. En van Damascus weten we dat er een grote Joodse gemeenschap was; er waren daar synagogen, meervoud. Hij ging tot in Damascus om ook degenen die daar waren gebonden te leiden tot in Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden. Hier maak je inderdaad uit op hoe dat ongeveer ging. Ze moesten eerst gevangen genomen worden — daar ging hij dan voor zorgen — en dan moesten ze geboeid meegevoerd worden om in Jeruzalem gestraft te worden.⟨/p> ⟨p>Ik zit nu te aarzelen, want nu komen we bij de ommekeer in vers 6: "Het gebeurde mij toen ik ging en Damascus naderde rond het middaguur..." Ja, wat dan? Toen overweldigde Gods genade hem. Maar omdat we nu hier bij een ommekeer zijn en ik zie dat het vijf voor tien is, denk ik dat we er verstandig aan doen om hier de volgende keer de draad op te pakken. Zullen we dat dan doen?⟨/p>