⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Terugblik op Johannes 6: Afval in Galilea en Petrus' Belijdenis⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dit is de drieëntwintigste studie over het Johannes-evangelie. We gaan inmiddels verder met Johannes 7, maar zoals we dat gebruikelijk doen, blikken we altijd nog even terug. Ik beperk me nu even tot wat we de vorige keer hebben besproken.⟨/p> ⟨p>Kortweg hebben we het slot van Johannes 6 behandeld. Ik herinner me dat we bij vers 66 begonnen; een makkelijk vers om te onthouden. Wat daar beschreven staat, is de massale afval die plaatsvond in Galilea. Vele van zijn discipelen keerden zich van Hem af. Opvallend is de schijnbare onverschilligheid – ik zeg nadrukkelijk schijnbare onverschilligheid – die de Heer daarover toont. Sterker nog, Hij zegt zelfs tegen de twaalf: "Willen jullie dan ook niet weggaan?" Hij was geen populist, dus niet iemand die het volk naar de ogen keek of naar de mond praatte en gericht was op het aan zich trekken van de massa. Het ging Hem puur om het doorgeven van het Woord. De aantallen mensen die naar Hem kwamen luisteren, waren dan ook altijd heel wisselend. Soms lees je over geweldige scharen die op Hem afkwamen, maar evenzo gemakkelijk verlieten zij Hem ook weer.⟨/p> ⟨p>In de laatste vier of vijf verzen van Johannes 6 lezen we vervolgens over de bijzondere belijdenis die Petrus uitsprak. Deze lijkt overigens veel op die andere bekende belijdenis, maar dat was op een andere locatie, helemaal bij de berg Hermon, toen Petrus zei: "U bent de Christus, de Zoon van de levende God." Hier in Johannes 6 is het een andere belijdenis, die strikt genomen uiteindelijk toch op hetzelfde neerkomt. Nadat de Heer had gevraagd: "Willen jullie ook niet weggaan?", zei Petrus: "Tot wie zullen wij heengaan? U hebt immers woorden van aionisch leven. Wij hebben geloofd en herkend dat U bent de Heilige van God." Op die manier steekt de Heer hen een hart onder de riem.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="152" title="Speel af vanaf 02:32">▶ 02:32⟨/button> ⟨span>Het Loofhuttenfeest als Type van het Messiaanse Rijk⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Vanaf vers 1 in hoofdstuk 7 lees je dat de Heer een afkeer heeft om naar Jeruzalem te gaan, juist omdat ze Hem daar trachten te doden. Dat lees je direct in het eerste vers. Hij ging in ieder geval niet met de pelgrims mee ter gelegenheid van het Loofhuttenfeest. We hebben daar de vorige keer uitgebreider bij stilgestaan: de verschillende hoogtijden vallen uiteen in twee groepen. De eerste groep hoogtijden vindt plaats in de eerste maand en deze hebben allemaal betrekking op de eerste komst van Christus. De hoogtijden in de zevende maand hebben daarentegen alles te maken met de wederkomst van Christus.⟨/p> ⟨p>Het Loofhuttenfeest is een van die feesten die te maken hebben met Zijn terugkeer en met de vestiging van het Messiaanse rijk hier op aarde. Dan begrijp je ook meteen waarom de Heer zich hier als een verborgene opstelt. We zullen straks in vers 10 zien dat Hij weliswaar op een later tijdstip ook naar Jeruzalem gaat, maar dat Hij dat niet openlijk doet.⟨/p> ⟨p>In datzelfde verband staat boven de verzen 1 tot en met 9 het ongeloof van Jezus' broeders. Wij hebben er al bij stilgestaan dat dit niet per se betekent dat zij geen sympathie voor Hem zouden hebben, maar ze geloofden niet in Hem. Wellicht hoorden zij ook bij die velen die zich van Hem hadden afgekeerd; mensen die aanvankelijk misschien wel veel in Hem hadden gezien, maar afhaakten toen de Heer helemaal niet geporteerd bleek te zijn voor hun ambities, namelijk om Zich te openbaren. Want dat is wat Zijn broeders tegen Hem zeggen: "Ga naar Jeruzalem en openbaar Jezelf." Daarmee demonstreerden ze dat ze geen werkelijk inzicht hadden in waar het werkelijk om ging.⟨/p> ⟨p>In Johannes 6 was dat eigenlijk ook het geval. Toen de Heer de schare had gespijzigd – die grote menigte aan het begin van hoofdstuk 6 – lees je dat ze Hem met geweld wilden meenemen en Hem koning wilden maken. Dat was hún idee. De Heer zegt dan dat zij het helemaal niet begrepen hebben. Ik zeg het nu even heel kort, maar feitelijk is dat de grote inhoud van de rede in hoofdstuk 6: jullie hebben niet begrepen dat het teken van de vermenigvuldiging van het brood naar Mij wijst als het Brood des levens. Alles had te maken met Zijn dood en Zijn opstanding; dáár had het mee te maken, maar dat stuitte op ontzettend veel onbegrip. Dat is even een korte samenvatting van wat we de vorige keer hebben gezien.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="376" title="Speel af vanaf 06:16">▶ 06:16⟨/button> ⟨span>In het Verborgene Opgaan Naar Jeruzalem⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ik pak het vers nog even op dat we de vorige keer als laatste hebben gezien: "Als echter de broeders van Hem opgingen tot in het feest... dán — dat wil zeggen: daarna — ging Hij ook zelf op." Niet openlijk, maar als in het verborgene.⟨/p> ⟨p>Zijn broeders hadden Hem aangespoord om openlijk te gaan. Hoe stond het in vers 4? Daar zeiden ze: "Ga van hier en reis naar Judea, opdat ook Uw discipelen Uw werken aanschouwen." En later in datzelfde vers: "Indien Gij zulke dingen doet, maak dan dat Gij bekend wordt aan de wereld." Dat betekent: als je naar Jeruzalem gaat. Dat is immers dé plaats voor de Messias om zich te manifesteren. Maak Uzelf bekend aan de wereld.⟨/p> ⟨p>Maar de Heer gaat weliswaar op naar Jeruzalem, maar Hij doet dat op een verborgen wijze, niet openlijk. Daarmee — en dat is wat ik zojuist ook al kort probeerde aan te geven en nu dus even herhaal — is het Loofhuttenfeest een type van het Messiaanse Rijk. Daar zal de Heer verschijnen. Ik bedoel, je leest het ook in Zacharië 14: als de Heer zal verschijnen, dan zal ook het Loofhuttenfeest jaarlijks gevierd worden vanuit Jeruzalem. Dan zullen de pelgrims van over de hele wereld naar Jeruzalem toekomen. Ja, het is het grote oogstfeest van de druivenoogst.⟨/p> ⟨p>De Heer is daar nu wel, maar dit is nog niet de tijd van de vervulling van het Loofhuttenfeest. Het Loofhuttenfeest heeft te maken met het Messiaanse Koninkrijk; dán zal Hij zich al geopenbaard hebben. Maar daarvoor is het nu nog niet de tijd. Dat is trouwens ook wel aardig in dit verband als we kijken naar wat we lazen in vers 6. Jezus zei tot hen: "Mijn tijd is nog niet gekomen." En dat is, denk ik, erg dubbelzinnig.⟨/p> ⟨p>Het duidt er natuurlijk op dat Hij zegt: "Ja, Mijn tijd, dat Ik gevangengenomen zal worden en zal sterven, die is nog niet gekomen." Dat zou trouwens nog een half jaar duren. Dit was het Loofhuttenfeest en een half jaar later krijg je het Pascha; er zit precies een half jaar tussen. Maar het is ook dubbelzinnig in die zin dat het Loofhuttenfeest verwijst naar de openbaring van dat Koninkrijk. Welnu, dat is nu nog niet aan de orde, en vandaar dat Hij, nu Hij weer opgaat naar Jeruzalem, dat in het verborgene doet. Dus niet openlijk.⟨/p> ⟨p>Nou, en dan pakken we de draad op bij vers 11.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="556" title="Speel af vanaf 09:16">▶ 09:16⟨/button> ⟨span>Gemompel Onder de Schare en Vrees voor de Religieuze Leidslieden⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De Joden dan... en je moet er trouwens even op letten: als hier gesproken wordt over de Joden – ik heb er de vorige keer al iets over gezegd – dan kan dat soms een heel brede betekenis hebben. Dat is bij ons ook zo. Maar hier in het evangelie van Johannes is het heel dikwijls een aanduiding van zij die van Judea zijn. Judea en Jood is eigenlijk ook hetzelfde woord. Judea komt van Juda, en Jood komt ook van Juda, zodat eigenlijk een Judeër en een Jood gewoon hetzelfde is. Hier is de betekenis echter nog beperkter en gaat het namelijk over de Joden, en welke Joden? Wel, de leidslieden. Ze worden hier onderscheiden van de scharen; kijk maar in vers 12, we zullen dat straks zien. Het doelt op de leidslieden.⟨/p> ⟨p>In vers 13 lees je – laat ik alvast even kijken – dat de scharen zeiden: "Nee, hij verleidt het volk." Toch sprak niemand vrijuit over Hem uit vrees voor de Joden. Al die mensen waren Joods, maar er staat: "uit vrees voor de Joden". Dat wil zeggen: de Joodse leidslieden. Want die hadden beraamd Jezus te doden. Allen die het voor Jezus opnamen, kwamen daarmee ook in het verdomhoekje terecht. "De Joden" is hier dus een aanduiding voor de leidslieden die Hem zochten te doden. De Joden dan, die zochten Hem op het feest. Ze waren heel actief bezig om Hem te vinden. Eén ding was al duidelijk: bij het begin van het feest was Hij er nog niet, want Jezus trok later op. Bovendien had Hij zich verdekt opgesteld; misschien heeft Hij ook een andere route genomen. Bij de aanvang van het feest was Hij er niet. Vandaar dat ze Hem zochten op het feest en zeiden: "Waar is Hij?"⟨/p> ⟨p>Inmiddels was Hij dan incognito gearriveerd – haast zou ik zeggen – in ieder geval verborgen en niet al te openlijk. En er was veel gemompel en gemor omtrent Hem te midden van de scharen. Gemompel of gemor, dat is heel bedekt spreken. Eigenlijk zoals wanneer mensen gaan fluisteren of gaan morren. Morren is trouwens wel meteen heel negatief, maar dat gemompel is niet alleen maar negatief. Sommigen zeiden namelijk: "Hij is goed," en dat is ook gemompel. Bij gemor denken we toch vooral aan een hele negatieve insteek, maar zoals wij dat woordje "mompelen" bezigen, zo was het daar ook. De massa durfde niet openlijk over Hem te spreken. We zullen dat straks ook wat nader bezien waarom dat zo was. Vandaar dus dat er in de wandelgangen over gesproken werd, niet al te openlijk.⟨/p> ⟨p>Dat gemompel ging allemaal omtrent Hem. Aangaande Hem was daar die discussie, die tweedracht. Er waren verschillende meningen, inzichten en opinies te midden van de scharen. Sommigen zeiden inderdaad dat Hij goed is; die konden niets op Hem aanmerken en vandaar dat ze dat dan ook zo vaststelden. Anderen echter zeiden: "Nee, hij doet de schare dwalen," zonder wellicht dat ze daar hun vinger op konden leggen. Dat kon ook niet. Hij doet dwalen, hij verleidt of hij misleidt de schare. Maar in ieder geval was er discussie, en niemand durfde daar openlijk over te spreken.⟨/p> ⟨p>Dat is wat in vers 13 gezegd wordt: "Niettemin, niemand sprak in vrijmoedigheid omtrent hem." Ik wijs hier even op Nicodemus. Dat was trouwens ook in Jeruzalem. In Johannes 3 lees je dat de Heer Jezus in Jeruzalem was en dat Nicodemus, de leraar van Israël, in de nacht tot Jezus komt en een gesprek met Hem aangaat. Dat hij in de nacht komt, suggereert toch ook dat hij bang was om daar al te openlijk voor uit te komen. Niemand sprak in vrijmoedigheid omtrent Hem vanwege de vrees voor de Joden.⟨/p> ⟨p>Als we een hoofdstuk verder komen, in hoofdstuk 9, in de geschiedenis van de blindgeborene, staat er in vers 22 – en ik denk dat dit heel goed de toon zet: "De Joden waren reeds overeengekomen dat indien iemand mocht belijden..." – en belijden betekent toch echt openlijk vooruitkomen – "...dat hij de Christus was, hij uit de synagoge zou worden gebannen." Later lezen we dat in hoofdstuk 10 of 11 nog een keer, en dan lees je het nog sterker. Dan staat er dat sommigen van de oversten – dan praat je echt over de top van de leidslieden – in Hem geloven, maar ze durfden daar niet voor uit te komen. Nicodemus is daar een van geweest. Omdat ze dan inderdaad uit de synagoge gebannen zouden worden.⟨/p> ⟨p>Dan kom je buiten de gevestigde orde. Dan kom je buiten de kerk, zeg maar; de Jodenkerk in dit geval. Buiten dat waar erkenning te vinden is. En dat is in de praktijk ongeveer het ergste wat je kan meemaken: dat je niet meer geaccepteerd wordt door de gemeenschap en dat je sociaal geïsoleerd wordt. Vergis u niet, we praten hier over het jodendom, over Jeruzalem. Hier specifiek gaat het over Jeruzalem. Als je dan uit de synagoge gebannen werd, dan was je gewoon een paria. Dan werd je met de nek aangekeken door de massa. Dat is een positie die niemand verkiest, dus je moest er echt wat voor over hebben. We hebben het hier over Jeruzalem; dat was een ander verhaal dan in Galilea. Ook daar kom ik straks nog eventjes op terug. Maar u ziet hoe scherp dat zich later ook aftekent. Of dat hier ook al zo is, dat weet ik niet, maar later in hoofdstuk 9 lees je dus dat de Joden, de leidslieden, waren overeengekomen dat mocht iemand belijden dat Hij de Christus is, die uit de synagoge gezet zou worden.⟨/p> ⟨p>Als je daarover doordenkt: de synagoge is toch de orthodoxie. Zij hadden de Bijbel – de toenmalige Bijbel, het Nieuwe Testament was er nog niet – in hun bezit. Daar werd het Woord gepredikt. En zij hadden overeengekomen dat als men zou belijden dat Hij de Christus is... ik bedoel, heel die Bijbel getuigt juist van Hem! En als iemand dat dan geloofde, dan werd je er buiten geplaatst. Als je daarover doordenkt, kun je je afvragen: als dat toen zo was, zou het vandaag anders zijn? Ik werp het nu ook wel eens als vraag op, niet omdat ik daar geen antwoord op meen te hebben, maar om de logica daarvan naar voren te brengen. Er zijn andere schriftplaatsen die daarover spreken; ook Paulus heeft het erover hoe dat zou gaan. Als je uitkomt voor de waarheid, in dit geval als je uitkomt voor Hem en voor wie Hij is, dan ben je in religieuze zin binnen de gevestigde orde een paria. Dat is altijd het verhaal. Altijd weer het verhaal, vanwege de vrees voor de Joden.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1119" title="Speel af vanaf 18:39">▶ 18:39⟨/button> ⟨span>Halverwege het Feest: Jezus Onderwijst in de Tempel⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Maar toen het feest reeds halverwege was – u weet het misschien, of u weet het niet, maar ik verdeel het nu even zo – dat Loofhuttenfeest begon op de vijftiende en dat ging door tot en met de eenentwintigste. Het duurde dus zeven dagen in totaal. Als het hier halverwege is... het had trouwens ook nog een appendix, een achtste dag, maar laten we er even vanuit gaan dat het puur over het Loofhuttenfeest zelf gaat. Dan zijn het zeven dagen, en als het halverwege was, was dat strikt genomen de vierde dag. Daarmee heb je drie dagen gehad en er komen er nog drie dagen. Dan was dit welgeteld de negentiende Tishri, de negentiende van de zevende maand.⟨/p> ⟨p>Toen het feest reeds halverwege was, ging Jezus op tot in de tempel. Ik heb net eigenlijk even een foutje gemaakt door in het voorgaande te zeggen dat de Heer inmiddels al gearriveerd was, maar dat is niet aan de orde. Hier lees je pas dat Hij daar is als het feest inmiddels halverwege is. Ik neem dat heel letterlijk: de vierde dag. Dan pas lees je dat Jezus daar is, want Hij ging namelijk op een later tijdstip dan de pelgrims, dan de grote scharen. Hij ging niet met de karavaan mee. Nee, niet met de caravan, maar met de karavaan, de grote groepen pelgrims. Hij is dus ook op een later tijdstip gearriveerd daar in Jeruzalem. In ieder geval, halverwege het feest ging Jezus op tot in de tempel. Dat is een opwaartse beweging op de berg. En Hij onderwees daar.⟨/p> ⟨p>Hij doet feitelijk daar dus niks opvallends. In die zin: je leest eerder in hoofdstuk 2 vers 13 dat het de eerste keer was dat de Heer Jezus in Jeruzalem was. Uiteraard hebben we er toen ook bij stilgestaan dat de Heer toen die kooplieden uit de tempel joeg. Dat is een vrij opvallende daad. Toen Hij dat deed, werd het Hem ook hoogst kwalijk genomen; toen zocht Hij feitelijk ook de confrontatie. Bij een latere gelegenheid, trouwens weer met het Pascha, doet Hij een wonderteken. Ook daar komen we nog op terug, want dat wonderteken blijkt nog wel een grote rol te spelen.⟨/p> ⟨p>Dat was anderhalf jaar geleden. Het was voor het voorgaande jaar op het Pascha. Heeft u het nog? Je hebt dus die twee groepen feesten. Dit was het Loofhuttenfeest in het najaar, en op het Pascha van het voorgaande jaar – dus dat was anderhalf jaar geleden – toen was Jezus ook in Jeruzalem. Toen heeft daar dat wonderteken plaatsgevonden van die man in Bethesda. Op de Sabbat; dat is die man die 38 jaar ziek was en genezen werd. "Neem uw matras op en wandel." Dat was schennis van de Sabbat, en dat zat de Joden daar in Jeruzalem bijzonder hoog. Dat blijkt ook nu tijdens dit feest weer opnieuw op te spelen. Nou, ook dat zullen we straks vanzelf zien. Dat doet de Heer hier allemaal niet, maar Hij onderwees. Hij heeft daar gesproken in de tempel, daar ergens in die voorhoven heeft Hij gesproken en onderwijs gegeven. Hij onderwees, en wie kon Hem daarvan weerhouden om dat te doen?⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1364" title="Speel af vanaf 22:44">▶ 22:44⟨/button> ⟨span>Verwondering over Goddelijk Gezag Versus Menselijke Theologische Opleiding⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Nou, dan lezen we in vers 15: "De Joden dan verwonderden zich." Weer die Joden, de leidslieden. Zij verwonderden zich en zeiden: "Hoe is deze zo geletterd?" In het Grieks staat daar ⟨em>grammata oiden⟨/em>. Waarom zeg ik dat? Nou, als u dit woord ⟨em>grammata⟨/em> hoort, waar moet u dan aan denken? Aan grammatica. Dat ⟨em>gramma⟨/em> heeft te maken met schrijven. De uitgang ⟨em>-mata⟨/em> duidt op het resultaat van het schrijven; het is dus eigenlijk gewoon 'geschrift', of een letter, of meer in algemene zin: documenten. Dat wat staat geschreven, het resultaat van schrijven. Letterlijk staat hier dus de vraag hoe Hij de geschriften of documenten heeft waargenomen. Dat wil zeggen dat Hij een kenner is. Hij blijkt zo enorm op de hoogte te zijn van de Schriften. Dat is wat er eigenlijk staat. ⟨em>Grammata⟨/em> heeft te maken met de Schriften. Hoe is Hij daarvan zo op de hoogte?⟨/p> ⟨p>En dan staat erbij: "zonder geleerd te hebben." Dat wil zeggen: zonder onderricht te hebben ontvangen. Het idee is dus dat Hij zo op de hoogte is van de geschriften — en ik lees hier vooral de Heilige Schriften, want dat was het onderwerp van waaruit de Heer sprak en waarover Hij sprak. Maar, zeggen ze, hoe kan Hij dat allemaal zo weten? Zij verwonderden zich erover. Als we even teruggaan in de tijd, dan zien we dat dit pakweg twee decennia eerder ook al had plaatsgevonden, toen Jezus als twaalfjarige knul in de tempel was geweest, ook in Jeruzalem. Dat was trouwens ook met Pascha. Dan lees je dat Hij tussen de schriftgeleerden zat en de overpriesters verbaasd en verwonderd waren over de kennis die Hij had en de antwoorden die Hij gaf. Een jongen van twaalf jaar! Eigenlijk is dat het enige wat we weten van de Heer Jezus in Zijn jeugd. Wat Hij als jongen gedaan heeft tot Zijn dertigste weten we eigenlijk niet, behalve wat Hij destijds bij die gelegenheid zelf verklaarde: "Ik moet bezig zijn met de dingen van Mijn Vader." En wat heeft Hij anders gedaan dan juist en vooral dát? Hij was altijd bezig met die Schriften, dacht erover na en sprak erover. Altijd is Hij daarmee bezig geweest.⟨/p> ⟨p>Inmiddels is de Heer Jezus ongeveer 32 jaar oud en de leidslieden verbazen zich over Zijn geleerdheid en Zijn vertrouwdheid met de Schriften, "zonder geleerd te hebben". Dat wil zeggen: zonder een erkende opleiding. Hij had niet, zoals alle schriftgeleerden en de Levieten — die in principe werden opgeleid om onderwijs te geven — een officiële route gevolgd. Zoals de rabbi's in het algemeen naar een ⟨em>yeshiva⟨/em> gaan, een rabbijnse school, zo wist men één ding zeker: Jezus heeft dat traject niet doorlopen. Hij heeft geen erkenning en geen titels, en juist daarom verbazen ze zich daarover. Over hun verbazing wil ik nog twee andere schriftplaatsen noemen, want Jezus onderscheidde Zich echt zozeer van hen, van de leidslieden.⟨/p> ⟨p>Laten we eerst eens gaan naar het einde van de Bergrede in Matteüs 7. Dan lees je in vers 28 dat, toen Jezus deze woorden geëindigd had, de scharen versteld stonden over Zijn leer. Dat gaat echt over Zijn onderwijs; "leer" is immers niets anders dan onderwijs. Ze stonden versteld van Zijn leer, want, zo staat er: "Hij leerde hen als gezaghebbende en niet als hun schriftgeleerden." Kijk, hier zie je het verschil. Die schriftgeleerden daar in Jeruzalem verbaasden zich erover hoe Hij zoveel van de Schrift wist, terwijl Hij niet net als zij een opleiding had genoten. In hun optiek was Hij niet bevoegd, want Hij had hun eigen opleidingen niet doorlopen en dus ook niet de bijbehorende titels verkregen. Alleen verbaasden ze zich over het feit dat Hij wel bekwaam was, ook al was Hij niet bevoegd.⟨/p> ⟨p>In die tijd had het gewone volk vaak geen inzicht in de geschriften. Men was afhankelijk van wat de schriftgeleerden zeiden. Je zou je kunnen afvragen: hoe had Jezus toegang tot de Schriften? En hoe zat dat met de andere mensen? De scharen die daar stonden, hadden wellicht zelf geen inzicht in alles wat er geschreven stond. Dat kregen ze via de schriftgeleerden te horen, en waarschijnlijk wisten ze helemaal niet zoveel. Al weet ik dat laatste niet zo net, of de kennis onder het volk werkelijk zo gering was. Vergis je niet, ze gingen elke sabbat naar de synagoge en dat nam een groot deel van hun tijd in beslag. Maar dat is wel wat de Heer Jezus hen ook verweet: "Het zijn vooral de tradities van mensen die jullie onderwezen hebben gekregen."⟨/p> ⟨p>Als we teruggaan naar Matteüs 7, zien we dat de mensen versteld stonden omdat Hij hen leerde als gezaghebbende en niet zoals de schriftgeleerden van wie zij hun kennis altijd verkregen. Wat was dan het verschil? Hij had autoriteit. Hij had écht gezag. Wat Hij zei, dat was gewoon zo. "Gezaghebbend" is iets anders dan "gezagclaimend" in de zin van: "Je moet naar mij luisteren." Nee, wat Hij zei was solide; daar kon niets tegen ingebracht worden. Het was zuiver en voor iedereen die het wilde onderzoeken zelf vast te stellen. Zijn woorden waren geest en leven. De Heer zegt ook: wie wil weten hoe het zit, die kan het zelf nagaan.⟨/p> ⟨p>Dat verschil vind ik heel bijzonder: leren als gezaghebbende. In het woord "gezag" zit trouwens het woordje "zeggen". Gezag is dat wat je gezegd hebt. Iemand die echt wat te zeggen heeft, die heeft gezag. Gezag is niet zomaar iets van: "Dit moet je doen." Nee, gezag heeft iemand die inhoudelijk iets te melden heeft. En de Heer had wat te zeggen! Het Woord van God is geest en leven, maar het bewijst ook Zichzelf. Dat heeft de Heer gesproken en daar was Hij Zelf ook zeker van. De schriftgeleerden daarentegen beriepen zich steeds op elkaar. Er is niets nieuws onder de zon, want dat is tot op de dag van vandaag het gebruik onder theologen: zij beroepen zich altijd weer op wat andere theologen hebben gezegd of op grote namen van uitleggers. Dat hebben ze nodig om hun eigen interpretaties en opinies te laten gelden, maar het blijven in feite woorden van mensen. De Heer had gezag; Hij kwam met niets anders dan de Schrift. Daarmee onderscheidde Hij Zich inhoudelijk en qua wijze van overdracht volledig van hun schriftgeleerden. Zelfs uiterlijk deed Hij Zich anders voor. In Matteüs 23, het hoofdstuk met het zevenvoudige "wee" over de schriftgeleerden en farizeeën, spreekt Hij hen messcherp aan. Het was niet erg politiek correct wat daar allemaal gezegd werd — Hij noemde hen "witgepleisterde graven". Dat was echt vlijmscherp.⟨/p> ⟨p>Zoals de Heer dat aan de kaak heeft gesteld. Er staat over de schriftgeleerden: al hun werken doen zij om in het oog te lopen bij de mensen. Want ze maken hun gebedsriemen breed en hun kwasten groot. Zij onderscheiden zich dus juist ook in uiterlijk door vertoon en om daarmee indruk te maken. Want als je een apart kleed aan hebt, of een toga zal ik maar zeggen, dan maak je toch wat meer indruk. In dit geval gaat het om die gebedsriemen breedmaken en je daardoor onderscheiden. En de Heer maait dat zo van tafel. Het is allemaal om in het oog te lopen; dat was het. Maar het is niet waar het werkelijk om gaat.⟨/p> ⟨p>Dus ook in dat opzicht heeft de Heer zich onderscheiden: Hij deed daar niet aan mee. Moet je je voorstellen dat de Heer daar nu in Jeruzalem is gearriveerd. Hij is in de tempel, Hij spreekt, er ontstaat een kring en Hij geeft onderwijs. Voor de leidslieden is dat een doorn in het oog. In de eerste plaats verbazen zij zich over Zijn knowhow, Zijn kennis. Maar feitelijk is dat ook een aanklacht: Hij is helemaal niet bevoegd, want Hij heeft helemaal niet één van onze opleidingen doorlopen. Hij heeft niet onze erkenning. Dus wat verbeeldt Hij zich? Hij onderscheidt zich ook uiterlijk niet. Dat was voor hen een doorn in het oog.⟨/p> ⟨p>En dan lees je: "Jezus dan..." Dus nadat die vraag gesteld was – want het was inderdaad een vraag.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2142" title="Speel af vanaf 35:42">▶ 35:42⟨/button> ⟨span>Mijn Onderwijs Is Uitsluitend van Degene Die Mij Gezonden Heeft⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Hoe is deze zo geletterd zonder geleerd te hebben? Jezus antwoordde en zei: "Mijn onderwijs..." Dat woordje 'mijn' heeft hier in het Grieks een specifieke vorm; het staat voorop en er staat ook nog een bepaald lidwoord bij. Je kunt dat in het Nederlands niet echt letterlijk zo zeggen, maar het heeft in ieder geval een enorme nadruk: ⟨em>het⟨/em> mijn onderwijs. Met andere woorden: in tegenstelling tot jullie onderwijs. Mijn onderwijs is niet geleerd op de erkende rabbijnenscholen, wat precies was wat ze Hem verweten. Dat Hij die scholen niet doorlopen had, was een verwijt. Zijn onderwijs was niet geautoriseerd met de bijbehorende titels, en dus was er ook geen sprake van eer van mensen.⟨/p> ⟨p>We hebben dit eerder gezien in hoofdstuk 5, en dat wil ik ook nog even laten horen en laten klinken. Aan het einde van Johannes 5, ook in Jeruzalem, zegt de Heer: "Hoe kunnen jullie geloven?" Ook daar is Zijn woord weer gericht tegen de schriftgeleerden: "Eer bij elkaar in ontvangst nemende..." Nee, ik moet de klemtoon anders leggen: hoe kunnen jullie geloven, terwijl jullie eer bij elkaar in ontvangst nemen en de eer bij de enige God niet zoeken? En ja, zo gaat dat. Ze namen eer van elkaar in ontvangst. Dat was toen zo en dat is ook nu nog steeds zo. Er zijn opleidingen voor en als je die doorlopen hebt, dan word je geaccrediteerd en bevoegd. Dan krijg je een titel voor je naam. Dat is allemaal eer van mensen.⟨/p> ⟨p>Die eer van mensen ontbrak Jezus. Hij zegt eigenlijk: "Jullie zoeken die eer en nemen die wel van elkaar in ontvangst. Jullie voelen jezelf daarmee heel wat en jullie maken daarmee indruk, maar de eer bij de enige God zoeken jullie niet." Dat wil zeggen dat ze zich helemaal niets gelegen laten liggen aan wat Hij te melden heeft en aan Zijn woord. Als je trouwens één of twee verzen doorleest in dat vijfde hoofdstuk, dan staat er ook dat ze zich beroepen op Mozes. Maar de Heer zegt: "Al zouden jullie Mozes geloven, dan zouden jullie ook Mij geloven, want hij heeft van Mij geschreven." Dat gaat allemaal hand in hand.⟨/p> ⟨p>Weer even terug naar Johannes 7: "Mijn onderwijs, het onderwijs van Mij, dat is niet van Mij, maar van Degene die Mij zendt." Rechtstreeks vanuit de Schrift! En daarin komt precies naar voren wat ik zojuist ook al even aangaf. Wat de Heer eerder zei over de geboden en leringen van mensen: jullie hebben dat zo bij elkaar gebracht en in de loop der tijd is dat zo ontwikkeld. Overlevering, traditie... het is overgeleverd en er zijn klinkende namen aan verbonden die in ere worden gehouden. Maar de Heer had daar totaal geen boodschap aan. Hij zegt: "Mijn onderwijs is niet van Mijzelf; Ik vertel helemaal niets van Mijzelf. Het is van Degene die Mij zendt." Dat wil dus zeggen: het is het onderwijs van God Zelf die gesproken heeft. Zijn woord, de Schrift.⟨/p> ⟨p>De Heer ging het uitsluitend om de Schrift. En dat was nogal wat, want doordat de Heer uitsluitend de Schrift liet spreken en vanuit de Schrift sprak, passeerde Hij al die gevestigde namen, die opleidingen en al die tradities die in de loop der tijd ontstaan waren. Dat waren toch ook geen domme jongens — ik wil er niet teveel over zeggen — maar al die typen redeneringen... als ik dit zo lees en we hebben het er nu over, dan zeg ik: het is zo herkenbaar.⟨/p> ⟨p>Het is zo herkenbaar, want je denkt iedere keer: waar heb ik dat vaker gehoord? Dat op het moment dat je ingaat tegen wat men zegt en ingaat tegen gevestigde namen, instituten en kerkgenootschappen waaraan in de loop der eeuwen zoveel gezag is toegekend. Ze zijn uit zichzelf niet gezaghebbend, nee, er ⟨em>wordt⟨/em> veel gezag aan toegekend. Maar Jezus stelt: "Mijn onderwijs is niet van Mij, maar van Degene die Mij zendt."⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2470" title="Speel af vanaf 41:10">▶ 41:10⟨/button> ⟨span>Gods Wil Doen: de Bereidheid Om Onbevooroordeeld de Schrift te Laten Spreken⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Nu komen we bij het punt waar ik zojuist al even op doelde. De Heer zegt: "Indien iemand de wil doen wil van Hem, zal hij weten omtrent het onderwijs of ze vanuit God is, of dat Ik vanuit Mijzelf spreek." Indien iemand de wil doen wil van Hem. En wat is dat, de wil van God? Wat is het om Zijn wil te doen? Met "Hem" wordt hier natuurlijk degenen bedoeld die de Heer zendt. In de MBG-vertaling staat "heeft gezonden", maar in de grondtekst staat het eigenlijk in een aoriste, een tijdloze vorm: "Degene die Mij zendt", als een vaststaand feit.⟨/p> ⟨p>Wanneer Hij naar Hem verwijst, gaat het dus over Zijn Zender. Indien iemand de wil doen wil van mijn Zender... Wat zou die wil van Hem in de eerste plaats zijn? Is dat niet simpelweg te luisteren naar wat Hij Zelf te zeggen heeft? Als je wilt weten hoe God over iets denkt, dan zul je bij God Zelf moeten wezen en luisteren naar wat Hij te melden heeft. U ziet dat dit overigens niets te maken heeft met intellectuele capaciteiten; het heeft te maken met de bereidheid om te luisteren. "Indien iemand wil." De wildoen wil van Hem.⟨/p> ⟨p>Ik geloof echt dat dit losstaat van intellect. Soms – en ik wil het niet omkeren, want intelligentie is absoluut geen blokkade om Hem te kennen – maar intellectualiteit kan wel een hindernis worden wanneer het iets wordt dat je zelf hebt verworven aan kennis. Zeker wanneer je bent volgestopt met kennis van instituten, menselijke leer en overlevering, dan wordt die kennis een blokkade om bij Hem te komen. Menselijkerwijs gesproken is het ook vaak onaantrekkelijk. Kijken we even terug naar de situatie in Jeruzalem in die dagen: wie openlijk voor de Heer uitkwam, werd uit de synagoge gebannen. Dat is niet aantrekkelijk, dat doe je liever niet. Maar het gaat erom: "Indien iemand de wil doen wil van Hem." Dat begint met luisteren. Gewoon bereid zijn te luisteren naar wat God Zelf zegt.⟨/p> ⟨p>Dat levert vaak ook weer kritiek op. Want als je zegt dat het je alleen maar gaat om wat God Zelf te zeggen heeft, dan krijg je te horen: "Oh, dan ben je een biblicist." Dat is tegenwoordig ongeveer het ergste wat je kunt zijn. Maar wat betekent biblicist eigenlijk? Als je het opzoekt in de Van Dale, dan staat daar dat het iemand is voor wie de Bijbel alleen beslissend is. Nou, in dat geval ben ik heel graag een biblicist!⟨/p> ⟨p>Mensen zeggen dan: "Je kunt nooit de Schrift alleen laten spreken, dat is veel te makkelijk. Je kunt niet buiten de theologen om." Afhankelijk van de kring waarin je je bevindt, worden er altijd weer namen genoemd waar je volgens hen niet omheen kunt. Dat is exact hetzelfde verhaal als wat de Heer meemaakte in de tempel. Hij gaf onderwijs, maar Hij hoorde er volgens de gevestigde orde helemaal niet bij. Qua uiterlijk en manier van doen voldeed Hij totaal niet aan het signalement van een rabbi. Hij had de juiste papieren niet en Hij had de opleiding aan de rabbijnenschool niet genoten. Wat Hij deed, was spreken vanuit de Schrift alleen. De geleerdheid die daar onderwezen werd, veegde Hij van tafel; dat was totaal niet van belang. Of Hij er nu wel of niets van wist, het was in ieder geval oninteressant. Alleen de Schrift telde.⟨/p> ⟨p>"Indien iemand de wil doen wil van Hem, hij zal weten omtrent dat onderwijs of ze vanuit God is, of dat Ik vanuit Mijzelf spreek." Op het moment dat je te raden gaat bij God Zelf en zegt: "Heer, zegt U het maar," en je laat alleen de Schrift spreken, dan zul je weten of het onderwijs waar is. Hoe weet je of onderwijs uit God is? Door bij God te rade te gaan: "Heer, dit is Uw Woord, maakt U Zelf Uw Woord aan mij bekend." Dat is wat de Heer zegt. Wil je dat doen, of vind je dat te makkelijk? Of moet je toch eerst te rade gaan bij – ik zou bijna Galaten 1 citeren – "vlees en bloed"?⟨/p> ⟨p>Het doet me er sterk aan denken. Wanneer Saulus geroepen is, verhaalt Paulus daar later zelf over in Galaten 1. Hij zegt dat de Heer hem had geroepen en dat hij onmiddellijk niet te rade is gegaan met vlees en bloed. Hij ging niet naar Jeruzalem naar degenen die vóór hem apostelen waren, maar hij vertrok naar Arabië om rechtstreeks door de Heer Zelf onderwezen te worden. De Heer had immers tegen hem gezegd: "Ik heb je nog veel meer te vertellen, Ik zal ook nog aan jou verschijnen." Paulus ging naar Arabië en werd daar door de Heer Zelf onderwezen, zonder menselijke instanties te raadplegen. Dat was een unieke en bijzondere situatie, maar het principe blijft hetzelfde.⟨/p> ⟨p>Ik zie dat het inmiddels bijna negen uur is, dus laten we het hier voor nu bij houden. De Heer gaf antwoord op de vraag hoe Hij zo geletterd kon zijn en de Schriften zo goed kende zonder een erkende opleiding te hebben gevolgd. We hebben het gehad over het karakter en het gezag van Zijn onderwijs; dat is namelijk wat God Zelf te zeggen heeft. Ieder die daarnaar wil luisteren, zal weten dat wat de Heer sprak inderdaad uit God was en dat Hij niet uit Zichzelf sprak. De Heere Jezus geeft alle credit aan Zijn Vader. Hij zegt: "Ik ben gezonden, Ik spreek niet uit Mijzelf." Het gaat niet om Zijn eigen eer, maar om de eer van Hem die Hem gezonden heeft. Hij is het Woord van God.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3015" title="Speel af vanaf 50:15">▶ 50:15⟨/button> ⟨span>De Heerlijkheid van de Zender Zoeken en Gods Woord als Dagelijks Manna⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Feitelijk is vers 18 daar nog een nadere toelichting op. Wie uit zichzelf spreekt – dat is precies waar Hij van beschuldigd werd. Men vond dat Hij uit zichzelf sprak, omdat Hij hun opleiding niet had genoten. In hun optiek was Hij iemand die buiten de gevestigde orde, ideeën, tradities, overleveringen en leringen om sprak. En dus sprak Hij in hun ogen uit zichzelf.⟨/p> ⟨p>Nu zegt de Heer: "Wie uit zichzelf spreekt, die zoekt zijn eigen heerlijkheid." Als je origineel wilt zijn, is dat eigenlijk wat er gebeurt. Maar de Heer zegt: "Ik ben niet origineel." Dat wil zeggen: "Ik spreek niet uit Mijzelf." Iemand die een boodschap doorgeeft – een boodschappenjongen mag je van de Heer natuurlijk niet zeggen, maar het principe is hetzelfde – heeft maar één ding te doen en dat is doorgeven wat hij te melden heeft. Niets meer en niets minder. Als je uit jezelf spreekt, dan zoek je kennelijk je eigen heerlijkheid; dat wat jij misschien heel knap bedacht hebt. Met Zijn capaciteiten had de Heer natuurlijk alle grote namen uit de geschiedenis van de filosofie en de godsdienst kunnen evenaren. Hij had ze kunnen overtreffen door zelf Zijn dingen te bedenken. Dan had Hij figuren als Confucius en Boeddha ver achter Zich gelaten. Maar Hij sprak niet uit Zichzelf.⟨/p> ⟨p>"Wie echter de heerlijkheid zoekt van wie Hem zendt..." Ik wijs er nog even op: dat staat in de onvoltooid tegenwoordige tijd. Dat zeg ik niet om grammaticaal interessant te doen, maar het betekent dat Hij bezig is te zoeken. Daar spreekt een houding uit. De Heer was altijd bezig de heerlijkheid te zoeken van Wie Hem zendt en het woord te spreken van Degene die Hem zond.⟨/p> ⟨p>Die zoekende houding is essentieel. We hadden het er in de pauze al even over: het is niet zo dat wij het al hebben, in de zin van dat we alles al gevonden hebben. Het is geweldig als je Zijn genade hebt leren kennen en de grote waarheden van het evangelie mag verstaan, maar ben je er dan al? Ben je dan wat men noemt 'gearriveerd'? Of om in de termen te blijven waar we het net over hadden: ben je daar al volmaakt? Nee, natuurlijk niet. Hier op aarde is het sowieso altijd een zoektocht. Die Schrift is een eenheid, maar het zijn ook 'de Schriften'. Het is een complete bibliotheek. Wat weten we daar nu werkelijk van? Zelfs al ken je het helemaal uit je hoofd, wat versta je er dan nog van? Ik denk dat we nog maar zo minuscuul weinig ervan begrijpen, ook al ben je er je hele leven mee bezig. We verstaan nog zo weinig en daarom moeten we altijd blijven zoeken. Op het moment dat je je gaat vastbijten in dat wat je eenmaal weet en denkt dat je het eigenlijk allemaal al weet, dan houd je op met zoeken. Juist die houding van: "Heer, U hebt zoveel te melden, er is nog zoveel te ontdekken," is cruciaal.⟨/p> ⟨p>Dat betekent dat je de bereidheid hebt om altijd weer opnieuw te kijken. Voor een mens met feilbare meningen betekent dit dat je altijd weer je gedachten zult moeten herzien. Je moet je afvragen: "Wacht even, dat dacht ik wel, maar is het misschien toch anders?" Anders zoek je toch weer je eigen heerlijkheid en je eigen eer. Bijvoorbeeld omdat je iets al eens gezegd hebt en nu gezichtsverlies vreest omdat je moet herroepen wat je altijd verteld hebt. Vooral als je op een podium staat, kan dat heel lastig zijn – dat zeg ik uit eigen ervaring. Als je iets altijd beweerd hebt, voelt het als gezichtsverlies om te zeggen dat het toch anders is dan je dacht. Dat is een heel menselijk trekje en ik verbeeld me niet dat iemand daar al helemaal vrij van is. Maar we moeten daarop bedacht zijn en altijd bereid zijn om, zoals Paulus dat zegt in Romeinen 12, hervormd te worden in ons denken, conform de Schrift.⟨/p> ⟨p>We hadden het in de pauze ook over die beperktheid. Adriaan merkte op dat God de God van de volken is. Hij is zo groot, maar mensen sluiten zich zo gemakkelijk op in hun eigen kleine kringetje of hun eigen groepje. Dan denken ze dat zij het licht hebben gezien en beperken ze zich tot wat ze met hun eigen clubje hebben gevonden. Maar we hebben die openheid van Zijn Woord nodig en de bereidheid om nieuwe dingen te ontdekken. Dat voortdurende zoeken is prachtig. Dan zul je ook altijd weer ontdekken hoe fris dat Woord is. Elke dag opnieuw. Mijn goede vriend Menno Heijman gebruikt vaak het beeld van het manna. Manna was één dag fris. Elke dag lag er weer nieuw manna. Het manna van gisteren was niet goed meer. Het was fris op dat moment, maar ga er niet bij kamperen.⟨/p> ⟨p>Dat beeld heb ik ooit geleerd van Peder Bruin, de schrijver van het prachtige boek "Geen Geloof Zonder Bewijs". Hij vertelt daarin hoe dat in de kerkgeschiedenis is gegaan. Iemand vindt iets en er zijn mensen die daar heel blij mee zijn. Vervolgens zetten ze daar hun kampement neer en daar blijven ze dan. Maar nee, het is altijd weer verder, op weg naar de top. Er is nog zoveel meer te ontdekken in dat voortdurende zoeken.⟨/p> ⟨p>"Wie echter zoekt de heerlijkheid van wie Hem zendt, die is waar en er is geen ongerechtigheid in hem." Die is waar, dat wil zeggen: waarachtig. Als dat je instelling is, dan is dat waarachtigheid en waarheid. Feitelijk wijst de Heer hier natuurlijk gewoon op Zichzelf. In het algemeen is het waar dat als je altijd de heerlijkheid van God en Zijn Woord zoekt, je waarachtig bent en er geen ongerechtigheid in je is. Maar hier verdedigt de Heer Zichzelf tegen de aanval van de leidslieden die beweerden dat Hij uit Zichzelf sprak. Dat deed Hij niet. Hij zegt: "Ik zoek de heerlijkheid van Wie Mij zendt, en daarom ben Ik waar." Er is geen ongerechtigheid in Hem. Hij wijst daarmee op Zichzelf; Hij brengt waarheid aan het licht en bewijst daarmee rechtvaardigheid en betrouwbaarheid.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3535" title="Speel af vanaf 58:55">▶ 58:55⟨/button> ⟨span>Jezus Ontmaskert de Hypocrisie en het Verzwegen Moordcomplot⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Heeft Mozes niet aan jullie de wet gegeven? Dat heet niet voor niets de wet van Mozes. We zullen zien dat de Heer hier nog verder gaat in Zijn verdediging. Die Joden hadden Hem gezocht en nu hadden ze Hem gevonden terwijl Hij onderwijs gaf. Eerst was er die kritische vraag: hoe kan Hij onderwijs geven zonder opleiding? Maar nu volgt de wedervraag: "Heeft Mozes jullie niet de wet gegeven? En niemand van jullie doet die wet. Waarom zoeken jullie Mij te doden?" Dit gaat hier dus weer over de leidslieden. Niemand van jullie doet de wet; waarom zoeken jullie Mij te doden? Een half jaar later zouden ze dat daadwerkelijk doen, wanneer de tijd daarvoor was aangebroken. Dat was het feest van het Pascha, en bij die gelegenheid zou Hij sterven. Nu zou dat echter nog niet gebeuren, omdat het de tijd nog niet was.⟨/p> ⟨p>Maar Hij zegt: "Niemand van jullie doet die wet, waarom zoeken jullie Mij te doden?" Degene over wie Mozes geschreven heeft, Die zoeken jullie te doden. Dit refereert nog steeds aan wat anderhalf jaar eerder was gebeurd, de vorige keer dat Jezus in Jeruzalem was. Je leest het in Johannes 5 vers 18. Ik heb even geen diaatje daarvan, maar daar staat het beschreven. Dat was na die genezing van de man in Bethesda, die achtendertig jaar lang verlamd was geweest. De Heer had tegen hem gezegd: "Sta op, neem je matras op en wandel." Het was op een sabbat. Later treffen ze die man aan in de tempel en wordt de Heer daarop aangesproken. Jezus antwoordde toen in Johannes 5 vers 17: "Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook." Hierom trachtten de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat schond, maar God ook Zijn eigen Vader noemde. Daarmee stelde Hij Zichzelf, volgens hen, gelijk met God. Vooral dat sabbatschenden zat hen dwars; ze zochten Hem te doden.⟨/p> ⟨p>Nu is de Heer dus weer in Jeruzalem, feitelijk in het hol van de leeuw. Het was gevaarlijk terrein. Hij zegt: "Jullie beroepen en beroemen je op de wet van Mozes, maar jullie doen die wet helemaal niet, want Ik ben de vervulling daarvan. Waarom zoeken jullie Mij te doden?" Dan reageert de schare. Trouwens, ook hier zie je weer het onderscheid tussen de Joden en de scharen. De Joden zijn de leidslieden, maar de schare die dit aanhoort, zegt: "Jij hebt een demon!" Zo staat het er letterlijk. In de NBG-vertaling staat "Gij zijt bezeten", maar letterlijk staat er dat u een demon hebt. Dat was nogal een beschuldiging. Het was iets wat eerder in Galilea ook al tegen de Heer Jezus was gezegd: dat Hij door Beelzebul, de overste van de demonen, de demonen uitdreef. De Heer had toen ook de dwaasheid van die beschuldiging aangetoond. Later zullen we deze beschuldiging in hoofdstuk 8 nog twee keer tegenkomen, en in hoofdstuk 10 opnieuw.⟨/p> ⟨p>Je voelt wel: eerst was er, voordat de Heer op het feest was, nog gemompel over Hem, maar de sfeer wordt steeds grimmiger wanneer de schare dit zo zegt. Waarom zeggen ze dat? "Je hebt een demon." Wij zouden haast zeggen: "Je bent gek. Wie zoekt Jou te doden?" Dat is wat ze tegen Hem zeggen. Ze vonden Hem bezeten of gek omdat Hij dacht dat men Hem wilde doden. De scharen wisten daar namelijk niets van; dit was iets wat in de hogere kringen was bedisseld en besproken. Vandaar dat de Joden een gelegenheid zochten om Hem te grijpen en over te leveren. Maar nu is de vraag: wie zoekt Jou te doden? Vijf verzen later lees je inderdaad dat sommige van de Jeruzalemmers – de inwoners van Jeruzalem dus – zich dat inderdaad wisten te herinneren. Het was anderhalf jaar geleden dat ze dat hadden gepland en dat dit speelde.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3879" title="Speel af vanaf 01:04:39">▶ 01:04:39⟨/button> ⟨span>Eén Werk op de Sabbat: de Ware Betekenis van Genezing en Rust⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Jezus gaat daarop door. Hij antwoordde en zei tot hen: "Ik doe één werk en jullie, Joden hier in Jeruzalem, verwonderen je allen." Hij deed één werk. Hier zien we weer dat ene wonderteken. Van al die wondertekenen die we in de Bijbel vinden die Hij heeft gedaan, had Hij dit specifieke werk in Jeruzalem verricht. In het noorden, in Galilea waar Hij vandaan kwam, deed Hij er veel, maar in Jeruzalem niet. Daarom zegt de Heer: "Ik doe hier in Jeruzalem één werk." Hij refereert dus aan dat wonderteken van anderhalf jaar eerder. Dat ene werk was natuurlijk heel veelzeggend. We hebben daar destijds veel uitgebreider bij stilgestaan, maar herinnert u zich nog die 38-jarige man? Het feit dat hij 38 jaar was, heeft een prachtige betekenis.⟨/p> ⟨p>Het verwijst naar de tijd dat Israël in de woestijn moest ronddolen. Dat zou aanvankelijk twee jaar zijn, maar dan lees je dat ze de verspieders geloven en Jozua – die ene getrouwe verspieder – niet. Daardoor wordt er aan de reis nog 38 jaar toegevoegd. Die 38 jaar spreekt van het ongeloof. Uiteindelijk is het Jozua die hen alsnog in de rust brengt; een prachtig beeld. Dan het werk zelf: die man was verlamd en kon niets. De Heer zegt: "Sta op" – opstanding – "en wandel, neem je matras op." Het feit dat de Heer hier van sabbatschennis wordt beschuldigd, is eigenlijk absurd. Dat matrasje was geen zwaar matras; het woord dat daar gebruikt wordt, ⟨em>krabaton⟨/em>, betekent gewoon een licht matje. Het is een uitbeelding van rust. Die man liep daar met zijn matrasje het tempelplein op en de leidslieden van Israël waren boos omdat hij daar met zijn matje liep. De man was al 38 jaar vanaf zijn geboorte verlamd geweest en nu was hij genezen.⟨/p> ⟨p>Hij was op een sabbat genezen, dus er was in hun ogen "dokterswerk" verricht – en dan ook nog eens onnodig werk. Bovendien liep de man nu met een last, wat volgens hun regels ook niet mocht. Vandaar de beschuldiging van sabbatschennis en de wijzende vingers naar Jezus. Daarom zegt Hij: "Ik doe één werk." Juist dat werk dat daar gebeurde – die opstanding – is essentieel. De Heer had die man doen opstaan en gezegd: "Neem je matras op en wandel." Dat is het mooiste advies dat je kunt krijgen als je nieuw leven hebt ontvangen. Hoe wandel je dan? Met je matrasje, dat wil zeggen: in rust. Wat is karakteristiek voor de wandel van iemand die nieuw leven heeft ontvangen? Een wandel in en vanuit de rust die Hij geeft. Hij doet alles; dat is wat het matrasje verbeeldt. Het is een goed bericht van rust, van vrede en genade. Juist door met dat matrasje te lopen, leek hij de sabbat te schenden, maar het was in wezen de échte sabbatsviering. Dat is rust.⟨/p> ⟨p>Jullie verwonderen je daarover. Daarom zeg ik jullie: Mozes heeft jullie de besnijdenis gegeven. In Leviticus 12 lees je bijvoorbeeld dat een jongetje dat geboren was, op de achtste dag besneden moest worden. Er staat echter tussen haakjes bij dat de besnijdenis niet uit Mozes is, maar uit de vaderen. Wat wil dat zeggen? Wel, de besnijdenis dateert niet van Mozes, maar was al 430 jaar ouder; zij is er al vanaf Abraham. Als u daar meer van wilt weten, zou u Galaten 3 moeten lezen. Daar zet Paulus prachtig uiteen dat aan Abraham de beloften waren gedaan. Abraham leefde niet uit de wet; hij kende de wet nog niet. Het zou bijna vierenhalve eeuw duren voordat de wet aan Israël gegeven werd. Abraham had een belofte, en de besnijdenis was een teken van die belofte, van Gods eedzwering. Dat wordt hier dus tussen haakjes vermeld: Mozes heeft de besnijdenis gegeven in de zin dat het in de wet is opgetekend, hoewel de oorsprong veel ouder is.⟨/p> ⟨p>De Heer zegt: "En jullie besnijden op sabbat een mens." Als een jongetje op een sabbat geboren wordt, dan valt de achtste dag precies weer op een sabbat. Dat betekent dat één op de zeven Joodse jongetjes op een sabbat besneden moest worden. Dat is werk, zou je zeggen, en jullie doen het ook – terecht overigens. De gedachte gaat echter nog verder. We gaan er nu even aan voorbij waarom die achtste dag zo geweldig is – daar komen we later bij vers 37 nog op terug, bij de laatste, de grote dag van het feest. De achtste dag heeft altijd te maken met een nieuw begin en met opstanding. Het is de dag na de sabbat, de dag na de zevende; de achtste dag dus.⟨/p> ⟨p>Laten we ter zake blijven. De Heer vervolgt Zijn betoog: "Indien een mens op sabbat de besnijdenis in ontvangst neemt, opdat de wet van Mozes toch niet ontbonden zou worden..." Het moest op de achtste dag gebeuren, en dus bij gelegenheid ook op een sabbat. "Zijn jullie dan chagrijnig op Mij?" "Vertoornd" staat er in de NBG, maar er wordt hier een specifiek woord gebruikt. Zijn ze chagrijnig omdat Hij de héle mens op sabbat gezond maakt? Bij de besnijdenis wordt slechts één deel van het lichaam behandeld, maar de Heer maakt een mens in zijn totaliteit gezond. Die man in Bethesda was 38 jaar ziek, en nu zijn ze boos en afwijzend omdat Hij de hele mens op sabbat gezond heeft gemaakt.⟨/p> ⟨p>Ik vind het trouwens wel typerend dat de Heer, voor zover we weten op welke dagen Hij genezingen verrichtte, een uitgesproken voorkeur voor de sabbat lijkt te hebben. Je vindt heel wat voorbeelden van mensen die op een sabbat werden genezen. Als je eenmaal weet waar de sabbat een beeld van is, is dat ook niet zo moeilijk te begrijpen. Op de sabbat maakt Hij de mens gezond. Hij liet die man bovendien met zijn matrasje opstaan en de tempel in wandelen. Waarom zijn ze dan zo boos?⟨/p> ⟨p>"Oordeelt toch niet naar het aanzien," zegt de Heer. Dat wil zeggen: niet naar het gelaat of het uiterlijk, maar "oordeelt een rechtvaardige beoordeling". Dat was overigens ook van de Messias voorzegd in Jesaja 11. Daar lees je dat Zijn lust zal zijn in de vreze van JAHWEH. Hij zal niet richten naar wat Zijn ogen zien, noch rechtspreken naar wat Zijn oren horen, maar naar recht en gerechtigheid. Oordeel dus niet op het gehoor af, of op wat mensen zeggen, of op wat ogenschijnlijk zo lijkt. Dat is een oordeel naar aanzien, gebaseerd op de eerste aanblik, maar het is geen rechtvaardige beoordeling.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-12" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4511" title="Speel af vanaf 01:15:11">▶ 01:15:11⟨/button> ⟨span>De Jeruzalemmers Verbazen Zich over de Passiviteit van de Oversten⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En nu kom ik op dat vers waar ik al even aan refereerde. Sommigen dan vanuit de Jeruzalemmers zeiden: "Is deze het niet die zij – de Joden dus, de leidslieden – zoeken te doden?" In dit geval is dat natuurlijk een rethorische vraag. Dit is hem toch? Dit is hem toch, die man van vorig jaar die in Jeruzalem dit toen deed? Sommigen vanuit de Jeruzalemmers weten dat; die zijn daarvan op de hoogte. En vandaar dat ze deze rethorische vraag stellen.⟨/p> ⟨p>En neem waar, let eens even op wat zij dan vaststellen. Neem waar, zie! Hij spreekt in vrijmoedigheid en zij zeggen niets tot hem. Nu bedoel ik de heersers. Wat ze zagen was dat het inmiddels halverwege het feest was, of misschien inmiddels nog weer wat verder, dat weet ik niet, maar in ieder geval in de tweede helft van het feest. De Heer bevindt zich daar op het tempelplein. Hij onderwijst en Hij spreekt nu in vrijmoedigheid. En nu zeggen ze niets tot hem. Ze zochten hem toch te doden? Waarom grijpen ze nu dan niet in? Dat is de vraag. Als zij hem zoeken te doden, als het waar is dat ze hem zochten te doden, waarom laten ze dit dan allemaal gebeuren?⟨/p> ⟨p>Of, zo staat er dan: "Weten waarlijk de oversten toch niet dat deze de Christus is?" Met andere woorden: zijn ze er toch niet zo zeker van dat hij inderdaad de Christus is? Laten ze hem daarom ongemoeid en zijn gang gaan en onderwijs geven? Wat ze hier dus suggereren – het wordt als een vraag gesteld – is of de oversten misschien zelf niet zo zeker zijn van hun zaak. Zijn ze zelf misschien niet zo zeker dat hij niet echt, inderdaad waarlijk de Christus is? Maar, zo zeggen sommige van de Jeruzalemmers nog steeds.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-13" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4663" title="Speel af vanaf 01:17:43">▶ 01:17:43⟨/button> ⟨span>Theologisch Onbegrip over de Aardse Afkomst en Hemelse Komst van de Christus⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Maar van deze man hebben wij vernomen waarvandaan hij is. Dat is niet helemaal correct; het gaat erom waar hij vandaan komt. Ja, wat wisten deze Jeruzalemmers over de Heer Jezus? Ze wisten in ieder geval – en dat was een waarneembaar gegeven – dat Hij uit Galilea kwam. Waarschijnlijk hebben ze dat zelfs aan het dialect gehoord. We weten dat er een duidelijk dialectverschil was tussen de mensen die in Jeruzalem en Judea woonden en de Galileërs. Dat hoorden ze aan hun spraak. Het was voor hen volkomen duidelijk: Jezus kwam uit Galilea. Ze wisten dus waar Hij vandaan kwam, en voor hen was daarmee ook direct duidelijk: 'O, dan kan Hij niet de Messias zijn.' We zullen dat later in Johannes 7 trouwens ook nog tegenkomen – vanavond niet meer, maar ga even met mij mee naar vers 41. Dat zal waarschijnlijk de volgende keer zijn dat we het daarover zullen hebben, maar er staat dit: 'Anderen zeiden: Deze is de Christus. Weer anderen zeiden: De Christus komt toch niet uit Galilea?'⟨/p> ⟨p>Zie je weer die discussie over Hem, over Zijn identiteit? Sommigen zeiden dat Hij de Christus is, maar anderen wierpen tegen dat de Christus toch niet uit Galilea komt. Ze wisten immers: deze man komt uit Galilea. En nu zeggen ze: 'De Christus komt toch niet uit Galilea? Zegt de Schrift niet dat de Christus komt uit het geslacht van David en uit het dorp Bethlehem, waar David was?' Zo ontstond er verdeeldheid onder de scharen om Hem. Sommigen wilden Hem grijpen, maar niemand sloeg de handen aan Hem. Nee, logisch, want het was de tijd nog niet. Ook hier zie je trouwens weer dat oordeel gebaseerd op 'horen zeggen' en op beperkte kennis. Daar hadden we het eerder vanavond over: hoe makkelijk een mens zijn eigen conclusies trekt. Het lijkt zo gerechtvaardigd. Deze mensen zeggen: 'Hij komt uit Galilea, dus kan Hij niet de Christus zijn. Want de Christus komt toch uit Bethlehem en uit het geslacht van David?' Dit zeiden ze zonder te weten dat Hij inderdaad in Bethlehem geboren was en notabene ook uit het geslacht van David was. Hun oordeel was dus gebaseerd op onkunde.⟨/p> ⟨p>Ik heb daar erg over nagedacht. Wat bedoelen ze precies met die zin in vers 27: 'Wanneer de Christus zou komen, weet niemand waarvandaan hij is'? Vooral ook omdat ze juist hier zeggen dat Hij uit Galilea komt en dat de Christus toch uit Bethlehem moet komen, uit het geslacht van David. Zijn afkomst en zelfs Zijn geboorteplaats dachten ze dus te weten. Ik heb me afgevraagd wat deze zin dan betekent; ik heb er echt een hele tijd mee rondgelopen. Het is niet zo dat ik daar vanmiddag pas voor het eerst naar gekeken heb. Wat bedoelt deze zin? Ik heb dat in verschillende verklaringen nagekeken. Eén ding is zeker: men wist dat de geboorteplaats van de Messias Bethlehem zou zijn. Dat Hij Davids Zoon was, was sowieso algemeen bekend. Maar als de Christus zou komen, als Hij inderdaad als de Christus zou verschijnen – en ik denk in die termen – is het dan niet zoals in Daniël 7? Dan zou Hij toch met de wolken des hemels komen? Dus niet vanaf een aanwijsbare plaats op aarde, maar zomaar, zonder aanwijsbare menselijke oorsprong; in ieder geval zou Hij dan vanuit de hemel komen.⟨/p> ⟨p>Persoonlijk denk ik dat dit de gedachte is. Daniël 7 is voor mij het sterkst op dit punt: 'Ik zag een Mensenzoon komen met de wolken des hemels', die dan macht, koningschap en heerlijkheid aanvaardt en zal gaan regeren. Ook in de Joodse traditie – misschien denk je dat dit een vreemde gedachte is, maar er is bijvoorbeeld een versie uit de Talmoed – spreekt men over de Messias Ben Jozef en over de Messias Ben David. Men spreekt daar over twee versies. Hoe dan ook, dat wat de Bijbel zegt over de Messias, is enerzijds Zijn geboorte in Bethlehem en anderzijds dat Hij zal komen met de wolken des hemels. Wij weten dat dit bij twee verschillende gelegenheden hoort: de eerste en de tweede komst. Maar dat is niet het idee dat de Joden daarover hadden; hun begrip vertoonde heel veel gaten.⟨/p> ⟨p>Ik wil nog op een passage wijzen. Ik heb daar geen dia van, maar ga even met me mee naar 1 Petrus 1 vanaf vers 10. Ik wijs er even op dat zij wel een idee hadden – ze wisten bijvoorbeeld dat Hij uit Bethlehem zou komen en ook dat Hij met de wolken des hemels zou komen, dus niet vanaf een geografisch aanwijsbare plaats hier op aarde – maar hoe die twee zaken zich tot elkaar verhielden, dat was onduidelijk. En daarom lees je in 1 Petrus 1: 'Naar deze zaligheid – naar deze redding letterlijk – hebben gezocht en geforst de profeten die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij – de profeten dus – naarspeurden op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde toen hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden dat over Christus zou komen en van al de heerlijkheid daarna.' Dat is een hele lange zin, maar het gaat me even om dit: dat er staat dat de profeten zelf hebben gezocht, geforst en hebben nagespeurd. Dan moet je echt even goed je ogen uitwrijven. Wat staat hier? De profeten doen voorzeggingen, ze hebben de dingen opgetekend en gesproken, maar ze begrepen hun eigen profetieën niet! Ze hebben gezocht, nagezocht en gespeurd. Maar wat dan? Wat begrepen ze niet, wat hebben ze nagespeurd? Nou, er staat bij: zij hebben gesproken over de redding in Christus, maar wat ze niet hebben begrepen en waar ze zelf naar hebben gezocht, is – vers 11 – 'op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde'.⟨/p> ⟨p>Wat voor de profeten niet helder was, was de tijd en de wijze waarop alles zijn beslag zou krijgen. Het lijden dat over Christus zou komen en de heerlijkheid daarna. Hij zou geboren worden in Bethlehem en het lijden zou over Hem komen; de profeten spreken erover, maar ze spreken ook over dat Hij zou komen in macht en heerlijkheid. Hoe kan dat? Dat kan voor hun besef nooit allemaal tegelijkertijd plaatsvinden. Zij hebben dus gespeurd hoe en op welke tijd dat dan zo vervuld zou worden. Dat betekent ook dat dit verborgen was in de profetieën. Het Oude Testament heeft een schaduw van de toekomende dingen; ook in de wet zie je dat uitgebeeld, maar het is verborgen in het Oude Testament. In het Nieuwe Testament wordt het onthuld. Wij weten het nu, ja, maar puur vanuit het Oude Testament – dat zegt Petrus zelf – hebben de profeten het niet begrepen. Het was dus verborgen, en daarom speurden ze zelf in hun eigen profetieën na hoe en in welke tijd dat zou gebeuren.⟨/p> ⟨p>Ja, dat is een uitstap die eigenlijk veel meer tijd en toelichting vergt dan wat ik nu even zeg, maar ik wijs er nu op vanwege die anders zo cryptische zin waarin staat dat wanneer de Christus komt, niemand weet waarvandaan Hij is. Nee, dan gaat het inderdaad over Zijn verschijning, Zijn wederkomst, want dan is er geen aardse locatie aanwijsbaar van waaruit Hij zal komen. Dus ik denk inderdaad dat de schare hier doelt op Zijn verschijning met de wolken des hemels. Ik geef direct toe dat ik niet kan bewijzen dat zij exact daarop doelen, maar ik zou niets anders weten dan dat ze daarop moeten doelen. Dus als u zegt: 'Ik heb een beter idee', dan houd ik me aanbevolen. Maar zo versta ik dit.⟨/p> ⟨p>Het is tien voor tien. Ik denk dat we het nu even het beste kunnen laten voor wat het is, en de volgende keer pakken we dan de draad op in vers 28. Zeg ik het goed? Ja. Timmeke, heb jij nog bijzondere dingen te melden?⟨/p> ⟨p>Of er nog vragen zijn of kritiek? Geenszins. Nou, dan denk ik dat we het daar voor vanavond bij laten. Dan zal ik nog afsluiten met een dankgebed.⟨/p>