⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Terugblik op de Reis Naar Milete en de Toespraak van Paulus⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dit is inmiddels de dertigste avond rond het boek Handelingen en het is de afsluitende avond voor 2016 wat deze serie betreft. Als het een beetje meezit, zullen we Handelingen 20 vanavond ook voltooien, maar dat zeg ik met een slag om de arm. Ik hoop het eerlijk gezegd wel, maar we zullen zien hoe ver we komen. Laat ik eerst even terugblikken op wat we de vorige keer hebben besproken; de terugblik wil ik beperken tot alleen de vorige keer.⟨/p> ⟨p>We hebben gezien dat Paulus op doorreis is naar Jeruzalem. Daar had hij enige haast mee, want hij wilde, als het even kon, met Pinksteren daar zijn. Dat is een hoogtijdsbesluit per slot van rekening, en die reis zou ongeveer nog zes weken in beslag nemen. We weten dat het een week van tevoren nog Paasdag was, dus dit moet een paar dagen later zijn geweest. Hij maakt dan een tussenstop in Milete, nadat hij verschillende eilanden heeft aangedaan. We hadden het er zojuist even over dat zij per schip hun reis maakten. Hij maakte een tussenstop in Milete, dat vlak bij Efeze was. Wanneer hij zegt 'vlak bij', dan praat je altijd nog over een afstand van zo'n dertig tot veertig kilometer.⟨/p> ⟨p>Hij laat de senioren bij zich komen — ik noem het expres even zo — de ⟨em>presbuteros⟨/em> die de functie hadden van opziener; we komen daar straks nog op terug. Wellicht — we hebben dat de vorige keer ook wel overwogen en de suggestie is mij aan de hand gedaan — was Paulus er enigszins bunzig voor om Efeze weer aan te doen na alle tumult die daar was geweest, ook rondom zijn persoon. In elk geval laat hij hen bij zich komen om afscheid van hen te nemen. Dan lees je een lange toespraak, zoals we in het boek Handelingen vele toespraken vinden opgetekend. Die toespraak begint in vers 18 en daar zijn wij de vorige keer ook mee begonnen.⟨/p> ⟨p>Ik heb u toen de structuur van de toespraak laten zien en dat doe ik vanavond opnieuw. De toespraak begint in vers 18 en eindigt in vers 35, maar ze valt uiteen in twee delen die parallel lopen met elkaar. Het begint met een terugblik, maar daar eindigt het ook weer mee. Het tweede gedeelte van het eerste deel komt overeen met de toekomst van de Efeziërs, zoals hij begonnen was met zijn eigen toekomst. Hij vertelt over wat hij voornemens is te gaan doen — naar Jeruzalem gaan — maar ook dat de Heer hem had medegedeeld dat hij daar in Jeruzalem gebonden zou worden. Van stad tot stad was hem dat al betuigd. Dan zie je dus de toekomst voor Paulus, Paulus' prediking en de oproep aan de Efeziërs, en daarnaast de toekomst voor de Efeziërs, Paulus' prediking en opnieuw de oproep aan de Efeziërs. Beide delen lopen daarin dus parallel.⟨/p> ⟨p>We waren aangekomen bij vers 24 en het lijkt me goed om dat in ieder geval nog even voor te lezen. Ik wil er trouwens bij opmerken dat ik me heb voorgenomen, na goede gesprekken die ik de vorige week met broeder Menno heb gehad, om de tekst voortaan niet meer vanuit de NBG door te geven, maar zo dicht mogelijk aansluitend op de interlineaire tekst. Dat levert soms niet al te mooi Nederlands op, maar het heeft het enorme voordeel dat we zo dicht mogelijk bij de tekst van Lucas komen zoals hij die heeft opgetekend. Daarbij hoefde ik niet helemaal af te gaan op het werk dat ik daar zelf aan zou hebben; Menno had er ook al een concordante tekst van gemaakt. Overigens komt deze versie geheel voor mijn rekening, maar ik geef hiermee wel even aan dat ik erg gesteund heb op wat Menno daarmee gedaan heeft.⟨/p> ⟨p>Ik zal straks uiteraard ook de interlineaire tekst laten zien, maar in vers 24 had hij nog gezegd: "Maar," betoogt Paulus, "ik heb mijn ziel niet kostbaar voor mijzelf geacht" — zo zou de tekst moeten luiden — "als ik mijn loopbaan maar met vreugde tot volmaaktheid mag brengen en tot voltooiing in die zin, en de bediening die ik van de Heer Jezus in ontvangst nam, namelijk om het goede bericht van de genade van de God te betuigen." Dat is precies waar we de vorige keer mee zijn afgesloten: het goede bericht van de genade van God. Wat die genade van God feitelijk is, wordt in het boek Handelingen niet zozeer naar voren gebracht. Natuurlijk vind je hints genoeg in die richting, maar daarvoor moet je vooral in zijn brieven zijn; daarin is hij zeer rijkelijk om dat allemaal in geuren en kleuren te beschrijven. Hier in vers 25 pakken we de draad op.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="394" title="Speel af vanaf 06:34">▶ 06:34⟨/button> ⟨span>Waarnemen Dat Zij Zijn Gezicht Niet Meer Zullen Zien⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En nu zegt hij: "Neem waar." Ik heb vernomen, of eigenlijk wordt ook hier weer hetzelfde woord 'waarnemen' gebruikt. Ik heb vernomen, ik weet. Dat woord wat in de NBG meestal wordt weergegeven met 'ik weet' of 'weten', is letterlijk waarnemen. Ik heb waargenomen. Dat betekent dat het een zintuiglijke kennis is. Dat is het idee. Het is iets wat je weet op basis van waarneming, ongeacht of je dat nou geroken, gezien of gehoord hebt. In elk geval weet je dat gewoon omdat je het bijvoorbeeld met je eigen ogen leest. Dat is zulk weten; dat neem je namelijk waar.⟨/p> ⟨p>Hoe Paulus dit vernomen of waargenomen heeft, zegt hij er niet bij, maar dat is wel het woord wat hij gebruikt. Heeft de Heer het hem verteld? Het zou kunnen. Is het hem in een visioen getoond? Dat zou ook kunnen, het staat er niet bij. Maar hij zegt: "Ik heb waargenomen dat jullie allen niet meer mijn gezicht zullen zien." Daarmee neemt Paulus afscheid en dat vind ik ook het mooie van deze toespraak. Het maakt deze woorden heel actueel, want het feit dat Paulus hier afscheid neemt, betekent dat die mensen daar op het strand van Milete zich in precies dezelfde positie bevonden als wij vandaag.⟨/p> ⟨p>Dat wil zeggen: we hebben het woord van Paulus vernomen, maar hijzelf is niet meer in ons midden. We leven nu al zo lang in de na-apostolische tijd. De generatie van de apostelen is sinds de eerste eeuw voorbij en zijn gezicht zien we niet meer. Deze opmerking komt aan het einde van de toespraak nog een keertje terug, want dan zullen we ook zien dat deze opmerking voor hen heel pijnlijk was. Het was hen ook het meest bijgebleven: dat ze zijn aangezicht niet meer zouden zien.⟨/p> ⟨p>Hier geeft hij het al aan: "Dat jullie allen niet meer het gezicht van mij zullen zien, te midden van wie ik rondging, proclamerende het Koninkrijk." Hij was daar in Azië, in die hele landstreek, want Paulus was gestationeerd in Efeze. Maar het woord deed zijn ronde daar in heel Azië, dat hebben we ook gezien. En wat deed hij daar? We hebben in het voorgaande vers, in vers 24, gezien dat hij het goede bericht van de genade van de God betuigde. Dat is de boodschap om niet: God is genadig. Dat heeft hij daar verteld en hier zegt hij: "proclamerende het Koninkrijk."⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="614" title="Speel af vanaf 10:14">▶ 10:14⟨/button> ⟨span>Het Proclameren en de Ontwikkeling van het Koninkrijk⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Het woord 'koninkrijk' of het begrip van het koninkrijk speelt natuurlijk een enorm grote rol in het boek Handelingen. Laten we dat eens kort op een rijtje zetten. De twaalf – en als ik zeg de twaalf, dan is dat direct een term die gelieerd is aan Israël – staan feitelijk model voor de twaalf stammen van Israël. Zij prediken de opgewekte Messias vanaf de aanvang van het boek Handelingen. Vanaf de Pinksterdag prediken de twaalf apostelen de opgewekte Messias aan Israël met het appèl dat het koninkrijk zou aanbreken als het volk zich zou bekeren. Ik verwijs hierbij naar Handelingen 3, waar Petrus expliciet zegt dat wanneer het volk zich zou bekeren, er tijden van verademing zouden aanbreken en de wederherstelling van alles waar de profeten over hebben gesproken. De twaalf prediken dat heel specifiek aan Israël.⟨/p> ⟨p>Vervolgens zie je in een aantal hoofdstukken hoe de afwijzing zich steeds duidelijker gaat aftekenen, in het bijzonder vanuit Jeruzalem, maar ook vanuit de landstreek Judea in het algemeen. Er brak een grote vervolging aan. In Handelingen 7 laat Stefanus – wiens naam 'kroon' betekent, wat niet zonder betekenis is – het Sanhedrin weten hoe de zaken ervoor staan. Stefanus was weliswaar niet een van de twaalf, maar hij laat het Sanhedrin, het officiële bestuur of de officiële regering van Israël, weten dat Israël het woord van God heeft afgewezen.⟨/p> ⟨p>Bij het horen van die woorden lees je dat ze knersten met hun tanden. Dat was niet uit verdriet, maar uit pure haat en jaloezie. Stefanus wordt gestenigd en daarmee bevestigt hij precies wat hij verkondigde: namelijk dat ze altijd al het woord van God hadden afgewezen. Dit moment is het moment waarop Jeruzalem als stad, maar ook officieel via het Sanhedrin, het evangelie van de opgewekte Christus afwijst. Dat is een ontwikkeling in het koninkrijk. Tot dusver hadden de twaalf in de jaren die eraan voorafgingen gepredikt dat Israël tot bekering moest komen, waarna de Messias zou terugkeren om zijn koninkrijk vanuit Jeruzalem te vestigen. Met Stefanus gaat de deur voor Israël feitelijk in het slot.⟨/p> ⟨p>Hoewel de figuur van Saulus al een rol speelt bij de steniging van Stefanus – wat ook veelzeggend is – lees je in het hoofdstuk erop, in Handelingen 9, over de roeping van Saulus als de dertiende apostel. Dat wil zeggen: een afgevaardigde van Christus Jezus. Hij hoort niet bij de twaalf, maar hij is een apostel. Daarmee is er sprake van een hele omwenteling, een nieuwe weg die God inslaat. Het zou overigens nog wel even duren voordat dit echt zijn beslag kreeg, maar Saulus wordt geroepen.⟨/p> ⟨p>In Handelingen 10 is het Petrus die de poort opent naar de natiën. Ik zeg dat expres zo, want het was inderdaad de poort. In een havenstad als Joppe of Caesarea gaat de deur open naar de natiën. Het lag aan zee, wat ik ook mooi vind; een poort als weg naar de zee. Precies hier ging de deur open in de geschiedenis van Cornelius en zijn huis. Hij was feitelijk een vreemdeling in hun midden, "een vreemdeling in hun poorten". Hoewel Petrus altijd een apostel van de besnijdenis is gebleven, heeft hij wel de deur geopend. Aan hem waren per slot van rekening ook de sleutels van het koninkrijk toevertrouwd. Hij opende de deur naar de natiën, wat telkens weer nieuwe stappen en fases in dat koninkrijk markeerde.⟨/p> ⟨p>In Handelingen 13 lees je dat Paulus zich inderdaad definitief naar de natiën gaat wenden. Petrus had de deur geopend, maar Saulus – inmiddels onder de naam Paulus – begeeft zich tot de natiën. Dit is een cruciaal moment. De taak van Paulus daarbij was om, behalve naar de natiën te gaan, ook tot Israël te spreken. Dat speelt een hele grote rol in het hele boek Handelingen, tot aan het achtentwintigste hoofdstuk toe. Zijn taak was om aan Israël te prediken dat het heil Gods naar de natiën werd gezonden. Daarom begrijp je ook waarom juist Paulus de meest gehate apostel onder Israël is.⟨/p> ⟨p>In het volgende hoofdstuk, Handelingen 21, komen we daar zeker nog op terug. Wanneer Paulus in Jeruzalem gearresteerd wordt door de Romeinen – eigenlijk door de Joden, maar goed – wordt hij voorgeleid. Hij houdt een rede waarin hij dit alles uitlegt en men wordt witheet bij zijn woorden. Hij staat daar op de trappen van het tempelplein boven het volk – ook al veelzeggend – en vertelt zijn eigen geschiedenis. Hij vertelt dat hij ooit in Jeruzalem was en dat hem werd gezegd: "Maak dat je wegkomt, ga weg naar de natiën." Tot dit woord hoorden ze hem aan, maar toen schreeuwde de hele menigte: "Weg met hem, hij is niet waard om te blijven leven!" Dat hij van Israël wegging naar de natiën, deed hun bloed tot het kookpunt stijgen. Dat was de ondankbare taak die Paulus had aan het adres van het volk: om te betuigen dat het heil Gods naar de natiën werd gezonden. In Handelingen 28 formuleert hij dat officieel ook zo.⟨/p> ⟨p>Dat koninkrijk en alles wat daarmee samenhangt, is vandaag de dag feitelijk verborgen. Want als de Koning niet in Jeruzalem is, waar is Hij dan? Het koninkrijk is er wel; de Koning is er en er is ook een troon. Hoe heet die troon dan? Dat lees je bijvoorbeeld in de Hebreeënbrief: de troon van de genade. En genade heerst, dat leert ook de Romeinenbrief: genade heerst nu. Dus ja, dat koninkrijk is er wel, maar het heerst in genade en daarmee is het dus verborgen. Dit zijn allemaal thema's die in de brieven van Paulus verder worden uitgewerkt.⟨/p> ⟨p>Wanneer Paulus zegt dat hij het koninkrijk proclameerde, dan was dat zijn onderwerp. Hij sprak over de Koning en over de stand van zaken: over het koninkrijk dat afgewezen werd, maar dat uiteindelijk natuurlijk wel weer bij Israël terecht zal komen. Hij sprak echter ook over de huidige situatie en de verborgenheden van het koninkrijk. Ik zou in de verleiding kunnen komen om daar dieper op in te gaan, maar ik moet terug naar de tekst. Paulus blikt terug en zegt: "Jullie zullen mij niet meer zien, maar ik ging onder jullie rond, proclamerende het koninkrijk." Dat was een heel belangrijk item in zijn boodschap, in dat wat hij naar voren bracht en wat hij herhaalde. Dat is het woord dat hier eigenlijk wordt gebezigd. Daarom zegt hij in vers 26...⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1196" title="Speel af vanaf 19:56">▶ 19:56⟨/button> ⟨span>Rein van Bloed Door het Verkondigen van Al de Raad van God⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>"Ik geef getuigenis aan jullie op de dag van vandaag." Dat is een officieel afscheid en ook een heel plechtige verklaring. Soms moet je dat benadrukken; dan benadruk je het tijdstip of de plaats waarop je iets zegt: nu, vandaag, hier. Ik denk zomaar aan wat de Heer Jezus ooit zei op de dag van Zijn sterven tegen de moordenaar aan het kruis. Het wordt vaak misbegrepen, maar Hij zei tegen die moordenaar: "Ik zeg je heden, jij zult met mij in het paradijs zijn." Men zet de komma vaak verkeerd: "Ik zeg je, heden zul je met mij in het paradijs zijn." Nee, het is: "Ik zeg je heden, jij zult met mij in het paradijs zijn." Het gaat erom dat het soms van belang is om juist te vermelden en te benadrukken dat je het nu zegt, op deze dag van afscheid.⟨/p> ⟨p>Paulus zegt: "Ik geef getuigenis aan jullie op de dag van vandaag dat ik rein ben van het bloed van allen." Dat is een uitdrukking die we in het Oude Testament nog eens kunnen vinden, en in het Nieuwe Testament ook een paar keer, maar het komt uit het Hebreeuwse idioom, om zo te zeggen; Hebreeuws taaleigen. Paulus zegt dit omdat hij weet — en hij zal dat straks ook nog zeggen — dat de kudde niet gespaard zal worden. Maar, zegt Paulus, wat er ook gaat gebeuren, dat komt niet door de boodschap die ik jullie heb verteld. Al die jaren dat ik onder jullie bezig geweest ben, geproclameerd, betuigd en gesproken heb, zegt hij: "Ik ben daar rein van." Dat wil zeggen dat hij zijn bediening, die hij van de Heer had ontvangen, heeft mogen vervullen en alles heeft doorgegeven. Dat gaat hij vervolgens ook in het navolgende naar voren brengen. Als de kudde niet gespaard wordt en er bloed vloeit — ik gebruik even de woorden die hij later gaat bezigen — dan is hij daarin vrij en onschuldig.⟨/p> ⟨p>Dat dit inderdaad zo is, blijkt wel uit het eerste woord van het zevenentwintigste vers: "Want," zegt hij, "ik ben rein van het bloed van allen, want ik onttrek mij toch niet van het verkondigen aan jullie..." Wellicht leest u nu ook mee in de NBG, de Statenvertaling of de Telos-vertaling, waarin de formulering soms wat anders is. Maar hij zegt uitdrukkelijk: "Ik onttrek mij toch niet van het verkondigen aan jullie." Van wat dan? Wel, "van al de raad van de God." Hier heb je weer zo'n uitdrukking waarvan ik direct toegeef dat het niet echt heel mooi Nederlands is, maar dit is wel wat hij zegt: "van al de raad van de God."⟨/p> ⟨p>Wat verkondigde Paulus, of wat had hij verkondigd? Waarom was hij rein van het bloed van allen? Omdat wat er ook zou gebeuren, het niet aan de boodschap lag. Hoezo? Wel, Paulus had namelijk "al de raad van de God" verkondigd. Dus niet de raad, maar al de raad; dat wil zeggen: geheel de raad. En niet van God zomaar, maar van dé God. Het is mooi als je zulke tegenstellingen maakt en ziet hoe Paulus dat precies zegt. Dat woord 'raad' heeft de betekenis van bedoeling of intentie. Dat gaat heel diep. Laat ik een citaat geven van wat mij betreft het mooiste woord in het Nieuwe Testament als het gaat over de raad van God: Efeze 1 vers 11. Daar zegt hij: "...tevoren bestemd wordend naar Zijn voornemen, die in het al — dat wil zeggen in alle dingen, in het heelal — inwerkend is naar de raad van de wil van Hem." God heeft een voornemen en in al wat Hij doet en onderneemt, gaat dat naar de raad, de bedoeling en de intentie van wat Hij wil. Als je dan het voorgaande leest in Efeze 1 vers 11, dan lees je inderdaad dat hij het heeft over dat plan van God om in de volheid van de tijden hemel en aarde onder één hoofd, namelijk Christus, samen te brengen. Dat is zo alomvattend, maar dat is dus die raad die God heeft, die intentie.⟨/p> ⟨p>Wel, Paulus heeft over al die dingen gesproken. Maar iemand vraagt nu: "Maar niet hier? Wat betreft het evangelie van het koninkrijk dat verkondigd is, ligt die parallel van het evangelie dan ook op de Vader te trekken?" Nee, dat is een goede vraag. Dat is natuurlijk een bijzonderheid wat hij pas later doorkrijgt; komt dat hier niet naar voren en mag het hier nog niet bekendgemaakt worden? Heeft hij het hier nog niet aangeraakt? De Efeze-brief moest hij immers nog schrijven, dat is duidelijk. Maar omdat hier "de raad van God" staat, wat zouden ze daar dan van geweten hebben? Is "al de raad van God" datgene waar ik mij nu aan houd vanuit de Efeze-brief, of is dat een ander deel van de raad?⟨/p> ⟨p>Ik geloof dat er meer aan vastzit. Eigenlijk heb ik dat zojuist al even laten zien in het schema over het koninkrijk en het boek Handelingen. Paulus heeft vanaf het begin al geweten dat Jeruzalem de boodschap had afgewezen. Er staat ook niet dat hij het evangelie van het koninkrijk gepredikt heeft. Wat dat evangelie van het koninkrijk precies is, wordt in Matteüs 24 uitdrukkelijk gezegd: "En dit evangelie van het koninkrijk..." En wat is dan dat koninkrijk? Wie volhardt in die generatie tot het einde, die zal gered worden. Dat is wat Israël zal prediken. Maar wanneer Paulus geroepen wordt na de dood van Stefanus, dan is het verhaal van de twaalf feitelijk voorbij. Jeruzalem was opgeroepen om zich te bekeren, maar Jeruzalem bekeerde zich niet. Toen is het verhaal van een dertiende apostel gekomen; hij ging naar de natiën. Paulus is meteen in het begin al naar Arabië gegaan en de Heer heeft hem daar van alles bekendgemaakt. De gedachte dat hem pas na Handelingen 28 nieuwe dingen zouden zijn verteld... eerlijk gezegd, ik ken die gedachte, maar daar moeten we zeker nog eens een keertje over spreken. Ik denk trouwens dat we het komende jaar, als ons de tijd en gelegenheid gegund wordt, zeker nog over deze dingen gaan spreken wanneer Paulus in Jeruzalem gearriveerd is en de toespraak houdt op het tempelplein. Anders moeten we daar maar eens een speciale excursie aan wijden, een aparte avond over dat koninkrijk.⟨/p> ⟨p>"Al de raad van God" is dus alles wat Paulus op dit moment wist over de raad van God en wat hij hen verteld heeft. Daarbij laat ik in het midden of Paulus op dat moment zelf al alles wist, of dat hem naderhand nog dingen zijn bekendgemaakt. Eerlijk gezegd geloof ik dat hij het vanaf het begin wist. Dat geloof ik ook, vanaf de aanvang van zijn roeping. Dat is een heel frappant ding, maar nu kom ik toch weer een beetje in de verleiding. Maar ja Aart, jij hebt me uitgedaagd! En dat is dan weer het voordeel dat ik hier met een microfoontje achter de lessenaar sta. Nee hoor, ik dicteer natuurlijk helemaal niets; ik geef gewoon door zoals ik de dingen versta en iedereen is geheel vrij om daarover te denken wat hij wil. Ten overvloede zeg ik dat er nog maar eens even bij.⟨/p> ⟨p>Maar een heel frappant ding is – als u het mij vraagt – dat het slot ook van de Romeinenbrief is. De Romeinenbrief, we weten dat, had hij al geschreven. We hebben dat gelokaliseerd; dat is trouwens ook in de tijd van Handelingen 20.⟨/p> ⟨p>Aan het einde van de brief aan de Romeinen spreekt hij over het geheimenis, de verborgenheid die sinds de eonen verborgen is gebleven in God. Die is aan hem bekendgemaakt; dat zegt hij in de Romeinenbrief. Ja, dus dat tekent hij daar toch al op. Die brief had hij al geschreven voordat hij deze toespraak hield in Milete.⟨/p> ⟨p>Maar goed, laten we het hier even bij houden. Hij zegt: "Ik onttrok mij toch niet van het verkondigen aan jullie van al de raad van de God."⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1904" title="Speel af vanaf 31:44">▶ 31:44⟨/button> ⟨span>Geef Acht op de Kleine Kudde⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En nu zegt hij: "Geef acht op jullie zelf." Waarom? Nou, na alles wat hij aan hen heeft bekendgemaakt, aan al de raad van de God die hij doorgegeven had, zegt hij: "Geef acht op jullie zelf en op heel het kuddetje." Ik vind het een wat vreemd woord, maar hij gebruikt hier een verkleinwoord voor kudde. Dus niet gewoon 'kudde'. Je zou het in het Nederlands misschien nog 'kuddeke' kunnen noemen, maar dat is echt oud-Nederlands. Het is dus een kleine kudde; een verkleinwoord voor kudde. In het Nederlands zeg je dan 'kuddetje'. Dat is namelijk het woord dat hij hier bezigt. Nietwaar, Menno?⟨/p> ⟨p>Dat heb ik dan ook maar zo weergegeven: "Geef acht op jullie zelf en op heel dat kuddetje." Laten we wel wezen, het was maar een deel. De kudde die ingewijd werd in het woord van God, was wereldwijd veel groter. Dit was maar een klein deel, vandaar wellicht dat Paulus het op die manier uitdrukt. Maar hij zegt: "Geef acht op jullie zelf." Want nu, na Paulus' vertrek — ik bedoel, op deze dag neemt hij afscheid — ligt het toezicht op de kudde en de hele verantwoordelijkheid daarvoor bij deze senioren, bij deze ouderen of oudsten zo u wilt. Vandaar dus dat het zo belangrijk is.⟨/p> ⟨p>Paulus neemt afscheid en het Woord van God moeten zij ook niet vergeten. Het Woord van God was destijds nog steeds niet compleet; dat wil zeggen: nog niet volledig opgetekend en opgeschreven zoals wij dat nu kennen. Dat is nou typisch ook een punt dat we vervolgens ter sprake moeten brengen. Want hij spreekt hier tegen die oudere mensen die hij heeft laten komen en dan zegt hij over hen dit: "Geef acht op jullie zelf, op heel die kudde, op die kleine kudde, waarin de geest namelijk..." — ja, niet zomaar de geest, maar "de heilige".⟨/p> ⟨p>Ik moet zeggen dat ik inmiddels erg gecharmeerd ben van deze manier van zeggen, want het wijkt natuurlijk af van de standaardterm 'de Heilige Geest'. We hebben het daar geloof ik al een paar keer over gehad. Dan denkt men meteen aan de derde persoon van de drie-eenheid. Nee, het is de geest, namelijk de heilige. De geest, de heilige van God. De geest, de heilige.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2086" title="Speel af vanaf 34:46">▶ 34:46⟨/button> ⟨span>Door de Heilige Geest Geplaatst als Opzieners en Herders⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Waarin de Heilige Geest jullie plaatste als opzieners, of tot opzieners, of toezichthouders. Het woord in het Grieks is episkopos. Dat "epi" betekent "op", en dat andere betekent "opmerken" of "zicht". Dus "opzicht" vanuit "opziener" is een vrij letterlijke weergave. Overigens moet ik erbij zeggen dat... ik heb hier eventjes een concordant view, dat heet in het Bijbelprogramma dat we dan gebruiken, het ISA-programma. Dan krijg je zo een zicht op dat woord, alle vormen waarin dat in het Nieuwe Testament gebezigd wordt. En dan ziet u, dit is de wijze waarop dat concordant is weergegeven. In deze kolom ziet u hoe de NBG dat heeft weergegeven.⟨/p> ⟨p>Maar dit woord, dat episkopos, of het grondwoord daarvan, dat wordt ook heel dikwijls in de NBG weergegeven met "omzien". Ziet u? Bijvoorbeeld in Lukas 1 dat je leest dat God naar zijn volk heeft omgezien. En die is ook fraai. Bij een opziener denk je natuurlijk vooral aan een opzichthouder; ik denk dan meteen aan Bromsnor zelfs. Maar dat is mijn strengheid. Ik zeg niet dat het element er niet in zit, maar ik moet u zeggen: ik vind hem ook wel buitengewoon fraai als je trouwens denkt aan de connectie met een herder. Want een opziener blijkt een herder te zijn. Een herder die houdt niet alleen opzicht over die kudde, maar hij ziet ook om naar de kudde. En dat heeft dus ook de betekenis van ervoor zorg dragen en zich daarover ontfermen. Dat zijn de gedachten die daarin meekomen. En u ziet, heel wat keren wordt het ook in de NBG zo weergegeven: omzien naar, om te zien, zal omzien. Heel wat keren wordt dit woord dan in de vertalingen ook inderdaad zo weergegeven.⟨/p> ⟨p>Hier gaat het dus over... Je zou dus ook kunnen zeggen, in plaats van over "opziener" te spreken, over een "omziener". Iemand die het omziet naar. Daar zit in ieder geval een veel vriendelijker toon in. En het is veel pastoraler, om zo te zeggen, veel herderlijker klinkt dat.⟨/p> ⟨p>Maar nu eventjes over dat woord: opzieners, omzieners, een paar keer komen we ze tegen. En hier heeft Paulus die senioren bij zich laten komen. Welke functie vervulden ze als senior, als ouderen, om om te zien naar en toe te zien op de kudde? Dat was een speciale functie waar ze toen voor gesteld waren, van Gods wegen, door de Geest, de Heilige. Daarin waren ze geplaatst. Hoe ging dat in zijn werk? We lezen een paar keer in het Nieuwe Testament dat mensen in zo'n functie worden aangesteld. In Handelingen 14, een heel aantal hoofdstukken dus nog terug, dan lees je – ik meen dat dit in Antiochië dan is – en nadat zij, en daar gaat het over Paulus en Barnabas, voor hen in elke ekklesia, een voortgezette vergadering, ouderen hadden aangewezen... Ze waren druk doende geweest en in elke ekklesia ouderen hadden aangewezen. Ze werden dus – moet ik er ook nog bij zeggen, wij gebruiken dat zo in het spraakgebruik – dat is niet correct. Iemand wordt tot oudste gesteld, aangesteld, zal je nooit lezen in de Bijbel. Oudste is niet een functie, een oudere ben je namelijk gewoon, een senior. Maar de ouderen werden aangewezen. Niet "tot ouderen aangesteld", maar ouderen, ze waren een senior. In welk opzicht trouwens dat ook – dat hoeft nog niet eens senior in leeftijd te zijn, het heeft te maken met levenswijsheid, ervaring – maar in ieder geval, ze waren senior. En die ouderen werden aangewezen. En dan lees je dus: zij droegen hen onder bidden en vasten de Here op in wie zij geloofd hadden.⟨/p> ⟨p>Maar het gaat er even om dit: zij hadden in elke ekklesia ouderen aangewezen. Ik weet, de kerkelijke praktijk is een andere, daar gaat het andersom. Daar gaat het precies andersom. Daar lees je, zeker in de protestantse wereld is het zo democratisch, dan is het het kerkvolk zelf dat door middel van stemming ouderen aanwijst, ook feitelijk oudsten kiest. Maar dat was dus niet de praktijk in de dagen van Paulus. Het waren mensen die aangewezen werden door Paulus en Barnabas, en zo gaat het altijd.⟨/p> ⟨p>Ik zal u nog een voorbeeld geven, Titus 1. Zoveel meer voorbeelden zijn er trouwens niet, maar voor zover de Schrift ons daar mededeling over doet, lees je dit: Handelingen 14, Paulus en Barnabas hadden ouderen aangewezen in elke ekklesia. In Titus lees je: "Ik heb u op Kreta achtergelaten met de bedoeling dat u in orde zou brengen hetgeen nog verbetering behoefde, en dat u, zoals ik u opdroeg, van stad tot stad ouderen zou aanstellen." En dan worden ze trouwens ook opzieners of omzieners genoemd. Ook hier: Paulus schrijft niet de ekklesia's van Kreta aan dat zij voor zichzelf een stemming of iets zouden regelen waarbij zij hun eigen oudsten zouden aanstellen. No way. Het is Paulus die een delegaat achterlaat. Titus had die functie, ja, waarom? Omdat Paulus dat hem had opgedragen. En vervolgens was het Titus die zelf in elke ekklesia zulke mensen zou aanstellen.⟨/p> ⟨p>Dus het is altijd heel, zoals dat heet, top-down. Dat is trouwens in de Bijbel altijd wat gezag is. Dat is niet van beneden af. Gezag komt niet van onderen. Gezag komt van boven. Dus je hebt deze lijn: gezag uiteindelijk komt van God, God stelt Christus aan, God is het Hoofd van Christus, en dan is het Christus die Paulus riep en afvaardigde, en vervolgens is het Paulus, of die bijvoorbeeld Titus, die ook zelf opzieners of omzieners aanstelt. Zo, dit is de lijn. Dus dat was formeel gezag van opzieners. Die opzieners die daar in Efeze waren, die konden inderdaad zeggen: "We zijn door de Geest, de Heilige, hier in deze positie geplaatst", want het is Paulus zelf, een afgevaardigde van Christus Jezus, die ons in die functie ook heeft gesteld. Dat is dus maar niet een autoriteit die een kerkgemeenschap of een genootschap zichzelf kan aanmeten, waarna natuurlijk vervolgens de vraag is...⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2608" title="Speel af vanaf 43:28">▶ 43:28⟨/button> ⟨span>Geen Instituut: het Ware Gezag in de Na-apostolische Tijd⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Maar hoe zit het dan vandaag? Ik ben erg met deze dingen bezig. Ik heb afgelopen zondag in Zultemeer nog daarover gesproken. Maar sinds de eerste eeuw, sinds die generatie van de apostelen inderdaad is weggevallen, is het Woord van God compleet en bestaat er niet eens meer een formeel gezag. Deze opzieners hadden formeel gezag. Waarom? Ze waren aangesteld door Titus, maar in ieder geval indirect door Paulus, of van mijn part door de andere apostelen. Van de andere apostelen lees je het überhaupt trouwens niet, maar in ieder geval door een afgevaardigde van Christus Zelf. En een apostel, dat is iemand die rechtstreeks is afgevaardigd. De laatste apostel was Paulus. Nou, sindsdien is die generatie dus weggevallen. En dan zeg je: hoe moeten we het nu doen? Hoe is het nu dan?⟨/p> ⟨p>En dus heeft men zelf formeel gezag bedacht en ontworpen. Maar het is niet naar de Schrift. Er bestaat vandaag helemaal geen formeel gezag van een instituut, of van een college, of een concilie, of van ambten. Het hele idee van een ambt, van formeel gezag, is gewoon uit de lucht gegrepen. Niet naar de Schrift. Het enige gezag dat we hebben, dat is het gezag van de Schrift. Daarmee hebben we te doen. Maar dat is juist het hele punt. Dit is precies wat ons ook volwassen maakt. U en mij. Ja, er staat geschreven. Het Woord is compleet. Er is niet niemand die boven de ander staat. Ook geen college of commissie. Niemand, helemaal niemand.⟨/p> ⟨p>Je zegt van: "Ik ben gesteld tot evangelist of herder." De brief van Jakobus stelt wel: laat de oudsten de zieken zalven. Dat staat in een andere context. Daar wordt dus wel gesproken om te zien, was dat dan ook in die tijd dat er eigenlijk voorbij ging? Maar dat mensen zelf het initiatief hebben genomen vanuit de Ecclesia, hetzij Joods of hetzij vanuit de natiën. Die hebben gedacht: nou dan moet ik toch iemand hebben die de leiding neemt, of iemand die dingen aanzet, of dat kijkt u naar elkaar om. Hoe doen we dat nou? Want als er nu nog allemaal vragen zijn, blijft u... Ja, maar het gaat mij ook trouwens niet zozeer om het hele onderwerp van opzieners of oudsten te bespreken. Het gaat mij meer om het feit dat opzieners gesteld werden, nooit door een Ecclesia, maar door de apostel zelf. En bij ouderen kun je dat niet zo zeggen.⟨/p> ⟨p>Kijk, sowieso moet je het niet vergeten, maar dat heb je ook niet vergeten. Maar ik wijs er even op: Jakobus richt zich tot de twaalf stammen, dat is één. Maar dan nog is het begrip ouderen, als Jakobus in Jakobus 5 spreekt over: "laat dan een van de ouderen tot u komen", praat hij dan over een ambt? Nee, een oudere is geen ambt. Er zitten hier wat meer ouderen, senioren. Precies, dat bedoel ik. Ouderen, maar wat het punt is: je werd ook niet, nogmaals, je werd niet gesteld tot oudere. Een ouder was je al. Er werden alleen ouderen aangesteld in een bepaalde functie en die moesten voldoen aan een aantal criteria, een aantal eisen. In de Titusbrief vind je dat, Timoteüsbrief trouwens ook. Maar in ieder geval, dat zijn vereisten voor een opziener, niet het begrip oudere zelf is algemeen. En als in de Jakobusbrief ook gesproken wordt: "laat dan een van de ouderen tot u komen", of "de ouderen tot u komen", dan gaat het niet over een ambt per se. Een oudste is geen ambt, een oudere ben je gewoon. En ze werden gesteld in een opzienerschap en dat is een ambt.⟨/p> ⟨p>Goeiedag zeg, maar dat is allemaal jullie schuld hoor, dat ik de dingen extra moet toelichten! Daarom, helemaal geen punt. Geef acht op jullie zelf en op heel die kleine kudde waarin de Geest, de Heilige, jullie plaatste als opzieners, om te herderen de Ecclesia van de God. Daar zie je dat het begrip opziener en herder heel dicht bij elkaar ligt. Dat is trouwens in de Titusbrief ook zo. Om te herderen, ik gebruik het hier als werkwoord. Je kunt ook vaderen en moederen, waarom dan niet herderen? Nou, hier wordt inderdaad een werkwoord gebezigd van wat een herder doet. Dus om te herderen de Ecclesia van de God. Ja, wat doet een herder? Ja, die hoedt en hij weidt. En hoeden heeft eigenlijk ook de betekenis van behoeden. Hoeden en weiden, de weide geven. Dat is echt omzien naar. Dat is zorgen dat de kudde behoed wordt en gewijd wordt, met name dat natuurlijk. En dat kan alleen maar met Woord.⟨/p> ⟨p>Wel, Paulus had Woord gebracht. Weliswaar was dat Woord allemaal nog niet op Schrift enzovoorts. Dat is waar, het was nog niet de Schrift, die was nog niet compleet. Maar zij kenden het Woord. Daarom was het ook in die dagen nog zo belangrijk dat er aangestelde opzieners waren, waarvan Paulus of waarvan hij kon zeggen: "Ja, maar wacht even. Het Woord dat Paulus bracht op gezag van Christus Jezus Zelf, dat Woord beheren wij, want wij zijn zelf door Paulus gesteld in deze functie." Dat was in die dagen allemaal terug. Men kon nog niet zeggen van: "Ja, maar het staat geschreven." Want de Schriften waren nog niet compleet. Dan zie je wat voor een enorm voorrecht we nu vandaag beleven, nu de Schriften wel compleet zijn. Laat ik dat nooit van jou verpakken. Had je daarom ook nooit wat aan leunen. Maar in ieder geval, en natuurlijk, even voor de goede orde, want ik moet nou nog iets rechtzetten of in ieder geval iets toelichten en erbij zeggen: natuurlijk is het zo dat iemand die vandaag spreekt en Bijbelstudie geeft, om me wat te noemen, wat ik nu zelf doe, dan doe je ook het werk van een pastor of van een evangelist.⟨/p> ⟨p>Maar dat is wat anders, dat is geen formeel gezag. Zoals ik bijvoorbeeld ook mijn motorkap kan openen terwijl ik het zeg en denk van: "Oh, dat is een heel slecht voorbeeld, want dat lijkt me een heel slecht idee." Want ik weet nog niet het verschil tussen de bougie en de uitlaat, maar goed, bij wijze van spreken. Ik kan natuurlijk het werk van een monteur doen, maar dan ben ik nog geen monteur natuurlijk. Ik kan het werk van een leraar doen, dat is trouwens een ander gevoelig onderwerp trouwens, maar dan ben je nog geen leraar, nog niet bevoegd in de zin van... Dat geldt voor een heleboel dingen. Ik kan een auto rijden, maar dan ben ik daarmee dus meteen... Ik kan het werk van een taxichauffeur doen, maar dan ben ik nog geen taxichauffeur. Kijk, en zo bedoel ik het. Je kunt het werk van een leraar doen, van een herder enzovoort, maar dat is niet formeel. Daar gaat het even om. En in die zin, ook vandaag wordt er gehedderd, natuurlijk. Maar herders als formeel gezag, of die kunnen claimen van: "Jij moet naar mij luisteren omdat ik gesteld ben door de Heilige Geest als herder..." Forget it! Zo werkt het niet. Dat is vandaag absoluut niet de gang van zaken. En het is pure hoogmoed. En dat lijkt een oordeel over iemands intentie, en dat is niet de gedachte. Het is gewoon hoogmoed, want je verheft je in een positie die domweg helemaal niet voor jou weggelegd is, en je verbeeldt je daarmee dat je meer bent dan de ander. Dat is gewoon uitgesloten. Afijn.⟨/p> ⟨p>De Heilige Geest die plaatste hen, had hen geplaatst in die positie als opzieners om te herderen de Ecclesia van de God, die Hij Zich verwerft door het bloed van de Eigene, waarmee ook is aangegeven: die Ecclesia, dat is een heel duur gekocht gezelschap, vergis u niet. Daarom is de opbouw en het herderen, dat ze goed voorzien worden en dat er goed voor gezorgd wordt, zo belangrijk, want het is namelijk de Ecclesia van de God die Hij Zich verwerft. Het staat hier in de Aorist, een tijdloos feit. Hij verwerft Zich dat en wel door het bloed van de Eigene, namelijk Zijn eigen Zoon.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3254" title="Speel af vanaf 54:14">▶ 54:14⟨/button> ⟨span>Voorzegging over Zware Wolven Die de Kudde Niet Sparen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We pakken de draad weer op en we gaan nu verder bij vers 29. Paulus vervolgt met te zeggen: "Ik heb dit waargenomen." Ik zeg daarbij weer: gehoord, gezien, gelezen. Hij zegt: "Ik heb dit waargenomen."⟨/p> ⟨p>"Dat na mijn buiten bereik zijn" — zo zegt hij het eigenlijk — "zware wolven bij jullie zullen binnenkomen." Ja, zware wolven. Kijk, dit is nou weer zo'n typisch voorbeeld waarvan je zegt: "Dat is niet echt mooi Nederlands." Nee, maar zo heeft Paulus dat gezegd en zo heeft Lucas dat opgetekend. Zoals wij spreken over "zware jongens". En dan denken we meestal niet aan mensen bij wie de weegschaal doorslaat. Dit zijn zware wolven, in de betekenis van ongetwijfeld grimmige wolven. Maar begrijpt u ook nu de reden waarom ik dit op deze manier weergeef? Dan hoort u als het ware het hele Griekse taaleigen zoals Lucas dat heeft opgetekend in de tekst. Dat het soms wat meer Grieks klinkt dan Nederlands, dat nemen we dan maar voor lief.⟨/p> ⟨p>"Ik heb dit waargenomen. Dat na mijn buiten bereik zijn..." — dat wil zeggen: als ik hier weg ben en jullie mij niet meer kunnen bereiken — "...dat zware wolven bij jullie zullen binnenkomen." Echte zware jongens, ja. Is het zo? Zijn er ook zware wolven? Op het moment natuurlijk dat je een ander woord ervoor gaat invullen, dan zijn er grimmige, gemene of gevaarlijke wolven. Maar "zwaar" is dan het woord wat hier gebezigd wordt, toch?⟨/p> ⟨p>Ik ben blij dat de Statenvertaling dat ook gedaan heeft. De Statenvertalers hadden ook een tamelijk concordant principe van waaruit zij vertaalden, dus die maakten zich niet al te druk over de Nederlandse taal. Die hebben feitelijk door de Hebreeuwse en Griekse tekst vrij letterlijk over te zetten, het Nederlands sterk gevormd. Het Nederlands heeft zelfs vele Hebreeuwse en Griekse invloeden via de Statenvertaling. Dat is grappig, hè? Maar goed.⟨/p> ⟨p>"Ik heb dit waargenomen dat na mijn buiten bereik zijn, zware wolven bij jullie zullen binnenkomen." Zullen naar binnen komen, en die kleine kudde niet sparen. Die bezige metafoor van wolven en de kudde... Hoe was het ook alweer? In Matteüs 7 spreekt de Heer, in de bergrede, over valse profeten: "die in schapenvacht tot u komen, maar van binnen zijn zij roofgierige wolven." Ik geef het weer zoals de NBG-vertaling dat ook vertaalt. Daarvandaan hebben wij trouwens ook de uitdrukking "een wolf in schaapskleren". Dat is dus een Nederlands spreekwoord, maar het komt rechtstreeks uit het idioom van het Nieuwe Testament. Ze doen zich voor als profeet, vals, pseudo, als een schaap, als deeluitmaker van de kudde, maar in werkelijkheid zijn het wolven. Nou, over zulke mensen heeft Paulus het ook: zware wolven die bij jullie zullen binnenkomen. Er is maar één manier natuurlijk om dat effectief te doen en dat is je voordoen in schapenvacht als een schaapje, maar de kleine kudde toch niet sparen.⟨/p> ⟨p>Paulus voorzegt dit. Hij zegt: "Ik heb dit waargenomen." Hij heeft het op een of andere manier vernomen. Ook hier weer de vraag: heeft hij het gezien in een visioen? Heeft de Heer hem dit persoonlijk verteld? Hij is er zeker van en hij voorzegt dit ook, en het sluit naadloos aan bij wat we elders vinden. Ik verwijs hier naar 2 Timotheüs 4; ik had ook naar 1 Timotheüs 3 kunnen verwijzen, waar Paulus het over latere tijden heeft. In 2 Timotheüs 4 heeft hij het echt over de laatste dagen, maar ook al over na zijn heengaan. Paulus had een goed bericht van hoop, maar over de toekomst van de christenheid is hij niet optimistisch. Kijk het maar na in zijn brieven, voor zover hij zich daarover uitlaat. Hij waarschuwt, en in dit geval voorzegt hij ook dat de kudde niet gespaard zal worden. Hij voorzegt dit.⟨/p> ⟨p>En in de pauze hadden we het er nog even over, naar aanleiding van wat ik je voor de pauze vertelde over die hiërarchische kerkstructuren en over hoe menselijke instituten zich gezag en autoriteit aanmatigen. We overwogen trouwens ook weer dat dit te maken heeft met het hele idee van de kerk die zich Israël ging wanen en daarmee ook het priesterschap, het priesterambt, zich heeft toegeëigend. Een hogepriesterschap, hoe zei je net ook, Aart? Ik bedoel, de hele ambtstructuur heeft ook heel veel weg van Israël. Trouwens ook het hele idee van kerken, heiligdommen, priesterschappen, altaren; dat is allemaal gewoon gekopieerd. Pseudo natuurlijk, maar het is gekopieerd vanuit Israël. Allemaal weer met die valse gedachte: "Wij zijn Israël." Dus ze hadden zich gewoon ook een valse identiteit aangemeten, met alle gevolgen van dien. Ze dachten iets te zijn wat ze niet waren. Nou, dat is kwalijk en daar kom je altijd bedrogen mee uit. Dus ja, er zit heel veel achter.⟨/p> ⟨p>En in werkelijkheid was het aan de ene kant natuurlijk puur judaïserende elementen; dat wil zeggen, men heeft afgekeken van Israël, gekopieerd. Maar het was natuurlijk ook heel veel heidendom dat zo naar binnen is gekomen. Zware wolven, elementen die dus helemaal niet in die kudde horen. Voordat deze avond begon hadden we het over Nicolaas, over die bisschop en over Sinterklaas — wie kent hem niet? — en die conferentie van Nicaea, waar hij een van de hoofdrolspelers van was. Daar is toen vastgelegd hoe het polytheïsme naar binnen is gekomen. Dat maakt helemaal geen deel uit van het gedachtegoed van Israëls God, de éne God. Nee, maar dat waren zware wolven die naar binnen gekomen zijn; ze bepalen het voor zich en die hebben het polytheïsme, het veelgodendom, geïntroduceerd onder het mom van één God, maar in werkelijkheid was het gewoon verkapt veelgodendom. Alleen onder de... dat noemen ze in het Engels "whitewashing", allemaal witgewassen. Zo zeggen wij het ook: het is witgewassen door schoonschijnende termen, maar in werkelijkheid is het zo pseudo, zo vals als het maar kan. En daarmee is de boodschap niet gespaard en de kudde uiteraard daarmee ook niet. Nou ja, dat is allemaal wat er aan de hand is.⟨/p> ⟨p>In 2 Timotheüs, Paulus' geestelijk testament, zijn laatste brief, dan zegt hij tegen Timotheüs zelf al: er komt een tijd dat men de gezonde leer niet meer zal verdragen, hun oor van de waarheid zullen afkeren en zich naar de mythen keren. Dat zegt Paulus dus al tegen Timotheüs. Hij zegt niet eens: "Dit is in de laatste dagen". Hier zegt hij: "Er komt een tijd dat men de gezonde leer niet meer zal verdragen." Dus op het moment — hoor goed wat hier staat — dat Paulus zegt: "Er komt een tijd", dat daar waar de gezonde leer ooit gebracht is, als je het vertelt, dan willen ze het niet eens horen. Ze zullen het niet verdragen. Dat is geen optimistische toekomstvisie van Paulus als het gaat om wat er in de kerkgeschiedenis zou gebeuren. Paulus stond zelf op het punt om geëxecuteerd te worden, maar dit geeft hij al aan Timotheüs mee: "Die tijd komt, wees daar goed op bedacht." Dus als mensen tegen u of tegen mij zeggen: "Wat jij brengt, dat kan niet goed zijn, want in de kerkgeschiedenis is dit altijd veroordeeld", dan zeg ik: "Dat is een aanwijzing dat ik er nog heel goed zit." Nee, het is geen bewijs — dat bewijzen we al in het Schrift — maar het loutere feit dat die gezonde leer niet verdragen wordt, is dat een aanwijzing dat die leer niet gezond is?⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3920" title="Speel af vanaf 01:05:20">▶ 01:05:20⟨/button> ⟨span>Mannen uit Eigen Midden Die Verdraaide Dingen Spreken⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Hij zegt: "En vanuit jullie zelf." Ik bedoel, in het voorgaande vers was het nog: zware wolven zullen van buiten naar binnen komen. En hier zegt hij: "Vanuit jullie zelf", of vanuit jullie eigen midden. Dat kan vanuit die kring zijn die daar was, of gewoon vanuit Efeze, of vanuit de kudde. "En vanuit jullie zelf zullen mannen opstaan die verdraaide dingen spreken." Verdraaide dingen. Paulus noemt zulke namen trouwens ook, want in de brieven aan Timotheüs – de eerste brief aan Timotheüs die werd geschreven toen Timotheüs in Efeze arbeidde, dat lees je in hoofdstuk 1 vers 3 – daar worden namen genoemd van Hymenaeus en Philetus. Hymenaeus en Philetus, die leerden dat de opstanding al had plaatsgehad, staat er, waardoor zij uit het spoor der waarheid geraakt waren. Je leest ook de naam van Alexander.⟨/p> ⟨p>Maar als hij zegt: "Vanuit jullie eigen midden zullen mannen opstaan", dat is ook inderdaad zo gegaan. En uit hun eigen kring, misschien wel van die mannen die daar in Milete aan het strand stonden... Wie weet? Dat zou zomaar kunnen. En die gingen verkeerde dingen spreken. "Sprekende verdraaide dingen." Die woorden moet je heel letterlijk nemen. Ze zijn – zoals wij het trouwens ook zeggen – verdraaid. Of verkeerd. Neem dat ook even letterlijk: verkeerd wil zeggen 'keren'. Iets wat keer gekeerd is, dat is ook gedraaid. Omkeren. En als het verkeerd is, dan is het niet goed, dus: verdraaid. En dat kan heel dramatisch zijn. Het is trouwens ook effectief, want je kunt daarbij gewoon alle elementen behouden, maar je geeft het gewoon een draai. Hoe was het ook alweer met die plugjes? Dan moet je het ene draadje in dat gat steken en dat draadje in dat. En op het moment dat je verdraait, dan werkt het niet meer.⟨/p> ⟨p>"Sprekende verdraaide dingen." Dat is wat die mannen zouden doen. Waarom? Om de leerlingen los te rukken; de leerlingen, de discipelen. Paulus onderwees, Paulus was een leermeester en wat onder zijn gehoor was, waren zijn discipelen, zijn leerlingen. Om de leerlingen los te rukken en daarmee feitelijk af te voeren van wat Paulus had onderwezen. Want daar gaat het om. Die opzieners, die omzieners, die zouden het woord wat Paulus drie jaar lang had gepredikt, dat zouden ze bewaren, dat zouden ze spreken. Maar er zouden mannen komen, van buiten maar ook van binnenuit, die de leerlingen los zouden rukken van dat alles, verdraaide dingen zouden spreken en de mensen achter zich aan zouden laten gaan. Allen die in Azië zijn – dat is dus precies de streek waar hij het nu over heeft – allen hebben zich van mij afgekeerd.⟨/p> ⟨p>En ik lees even verder: "Waakt daarom." Wees dus alert. Ik bedoel met deze situatie, als dit allemaal gaat gebeuren. Dat gaat gebeuren, Paulus voorzegt dat. Wij zeggen: "Waakt daarom." Dus: wakker. En herinnerende... Ik bedoel, Paulus ging nu weg, maar het ging erom: hij had een voorbeeld nagelaten, het woord had hij gepredikt, rechtstreeks van Christus Jezus ontvangen, als afgevaardigde. Herinnerende dat drie jaren lang... We weten het, hè? Drie jaar: eerst drie maanden in de synagoge, twee jaar in de school van Tyrannus. Dagelijks heeft hij daar gesproken en onderwezen. Of die drie jaren een afgeronde termijn is, dat weet ik niet, het kan, maar in ieder geval Paulus spreekt over drie jaren. "Nacht en dag." Dat is de Joodse manier van formuleren. Een Joods etmaal begint namelijk bij zonsondergang. Dus: nacht en dag.⟨/p> ⟨p>Waar ik daarom herinnerende dat drie jaren lang, nacht en dag, ik niet ophoud met tranen... Het was niet alleen maar een rationele zaak. Paulus was daar intens bij betrokken, geëmotioneerd. Tranen van vreugde, maar ook van verdriet, alles wat nu eenmaal bij de menselijke emoties hoort. Paulus heeft daar met tranen een ieder – dus gewoon één, een ieder, iedereen – afzonderlijk... Ja, dat staat er in de vertaling meestal: terechtwijzen. Dat heeft iets van 'dit'. Maar ik heb u er in deze context wel vaker op gewezen dat hier een woord wordt gebruikt dat samengesteld is uit twee elementen, namelijk het woordje 'denken' en 'plaatsen'. De gedachte is dan: iets in je denken voor de aandacht te plaatsen. Dat is precies wat 'attenderen' dan ook is. Dan plaats je iets in iemands gedachten of onder de aandacht. Plaatst... Nou, dat is wat Paulus deed. Altijd daarmee in de weer: nacht en dag, en hij hield niet op. Afzonderlijk, iedereen. Dit was zijn leven.⟨/p> ⟨p>En nu... Dat wil zeggen, het is ook typerend na het heengaan van deze apostel, maar ook na het heengaan van de apostelen. Want nou komen we op een punt waar we het eigenlijk eerder vanavond ook al over hadden, voor de pauze: wat er gebeurd is nu de apostelen hun woord hebben gesproken, die eerste generatie, de afgevaardigden zijn ons ontvallen en wat ze achtergelaten hebben, is het boek. En dan zegt Paulus, ga weg.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4345" title="Speel af vanaf 01:12:25">▶ 01:12:25⟨/button> ⟨span>Overgedragen aan God en het Woord van Zijn Genade⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En hij zegt: "Ik zet jullie voor". Zo, alsjeblieft. "Ik zet jullie voor", "Ik draag jullie over", of "Ik draag jullie op", staat er in de NBG-vertaling. "Ik zet jullie voor bij de God". En er staat: "Bij het woord van de genade". Paulus gaat weg, en dan zegt hij: "Jullie zijn voor Gods rekening". "Ik draag je op bij het woord van de genade". Dat is precies waar we de avond mee begonnen, met vers 24, waar we de vorige keer mee afsloten: het evangelie, het goede bericht van de genade van de God. Aan dat woord draagt hij hen over. Blijf daarbij. Hoe hij wist dat men er niet bij zou blijven... Maar hij spreekt hier ook degenen aan die wél zouden waken.⟨/p> ⟨p>"Ik zet jullie voor bij de God, bij het woord van de genade van Hem, namelijk bij Degene die in staat is te bouwen, die vermogend is". Dus dynamisch. Dat woord "in staat is", uiteraard is dat de God. Bij Degene die in staat is te bouwen. Ja, want dat zegt hij dan tegen de Corinthiërs: "Gods bouwwerk zijn jullie". Paulus had steentjes mogen bijdragen, maar het is het bouwwerk van God. Hij zegt: "Gods akker zijn jullie". Je zegt: "Apollos, die heeft..." Nee, hoe is het ook alweer? "Ik heb geplant en Apollos heeft begoten, maar God geeft de wasdom". En zoals met het bouwwerk: het is Gods bouwwerk. God maakt een tempel, God maakt een bouwwerk. U weet het nog. Het fundament als Christus, uiteraard; een ander fundament kan niemand leggen. En wie hebben dan gelegd? Het fundament van de apostelen, de afgevaardigden en de profeten die het woord Gods spraken. Toen is dat fundament gelegd. Nu is Hij het die op dat fundament verder voortbouwt: een bouwstede Gods in de geest.⟨/p> ⟨p>"Ik draag je op bij Degene die in staat is te bouwen om te geven lotbezit te midden van al de geheiligden". Lotbezit. Nee, een lotbezit. We hadden het in de pauze nog even over, dat ze zeiden: "Ja goh, waarom ik nou?". Het is gewoon een lot dat je ten deel valt, dat je de dingen mag kennen. Waarom mogen mijn ogen geopend zijn? Waarom mag ik de dingen zien van Hem en van de schriften? Het is lotbezit. Het is niet verdiend. Je hebt niet gekozen. Het is je ten deel gevallen. Geldt trouwens ook voor dat wat we... de toekomst die ons straks geopenbaard kan worden, valt die allemaal ten deel? Ik bedoel, daar doe je toch niks aan? Als de bazuin zou klinken en we gaan Hem tegemoet, en we gaan in onze bediening, dan valt ons dit lotbezit ten deel te midden van al de geheiligden; dat wil zeggen: die allemaal apart gezet zijn. Ook uitgeroepen, ekklesia. Allemaal lotbezit. Vind ik nog zoveel mooier dan een erfdeel. Bepaalt je ook inderdaad bij het feit van: "Ja, het valt mij toe. Toevallig". Paulus zegt in vers 33.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4584" title="Speel af vanaf 01:16:24">▶ 01:16:24⟨/button> ⟨span>Onbaatzuchtig Zwoegen en een Onbekend Citaat van de Heer Jezus⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ik begeer niemands zilver, zilver geld, bewerkt goud of kledij. Het was hem nooit te doen om materieel gewin. Sterker nog, hij zegt in 1 Thessalonika 2: "Terwijl wij nacht en dag werkten" – hij was druk doende om het woord door te geven, maar hij verzag ook nog eens in zijn eigen levensonderhoud. In elk geval, ook als hij bijdrage kreeg van links en rechts, dan nog heeft hij er nooit aanspraak op gemaakt. Nooit heeft hij daarom gevraagd. Hij heeft wel collectes georganiseerd, maar dat was voor de heiligen in Jeruzalem. Nooit heeft hij gevraagd voor geld om zichzelf. "Ik begeer niemands geld", zegt de apostel Paulus. Hij zegt: "Terwijl we nacht en dag werkten om niemand van u lastig te vallen, hebben wij u het evangelie van God gepredikt." Niemand lastig te vallen.⟨/p> ⟨p>En dan zegt hij in vers 34 – ik lees gewoon even door, want we kunnen wel doorgaan –: "Zelf weten jullie..." Hij doet nu een beroep op hun eigen ervaring. Hij zegt: "Zelf weten jullie dat deze handen..." Dat kun je alleen maar zeggen als hij ze ook laat zien. "Hier, deze handen. Zelf weten jullie dat deze handen bijdragen in mijn behoefte. En niet alleen in die van mij, maar ook in die van hen die met mij zijn." Zo ging het. Zo heeft Paulus daar in Efeze dus gearbeid, drie jaar lang, nacht en dag bezig, en zonder iemand lastig te vallen of zilver en goud van een ander te begeren.⟨/p> ⟨p>"En in alles geef ik te kennen aan jullie dat, zo zwoegende" – gebruik hier maar niet zomaar het woordje 'werkende', maar 'zwoegende' – "het bindend is te ondersteunen degenen die zwak zijn." Dat wil zeggen: zo moet dat, het is bindend. Het is voor hem ook bindend om degenen die zwak zijn, te ondersteunen. Hij refereert er dus aan dat hij niet alleen in zijn eigen arbeid en behoefte voorzag, maar ook in die van degenen die met hem waren, en die zwak zijn.⟨/p> ⟨p>Ja, ik lees even verder: "En bovendien zich te herinneren de woorden van de Heer Jezus, die zelf zei..." En nou gaat er iets volgen, een citaat. En dan ga je dat opzoeken in de evangeliën... dat staat er niet. Je vindt dat niet. Maar hij zegt: "De Heer Jezus, die zelf zei..." En dan citeert hij, en dan vind je dat woord niet, waarna ik denk: zou Paulus dat dan gewoon van de Heer zelf hebben vernomen? En u zegt: "Dat lijkt me hoog, dat lijkt me onwaarschijnlijk." Dan zeg ik: "Dat lijkt mij juist heel waarschijnlijk." Als het toen niet geroepen werd, toen zei de Heer tegen hem: "Ik zal ook aan u verschijnen", maar in een ander verband; hadden we het vanavond al even over. Hij is toen naar Arabië gegaan, hij is door de Heer zelf onderwezen.⟨/p> ⟨p>Dus, waar dan? Nee, nee. Ik heb gekeken, want alle commentatoren wijzen erop; die zeggen van: "Ja, dat zegt Paulus nou wel, maar we vinden het nergens in de evangeliën." Maar dan zegt men: "Ja, dan is het waarschijnlijk mondeling doorgegeven." Dat kan allemaal zo zijn. Maar het gekke is: men voorziet voorbij aan een hele voor de hand liggende optie. Namelijk gewoon: Paulus is niet alleen maar afgevaard. Hij zegt in Galaten 1: "Het evangelie heb ik van hem ontvangen, maar ook geleerd." Paulus is door Christus zelf onderwezen.⟨/p> ⟨p>Nou, en dan zegt Paulus: "Het is veel meer gelukkig te geven dan in ontvangst te nemen." Zo zegt hij het: het is gelukkiger te geven dan te ontvangen. Ja, dat is mooi. Gelukkig, het is gelukkig te ontvangen, want dat is de gedachte die er ook achter zit: het mag dan heel gelukkig zijn om iets te ontvangen, bijvoorbeeld het evangelie, maar weet je wat nog veel mooier is? Om het te geven en anderen vervolgens gelukkig te maken. Ja, nou, dat is ook wel zo. Kijk, Paulus heeft het in dit verband over... ja, het is een woord dat je zomaar in een ander verband ook voor je eigen karretje kunt spannen. Maar het gaat hier inderdaad over dat Paulus zegt: "Ik heb nooit van jullie zilver of goud of kledij gewenst of begeerd." Hij zegt: "Deze handen hebben zelf gearbeid en niet alleen voor mezelf, maar ook voor degenen die om me heen staan en om te voorzien in de behoefte van anderen, van de zwakkeren." Dus daar was Paulus actief in, en hij zegt: "Ja, en daarmee herinner ik me de woorden van de Heer Jezus, die zelf zei: het is veel meer gelukkig te geven dan in ontvangst te nemen." Dus het klopt wel, in dat verband staat het, maar het is een algemeen principe: het is gelukkiger, het is veel meer gelukkig te geven dan in ontvangst te nemen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-12" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4977" title="Speel af vanaf 01:22:57">▶ 01:22:57⟨/button> ⟨span>Het Emotionele Afscheid op het Strand van Milete⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En deze dingen zeggende, knielt hij. Staat er in tijdloze vorm. Zeg ik het goed? Nee, staat er niet. Hij plaatst de knieën, zo zeggen ze dat niet, maar hij knielt. Deze dingen zeggende, knielt hij en bidt hij samen met hen. Meestal ging het bidden ook gewoon staande, dat lees je ook vaak genoeg in de Bijbel. Maar u begrijpt, bij speciale gelegenheden werd er ook geknield. Hij zegt trouwens tegen Efeze, of schrijft, dat schrijft hij aan Efeze in vers 3, als hij gesproken heeft over al de raad Gods: "Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader, naar wie elk geslacht in hemel en op aarde genoemd wordt." Maar in ieder geval ook hier: hij knielt en hij bidt samen met hen allen.⟨/p> ⟨p>Echter, het huilen van allen werd aanzienlijk. Ik vind het veel mooier zoals je heel letterlijk leest vanuit de interlinea. Je ziet het namelijk voor je. Eerst knielt hij, terwijl hij deze dingen zei. Hij knielt en hij bidt samen met hen allen. Maar het huilen van allen werd aanzienlijk. Ja, zo staat dat, hè? Het huilen van allen werd aanzienlijk. Je hoort het aanzwellen, of zoiets; de emoties die komen boven en ze beginnen te huilen, en dat werd aanzienlijk. En dan staat er: "En om de nek van Paulus vallende, kusten zij hem met genegenheid." Ja, zo ging dat. U zegt: "Nou, waren het wel allemaal kerels?" Jawel. "Nou en?" Ja, dat waren, o, zo'n man, hè. Sorry. En om de nek van Paulus vallende, kusten zij hem met genegenheid. Als ze dat wilden doen, moesten ze dat nu doen, want ze zouden zijn aangezicht niet meer zien.⟨/p> ⟨p>Nou, eindig ik dan toch bij vers 38. Daar staat het: "En om de nek van Paulus vallende, kusten zij hem met genegenheid, pijn lijdende." Dat was dus vooral pijnlijk, vooral om het woord dat hij had uitgesproken: dat zij op het punt staan zijn aangezicht niet meer te aanschouwen. Dat had hij gezegd en dat had vooral hen getroffen, en daarom, vandaar die emoties en dat geween en het huilen. Drie jaar lang, het was zo'n bewogen tijd. Vergis je niet, er was niet alleen maar een geweldige boodschap gebracht en al de raad Gods had Paulus daar neergelegd, maar ook alle tegenstand hadden ze moeten ondervinden. Dus dat was een enorme heftige tijd geweest.⟨/p> ⟨p>Nou en nu staan ze daar aan het strand en Paulus zegt "goodbye". Weet u wat "goodbye" betekent trouwens? "Goodbye". Dat betekent "God be with ye". Dat is eigenlijk oud Engels: God be with you. God zij met jullie. Ik zeg daarom graag "goodbye". Dat betekent echt: God be with you, God zij met jullie. En dat zeggen, dat is Paulus hier vlakbij het strand. Het schip was er vlakbij, want het staat er dan ook bij: "en ze zouden zijn aangezicht niet meer zien." En dan zonden zij echter hem voort tot in het schip. En ze zijn dus met hem meegegaan en daar hebben zij afscheid van Paulus genomen en zijn aangezicht hebben ze niet meer gezien. En waar ze het mee moesten doen, is met de God en het woord van de genade dat Paulus drie jaar lang had mogen spreken, al de raad Gods vervattend. En Hij is in staat hen op te bouwen en het lotbezit te geven.⟨/p> ⟨p>Kijk, dan zijn wij nu in 2016 in Katwijk hier in de bovenzaal. En hoe is het voor ons nu? Ja, er zitten bijna twee millennia tussen. Paulus' aangezicht hebben we nooit gezien. Nee, maar wij verlustigen ons in zijn woord en we stellen ook vast dat het gegaan is zoals hij heeft voorzegd. Want de ernst was niet alleen maar natuurlijk dat ze zijn aangezicht niet meer zouden zien, maar ook wat er allemaal zou gaan gebeuren met de kudde en dat de kudde niet gespaard zou worden. En die wrede wolven, mannen die verdraaide dingen zouden spreken, het is allemaal gebeurd. En daarom: hoe belangrijk om vandaag ook gewoon te waken bij dat woord wat hij heeft mogen doorgeven, om daarbij te blijven, en zo kunnen we verder. En toch zijn we dus bij vers 38 aangekomen en dan gaan we de volgende keer.⟨/p>