⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Introductie en Terugblik op Johannes 6⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We gaan vanavond verder met de negentiende studie over het Johannes-evangelie. Inmiddels waren we al breed gearriveerd in het zesde hoofdstuk en daar gaan we dan ook gewoon mee verder. Alle dingen van de wereld die zo in de actualiteit spelen, laten we lekker voor wat ze zijn. Ik neem tenminste aan dat u of jij hier niet bent gekomen om commentaren op de verkiezingen in Amerika te beluisteren. Ik ben in ieder geval erg blij dat er Eén is die alle regeerders plaatst daar waar Hij ze hebben wil en hen ook weer afzet als dat nodig is. Dat kunnen we dus allemaal met een gerust hart overgeven; daar ben ik erg blij mee, Adriaan.⟨/p> ⟨p>Laat ik eerst, zoals we dat gebruikelijk zijn, even terugblikken. Daarbij beperk ik me even tot het zesde hoofdstuk van dit evangelie. Dat is trouwens niet alleen de vorige keer, maar ook de keer daarvoor het onderwerp van onze studie geweest. In die eerste 21 verzen vinden we een tweetal geschiedenissen. In vers 1 tot 15 is dat de spijziging van de 5000, een geschiedenis die we trouwens in alle vier de evangeliën aantreffen. Is dat nou geel wat ik hier op de achtergrond zie of niet? Ja? Oké, dan zie ik het vanaf deze plaats wat anders, want op mijn scherm zie ik het namelijk wel heel mooi geel. Maar goed.⟨/p> ⟨p>In vers 16 tot 21 volgt een tamelijk korte beschrijving – in vergelijking met de twee andere evangeliën waarin we het vinden – van het feit dat Jezus tijdens de nacht in de storm tot de twaalf komt. We hebben dat, zoals we dat altijd doen in deze studies, vers voor vers en zinsdeel voor zinsdeel bezien. Maar we hebben ons ook speciaal bepaald bij de typologische achtergronden en de profetische betekenissen die daarin besloten liggen, want dat is ook in dit geval weer onmiskenbaar. Laat ik dat nog eventjes in het kort samenvatten. Een heleboel laat ik daarbij onbesproken, maar ik haal nog even voor de geest wat we hebben gezien.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="177" title="Speel af vanaf 02:57">▶ 02:57⟨/button> ⟨span>De Typologische Betekenis van de Spijziging en de Storm⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De spijziging van de vijfduizend is een type van de tegenwoordige tijd. Het was na Johannes 5, wat de verwerping van Jezus te Jeruzalem beschrijft. Johannes 6 is daar een vervolg op, wat ook heel uitdrukkelijk wordt neergezet met het woord ‘daarna’. Een ander markant karakteristiek van die eerste vijftien verzen is dat Jezus gezeten was op de hoogte. Hij was ook gezeten bij de zee. De zee is een beeld van de natiën en de hoogte is uiteraard een beeld van de hemel. De hoogste plaats die er immer is, is de hemel.⟨/p> ⟨p>Wel, alleen al als je het zo op een rijtje zet: het was na Zijn verwerping te Jeruzalem, Jezus is inmiddels gezeten op de hoogste plaats en het was bij de zee als beeld van de natiën. Dat is feitelijk een prachtige beschrijving van de tegenwoordige positie van de Heer Jezus Christus en ook het werk dat Hij doet. Hij is daarboven en onderwijl voedt Hij de Zijnen, degenen die bij Hem zijn. En dat is ook bij de zee, heel uitdrukkelijk een beeld van de volkeren.⟨/p> ⟨p>Wat dan ook nog opmerkelijk is, als laatste gegeven dat over die geschiedenis wordt vermeld, is dat er nog twaalf korven over waren. Die maaltijd wordt beschreven, maar er was ook nog een overblijfsel. ‘Overblijfsel’ is een mooi woord in dit verband. Die twaalf korven bevatten een rest; dat wil zeggen dat er nog veel meer is, maar dat is gereserveerd voor de twaalf, voor Israël. Dat heeft ook weer te maken met het vervolg. Terwijl de spijziging spreekt van Zijn tegenwoordige positie in de hemel, hebben de twaalf korven die over zijn te maken met de tijd die daarna gaat komen.⟨/p> ⟨p>En dat is nou het mooie: de geschiedenis die pal daarop vermeld wordt, namelijk dat Jezus tijdens de storm tot de twaalf komt, is daar juist ook een prachtig type van. Die geschiedenis begon ermee dat het avond was geworden. De twaalf waren op weg gegaan en bevonden zich in hun bootje op zee. We lezen dat Jezus alleen het gebergte in ging om te bidden. Vervolgens lezen we dat er plotseling een zware storm opsteekt op de zee en dat de twaalf in levensgevaar waren.⟨/p> ⟨p>Dan komt Jezus tot hen. Dat was in de vierde nachtwake, tegen de ochtend — zeg ik het goed? Dat was de vierde nachtwake toch? Nee, dat staat hier in Johannes niet eens vermeld, maar dat staat in een van de parallelle schriftgedeelten in Matteüs of Marcus, waar de geschiedenis trouwens ook wat uitgebreider vermeld wordt. Als Jezus dan over het meer tot hen komt en zij Hem zien, zijn ze verbijsterd. Aanvankelijk denken ze een spook te zien. Moet je je voorstellen dat je daar op de zee bent en dat je dan een witte verschijning, of in ieder geval iemand, over het water ziet gaan. Ze vragen zich af wie dat is. In Johannes wordt het heel summier vermeld dat Hij hen geruststelt en zegt: ‘Vrees niet’. Terwijl ze Jezus tegenkomen, bereikt het schip terstond veilig het land.⟨/p> ⟨p>Zet deze gegevens en karakteristieken eens op een rijtje en je krijgt een prachtig vervolg op de beschrijving van de tegenwoordige tijd. De eerste geschiedenis was een type van wat de Heer vandaag is en wat Hij doet, daar in de hoogte. De geschiedenis die erop volgt, heeft te maken met de situatie daarna. Eigenlijk sluit dit aan op de voorgaande geschiedenis. Hij is daar biddend op de hoogte, maar de twaalf komen in levensgevaar. Dat is een beeld van Israël dat te midden van de roerige volkerenwereld in groot gevaar zal komen. Dan zal de Heer tot hen komen. Dat zal inderdaad zijn aan het einde van de nacht, tegen de ochtend, en men zal in eerste instantie verbijsterd zijn over wie Hij is. Ook dat vinden we in een ander verband beschreven: ‘Wat zijn dat voor wonden of tekenen in Uw handen?’ Ze zullen over Hem rouwklagen omdat ze verbijsterd zullen zijn over wie zij dan zien.⟨/p> ⟨p>Maar dan zal het ook zo zijn dat Hij woorden van vrede tot hen zal spreken: ‘Wees niet bevreesd’. En Hij zal hen brengen in het land. Vanuit de volkerenwereld zal Hij hen brengen in het beloofde land. Als u het mij vraagt, is zeker die combinatie een schitterende beschrijving van zowel de tegenwoordige tijd als van wat daarna nog gaat komen: het heil dat God nog in petto heeft met de twaalf en hoe Hij straks tot hen zal komen in de meest gevaarlijke en roerige tijd die de wereldgeschiedenis zal kennen. Dan zal Hij hen in vrede komen brengen daar waar Hij ze ook bestemd heeft.⟨/p> ⟨p>Dat is wat we vanuit typologisch oogpunt over deze geschiedenissen hebben gezegd en dat is buitengewoon fraai. Johannes verhaalt over het algemeen helemaal niet zo gek veel geschiedenis; het zijn vooral veel redes en toespraken die worden opgetekend. Maar áls Johannes dat doet, dan zitten daar heel veel lagen onder. Dat blijkt ook maar weer in deze geschiedenis. Het leek me goed om dat nog eens even goed onder de aandacht te brengen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="608" title="Speel af vanaf 10:08">▶ 10:08⟨/button> ⟨span>De Schare Zoekt Jezus in Kapernaüm⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan, wat we de vorige keer nog hebben gedaan, is dat we nog een paar verzen hebben gelezen die erop volgen. Vanaf vers 22, kijkt u maar na, dan staat er: de volgende dag. De volgende dag namelijk, nadat die spijziging had plaatsgevonden en nadat Jezus tot de twaalf was gekomen op de zee. En de volgende dag, dan lees je – en dan vat ik even samen wat er in die drie verzen beschreven wordt – de schare bemerkt dan dat Jezus afwezig is. Dat wil zeggen: niet op de plaats van de spijziging. U moet zich realiseren: de twaalf waren weggegaan en Jezus had zich teruggetrokken in het gebergde. Dus de schare meende: nou, Jezus zal wel daar weer op die plek ergens vertoeven.⟨/p> ⟨p>Maar op het moment dat ze de volgende dag daar komen en Jezus denken te treffen, is Hij afwezig. En dan lees je ook nog dat er scheepjes uit Tiberias waren gekomen, waar het gerucht kennelijk ook al was doorgedrongen, en die willen ook naar Jezus toe. En als we Hem dan niet treffen, dan lees je dat de schare met bootjes naar Kapernaüm gaat. Dat is nog weer een kilometer of twaalf, geloof ik, als ik me niet vergis, verderop. De vorige keer heb ik u ook kaarten laten zien van hoe het verloop precies allemaal is gegaan en waar wat plaatsvond. En als ze dan in Kapernaüm zijn, wat een hele logische locatie is om Hem daar te zoeken, want daar was immers Zijn woonplaats, dan vinden ze Hem daar en dan vragen ze Hem – dat is dan het laatste wat je in vers 25 leest – dan vragen ze Hem wanneer Hij daar gekomen is.⟨/p> ⟨p>En dan in vers 26, dan begint de eigenlijke toespraak van Jezus. En dat gaat een heel eind door, feitelijk tot het einde van hoofdstuk 6. Johannes 6 is één van de langste hoofdstukken van het Nieuwe Testament. Het langste hoofdstuk van het Nieuwe Testament is Lukas 1; ik geloof dat het 90 verzen telt. Maar Johannes 6 is... nou, het zou me niet verbazen dat het nummer twee is, maar dat weet ik even niet helemaal zeker. Maar in ieder geval, vanaf vers 25 tot en met vers 71 gaat de rede van de Heer dan gewoon door, met soms een hele korte onderbreking. Maar feitelijk is het één grote rede die de Heer dus die volgende dag gehouden heeft.⟨/p> ⟨p>En in mijn Bijbel staat er ook boven vers 22 – en dat gaat dan door tot 59 – dat het allemaal over het brood des levens gaat. Feitelijk is het een uitleg die de Heer geeft. Maar daar gaan we het nu nog uitgebreid over hebben: een uitleg die de Heer geeft over de betekenis van dat wat de dag daarvoor had plaatsgevonden. Ik geloof dat we de vorige keer al even wat gezegd hebben over vers 26. Maar het is misschien wel even goed om daar nu, omdat daar de rede ook aanvangt en de toespraak begint, om daar dan aan te haken.⟨/p> ⟨p>Overigens, als je Johannes 6 even grof indeelt, dan krijg je vanaf vers 26 tot vers 36 een gedeelte dat gericht is aan ongelovigen. We zullen dat ook zien: degenen die niet geloven dus. En dan vers 37 tot 59 aan gelovigen. U zult het vanzelf allemaal zien, maar dit is alvast om het een beetje goed en systematisch in te delen. En vanaf vers 60 tot het einde, tot vers 71, is het specifiek gericht aan de discipelen, waarbij ik moet zeggen dat de discipelen niet alleen maar de twaalf zijn. Dat is eigenlijk de, om zo te zeggen, 'the inner circle', de binnenste cirkel. In werkelijkheid is dat aantal discipelen veel groter. Nou, en dan beginnen we maar eens met de eigenlijke bespreking in vers 26.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="872" title="Speel af vanaf 14:32">▶ 14:32⟨/button> ⟨span>Vers 26: Jezus Doorziet de Motieven van de Schare⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dan lees je: "Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u." Dat zegt Hij nogal eens in het Johannes-evangelie: "Voorwaar, amen." Dat is hier Grieks, maar eigenlijk komt dat weer uit het Hebreeuws, wat weer te maken heeft met "het is waar". Het heeft zelfs te maken met het Hebreeuwse woord voor geloven, dat niets anders is dan iets "beamen". Eigenlijk zeggen wij het in het Nederlands ook zo: geloven is dus "amen" zeggen op iets, oftewel beamen.⟨/p> ⟨p>Jezus antwoordde... nou ja, Hij antwoordde, dat wil zeggen: het was een woord in reactie op, maar het was geen antwoord op de vraag. Eigenlijk is een antwoord – dat is wel leuk in het Nederlands, ik ben altijd gek op dat soort woordafleidingen – eigenlijk een "anti-woord", een woord in plaats van. Iemand zegt iets en jij reageert daarop. Meestal is het een antwoord, een respons op een vraag. In dit geval wordt er een vraag gesteld, maar Jezus gaat niet specifiek in op de vraag. Hij ontwijkt de vraag, want de vraag was: "Wanneer bent u hier gekomen?" Maar Jezus ontwijkt dat. Hij ontwijkt dat niet alleen, Hij gaat er helemaal niet eens op in. Hij heeft namelijk iets heel anders te melden.⟨/p> ⟨p>En het feit dat het ingeleid wordt met deze twee woorden, "Amen, amen", geeft wel aan dat er enorm veel nadruk op gelegd wordt en dat dit een woord is rechtstreeks van God, dat men zou moeten geloven. Hij zegt: "Ik zeg u", dat wil zeggen: Ik zeg jullie, de "u" is meervoud. "Ik zeg jullie: jullie zoeken Mij niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt."⟨/p> ⟨p>We hadden al eerder gelezen in het vijftiende vers van Johannes 6, vlak na de beschrijving van de spijziging van de schare: "Daar Jezus bemerkte dat zij zouden komen en Hem met geweld meevoeren om Hem koning te maken, trok Hij Zich weder terug in het gebergte, geheel alleen." Waaruit trouwens weer blijkt dat het hier helemaal niet gaat om de vestiging van het Koninkrijk. Ik bedoel, de Heer gaat het Koninkrijk in deze wereld vestigen, maar dat was niet de bedoeling dat dat toen zou gebeuren. Op het moment dat ze Hem wel in die positie willen plaatsen, trekt Hij Zich terug in het gebergte. Eigenlijk is dat een prachtige beschrijving van de tegenwoordige tijd. Hij is daar. Waarom? Hij is nu geen koning en Hij heerst niet over deze wereld. Dat lijkt me niet zo moeilijk om vast te stellen.⟨/p> ⟨p>Hij zegt: "Jullie zoeken Mij niet omdat jullie tekenen gezien hebben." Dat wil zeggen dat jullie de betekenis gezien hebben van dat wat Ik gedaan heb. "Maar alleen maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt." Het was dus eigenlijk het spektakel. Maar misschien ook wel de gedachte: iemand die zulke dingen kan doen, ja, die moeten we aan het hoofd hebben van het koninkrijk. Vandaar dus ook dat ze Hem met geweld zelfs mee wilden voeren om Hem koning te maken. Maar de Heer onderkent dat meteen. Hij gaat niet eens in op hun vragen. Je zou daar op zich ook even over moeten doordenken.⟨/p> ⟨p>Die spijziging heeft plaatsgevonden en een groot gedeelte van die schare heeft inmiddels een reis over het meer gemaakt naar de andere kant om Hem te zoeken. Daar blijkt Hij niet te zijn, dus gaan ze vervolgens per schip naar Kapernaüm. Ze hebben inmiddels al een hele reis gemaakt voordat ze Hem nu hier treffen. Dan zou je kunnen zeggen: het is niet al te sympathiek om hen nu op deze manier te trakteren, daar Hij nog helemaal voorbijgaat aan hun eigenlijke vragen ook. Maar dat is omdat Hij onderkende dat hun motieven niet zuiver waren. Het is niet omdat gij tekenen gezien hebt; jullie zijn niet geïnteresseerd in de betekenis. Maar omdat jullie van de broden gegeten hebt, gaat het alleen maar om jullie maag en wat je ziet, en omdat je verzadigd bent. Kortom: de sensatie en het spektakel. Nou, dat is heel menselijk, maar geestelijk was het bepaald niet.⟨/p> ⟨p>Nog eventjes ter onderbreking – ik zal dat trouwens wel vaker nog doen, en ik heb het in het verleden ook al vaker gedaan. Ik wil even iets laten zien, zeker als een gedeelte wat groter is en je iedere keer inzoomt op de details, op de verzen, op zinsdelen en woordjes. Dat is mooi, maar dan kun je wel eens het grote verband uit het oog verliezen: waar ging het ook alweer over? Dan wil ik u even iets laten zien over de structuur van vers 26 tot 36. Ik vind dat altijd prachtig om de structuren in de Schrift te zien en hoe iets is opgebouwd. Dat is niet zomaar een beschrijving van "toen dit, toen dat". Nee, dat is structureel opgebouwd.⟨/p> ⟨p>Als we kijken naar de verzen 26 tot 36, dan gaat het in vers 26 en 27 over het brood, het aardse brood. Dan in vers 28 en 29 gaat het over de reactie: geloof. In vers 30 tot 35 gaat het weer over het brood, maar nu het hemelse brood. En dan vervolgens in vers 36 over ongeloof. Als je dat zo onder elkaar zet, dan zie je dus dat vers 28 en 29 aansluiten bij de rest. Hier gaat het over geloof, daar gaat het over ongeloof. Hier gaat het over brood dat aards is, het aardse brood, en daar gaat het over het hemelse brood. Die indeling is heel helder. Ik lees verder.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1307" title="Speel af vanaf 21:47">▶ 21:47⟨/button> ⟨span>Vers 27: Werk Om het Blijvende Voedsel⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dan zegt Jezus: "Werk niet om de spijs die vergaat." Ik zei zojuist al dat de schare had zich ingespannen om bij Jezus te komen. Ik beschreef net al even wat een inspanning dat was. Ik stel me zo voor dat dit inmiddels misschien wel halverwege de middag is geweest voordat ze eindelijk bij Jezus gekomen zijn. Want als je eerst die reis over het meer hebt gemaakt en vervolgens ook weer voor een groot gedeelte bent teruggegaan, en nu zijn ze dan in Kapernaüm aangekomen... dat is een hele reis alles bij elkaar. Een hele werkdag zat er alweer op. En dat allemaal vanwege dat brood; ze waren gekomen omdat ze de tekenen van de broden hadden gezien en omdat ze verzadigd waren. Nu hadden ze er alweer een werkdag op zitten, eigenlijk alleen maar omdat ze die interesse hadden in dat brood in de fysieke betekenis van het woord.⟨/p> ⟨p>En dan zegt Hij: "Werk niet om de spijs die vergaat." Dat brood wat jullie gisteren gegeten hebben, op zich is dat vergankelijk; dat gaat weer verloren. Hij zegt dat je daar niet om zou moeten werken. Het is dus heel specifiek gericht tegen die schare die juist al een hele werkdag achter de rug had, allemaal vanwege dat brood. Dan zegt de Heer: "Werk niet om de spijs." Je kunt dat natuurlijk een stijlfiguur noemen, een hyperbool of een overdrijving. In het algemeen kun je immers niet zeggen dat je niet moet werken om de spijs die vergaat. We hebben allemaal ons dagelijks leven en ons dagelijks brood nodig, en dat was in die dagen natuurlijk niet anders. Paulus zegt in 2 Thessalonicenzen 3 over de ongeregelden dat wie niet wil werken, ook niet zal eten. Dus gewoon je handen uit de mouwen steken om je brood te verdienen, daar is niks mis mee. Integendeel, wie dit doet — wie niet wil werken, die zal ook niet eten — dat is wat Paulus daarover zei.⟨/p> ⟨p>Maar dat is hier dus niet de gedachte. Het gaat niet om die spijs die vergaat. Het is net zoiets als wat de Heer Jezus zegt als Hij verzocht wordt in de woestijn. Dat is een reactie op wat Satan, de diabolos, tegen Hem zegt. Dan zegt Hij: "Een mens zal niet van brood alleen leven, maar van alle woord dat uit de mond Gods uitgaat." Daar zie je het al: een mens zal niet van brood alleen leven. Natuurlijk heb je brood nodig. Maar dat is het niet. Een mens zou leven van dat waar brood een beeld van is, namelijk van alle woord dat de mond Gods uitgaat. Dat is écht brood. Daar zullen we het straks nog wel over hebben, over de typologie en de symboliek van brood. Maar werk niet om de spijs die vergaat, maar, zegt Hij, om de spijs — het voedsel — dat blijvend is tot in het eeuwige leven.⟨/p> ⟨p>U ziet hier letterlijk een uitdrukking waar we inmiddels al diverse keren in de loop van de besprekingen van het Johannes-evangelie bij hebben stilgestaan. Er is immers geen evangelie waarin de uitdrukking "het eeuwige leven" zo enorm vaak gebezigd wordt. Ik ga niet iedere keer als die uitdrukking voorbijkomt daar uitgebreid op in, maar inmiddels weten we wel dat hier sprake is van het leven van de aion, het aionische leven. Zo plegen we dat doorgaans niet te zeggen — of eventueel het eeuwige leven — maar het idee is niet dat het leven eindeloos is. Overigens is het leven waar het hier over gaat inderdaad onvergankelijk, maar het is het onvergankelijke leven van de toekomende eeuw. Dáár gaat het over.⟨/p> ⟨p>Kijk, het leven gaat niet voorbij, maar de eeuw wel. De tegenwoordige eeuw gaat voorbij en de toekomende ook weer. De Bijbel spreekt immers ook over de voleinding van de eeuwen. God heeft een plan der eeuwen of een plan der aionen. Maar dat leven van de toekomende eeuw, dat is ook het opstandingsleven. Waarom dan "eeuwig" of "aionisch"? Wel, omdat het verband houdt met die toekomende eeuwen. In deze boze aion is alles vergankelijk, maar in die toekomende eeuwen gaat het leven heersen en overheersen, totdat zelfs de dood tenietgedaan zal zijn. Dat is uiteindelijk het einde en het grote doeleinde. Dat voedsel blijft tot in het leven van de toekomende eeuw. Dat wil zeggen dat het alles trotseert wat in deze wereld vergankelijk is. Deze spijs trotseert dat, omdat het te maken heeft met echt leven dat onvergankelijk is.⟨/p> ⟨p>Ik heb hier nog een verwijzing staan naar Jesaja 55. De spijs die blijft tot in het eeuwige leven. Als ik zeg "eeuwige leven", dan stotter ik niet, maar dan zeg ik dat echt even om de nadruk te leggen op het feit dat het te maken heeft met die eeuw. Jesaja 55 is een schitterend gedeelte. Daar wordt geroepen: "O, alle dorstigen, komt tot de wateren; en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet. Ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk." Hier worden de eerste levensbehoeften zomaar gegeven. Kom, zelfs als je geen geld hebt: geen punt. Het wordt om niet gegeven. Waarom weegt gij geld af voor wat geen brood is, en uw vermogen voor wat niet verzadigen kan? Hoort aandachtig naar Mij — met een hoofdletter — opdat gij het goede eet en uw ziel zich in overvloed verlustige.⟨/p> ⟨p>Ik zou eigenlijk door moeten lezen, want dan zie je dat dit juist ook weer gaat over die toekomende eeuw in het bijzonder. Wanneer dat Koninkrijk gevestigd zal worden, zal dit allemaal zo rijkelijk en vrijelijk beschikbaar zijn. Vergeet u niet dat u over die toekomende eeuw leest bij Jesaja dat de aarde vol zal zijn van de kennis van Yahweh, zoals de wateren de bodem der zee bedekken. Die toekomende eeuw is zo geweldig, maar dat heeft er alles mee te maken dat dit gegeven zal worden. Vandaar ook dat het typisch hoort bij die toekomende eeuw. Afijn, ik lees even verder: "Werk niet om de spijs die vergankelijk is, die verloren gaat, maar om de spijs die blijvende is tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des Mensen u geven zal."⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1801" title="Speel af vanaf 30:01">▶ 30:01⟨/button> ⟨span>De Titel Zoon Des Mensen en de Bezegeling Door God⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ook in het Johannesevangelie is de Heer Jezus de Zoon van God. Dat is eigenlijk het meest karakteristieke. Hoe vaak wordt dat niet gezegd: de Zoon van God? En toch wordt Hij ook in het Johannesevangelie een heel aantal keren de Zoon des Mensen genoemd. Ik vind dat eigenlijk veel mooier, want bij "Zoon des Mensen" denken wij vaak aan mensen in het meervoud, maar dat komt omdat het een Oudnederlandse naamval is. Het is niet zo dat het mensen in het meervoud is, het is de Zoon van de mens. Dat is eigenlijk wat er letterlijk staat. U ziet het hier ook in de interlineair: Zoon van de mens. Van dé mens. Welke mens? Ik ken een mens... ja, niet persoonlijk natuurlijk, maar ik bedoel dat het zelfs mijn voorvader is en die van u ook. Een mens die gewoon "de mens" heette. Zijn naam was zo: Ha-Adam, de mens. God schiep de mens naar Zijn beeld en gelijkenis. Er staat dan "Ha-Adam". "Ha" is het bepaald lidwoord "de". De mens. De Zoon van de mens is dus eigenlijk gewoon de zoon van de Adam.⟨/p> ⟨p>Dat dit een titel is van de Messias gaan we nu niet helemaal opzoeken, want we hebben dat in het verleden al eens gedaan, maar ik wil u er nog wel graag aan herinneren. In Psalm 8 gaat het ook over die Ben Ha-Adam, de Zoon van de mens. U kent dat gedeelte waarschijnlijk wel. Daar wordt beschreven hoe groot de hemel is en dan staat er: "Wat is dan de mens, dat Gij zijner gedenkt, of de zoon des mensen?" In het Hebreeuws staat daar gewoon Ben Ha-Adam of Ben Adam. "Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, maar met eer en heerlijkheid hebt Gij hem gekroond." Als je dan de Hebreeënbrief erop naleest, dan wordt dat becommentarieerd en wordt Psalm 8 aangehaald. Er wordt gezegd dat dit over de Heer Jezus Christus gaat. Hij is die Ben Ha-Adam. Hij is de erfgenaam, want dat is wat het woordje "ben" of zoon betekent. Hij is de erfgenaam van de Adam. Alles wat Adam onder zijn hoede kreeg – Adam werd gesteld om te heersen over al de werken Gods – is nu voor de erfgenaam. Adam werd de ontslagen tuinman en alles is overgegaan naar de Ben Ha-Adam. Maar Hij is een korte tijd beneden de engelen gesteld, staat er in Hebreeën, vanwege het lijden des doods. Engelen sterven niet, dus als Hij sterft, dan is Hij een korte tijd beneden de engelen gesteld. Om precies te zijn drie dagen, als u het mij vraagt. Maar vervolgens is Hij met eer en heerlijkheid nu gekroond. Dat is de positie van Jezus Christus vandaag in de hoogte, op de bergen waar Hij bidt.⟨/p> ⟨p>Afijn, die spijs die blijft tot in het eeuwige leven, zal de Ben Ha-Adam u geven, of aan jullie geven. Want op Hem heeft God de Vader Zijn zegel gedrukt. Eigenlijk heeft "de God, de Vader" – er staan twee keer bepaalde lidwoorden – Hem, de Ben Ha-Adam, bezegeld. Dat staat hier trouwens in de aoristus, dat wil zeggen in een tijdloze vorm; het wordt als feit neergezet. Wat mij betreft kan ik dat maar aan één ding koppelen, misschien heeft u daar nog wel een suggestie voor. We lezen van de gelovigen in Efeze 1 dat we verzegeld zijn met de Geest der belofte. Wel, de Heer Jezus is ook bezegeld; God heeft Hem bezegeld. Aan het begin van Zijn bediening is de hemel geopend en toen heeft daar de stem geklonken: "Deze is mijn Zoon." Hij is niet alleen de Ben Adam, maar Hij is ook de Zoon van God, in wie Ik al Mijn welbehagen heb. Toen daalde de Geest op Hem neer. U weet het hè, Hij was in de Jordaan gedoopt en Hij staat op uit de Jordaan, uit de "doodsjordaan". Dat is ook weer een prachtig type van het ondergaan in het graf. Hij stond op uit de Jordaan, uit de doden, en vervolgens kwam de Geest in de gedaante van een duif op Hem. God heeft Hem toen bezegeld: "Deze is mijn Zoon." Daarmee heeft de God, de Vader, heel demonstratief op Hem Zijn zegel gedrukt.⟨/p> ⟨p>De schare die daar in Kapernaum bij Hem gekomen was, zei vervolgens tot Hem: "Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken?" Dat klinkt eigenlijk een beetje vreemd. Ik zeg "een beetje", maar dat is een eufemisme; het kan namelijk helemaal niet. "Opdat wij de werken Gods werken." Maar wat zijn de werken Gods? Dat zijn toch de werken die God doet? Dus hoezo "wij werken"? Want de werken van u, dat zijn de werken die u doet. De werken van God, dat zijn de werken die Hij doet. De vraag is dus op zichzelf al vreemd. En dat blijkt ook wel uit Jezus' reactie. Je zou nog kunnen zeggen: "Ja, wat moeten wij doen opdat wij de werken Gods mogen werken? Wij werken!" Maar het uitgangspunt is sowieso fout. Het gaat niet om onze werken. En dat dit zo is, wordt meteen in het volgende vers gezegd, want Jezus antwoordt daarop. Zij stellen de vraag en je zou zeggen dat dit een heel godsdienstige en zelfs respectabele, vrome vraag is, maar Jezus corrigeert hen wel heel duidelijk.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2253" title="Speel af vanaf 37:33">▶ 37:33⟨/button> ⟨span>Vers 28-29: het Ware Werk van God Is Geloven⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dat is wat de schare zei, en Jezus antwoordt daarop: "Dit is het werk Gods." Let op: het werk Gods, in het enkelvoud. Zij vroegen of zij de werken Gods mochten werken, maar de Heer geeft antwoord en Hij verwijst naar het werk van de God. En wat is het werk van God? Dat jullie geloven in Hem die Hij gezonden heeft.⟨/p> ⟨p>Wat blijkt hier nog meer uit? Dat is simpelweg een gegeven dat we in dit hoofdstuk nog drie of vier keer zullen tegenkomen, namelijk dat daar waar een mens gelooft, dit het werk van God is. Ik weet dat dit een theologisch beladen uitspraak is, want als je in een groot deel van de christenheid komt, dan zeggen ze dat geloven mensenwerk is. God heeft alles gedaan, maar als de mens Hem aanneemt, dan is dat de finishing touch. Dat is voor de mens: God heeft alles gedaan, jij hoeft alleen nog maar te geloven. Maar dan is het dus het werk van de mens. De schare die bij Jezus gekomen was, benaderde dat ook zo; die wilden ook de werken Gods doen. Maar Hij zei: "Nee, dit is het werk van God dat jullie geloven in Hem." Als je gelooft in Hem, dan is dat het werk van God.⟨/p> ⟨p>We zullen het nog heel wat keren zo tegenkomen. Ik attendeerde er zojuist al even op, in vers 44 lees je: "Niemand kan tot Mij komen tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke." Hoezo eigen prestatie als je tot Hem komt? Als je tot Hem komt en als je Hem gelooft, dan is dat omdat Hij jou getrokken heeft. Ik weet dat dit in een groot deel van ons lieve vaderland, in de calvinistische wereld, ook zo benaderd wordt. Als je gelooft in Hem, dan is dat het werk van God. Precies ja, alleen met dat verschil dat het daar heel exclusief is. Dat wil zeggen: een enkeling wordt getrokken door God en de rest is verdomd. Dat kent de Schrift dus niet. Maar het is wel waar dat degene die gelooft en Hem mag kennen, getrokken is door de Vader. "Niemand kan tot Mij komen tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke." Dat is het werk van God.⟨/p> ⟨p>Dan kom je bij een andere vraag: waar blijft dan het roemen? Is er dan helemaal niets van ons bij? En dan zegt Paulus inderdaad: niks. Want wat we net zeiden, dat er zo'n hele groep is die er zelf heel veel mee te maken wil hebben... Het moet gegeven worden, het moet toegepast worden. Het is helemaal niet dat lijdelijke afwachten. We prediken het woord van God, het evangelie, in al zijn rijkdom. Zoals de Samaritaanse vrouw zei: Hij is de Redder der wereld. De Heiland der wereld mogen we verkondigen, en ieder die dat gelooft, heeft daar deel aan. En als je het gelooft, dan is dat Zijn werk.⟨/p> ⟨p>Dit sluit naadloos aan bij wat we in Efeze 2 vinden. Ik lees het even voor, want ik moet daar zo aan denken. In Efeze 2 staan prachtige woorden; daar wordt gesproken in vers 7 over de komende aionen. Let op: de komende aionen. Hoort u het goed? Er zijn nog aionen, wereldtijdperken, die gaan volgen. Dat is zo'n drama in de theologie, daar is totaal geen zicht op die komende aionen. Men denkt altijd in termen van een eindeloze eeuwigheid die straks aanbreekt bij de jongste dag, en dan is het 'eeuwig wel' of 'eeuwig wee'. Dan is er een eindeloze lijn die gaat volgen waar nooit meer een einde aan komt. Als het 'eeuwig wee' is, betekent dat eindeloze verlorenheid. Dat is een gitzwart en letterlijk hopeloos perspectief.⟨/p> ⟨p>De Schrift spreekt echter over toekomende aionen die tot een voltooiing gaan komen, waarin God uiteindelijk de dood als laatste vijand zal tenietdoen en waarin Hij alles in allen zal worden. Kijk, dat is zo Godwaardig, zo rijk, maar ook zo universeel en allesomvattend. Afijn, ik lees even verder in Efeze 2 vers 7: "Om in de komende aionen de overweldigende rijkdom van Zijn genade te tonen." Daar word ik nou zo blij van. Om in de komende aeonen de overtreffende rijkdom van Zijn genade te tonen over ons in Christus Jezus. Want in genade zijn jullie behouden, door geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave Gods. Niet uit werken, opdat niemand roeme.⟨/p> ⟨p>Dat betekent dus dat alle roem is uitgesloten. Dus ook dat geloof. Door geloof komen wij tot Hem, maar het is alles — zowel die behoudenis als het geloof — een gave van God. Waarom? Opdat niemand roeme. Het is dus Hij alleen, de Heer, want Zijn maaksel zijn wij. Ik zou verder kunnen lezen, maar dat voert te ver. Dit is de waarheid: dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem die Hij gezonden heeft, of die Hij afvaardigt. Dat is het woord dat hier gebruikt wordt; het woord 'apostel' zit hier eigenlijk in, of in ieder geval hetzelfde stamwoord. En zij zeiden dan weer in een reactie:⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2748" title="Speel af vanaf 45:48">▶ 45:48⟨/button> ⟨span>Vers 30-31: de Eis voor een Teken Zoals het Manna⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Zij zeiden dan tot Hem – want ik zei dat het een toespraak is, en dat is ook wel zo, maar het is feitelijk interactief. De Heer spreekt dingen, maar er komt iedere keer ook respons. Die interactie wordt hier in Johannes 6 beschreven. "Zij zeiden dan tot Hem..." De sfeer wordt grimmiger en die wordt trouwens nog veel grimmiger. Maar hier lees je: "Wat voor teken doet Gij dan, opdat wij mogen zien en U geloven? Wat voor werk doet Gij?" Dat is toch eigenaardig, juist vanwege de hele aanleiding van de voorgaande dag. Ze waren juist bij Jezus gekomen en nu vragen ze: "Wat voor teken doet Gij dan?" Nou, dat is met recht "ziende blind".⟨/p> ⟨p>Maar die vraag vind je nog wel eens vaker in de evangeliën. In Johannes 2 bladeren we even een paar hoofdstukken terug en daar lees je dat dit in Jeruzalem gebeurt: "De Joden dan antwoordden en zeiden tot Hem: Welk teken toont Gij ons dat Gij dit moogt doen?" Ook die vraag. In Matthäus 12 lees je: "Toen antwoordden Hem enige van de schriftgeleerden en Farizeeën en zeiden: Meester, wij zouden wel een teken van U willen zien." En dan zegt de Heer trouwens: "Dit geslacht ontvangt geen teken dan alleen dat van Jona de profeet." Afijn, ik moet er ook bij zeggen dat er juist – ook toen trouwens in Matthäus 12 – al zoveel tekenen waren gedaan. Maar dat zie je hier dus ook: op het moment dat de Heer spreekt over de betekenis ervan, dan blijkt dat totaal niet aan te slaan, want ze geloven het niet. Vandaar dus dat zij dat dan ook zo vragen: "Wat voor teken doe Jij dan, opdat wij mogen zien en U geloven?" De suggestie is: wij willen wel geloven, maar we kunnen niet geloven want U zou Uzelf eerst moeten bewijzen.⟨/p> ⟨p>En waarom zeggen ze dat zo? Ze willen namelijk meer. Kijk, ze hebben natuurlijk wel dat teken gezien van de voorgaande dag, maar dat is voor hen niet voldoende. Dat gaan ze hier motiveren. Dan zeggen ze: "Onze vaderen hebben het manna in de woestijn gegeten. Zoals geschreven is: brood uit de hemel gaf Hij hun te eten." Dat wil zeggen: onze vaderen in de dagen van Mozes. Gedurende de veertig jaren van de woestijnreis heeft het volk van Israël dagelijks het manna ontvangen van God. "Onze vaderen hebben het manna in de woestijn gegeten." U moet zich eventjes verplaatsen in deze argumentatie, want het lijkt een beetje vreemd. Ze waren onder de indruk gekomen van het teken van de voorgaande dag en nu vragen ze aan Jezus: "Welk teken doet U?" Met andere woorden: het teken dat U gedaan hebt en wat we gisteren gezien hebben, dat is hoe imposant ook – want ze waren onder de indruk, dat wel – maar het was voor hen niet genoeg. Want ze zeggen: "Onze vaderen hebben het manna in de woestijn gegeten. We willen eigenlijk ook zo’n teken."⟨/p> ⟨p>Waarom hebben ze dat zo gezegd? Ik heb daar een vermoeden over en dat is wat we gelezen hebben in ditzelfde hoofdstuk, in vers 14. Lees even met me mee; we hebben het er toen trouwens ook nog eventjes over gehad. Daar staat in vers 14: "Toen dan de mensen zagen welk teken Hij verricht had, zeiden zij: Deze is waarlijk de profeet die in de wereld komen zou." De profeet die in de wereld komen zou. En toen hebben we ook overwogen waarom ze dat zo zeiden. Je leest dat in Deuteronomium 18:18. "Een profeet gelijk mij," zegt Mozes daar, "zal de HEERE, uw God, u verwekken en naar hem zult gij luisteren." Dat is een aanduiding van de Messias; een profeet van hetzelfde statuur als Mozes die zou komen. Nu zeggen zij: "Wij willen, als U inderdaad die profeet bent, een teken zien van hetzelfde kaliber, om zo te zeggen. Wij willen brood uit de hemel zien. Onze vaderen hebben het manna in de woestijn gegeten." Zoals geschreven is op verschillende plaatsen, bijvoorbeeld in Exodus 16: "Brood uit de hemel gaf Hij hun te eten."⟨/p> ⟨p>Let op, ik zal u even meenemen waar dat staat: in Exodus 16 vers 4. Toen zei JAHWEH tot Mozes: "Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel laten regenen." Zo is het ook gedaan, veertig jaar lang; manna dus. Ik heb het even in kapitaalletters en vet gedrukt: "IK ZAL". Het is namelijk van belang, hou hem even vast voor de argumentatie in dit verhaal. In Nehemia 9 wordt ook teruggeblikt op de woestijnreis en daar staat in een gebed: "Brood uit de hemel hebt Gij hun gegeven voor hun honger, en water voor hen uit een rots doen komen voor hun dorst." Maar let op, in beide gevallen is het God, JAHWEH, die hun dat brood gaf. "Gij hebt het hen gegeven." En nu: "Brood uit de hemel gaf Hij hun te eten." De argumentatie is: ja, het teken van de vorige dag dat U gedaan hebt – weet u wel, die spijziging van de vijfduizend – dat was groots, maar het is niet het teken zoals Mozes dat ooit gaf aan Israël. Van de profeet die komen zou, verwachten we zo’n teken: brood uit de hemel.⟨/p> ⟨p>En dan zegt Jezus... Jezus zeide dan tot hen – en Hij negeert trouwens weer hun vraag, namelijk de vraag naar een teken, maar waarom Hij dat negeert, blijkt wel uit het vervolg. Jezus zeide tot hen: "Voorwaar, voorwaar," weer een herhaling, "Amen, amen, Ik zeg jullie: niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven." Aha, nou begrijp je het. Kijk, zij zeiden: "Als U inderdaad dé profeet bent die komen zou, van het kaliber en het statuur van Mozes, dan mogen we van U verwachten dat U niet alleen maar die schare van vijfduizend spijst op een wonderbare wijze, maar dan willen we het brood uit de hemel zien." Dat is de argumentatie. Daarom zegt de Heer: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg jullie: niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven." Dat zeggen jullie nu wel, maar dat is helemaal niet zo. God gaf het jullie. Kijk maar. God gaf het, "maar Mijn Vader geeft u..."⟨/p> ⟨p>En dan zegt Hij er meteen iets bij en overspringt Hij eigenlijk zelfs de geschiedenis, want Hij zegt: "Maar Mijn Vader geeft u..." Hij is de Gevende. Dat staat hier in de tegenwoordige tijd. Ziet u dat verticale streepje? Dat wil zeggen dat het doorlopend is. In het Nederlands zou je zeggen: Hij "is gevende", Hij is bezig te geven: "Mijn Vader is bezig jullie te geven het ware brood uit de hemel." Dat wil zeggen: waar het manna slechts een type van was. Het is dus helemaal niet wat jullie eisen, zoals Mozes dat gegeven zou hebben. Mozes heeft het jullie niet gegeven, God gaf dat. En God – maar dat zullen we straks na de pauze zien – God geeft ook dit teken. Ook nu. Hij geeft brood uit de hemel. Nou, dat is het vervolg van de argumentatie. Maar ik zie dat het inmiddels negen uur is geweest, dus ik stel voor dat we eerst eventjes een kopje koffie gaan drinken. Wij waren gebleven bij vers 32.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3318" title="Speel af vanaf 55:18">▶ 55:18⟨/button> ⟨span>Het Manna als Type van het Levende Woord⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>De nadruk ligt in dat vers vooral op: niet Mozes. Dat is wat jullie denken of veronderstellen, maar niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven. En waarom verwachten jullie dat dan wel van de profeet die in de wereld komen zou? Mijn Vader geeft jullie het ware brood uit de hemel. Daarmee is uiteraard niet gezegd dat het brood dat de Vader ooit gaf in de woestijn geen echt brood was, maar het is niet het ware brood. Het was brood, dat is waar, maar het ware brood is waar het van spreekt, namelijk hét Brood. Iemand... maar nou loop ik een beetje vooruit, want we krijgen straks nog de echte uitspraak en de echte uitleg van de Heer: "Ik ben het brood." Maar dat komt nog. Eerst moeten we goed onderkennen dat het brood dat ooit in de dagen van Mozes gedurende de woestijnreis uit de hemel kwam, een type was van het ware brood.⟨/p> ⟨p>We moeten even naar Exodus 16. Ik neem u mee met dit diaatje om te kijken naar wat je daar leest over dat manna. Manna heet zo omdat ze zeiden: "Wat is dat?" In het Hebreeuws zeggen ze dan ⟨em>man⟨/em> of ⟨em>man-hu⟨/em>. Het huis van Israël noemde het manna, gewoon vanwege de eerste vraag toen ze het voor het eerst zagen: "Wat is dat nou voor spul zeg?" Dat kun je je wel voorstellen. Veertig jaar lang hebben ze het gekregen en het is heel opmerkelijk dat als ze eenmaal gearriveerd zijn in het land, het meteen ophoudt op die dag. Ik wil het even lezen – dit is even geïmproviseerd – maar je leest in Jozua 5 dat ze in Gilgal arriveren. Daar zijn ze dan ook besneden; daarom heet die plaats ook Gilgal, bij de Jordaan. O, daar zit zo geweldig veel in, maar ik wil mezelf discipline opleggen en bij dit onderwerp blijven. In Jozua 5 vers 10 staat: "Terwijl de Israëlieten te Gilgal gelegerd waren, vierden zij het Pascha op de veertiende dag van die maand des avonds in de vlakte van Jericho. En zij aten daags na het Pascha van de opbrengst van het land, ongezuurde broden en geroost koren op dezelfde dag." En dan vers 12: "En het manna hield op daags nadat zij van de opbrengst van het land hadden gegeten." Dus hadden de Israëlieten geen manna meer, maar ze aten dat jaar wat het land Kanaän opleverde.⟨/p> ⟨p>En ik kan u vertellen, dat was gerst. Want tijdens de Pesach wordt er gerst gegeten; pas met Pinksteren wordt er tarwe gegeten. Met Pesach wordt het feest van de eersteling gevierd, de eerstelingsschoof van de gerstenoogst, en die dag is de dag dat de Eersteling uit het graf opstond. Dus gerstenbrood verving het manna. Begrijpt u wat ik nu zeg? Gerstenbrood verving het manna. Ik zeg dat expres even zo, omdat men de voorgaande dag ook gerstenbrood had gegeten – er staat bij dat het vijf gerstenbroden waren. Gerst heeft alles te maken met de opstanding, met het leven dus. Ik vind het prachtig dat het manna ophoudt tijdens het feest van Pesach. Vanaf die dag wordt het vervangen door het overjarig koren van het land en wordt de rol overgenomen door het gerstenbrood. Typologisch sluit dat gewoon letterlijk en figuurlijk echt prachtig aan.⟨/p> ⟨p>Even terug: het was dus brood uit de hemel. Het huis van Israël noemde het manna en het was wit, de kleur van reinheid en zuiverheid, als korianderzaad. Als u nu aan mij vraagt om iets over koriander te vertellen, dan moet ik u het antwoord schuldig blijven, dat weet ik niet. Ik weet één ding wel, en dat is dat het wit is. Er staat namelijk dat het wit was als korianderzaad, waarbij we trouwens twee dingen weten: het manna was wit, zuiver en rein, en het leek op zaad, namelijk korianderzaad. Daarmee heb ik tevens ook alweer iets typologisch gezegd, want dat manna is zuiver en rein, jawel, maar het is ook als zaad. In dit geval korianderzaad, maar het is zaad, wat dus ook weer leven in zich heeft. Laat ik het anders zeggen: het is levengevend. Want dat is wat zaad toch is: het geeft leven, het produceert leven.⟨/p> ⟨p>En er staat dan nog bij: "De smaak ervan was als die van een honigkoek." Dat zal ongeveer net zo gesmaakt hebben als jouw koek, Ina... Nee, even zonder gekheid, de smaak was als van honigkoek. Het gaat natuurlijk om die honig. Waar moet je dan allemaal aan denken als je het hebt over honig? Dat wat de bij produceert. Het is met recht een bijproduct, hè? Maar het Hebreeuwse woord voor bij is dan weer ⟨em>dabar⟨/em>, en ⟨em>dabar⟨/em> is ook het woord voor 'woord'. Als je in het Hebreeuws denkt en het woordje ⟨em>dabar⟨/em> gebruikt, of de vrouwelijke vorm Deborah, dan is dat gewoon hetzelfde woord. Als je een bij ziet, zie je een 'woord', en dat wat zij produceert is ook allemaal 'woord'. En van dat Woord weten we, dat zei David ooit al in Psalm 19, dat het zoeter is dan honig, ja, dan honig uit de raat. Dus linksom of rechtsom kom je bij dat manna altijd uit bij het Woord dat uit de hemel komt. Want per slot van rekening is het God die dat spreekt; het is Woord uit de hemel. Het is iets, maar meer nog: Iemand.⟨/p> ⟨p>Dat wit is trouwens ook nog veelkleurig, maar dat weet u wel. Wit is eigenlijk een samenstelling van de zeven kleuren van de regenboog, dus het draagt alle kleuren in zich. Maar het is ook als zaad en de smaak ervan is als honig. Via al die routes kom je altijd weer uit bij het Woord. Het Woord dat zuiver is, dat rein is, dat leven geeft. Het Woord van God is levend en krachtig; het geeft leven en het is zoeter dan honig. En het komt uit de hemel. Nou, dan weet u ongeveer wel waar het van spreekt. En het werd ooit weer vervangen door gerstenbrood. Want, ik lees even verder.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3828" title="Speel af vanaf 01:03:48">▶ 01:03:48⟨/button> ⟨span>Vers 33: het Brood van God Geeft Leven aan de Wereld⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ik haak nu weer aan bij Johannes 6 vers 33: "Want dat is het brood van God." Het brood Gods, of eigenlijk staat er nog specifieker: het brood van dé God. Het gaat hier over dat wat uit de hemel nederdaalt. Ik moet daar even iets bij zeggen: de MBG-vertaling heeft dit overigens correct vertaald. Maar als u een Statenvertaling hebt, dan staat er soms 'die' uit de hemel nederdaalt of 'is nedergedaald'. In de grondtekst staat het echter in de tegenwoordige tijd. Eigenlijk is het, in wat krom Nederlands gezegd: Hij die uit de hemel neerdalende is. Dat is het idee. Het is dus niet alleen: Hij is neergedaald uit de hemel; nee, Hij ís neerdalende uit de hemel. Hij is dat voortdurend, waarmee Hij voortdurend Zijn hemelse origine verraadt. Dat is het Brood Gods dat uit de hemel neerdaalt.⟨/p> ⟨p>Of je nu vertaalt met 'dat' of 'die', het maakt mij eigenlijk niet zoveel uit, want het is namelijk beide waar. Het is dat wat God spreekt en wat uit de hemel komt, maar het is natuurlijk ook Hem als persoon. Ik hoef dat nu nog niet eens te bewijzen, want we zullen dat straks gewoon zwart op wit zien: het brood dat uit de hemel neerdaalt, is gewoon iemand. Dat is onze Heere Jezus Christus Zelf. Hier in vers 33 zit dat ook al in opgesloten. Dus of u nu 'dat' of 'die' leest, vertaaltechnisch gezien is het beide correct. Het is niet zo dat de Statenvertaling of de MBG-vertaling hier 'fout' is; beide zijn goed en mogelijk. Dit is het brood van God dat vanuit de hemel neerdalende is.⟨/p> ⟨p>En dan staat er: "en aan de wereld het leven geeft." Alsjeblieft zeg. Dit is een uitleg die Jezus in een paar zinnen doorgeeft. Hij weerlegt hiermee de claim of het verzoek van de schare, die zei: "Als U die Profeet bent zoals Mozes, dan moet U ook zoiets doen." Maar Jezus zegt: "Nee, het was niet Mozes die dat gaf. Mijn Vader, Die gaf het brood uit de hemel." En dat doet Hij nu ook. Dus hun vraag wordt in die zin wel degelijk gehonoreerd. Jullie willen manna uit de hemel? Welnu, dat ware manna daalt uit de hemel neder; het is neerdalende uit de hemelen. En dat is het Brood Gods. Dat is nog eens andere koek, want dat brood geeft aan de wereld het leven.⟨/p> ⟨p>Let even op twee dingen: "aan de wereld" en "het leven". Aan de wereld, dus niet slechts aan Israël zoals ooit in de woestijn. Dat manna in de woestijn was prachtig, maar het was slechts een type. Het ware brood overtreft dat type in alle opzichten. In de eerste plaats qua reikwijdte, want dat brood dat ooit in de woestijn neerdaalde, was alleen voor het volk Israël. Maar het brood dat neerdalende is uit de hemel, waar de Heer het hier over heeft – het brood van de God – dat geeft Hij aan de wereld.⟨/p> ⟨p>En dan het tweede: "het leven". Dat is niet slechts brood of leven dat weer ophoudt. Ik heb hier een woord voor gebruikt dat waarschijnlijk niet in de woordenboeken staat: geen sterfensverlenging. Ik bedoel: doordat wij brood eten, houden we het sterfelijke leven in stand. We verlengen feitelijk het sterfelijke leven. Het is misschien wat macaber geformuleerd, maar dat is eigenlijk wat het doet: het onderhoudt het sterfelijke bestaan tot op zekere hoogte, want hoe dan ook gaat een mens uiteindelijk dood. Je ziet dat ook bij dat brood dat ooit veertig jaar lang neerdaalde in de woestijn. Dat was een absoluut wonder Gods, maar het was niet het ware brood. Het ware brood geeft aan de wereld hét leven.⟨/p> ⟨p>Je ziet dat woord 'wereld' heel vaak terugkomen; dat is typisch voor het Evangelie naar Johannes. God denkt zo groot: de Redder der wereld. En Hij geeft leven. Dat wil zeggen: echt leven, leven dat de dood achter zich heeft en opstandingsleven is. Nu zijn we weer terug bij dat gerstenbrood, want gerst spreekt in de typologie juist van de opstanding. Echt leven dus. Het gaat om 'zoè', leven in de absolute zin van het woord: onvergankelijk leven.⟨/p> ⟨p>Dat is de mooiste boodschap die je aan een sterveling kunt geven. De hele mensheid, al die miljarden mensen, zijn allemaal stervelingen en we leven in een stervende wereld. Wat is dan het Evangelie van God? Hij geeft aan de wereld leven! Aan stervelingen belooft Hij het leven; namelijk het leven dat Jezus Christus tweeduizend jaar geleden aan het licht bracht, en dat was onvergankelijk leven. Dat was niet zoals Lazarus, die weliswaar opstond maar later toch weer dood moest gaan. Nee, echt leven! Hij stond op uit het graf en werd opgewekt om nooit meer te sterven, zoals Romeinen 6 vers 9 zegt. Dat is 'het leven'. Ziet u die twee tegenstellingen? Het Brood Gods, het ware brood, geeft aan de wereld het leven.⟨/p> ⟨p>Zij zeiden dan tot Hem: "Heere, geef ons altijd dit brood." Je zou zeggen: ze hebben het nu door. Maar uit de reactie van Jezus blijkt dat ze het nog steeds niet begrijpen. Hun vraag ligt een beetje in dezelfde orde als wat de Samaritaanse vrouw aanvankelijk vroeg toen Jezus bij de bron sprak over het levende water. Hij zei: "Van het water dat Ik geef, zal men in eeuwigheid geen dorst meer hebben." En toen zei zij in Johannes 4 vers 15: "Heere, geef mij dit water, opdat ik geen dorst heb en niet hierheen behoef te gaan om te putten." Zij dacht aan haar dagelijkse gemak en begreep de werkelijke betekenis van wat Jezus zei nog niet. In die sfeer ligt ook hun reactie. Ze horen: "De wereld krijgt leven," en ze denken: "Dat brood willen wij ook wel. Geef ons dan dit brood."⟨/p> ⟨p>En nu komt het hart van het hoofdstuk. Van deze hele toespraak is dit de climax. Dit is de onthulling van de ware betekenis van waar Hij het tot dusver over heeft gehad, en wat in het navolgende nog weer nader toegelicht gaat worden.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4327" title="Speel af vanaf 01:12:07">▶ 01:12:07⟨/button> ⟨span>Vers 34-35: de Eerste 'ik Ben' Uitspraak over het Brood Des Levens⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Jezus zei tot hen: "Ik ben het brood van het leven." Eerst even dat: "Ik ben." Dit is trouwens de eerste van die "Ik ben"-uitspraken in het Johannesevangelie. In het Johannesevangelie vinden we er een aantal; laat ik ze even noemen. "Ik ben het brood des levens", zegt Hij. In dit hoofdstuk, in diverse verzen, zegt Hij het echt expliciet zo. In hoofdstuk 8: "Ik ben het licht der wereld." In hoofdstuk 10: "Ik ben de goede herder." En ook in hoofdstuk 10: "Ik ben de deur der schapen." Iedere keer is er weer die hele specifieke aanleiding. Hier is het net naar aanleiding van de uitleg over dat wonder van de spijziging dat Hij zegt: "Ik ben het brood des levens." Het zijn dus niet zomaar metaforen die te pas en te onpas worden gebruikt. Nee, het is tegen die specifieke achtergrond.⟨/p> ⟨p>Net zo goed als bijvoorbeeld deze uitspraak van de Heer: "Ik ben de opstanding en het leven." Dat doet Hij bij het graf van Lazarus. Dan zegt Hij: "Ik ben de opstanding en het leven." Eigenlijk: "Ik ben het opstandingsleven." En in hoofdstuk 14: "Ik ben de weg en de waarheid en het leven." En dan de laatste van de zeven — ook weer zo’n volmaakt aantal natuurlijk, de zeven "Ik ben"-uitspraken in het Johannesevangelie: "Ik ben the ware wijnstok." Ook hier weer trouwens dat woord "de ware", net als bij "het ware brood." Hier ligt ook weer opnieuw een verwijzing naar de naam van God zelf, want de naam van God is: "Ik ben die Ik ben." Jazeker, wat betekent dat? Hij is het Woord, Hij is de Logos, Hij is de uitdrukking van God, en dus verwijst dit "Ik ben" naar God zelf. Zoals de naam van Jezus, Yeshua, betekent: "Jahweh is Redder." Dat is wat Hij is. We komen daar later nog wel meer over te spreken, ook over de samenhang van die "Ik ben"-uitspraken. Ik wil het nu even hierbij laten, maar ik heb er dan alvast wel even op gewezen dat dit nummer één is in de serie die we nog gaan tegenkomen.⟨/p> ⟨p>Als de Heer dan zegt: "Ik ben het brood des levens", dan staat er eigenlijk gewoon: "het brood van het leven." Dat "levens" is een naamval; je moet dan niet denken aan meerdere levens. Het is geen meervoud, het is gewoon een naamval: "Ik ben het brood van het leven." Waarbij "leven" u inmiddels toch bekend in de oren moet klinken; het slaat niet alleen op het feit dat het leven heeft en leven bezit, maar het geeft ook leven als zaad. Zoals dat manna ook wit als korianderzaad was. Het brood van het leven. Vandaar ook dat ik het weer herhaal: dat gerstebrood. Het heeft met alles te maken. Brood in het algemeen is een uitbeelding van leven, maar dat gerstebrood in het bijzonder spreekt van opstandingsleven.⟨/p> ⟨p>Dat vind ik wel mooi; het klopt dan helemaal. En dan niet als een magische kracht, maar gewoon typologisch is dat natuurlijk precies waar, want dat is precies wat het brood geeft. Ja, een mooie aanvulling. Maar over dat koriander dat ook gegeten werd bij het Pascha... staat dat in de Schrift of heb je dat toch even opgezocht? Het schijnt in de Bijbel te staan, maar ik las het even op de schrijf. Oké, het zou best kunnen. Ik heb dat niet nagetrokken, maar we houden hem erin en we gaan het nog eens na. Mooi. En dan zou het natuurlijk wel de moeite waard zijn als je daar toch mee bezig bent: wat is dat spul eigenlijk nog meer, dat koriander? Ik kom het niet dagelijks tegen, laat ik het zo zeggen. Arie, jij bent nogal een kenner? "Een uit en door", zeg je? Oh, een "uit en door", ja ja. Of niet in het rood? O, hier blijkbaar helemaal niet. Oké. In de kruiden wat je zegt. In de kruiden... ja, daar ken ik het meen ik ook van, als kruiden bij het eten. Nou ja, dat zijn allemaal zo van die losse gedachten. Ik kan hier geen bonnetjes bij leveren, maar goed. Er staat niet dat het korianderzaad ⟨em>is⟨/em>. Nee, het is ⟨em>als⟨/em>. Ja, precies, want het was wit als korianderzaad. Maar goed, het wordt dus wel gelinkt aan dat korianderzaad op de een of andere manier. Wat ik vooral belangrijk vind — en die betekenis ligt wel heel duidelijk voor de hand — is dat het was als korianderzaad en dus leven producerend. Het brood van het leven. "Ik ben het brood van het leven."⟨/p> ⟨p>Natuurlijk verwijzen al die uitspraken die de Heer doet over wie Hij is — we hebben dat al zo vaak inmiddels in het Johannesevangelie gezien — altijd naar dat wat aan het licht zou komen door Zijn dood en vooral Zijn opstanding. Als Hij zegt: "Ik ben de opstanding en het leven", dan is Hij dat natuurlijk. Maar wanneer werd Hij dat daadwerkelijk? Dat was toen Hij opstond uit de dood en leven aan het licht bracht. Alles wat in het Johannesevangelie beschreven wordt, verwijst daarnaartoe. Ik heb nog een ander voorbeeld dat me nu te binnen schiet. Dat staat in Johannes 7, het volgende hoofdstuk. Daar zegt Hij op de laatste, de grote dag van het Loofhuttenfeest... je leest dat de Heer dan zegt: wie wil, die neme het water des levens om niet. Nou moet ik het even goed citeren, een momentje hoor. Ja: "Wie in Mij gelooft... Indien iemand dorst heeft..." Johannes 7 vers 37: "Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke. Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien." En let op: "van levend water." Ook weer die nadruk op dat leven.⟨/p> ⟨p>Maar waar spreekt het dan van? Daar staat het er uitdrukkelijk bij, dat Johannes het zo formuleert: "Dit zeide Hij van de Geest, welke zij, die tot geloof in Hem kwamen, ontvangen zouden; want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was." Met andere woorden: de uitspraak die Hij doet is eigenlijk wat ze noemen "anticiperen" op de situatie die zich zou gaan voordoen als Hij eenmaal verheerlijkt zou zijn. Dat wil zeggen: als Hij uit de dood zou zijn opgestaan. Dan is er water des levens. Al die uitspraken die Hij doet, verwijzen al naar dat wat aan het licht zou komen in Zijn opstanding. Vandaar ook als Hij zegt: "Ik ben het brood van het leven, Ik geef aan de wereld het leven." Ja, in Zijn opstanding uiteraard, uit de doden. Het verwijst dus vooruit, het spreekt van de Geest. Maar Geest is trouwens ook leven, toch? Deze Geest is echt leven, dat wil zeggen ook weer onvergankelijk leven. "Ik ben het brood van het leven."⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-12" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4898" title="Speel af vanaf 01:21:38">▶ 01:21:38⟨/button> ⟨span>Nimmer Meer Hongeren en Dorsten Door Onvergankelijk Leven⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren. Nimmermeer... er staat in de tekst – en dat is geen kritiek hoor op de vertaling – maar er staat eigenlijk letterlijk: 'niet, toch niet'. Dat is een Griekse manier van zeggen; het is een stellige ontkenning. Het is dus niet zomaar 'die zal niet hongeren', nee, die zal absoluut niet meer hongeren. Vandaar dat de vertalers ervan hebben gemaakt: 'die zal nimmermeer hongeren'. Dat is de gedachte. Het is echt die hele expliciete ontkenning: wie tot Mij komt, zal absoluut niet hongeren. En wie in Mij gelooft, zal nimmermeer – ook hier weer datzelfde – zal absoluut niet dorsten.⟨/p> ⟨p>Waarom is dat zo? Omdat het gaat over leven dat de dood achter zich heeft. Daar komt dus geen einde meer aan. Dat is leven dat wordt onderhouden; het is onvergankelijk leven en vandaar dus geen honger en geen dorst meer. Dat is namelijk wat alle vergankelijkheid trotseert. Het is onvergankelijk en maakt geen deel uit van alles wat we in deze wereld kennen. Alles vergaat en alles gaat weer teniet, maar dit spreekt over zaken die blijvend zijn. Zoals dat van het woord van God trouwens in algemene zin gezegd wordt: alle vlees is als gras en als een bloem van het veld; het gras verdort en de bloem valt af, maar het woord van onze God – daar heb je het weer: het woord van onze God – dat houdt stand tot in de aeon. Dat trotseert al die vergankelijkheid die we hier kennen.⟨/p> ⟨p>Waarbij je trouwens nog iets moois ziet in dit parallellisme: 'Ik ben het brood des levens. Wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.' Hongeren komt overeen met dorsten en 'wie tot Mij komt' komt overeen met 'wie in Mij gelooft'. Het een slaat op het ander. Ik zeg niet dat het absoluut hetzelfde is, maar het loopt parallel.⟨/p> ⟨p>Nog even iets over de structuur. Ik zei al dat ik dat nog wel een aantal keren vaker zal doen als we zo door dit hoofdstuk gaan. We zijn niet zomaar bij vers 71, dat ziet u wel, want we zijn nu nog maar bij vers 35. Maar nu even wat over vers 30 tot en met vers 35. Ook hier zien we weer een structuur. In vers 30 en 31 vraagt de schare om een teken. Het antwoord van de Heer Jezus is: 'brood uit de hemel'. In vers 34 vragen de discipelen naar de betekenis. En dan is het antwoord: 'Ik ben het brood des levens'. Ook hier komt het een weer overeen met het ander; in beide gevallen is het een antwoord. Eerst vraagt de schare om een teken en in vers 34 vragen zij naar de betekenis. Ook hier zie je dus die bewuste opbouw.⟨/p> ⟨p>Ik ga even verder in vers 36: 'Maar', zegt Jezus dan, 'Ik heb u gezegd dat gij niet gelooft, ook al hebt gij Mij gezien.' Ik zei al dat het eerste gedeelte, vanaf vers 26 wanneer de toespraak begint tot vers 36, gericht is aan ongelovigen. Dat blijkt hier dus heel duidelijk. Want nu zegt de Heer: 'Maar Ik heb jullie gezegd...' Hij refereert aan iets wat Hij eerder al gezegd had, namelijk dat zij niet geloven. 'Jullie geloven niet, ook al hebben jullie Mij gezien.' Dat is precies wat de Heer tien verzen eerder, in vers 26 dus, had gezegd: 'Jezus antwoordde hen en zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt.' Dat is waar het om gaat: jullie geloven niet echt. Jullie komen nu wel, maar niet naar Mij en niet vanwege de betekenis, maar alleen vanwege het fysieke, de sensatie en wat dan ook. In ieder geval geloven jullie het niet.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-13" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="5233" title="Speel af vanaf 01:27:13">▶ 01:27:13⟨/button> ⟨span>Vers 36-37: Geloven Is Overtuigd Worden Door de Vader⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Alles, vers 37: "Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen. Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen." Eerst even dit. We hebben het er al even over gehad dat we in vers 29 zagen: geloven is het werk Gods. Ik moet zeggen dat dit niet alleen maar een Bijbelse waarheid is, zo van: "Ik laat het zien, het staat er gewoon, en alsjeblieft, hier is deze tekst en daar is die tekst, daar staat dat." Dat is de ene lijn waarop je dat kunt staven, maar het is ook wel fijn en mooi als je de logica ervan ziet. Ik moet u zeggen dat ik er totaal geen moeite mee heb om de logica te zien van het feit dat het God is die overtuigt.⟨/p> ⟨p>Geloven doe je omdat je overtuigd bent. Alleen al de manier waarop we dat zeggen: "Ik ben overtuigd". Dat is – ik ben een beetje taaldocent – een passivum. Dat wil zeggen dat het de lijdende vorm is. "Ik ben overtuigd". Als ik zeg: "Ik overtuig", dan doe ik iets, dan ben ik actief en ben ik bezig te overtuigen. Maar als ik zeg: "Ik ben overtuigd", dan overkomt mij iets. Ja, ik ben overtuigd. Is dat een prestatie? Nee, helemaal niet. Dat is juist geen prestatie; het overkomt je. Daarom zeg je: "Ik ben overtuigd". Dat is wat geloven is: overtuigd zijn.⟨/p> ⟨p>Door wie ben je dan overtuigd? Als het door mensenwoorden is, dan zeg je: "Hij had zo'n goed verhaal, hij heeft me overtuigd." Maar als ik overtuigd ben van Gods Woord, wie of wat heeft mij dan overtuigd? Nou, het Woord. Of beter gezegd: God heeft mij overtuigd door zijn Woord. God, precies.⟨/p> ⟨p>En dat is altijd zo. Jij zegt dat nu, Adriaan, maar ik had dat nooit zo gelezen. Volgens mij heb ik het persoonlijk al eens tegen jou gezegd, maar ooit wees jij mij op die tekst in Spreuken – ik weet niet eens meer precies het hoofdstuknummer – en ik had dat nooit zo gelezen. Maar toen jij mij op de geestelijke betekenis ervan wees, werd het nog veel mooier. Daar staat namelijk in Spreuken: "Het oog dat ziet, het oor dat hoort, beide heeft de Here gemaakt." In de fysieke zin van het woord is dit gewoon een open deur intrappen. Ja, ik zie u hier nu zitten – ik zie u best zitten – en u ziet mij hopelijk ook zitten. Is dat... ja, ik zie dat. Maar waarom zie ik dat? Omdat God mij ogen heeft gegeven. En het oor dat hoort, dat heeft de Here gemaakt. Maar als ik hoor, dan is dat toch geen prestatie? Zien en horen is een gave Gods.⟨/p> ⟨p>Dat is fysiek zo, maar geestelijk ook. Als je iets mag zien in zijn Woord, iets mag verstaan van zijn Woord, dan komt dat omdat Hij het jou laat zien. Omdat Hij jouw ogen daarvoor opent of omdat Hij, zoals bij Lydia, je hart daarvoor opent. Dus ja, dat is iets wat je overkomt. We hadden het er voor de pauze al even over: het is helemaal niet een kwestie van "het moet je maar gegeven worden" in de zin van passiviteit. De waarheid is: de prestatie is van Hem en dus is ook de eer aan Hem. En Hij geeft het ook, uiteindelijk aan iedereen. Maar goed, voor sommige mensen vraagt het wat geduld. Ik bedoel dit te zeggen: als je Hem vandaag mag kennen, dan ben je gewoon zeer bevoorrecht. Want Hij heeft mij nu al overtuigd van wie Hij is. Maar dat is zijn werk; ik kan het niet genoeg benadrukken. Het is zijn werk.⟨/p> ⟨p>"Alles wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen." En dan – ik verwees al eerder naar vers 44: "Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader hem trekke." Dat wordt trouwens in vers 65 ook nog een keer herhaald. Maar goed, daar komen we nog op, dus ik wil niet voor de fanfare uitlopen. Maar alles wat Mij de Vader geeft, dat zal tot Mij komen. Met andere woorden: waardoor komt het dat het tot Mij komt? Omdat de Vader het Mij geeft. Eigenlijk is het dus een cadeau, zoals het hier staat, van God aan zijn Zoon: "Hier heb je ze." Dat zijn degenen die vandaag in Hem mogen geloven.⟨/p> ⟨p>"En wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen." Je hoeft je dus nooit af te vragen: "Kan ik wel komen?" Nee, de uitnodiging is daar. En áls je gekomen bent, dan is dat zijn verdienste. Het is genade. "Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen." Ook hier ziet u weer dat "niet, toch niet". Eerder werd er vertaald met "nimmermeer" en hier met "geenszins", maar het is exact dezelfde uitdrukking. Het is de absolute benadrukking van: absoluut niet zou ik zo iemand buitenwerpen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-14" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="5602" title="Speel af vanaf 01:33:22">▶ 01:33:22⟨/button> ⟨span>Vers 38-39: de Wil van de Vader Is Niets Verloren Laten Gaan⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>"Want Ik ben van de hemel neergedaald." Hier herhaalt de Heer feitelijk wat Hij zojuist al had gezegd: "Ik ben dat brood van het leven." Hier ligt de link met het manna nog duidelijker voor het oprapen. Zoals dat manna uit de hemel neerdaalt, zo zegt Hij: "Ik ben dat."⟨/p> ⟨p>Ik ben dat manna. Waaruit trouwens ook nog blijkt – maar daar wil ik de volgende keer nog weer op ingaan – dat Hij dus niet zomaar een mens is. Nee, Hij is vanuit de hemel neergedaald. Dat gaat niet op voor u of mij. Hij is namelijk het Woord dat van den beginne is, maar daar zullen we het de volgende keer over hebben. Hier wil ik er alleen even op wijzen: "Ik ben van de hemel neergedaald," het vleesgeworden Woord.⟨/p> ⟨p>"Niet om Mijn wil te doen, maar de wil van Hem die Mij gezonden heeft." Het ging de Heer nooit – en dat is ook Zijn glorie – om Zichzelf, maar altijd om de wil van Zijn Vader. Zelfs toen in de hof van Gethsemane zei Hij: "Niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede."⟨/p> ⟨p>"En dit is de wil van Hem die Mij gezonden heeft: dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft – wat Hij hééft gegeven, voltooid tegenwoordige tijd – niets verloren laat gaan, maar het opwek ten jongste dage."⟨/p> ⟨p>Die laatste zin wordt echt te veel voor nu. Trouwens, ik zie dat het al vijf voor tien is. Maar ik wil op één ding nog eventjes wijzen. Als hier staat: "Dat Ik...", dan spreekt de Heer daar Zelf. Van alles wat Hij, God de Vader, Mij gegeven heeft, niets verloren laten gaan.⟨/p> ⟨p>Dan bladeren we even door naar Johannes 10 en dan zien we dit in vers 27. Daar zegt de Heer – dat was trouwens naar aanleiding van de metafoor "Ik ben de goede Herder": "Mijn schapen horen Mijn stem en Ik ken ze en ze volgen Mij. En Ik geef hun aeonisch leven – weer dat 'eeuwig leven' – en zij zullen voorzeker niet verloren gaan tot in de aeon. En niemand zal ze uit Mijn hand roven. Wat Mijn Vader Mij gegeven heeft" – dat zagen we net toch? – "dat gaat alles te boven. En niemand kan iets roven uit de hand van Mijn Vader." Eerst was het uit Mijn hand en hier uit de hand van Mijn Vader. En dan zegt Hij: "Ik en de Vader zijn één."⟨/p> ⟨p>Niemand kan dat roven en niets zal daarvan verloren gaan. Hier gaat het dus specifiek over de schapen, over degenen die dat aeonisch leven ontvangen, degenen die vandaag geloven. Dus hier is het nog niet in de picture dat het het deel wordt van elk één. Trouwens, dat is sowieso niet het onderwerp van het Johannesevangelie. Er wordt wel heel dikwijls gesproken over de wereld, en dat is zo weids als het maar kan. Maar dat dit specifiek ook voor elk mensenkind is, daarvoor moeten we bij de apostel Paulus wezen.⟨/p> ⟨p>Maar hier gaat het over degenen die vandaag mogen geloven. Dat is Zijn werk, het werk van God. En degenen die dat ten deel valt, daarvan zal niemand verloren gaan. Niemand kan hen ook roven. Ik denk dat we het hier maar even bij moeten laten, want anders moet ik ingaan op die laatste zin over het opwekken ten jongste dage. En ik zal u vertellen: als we dat gaan bespreken, dan ben ik bang dat we wel weer een half uurtje verder zijn. Dus ik stel voor dat we dat maar eventjes parkeren voor de volgende keer.⟨/p>