⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Introductie op de Serie: de Tweede Bergrede⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Goedenavond. Dat is een mooie introductie, niet alleen voor deze avond, maar ook meteen voor deze hele serie, want we hebben het over een goede God. We hebben het over een geweldig goed Woord dat Hij ons heeft achtergelaten, dat Hij gesproken heeft en heeft laten optekenen. We gaan ons weer een heel seizoen daarmee bezighouden met een heel specifiek thema. U ziet het hier: de tweede Bergrede.⟨/p> ⟨p>De tweede Bergrede is het overkoepelende thema van deze serie avonden. We houden ons daarbij bezig met Matteüs 24, een tamelijk lang hoofdstuk, en ook met Matteüs 25. Eerlijk gezegd heb ik geen idee hoever we daarin zullen komen; we zullen dat wel zien. Het is een wat ander type Bijbelstudie dan wat we vorig seizoen hebben beleefd, want dat was een thematisch onderwerp. Dat betekende dat we door de hele Schrift gingen. Het thema was toen 'Reken maar!', en dat ging over de Bijbelse chronologie. In zo’n geval zoek je allerlei teksten op die met dat onderwerp verband houden, wat betekent dat je min of meer kriskras door de Bijbel heen gaat. Soms waren er avonden dat we ons heel specifiek met één Bijbelhoofdstuk of een bepaalde passage bezighielden — denk bijvoorbeeld aan Daniël 9 — maar doorgaans was het een bespreking van allerlei verzen uit de Bijbel die verband hielden met dat ene specifieke thema: de chronologie.⟨/p> ⟨p>Wat we toen gezien hebben, is dat de hele geschiedenis tot dusver bestaat uit drie keer tweeduizend jaar, en dat dit zelfs zeer nauwkeurig blijkt te zijn. We hebben ons met name beziggehouden met dat tweede segment in de tijd, de periode van Abraham tot Christus: vier keer vijfhonderd jaar, vier keer zeventig jaarweken. Het is een heel bijzondere constructie. Wat ons daarbij elke avond opnieuw opviel, is hoe geweldig dat design is, ook in de tijdsordening die God aanbrengt. Hoe Hij de dingen inderdaad plaatst en daarmee Zijn titel als God werkelijk eer aandoet, want dat is toch wat het betekent dat Hij God is: Hij plaatst alle dingen. Drie keer twee dagen, want dat was eigenlijk de wijze waarop de Heer Zelf rekent. Zes keer duizend jaar, of drie keer tweeduizend jaar, is in wezen voor Hem zes keer een dag.⟨/p> ⟨p>Wat er dan nog gaat volgen, is dat grote Messiaanse Rijk, die grote Sabbat voor Israël en voor deze hele wereld, waarbij Hij Zijn koninkrijk zal gaan vestigen in Jeruzalem. Die stad zal vanaf dan ook werkelijk haar naam eer aan gaan doen, want dan zal het een vesting van vrede zijn. Sjalom!⟨/p> ⟨p>We hebben ons daar een heel seizoen mee beziggehouden en dat bleek een fascinerend thema te zijn. Het thema van dit seizoen sluit daar heel sterk op aan. Weliswaar gaan we het nu niet specifiek over de chronologie hebben, maar op de afsluitende bijbelavond van het vorige seizoen hebben we ons al beziggehouden met die 'tijd, tijden en een halve tijd'. Die drieënhalf jaar, of 1260 dagen, of 42 maanden die voorafgaan aan dat Messiaanse Rijk. Ik zeg het nu misschien niet helemaal precies, maar in ieder geval was dat toen het onderwerp. Het onderwerp kwam er toen een beetje bekaaid vanaf, juist omdat de Bijbel zoveel zegt over die transitie van de huidige aeon naar de toekomende. Hoe God het ene gaat afsluiten om plaats te maken voor dat nieuwe tijdperk, die grote wereldsabbat.⟨/p> ⟨p>Toen lag de vraag erg voor de hand: waarom zouden we ons niet met dit onderwerp gaan bezighouden in het volgende seizoen? Ik heb me afgevraagd hoe we dat zouden doen en aan de hand van welk Bijbelgedeelte, en ik kwam eigenlijk al heel gauw uit op de keuze voor een bespreking van Matteüs 24 en 25.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="349" title="Speel af vanaf 05:49">▶ 05:49⟨/button> ⟨span>De Aanduiding 'tweede Bergrede' en de Eerste Bergrede⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Jezus' rede op de Olijfberg, want dat is waar Matteüs 24 over gaat, is zijn rede op de Olijfberg over de voltooiing van deze aeon. Zo wordt dat ook wel genoemd en we zullen dat later vanavond ook wel zien. Ik heb het als titel meegegeven: de tweede Bergrede. In het Nederlands is dat overigens niet zo'n heel bekend opschrift boven dat hoofdstuk, maar in de Angelsaksische wereld is het wel een heel bekende aanduiding van Matteüs 24. In mijn Bijbeltje staat erboven: 'de rede over de laatste dingen'. Ik vind eigenlijk die Angelsaksische aanduiding – ⟨em>the Second Sermon on the Mount⟨/em>, zo noemen ze dat – trefzekerder. Als wij het in het Nederlandse taalgebied over 'de Bergrede' hebben, dan hebben we het standaard over de hoofdstukken die we trouwens ook in Matteüs aantreffen, namelijk Matteüs 5, 6 en 7. Dat heet de Bergrede.⟨/p> ⟨p>Eigenlijk zou je, als je daar een beetje ondeugend op doorvraagt, altijd moeten vragen: "Welke bedoel je eigenlijk?" Want er zijn twee grote Bergredes. Dat gedeelte in Matteüs 5 tot en met 7 is ook een heel uitdrukkelijke Bergrede en zo is hij dus ook in onze Nederlandse taal terechtgekomen, tot in de politiek aan toe. Ik weet niet of u zich dat nog herinnert, maar er werd destijds een bekende rede afgestoken voor het CDA door meneer Willem Aantjes. Inmiddels is hij ook overleden trouwens, maar Willem Aantjes heeft toen ook zijn 'Bergrede' gehouden. Dat was een politiek programma, eigenlijk gebaseerd op Matteüs 5 tot en met 7. Tenminste, dat was zijn insteek, want volgens mij heeft Matteüs 5 tot en met 7 helemaal niets met politiek en politieke programma's te maken. Maar daar zullen we het verder helemaal niet over hebben.⟨/p> ⟨p>In Matteüs 5 wil ik even laten zien waarom dat een Bergrede heet. Dat is nogal duidelijk, want dan staat er in vers 1 van dat hoofdstuk: "Toen Hij nu de scharen zag, ging Hij de berg op." Ik moet er trouwens bij zeggen dat dit niet de Olijfberg was, want het was in het noorden van Israël bij het Meer van Genezareth. Maar in elk geval, Hij ging de berg op. En nadat Hij Zich had neergezet, kwamen zijn discipelen tot Hem, Hij opende zijn mond en Hij leerde hen, zeggende... En dan krijg je de beroemde zaligsprekingen. Maar ook daarvoor geldt precies wat al eerder door Wolter werd aangegeven: wij zeggen dan 'zalig' in de vertalingen, maar eigenlijk staat er gewoon het woord 'gelukkig'. Dat vind ik nog veelzeggender. Gelukkig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.⟨/p> ⟨p>Het Koninkrijk is het grote onderwerp in het hele Matteüs-evangelie. Men zegt ook wel dat het Matteüs-evangelie het evangelie van de grote Koning is. Elke evangelist – Marcus, Lucas, Johannes – heeft zo zijn eigen insteek. Het is niet vier keer hetzelfde. Er is weliswaar heel veel overlap in de evangeliebeschrijvingen, maar dat neemt niet weg dat Matteüs een totaal andere insteek heeft en een andere beschrijving geeft vanuit een ander oogpunt. Dat heeft zelfs nog weer te maken met de personages die deze boeken hebben opgetekend. Matteüs was een ontrouwe Israëliet, een tollenaar, geroepen door Jezus Christus. Juist deze tollenaar, die het volk van Israël ontrouw was, gaat het Koninkrijk en vooral de Koning van dat Koninkrijk beschrijven. En dat geldt voor al die evangelisten. Ook daarvan geldt weer: het is niet zomaar voor niets dat daar vier evangeliebeschrijvingen zijn. Maar dat is nu even niet het onderwerp.⟨/p> ⟨p>Het gaat erom dat het een Bergrede was die de Heer hield en wat Hij naar voren bracht, zijn de principes en ook de grondwet van dat Koninkrijk. Het gaat inderdaad over een concreet Koninkrijk dat hier op aarde gevestigd zal worden, in Jeruzalem trouwens. Ik moet er ineens aan denken dat je in Matteüs 5 ergens halverwege het hoofdstuk leest dat Hij zegt: "Zweer niet, in het geheel niet, ook niet bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote Koning." Dus als Hij het heeft over dat Koninkrijk der hemelen, dan is dat niet een koninkrijk ⟨em>in⟨/em> de hemel, maar het is een Koninkrijk dat zich ⟨em>vanuit⟨/em> de hemel zal vestigen op aarde.⟨/p> ⟨p>Allerlei katholieke vertalingen, met name de Willebrord-vertaling, vertalen dat altijd als 'het hemelrijk' of 'het koninkrijk in de hemelen'. Maar het is niet het koninkrijk ⟨em>in⟨/em> de hemelen, het is het Koninkrijk ⟨em>van⟨/em> de hemelen. Het gaat wel degelijk over een heel aards Koninkrijk. In die zin begrijp ik dan ook wel weer het misverstand van meneer Aantjes, dat hij het weer koppelde aan een politiek programma, want het gaat inderdaad over een concreet Koninkrijk. Alleen wordt dat niet gevestigd met medewerking van ons christenen, helemaal niet. Hij doet het alleen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="704" title="Speel af vanaf 11:44">▶ 11:44⟨/button> ⟨span>De Berg als Bijbels Embleem voor een Koninkrijk⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Het gaat dus over een koninkrijk waarbij een berg een heel veelzeggend embleem is. Want een berg, ja wat is een berg? Dat is een verhoging. En dat is feitelijk een type; het staat symbool voor een koning, voor een koninkrijk. Je leest in Openbaring 17 — ik moet het maar eens nalezen — daar gaat het over die hoer en over bergen. Dan lees je over zeven bergen. En nee, dan gaat het niet over dat plaatsje ergens in Nederland, hoewel dat natuurlijk ook bestaat. Je hebt ook nog Driebergen, Vierbergen... hoeveel heb je er nog meer? Oh ja, Zevenbergen. Hier gaat het dus over zeven bergen, en daar zegt Johannes bij: dat zijn zeven koningen. Want een berg staat symbool voor en is een type van een koning, en daarmee ook van koningschap en van een koninkrijk.⟨/p> ⟨p>Eigenlijk moet je dan vooral zeggen: ⟨em>het⟨/em> Koninkrijk. Want er zijn natuurlijk koninkrijken in menigte — ik citeer nu op een hele vrije manier Paulus in 1 Korintiërs 8 — er zijn koninkrijken in menigte, maar voor ons nochtans is er maar één Koninkrijk, namelijk het Koninkrijk van de Zoon van David. Ik refereer hier even aan Daniël 2, het hoofdstuk waar gesproken wordt over dat statenbeeld. Daar worden vier koninkrijken beschreven: Babel, Medo-Persië, de Grieken en tenslotte dat laatste koninkrijk. Dat beeld wordt dan verpulverd. Waardoor wordt het verpulverd? Door een steen die van een berg vanuit de hoogte rolde. Die steen trof dat beeld bij de voeten en verbrijzelt al die koninkrijken van de wereld. In ieder geval moeten ze plaatsmaken voor het ene grote Koninkrijk dat definitief is. Ook daar weer speelt die berg een grote hoofdrol; die ene berg dient als embleem van het Koninkrijk.⟨/p> ⟨p>Het is dus niet voor niets dat wanneer de Heer gaat spreken over het Koninkrijk en daar onderwijs over geeft — bijvoorbeeld in Matteüs 5, 6 en 7, over de principes en de geestelijke inhoud van dat Koninkrijk — Hij dat doet op een berg. Dat is op zichzelf al een aanwijzing. Alleen al het uitkiezen van die locatie en het feit dat Hij daar op die berg gaat zitten — hé, die stem herken ik — dat Hij op een berg dat onderwijs geeft, is eigenlijk al meteen een aanwijzing: het gaat over het Koninkrijk.⟨/p> ⟨p>Dat zie je trouwens zo dikwijls in het Matteüs-evangelie. Als ik eventjes dat uitstapje mag maken naar Matteüs 13: daar gaat de Heer Jezus gelijkenissen uitspreken, ook over het Koninkrijk. Dan lees je in het eerste vers dat Hij het huis verliet en aan zee ging zitten. En dan steekt Hij van wal — ik bedoel, Hij gaat letterlijk van wal steken. Vanuit het schip spreekt Hij, dus vanuit de wateren spreekt Hij tot degenen die daar op de oever zijn. Los van de inhoud van wat Hij dan zegt, is de hele wijze waarop dat gebeurt — Hij verlaat het huis en gaat vanaf de wateren de mensen aan de oever aanspreken — een uitdrukking van de inhoud. Ik vind dat geweldig.⟨/p> ⟨p>Wij houden van dat soort typologie; ik vind het haast artistiek. Je geeft uitdrukking door een bepaalde locatie uit te kiezen, door op een bepaalde wijze te gaan zitten of door met recht van wal te steken en vanaf de wateren — een beeld van de volkeren — de mensen op het land toe te spreken. Waar duidt dat op? Heel simpel: dat vandaag het Koninkrijk verborgen is en dat God vandaag Zijn volk, het land, aanspreekt vanuit de wateren, vanuit de volkerenwereld. Dat is pure typologie en het onderstreept precies de inhoud. Ik vind dat prachtig.⟨/p> ⟨p>Alleen al het feit dat het een Bergrede is, zegt dus veel. Het is niet zomaar een plek omdat je nu eenmaal ergens je verhaal moet houden zodat ze je goed kunnen zien. Natuurlijk is dat ook zo, maar ik vind dat een heel oppervlakkige benadering als je het alleen zo uitlegt. Tot zover wat die berg betreft. Ik zei dat we het over Matteüs 24 en 25 gaan hebben, maar ik ga daar meteen even tegen zondigen, want we gaan eerst eens van wal steken, om toch maar even in de terminologie te blijven.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1074" title="Speel af vanaf 17:54">▶ 17:54⟨/button> ⟨span>De Aanleiding: het Oordeel over de Godsdienstige Orthodoxie⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Vanaf Matteüs 23. Ja, dat hoofdstuk is de directe aanleiding. Ik ben er altijd een groot voorstander van om ons zo weinig mogelijk aan te trekken van hoofdstukken; dat kan namelijk heel misleidend zijn. Eigenlijk zou je moeten gaan oefenen in het negeren van die hoofdstuk- en versindelingen. Het heeft slechts één praktisch nut, en dat is het makkelijk terugvinden van een gedeelte. Voor de rest moet je het weer helemaal vergeten. Dat geldt voor Matteüs 24 ook. We gaan het daarover hebben, maar wat is de aanleiding voor die rede op de Olijfberg? Uiteraard kun je daar alle drieëntwintig voorgaande hoofdstukken bij betrekken — een beetje daarvan hebben we vanavond al gedaan — maar de directe aanleiding vinden we in Matteüs 23.⟨/p> ⟨p>Nou, dat hoofdstuk is niet mals hoor. Lees het maar eens een keer. Het is een zevenvoudig wee over de schriftgeleerden en de farizeeën. In mijn Bijbeltje staat het er ook boven: 'Rede tegen de schriftgeleerden en de farizeeën'. De Heer is daar niet bepaald politiek correct. Hij praat tegen de leidslieden van het volk, de godsdienstige leidslieden, en hij noemt hen zonder aarzelen diverse keren 'adderengebroed'. Dan zou je kunnen zeggen: dat is niet erg fatsoenlijk of parlementair. Nee, maar de Heer motiveert zijn weeën, het zevenvoudig wee, wel heel duidelijk. Waarom Hij hen zo te kijk zet? Omdat juist zij de godsdienstige leiding hadden. Hij noemt hen in dat hoofdstuk ook zo: "Jullie zijn witgepleisterde graven. Jullie doen je heel mooi voor aan de buitenkant, maar het is vanbinnen vol met dorre doodsbeenderen en niet anders."⟨/p> ⟨p>Hij spreekt hier over de orthodoxie. Laten we proberen ons dat zo actueel mogelijk voor te stellen: Jezus die de orthodoxie van Zijn dagen te kijk zet. Dat wil zeggen: mensen die de reputatie hadden Bijbelgetrouw te zijn en zich daarop beriepen, maar totaal niets begrepen van waar het werkelijk om gaat. Dat is trouwens een van de rode draden door het hele Matteüs-evangelie: zij begrijpen het niet. Echt niet. Ze weten misschien orthodox gezien wel hoe de vork aan de steel zit, maar het kwartje valt totaal niet.⟨/p> ⟨p>Dat begint eigenlijk al in Matteüs 2. U weet wel, toen er magiërs uit het oosten kwamen. Zij zagen een ster en wisten dat de Koning der Joden geboren was. Mensen uit de natiën wisten dus: de Koning der Joden moet geboren zijn. Hoe ze dat wisten, waarom die ster daar een uitbeelding van was en welk sterrenbeeld ze zagen, doet nu even niet ter zake. Maar zij wisten op grond van het getuigenis van de sterren: de Koning van de Joden, van Juda, was geboren. Juda is sowieso een beeld van koningschap, want de scepter zal van Juda niet wijken en de leeuw van Juda is de koning der dieren. De Koning der Joden was geboren; dat wisten zij.⟨/p> ⟨p>Vervolgens arriveren zij in Jeruzalem, een mooie locatie, en komen bij Herodes. Herodes schakelt meteen de mensen in die geacht worden het te weten: de theologen. Hij vraagt: "Hoe zit dat dan? Waar is de Koning der Joden geboren?" En zij weten het precies te vertellen op grond van Micha 5 vers 2: "O gij, Bethlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Israël, uit u zal Mij voortkomen..." Men wist het dus gewoon: in Bethlehem. Maar terwijl die magiërs gingen kijken, lees je over die schriftgeleerden helemaal niets meer. Ze wisten het wel, maar het was louter theorie. Het was dor en dood. Dat is de grote ellende van de orthodoxie.⟨/p> ⟨p>Bovendien zegt de Heer Jezus in Matteüs 15 vers 6 tegen hen: "Zo hebben jullie het woord van God krachteloos gemaakt ter wille van jullie overlevering." Daar staat gewoon het woord 'traditie'. Dat is wat ze doen: ze hebben een traditie en die moet altijd blijven staan, en het woord van God wordt ter wille daarvan krachteloos gemaakt, zodat het eigenlijk helemaal niets betekent. Ik zeg dit expres zo, omdat ik daarmee wil aangeven dat we niet de illusie moeten koesteren dat dit alleen de orthodoxie in die dagen was en dat het tegenwoordig veel beter is. Het was toen zo en het is nu nog net zo.⟨/p> ⟨p>Afijn, ik moet ter zake blijven. Een zevenvoudig wee wordt in Matteüs 23 uitgesproken over de schriftgeleerden en de farizeeën. En dan lees je in vers 36 een aankondiging van het oordeel over "dit geslacht". Dat begrip 'geslacht' is wat dubbelzinnig; het heeft de betekenis van een soort of eventueel een volk in brede zin, maar uiteraard ook de betekenis van deze generatie. Inderdaad zou dat wat de Heer aan het slot van Matteüs 23 zegt, ook binnen één geslacht zijn beslag gaan krijgen. Een geslacht in de Bijbel is veertig jaar. Weet u nog dat we ons vorig seizoen hebben beziggehouden met de Exodus? Veertig jaar later werd het land in bezit genomen. Over de generatie in de woestijn werd gezegd: "Dit geslacht zal geheel omkomen in de woestijn," en dat was een periode van veertig jaar. Een geslacht staat daarmee feitelijk model voor die tijdsperiode.⟨/p> ⟨p>Als de Heer dit uitspreekt, moet u zich realiseren waar we het over hebben: Matteüs 23, 24 en 25 spelen zich af na de intocht in Jeruzalem, wanneer de Heer op de ezel zat. Het is in Zijn laatste week op aarde, in Zijn laatste dagen. Het vond plaats in het jaar 30 en waarachtig, precies veertig jaar later, in het jaar 70, voltrok zich inderdaad dat oordeel. Er bleef niets over van de hele stad Jeruzalem. Maar daarover later meer; we zullen het daar dit seizoen nog vaak genoeg over hebben.⟨/p> ⟨p>Dit waren even een paar dingen op een rijtje over Matteüs 23. Dan stel ik voor dat we de draad oppakken. Ik zal dit seizoen vers voor vers en zinsdeel voor zinsdeel door Matteüs 23, 24 en 25 gaan. Ik zei onderweg hiernaartoe in de auto nog tegen Menno dat deze manier van Bijbelstudie — gewoon bij het begin beginnen en verdergaan — mij een groot gemak geeft. Je gaat iedere keer een vers verder en bespreekt het 'per vers', zoals ik altijd zeg. Dat heeft voor mij het voordeel dat ik me niet hoef af te vragen in welke vorm ik de studie moet gieten of hoe ik de dingen moet construeren. Dat had ik vorig seizoen wel: hoe zullen we dit onderwerp gaan bespreken? Dit seizoen heb ik in die zin een probleem minder. Laten we het niet overdrijven, maar als spreker zit je daar wel eens mee. De Heer sluit Zijn rede in hoofdstuk 23 als volgt af.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1640" title="Speel af vanaf 27:20">▶ 27:20⟨/button> ⟨span>De Klacht van de Heiland: Jeruzalem, Jeruzalem⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Zijn hartstochtelijke rede in Matteüs 23 begint met een uitroep: Jeruzalem, Jeruzalem. Dat is altijd zo als een naam, in dit geval de naam van een stad, twee keer klinkt: dan weet je het wel. Het feit dat de naam herhaald wordt, benadrukt iets. Soms kan het ook de toon van een klacht hebben. Jeruzalem, Jeruzalem. Je zou voor de aardigheid eens een lijstje moeten maken in de Bijbel waar namen twee keer genoemd worden. Erg bekend is bijvoorbeeld: Saul, Saul, wat vervolg je Mij? Of neem Marta, Marta, leg je bezem neer – zo ging het toch ook? Als je naam op een bepaalde intonatie wordt uitgesproken, André, André, dan is het meestal niet best; dan heeft het iets hopeloos. Marta, Marta. Saul, Saul. Of Abraham, toen hij Isaak ging offeren: Abraham, Abraham! En Samuël, die drie keer door de Heer wordt geroepen: Samuël, Samuël. We doen dit nu even zomaar voor de vuist weg, maar er zijn ongetwijfeld nog veel meer voorbeelden te vinden.⟨/p> ⟨p>Hier klinkt het dus ook: Jeruzalem, Jeruzalem. De Heer had Zich tot de leidslieden van het volk gewend en tot hen gesproken, maar daarmee sprak Hij dus ook over de stad waaraan zij leiding gaven als blinde leidslieden. Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt. Let op het meervoud: de profeten. Eigenlijk was het min of meer een vast stramien; zo ging het. In het ergste geval volgde de dood, en daar zijn vele voorbeelden van. Zij stenigt en werpt stenen naar wie naar haar toe is afgevaardigd. Overigens zeg ik er even bij dat de vertaling die u hier ziet niet die van de NBG of de Statenvertaling is. Het is een vertaling die zo nauw mogelijk aansluit bij de interlineair, zodat ik niet iedere keer hoef te zeggen: 'eigenlijk staat er dit'. Dat vind ik soms vermoeiend worden. Waarom niet meteen gewoon correct? Het is dan soms wat erg letterlijk en misschien wat stijfjes, maar het gaat erom zo dicht mogelijk bij de bron te blijven. Je wilt eigenlijk luisteren naar wat de Heer destijds gezegd heeft, ondanks de barrières van tweeduizend jaar en de taalkloof. Wij spreken Nederlands, Hij sprak in het Aramees, en het is vervolgens weergegeven in het Grieks.⟨/p> ⟨p>Wat ik trouwens nu zeg, is misschien iets waar Menno het niet mee eens is, want Menno gelooft dat dit oorspronkelijk in het Grieks is uitgesproken. Overigens, om even een zijpaadje te nemen: over twee weken en één dag – over vijftien dagen dus – dan zit ik daar waar Menno nu zit, en dan zit Menno hier op deze plaats. Menno gaat hier namelijk tien avonden geven over het Bijbels Grieks en u introduceren in de geheimen daarvan. Hij kwam vanavond met de titel: Terra Incognita. Onbekend land. Hij zal op een voor eenieder volstrekt begrijpelijke wijze – dat is de garantie die ik alvast geef – u meenemen in het geheim van het Grieks, zodat we daar in tien avonden echt wegwijs in worden gemaakt. Ik zie daar erg naar uit. Ik vind dat een geweldige manier om ook de opbouw van die interlineair te gaan begrijpen. Hoe zit dat in elkaar en wat verschilt het Grieks van het Nederlands? Al dat soort dingen gaat hij u vertellen en daar worden we echt wijzer van, dat weet ik nu al.⟨/p> ⟨p>Dat even terzijde, maar wel onderstreept: Jeruzalem, Jeruzalem, zegt de Heer, dat de profeten doodt en stenigt wie naar haar toe is afgevaardigd. De Heer had het zo vaak gedaan: mensen afgezonderd en naar hen afgevaardigd, en wat deden ze? Men verwierp ze. Eigenlijk was dat iedere keer het geval. De Heer heeft dat ook duidelijk gemaakt in allerlei gelijkenissen, zoals die van de pachters. Weet u dat nog? Die eigenaar zendt iedere keer zijn knechten, en uiteindelijk stuurt hij zijn eigen zoon, maar het verhaal herhaalt zich: ze verwerpen hem gewoon. Zo ging het met Jeruzalem. Ze doden de profeten en stenigden wie naar haar toe was afgevaardigd.⟨/p> ⟨p>Hoe vaak wil Ik de kinderen van jou bijeenvergaderen? Dat klinkt misschien wat vreemd, maar dit 'wil Ik' staat in een tijdloze vorm. Daar gaat Menno ook nog over vertellen: de aorist. Dat is een werkwoordsvorm die een handeling tijdloos neerzet. In het Nederlands kennen we dat niet op deze manier, maar in het Grieks wel. Hoe vaak wil Ik de kinderen van jou bijeenvergaderen? De Heer spreekt hier ook namens God Zelf. Het is de klacht van de Heer: Ik heb Mijn profeten en anderen naar jullie afgevaardigd, maar jullie wilden niet. Dat Ik de kinderen van jou wil vergaderen, is een tijdloos feit; dat is zoals het altijd ging.⟨/p> ⟨p>Het is prachtig hoe de Heer dat vergelijkt: zoals een hen haar kuikentjes bijeenvergadert onder de vleugels. Zie het voor je. Jeruzalem – vergis je niet – de plaats waar God Zijn naam deed wonen, de plaats waar de tempel gebouwd was en waar het koninkrijk van David gevestigd was. Waar de troon van David zetelt. En toch, die stad is altijd afwijzend geweest ten opzichte van degenen die de Heer tot hen zond. Maar de Heer wilde hen bij elkaar brengen zoals een hen haar kuikentjes bijeenvergadert onder de vleugels. Dat is trouwens een heel bekend beeld in de Bijbel. Ik vind dat heel vaak terug. Ik zal een paar voorbeelden geven. In Psalm 17 staat: bewaar mij als de appel van het oog, berg mij in de schaduw van Uw vleugelen. In die schaduw van Zijn vleugelen ben je veilig. Dat is precies wat zo'n hen doet: als zij die kuikentjes verzamelt, dan zijn ze daar veilig. Of Psalm 63: Want Gij zijt mij een hulp geweest, in de schaduw van Uw vleugelen jubel ik. Het is een schuilplaats, maar wel een waar je reden hebt om te jubelen.⟨/p> ⟨p>Psalm 91 gaat trouwens ook over de eindtijd, dezelfde periode waar Matteüs 24 over spreekt. Daar staat: Met Zijn vlerken beschermt Hij u. De Heer wordt hier vergeleken met een vogel die vlerken heeft, en onder Zijn vleugelen vindt gij een toevlucht. Zijn trouw is schild en pantser. Dat is weer een andere metafoor, maar het punt is: onder Zijn vleugelen vind je een toevlucht. Dit is ook letterlijk; wat hier staat in Psalm 91 gaat over het onderkomen dat Israël straks in de eindtijd zal vinden in de woestijn. Een plaats door God bereid, waar ze beschermd wordt en waar ze 1260 dagen lang gevoed zal worden. Dat onderduikadres waar ze bescherming zullen vinden. Het is een prachtig beeld. En zo eindigt dan Matteüs 23 vers 37: Jeruzalem, Jeruzalem... Ik wil, en jullie willen niet. Ook dit wordt tijdloos neergezet in die aoristvorm. Het is een feit dat daar staat, ongeacht wanneer. Zo ging het en zo gaat het altijd.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2258" title="Speel af vanaf 37:38">▶ 37:38⟨/button> ⟨span>Gods Wil Weerstaan Versus Gods Raad Vervullen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Maar kan een mens dan Gods wil weerstaan? Het antwoord dat ik zelf nu ook geef, is: ja, een mens kan Gods wil weerstaan. Ik hoor ook weleens andere geluiden daarover, maar daar bestaat nogal wat misverstand over. Dit is trouwens een heel fraai voorbeeld – 'fraai' tussen aanhalingstekens – van hoe een mens Gods wil kan weerstaan.⟨/p> ⟨p>Ik zeg er echter meteen iets bij, want ik zou niet graag willen dat dit misverstaan wordt: een mens kan onmogelijk Gods raad weerstaan. Dat wil zeggen: Zijn bedoeling, Zijn intentie. Dat kan niet. Het grote voorbeeld dat de Bijbel zelf daarover geeft, is de farao. God zegt bij monde van Mozes: "Laat Mijn volk gaan." Dat was Gods wil. En de farao zei: "Nee." We kregen plagen, maar de farao bleef "nee" zeggen en "nee" doen. Op een gegeven moment dreigde hij te bezwijken, en dan lees je dat God zijn hart verhardt, zodat hij toch sterk blijft en niet bezwijkt onder die enorme druk van de plagen die over Egypte en over zijn huis kwamen. Hij weerstond Gods wil, maar juist doordat hij "nee" zei, vervulde hij Gods bedoeling.⟨/p> ⟨p>Dit is een geweldig onderwerp. Ik weet het, mensen trekken altijd verkeerde conclusies uit deze waarheid. Echt altijd. Je kunt aan twee kanten van het paard vallen, u weet het wel hè? Links en rechts. Sommigen zeggen dat je Gods wil niet kunt weerstaan, maar een mens kan Gods wil wel degelijk weerstaan. Jeruzalem is daar een voorbeeld van; zij weerstonden voortdurend Gods wil. Maar een mens kan Gods raad niet weerstaan. En dat is juist zo geweldig, want dat verheerlijkt God. Het betekent namelijk dat wat er ook gebeurt, alles onder Zijn controle valt. Ook het feit dat Jeruzalem altijd de profeten doodde en stenigde wie naar haar gezonden waren; ook dat was een vervulling van de raad. En toen ze een paar dagen later de Zoon van God aan het kruis nagelden, was dat een vervulling van Gods raad en trouwens ook een vervulling van de profetie.⟨/p> ⟨p>God heeft alles gemaakt voor Zijn doel. Het staat in Spreuken 16: zelfs de goddeloze voor de dag van het kwaad. Zo'n grote God hebben wij; alles past in Zijn plan. Maar dat wil niet zeggen dat een mens niet Gods wil kan weerstaan, want dat is wel degelijk mogelijk. Sterker nog, een mens doet haast niet anders. De wereld in het algemeen doet niet anders dan Gods wil weerstaan. Het kenmerk van een gelovige is juist dat hij vraagt: "Wat wilt U?" Sommige mensen zeggen: "Eigenlijk maakt het helemaal niks uit, want God heeft met alles een bedoeling." Ja, 'dank je de koek' denk ik dan. God heeft inderdaad met alles een bedoeling, maar dat kan nooit een leidraad zijn voor je levenswandel. Een gelovige vraagt: "Wat wilt U?" Dat God een bedoeling heeft met alles, staat buiten kijf, maar dat is niet wat een gelovige tot een gelovige maakt.⟨/p> ⟨p>Denk aan Saul, die vervolger, toen hij geroepen werd. De eerste vraag die hij stelde was: "Heer, wie bent U?" En de tweede vraag was: "Wat wilt U dat ik doe?" De Heer gaat Zijn wil bekendmaken. Dat doet Hij namelijk. Hij maakt Zijn plannen en Zijn raad bekend aan Zijn vrienden; dat doet Hij niet aan Jan en alleman.⟨/p> ⟨p>Ik moet er nog iets bij zeggen, want hoewel Jeruzalem Gods wil kan weerstaan, zit daar altijd een 'totdat' aan vast. Uiteindelijk kan een mens Gods wil niet weerstaan. Ook dat staat in het Matteüsevangelie, in de eerste Bergrede: "Uw wil geschiede, in de hemel, alzo ook op de aarde." Ik wilde al zeggen: het begint in de hemel, en vanuit de hemel breidt Hij het uit zodat het ook op de aarde zal geschieden. Dat geldt ook voor Jeruzalem. Ze wilden niet en ze willen nog steeds niet, maar daar komt een einde aan. Dat staat er ook echt, want als we twee verzen later doorlezen, komen we daarop uit.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2604" title="Speel af vanaf 43:24">▶ 43:24⟨/button> ⟨span>Het Huis Eenzaam Overgelaten: de Heerlijkheid Vertrekt⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>"Neem waar!", staat er in vers 38. "Het huis van jullie wordt aan jullie overgelaten, eenzaam." Dat is wat de Heer hier naar voren brengt: een zaak die werkelijk waarneembaar is. Het huis van jullie – wat zou dat zijn? Hebben jullie een idee? Ik hoor hier de tempel noemen, en dat is ook het eerste antwoord dat ik zou geven, maar het gaat zelfs nog om een breder niveau. Ik geloof dat ik het precies in de omgekeerde volgorde op de dia had gezet, want het is namelijk ook een aanduiding van het hele volk: het huis van Israël. Jeruzalem staat daarmee voor de stad van de tempel en de stad van de Koning, maar ze staat eigenlijk model voor de gehele natie. Zoals Den Haag staat voor het hele Koninkrijk der Nederlanden, om het zo te zeggen, zo kan "het huis van jullie" slaan op de hele natie, op de stad en meer in het bijzonder natuurlijk op de tempel, want dat was de plaats waar de Heer dit alles uitsprak.⟨/p> ⟨p>"Het huis van jullie wordt aan jullie overgelaten." Met andere woorden: als zoiets gezegd wordt, dan worden de handen ervan afgetrokken. Het wordt aan henzelf overgelaten; de Heer bemoeit Zich er verder niet meer mee. Ik wil niet direct zeggen: "Je zoekt het maar uit", maar eigenlijk komt het daar wel op neer. Het licht gaat uit. Het wordt nu aan hen overgelaten met alle consequenties van dien, en dat gericht zou zich inderdaad nog in die generatie voltrekken. De Heer verlaat de stad. Er staat ook bij: "eenzaam". Met andere woorden: de stad wordt aan zichzelf overgelaten en wordt ook werkelijk verlaten.⟨/p> ⟨p>De Heer verlaat de stad, en dat zullen we straks trouwens ook zien in het eerste vers van Matteüs 24. Maar we zien dit al veel eerder in de Bijbel beschreven, in Ezechiël 11. In vers 23 lees je daar – de context laat ik even voor wat die is – dat de heerlijkheid van JAHWEH opsteeg uit het midden van de stad. Kennen jullie het woord ⟨em>Shechina⟨/em>? Dat was de wolk. Heel vaak lees je in de Bijbel over de heerlijkheid des Heren, en dat heet in het Hebreeuws de ⟨em>Shechina⟨/em>. Dat is Zijn heerlijkheid en die woonde in die wolkkolom. Je leest bijvoorbeeld dat die wolkkolom het volk voorging in de woestijn, maar je leest ook dat de heerlijkheid van God bezitmaakte van de tabernakel. Later, bij de inwijding van de tempel van Salomo, lees je eveneens dat de heerlijkheid des Heren het ganse huis vervulde. Dat was de ⟨em>Shechina⟨/em>.⟨/p> ⟨p>Welnu, die heerlijkheid verlaat de stad, gaat uit het midden van de stad en plaatst zich op de berg die ten oosten van de stad ligt. En dat is de Olijfberg. Dus als de Heer de stad verlaat, waar gaat Hij dan naartoe? Naar de Olijfberg. Het is heel diepzinnig wat ik nu in één zin zeg, maar feitelijk staat deze Olijfberg ook symbool voor de tegenwoordige tijd waarin de Heer vertrokken is. Hij is afwezig; Hij heeft Zijn domicilie niet op aarde, maar is weggegaan. Bij slotverrekening is het laatste wat we van de Heer hebben vernomen het moment dat Hij vanaf de Olijfberg het aardse toneel verliet. Daar onttrok Hij Zich aan onze ogen. Dat soort lijnen zie je hier allemaal samenkomen.⟨/p> ⟨p>Laten we het voor nu even hierbij houden, want ik zie inmiddels dat het vijf voor negen is. Dan pakken we straks de draad weer op bij vers 39. We komen dus echt wel bij Matteüs 24, we moeten alleen dit seizoen nog even warmdraaien. Goed, vrienden, wij pakken de draad weer op.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2917" title="Speel af vanaf 48:37">▶ 48:37⟨/button> ⟨span>Het Einde van Jezus' Publieke Optreden: Totdat...⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We pakken de draad weer op waar we hem aan het einde van het eerste deel hadden losgelaten. We hadden nog één vers te bespreken in het drieëntwintigste hoofdstuk. Laat ik nog even lezen dat de Heer in vers 38 zegt: "Neem waar. Zie, het huis van jullie wordt aan jullie overgelaten. Eenzaam." En dan zegt Hij in vers 39: "Ik zeg jullie, jullie zullen Mij niet meer waarnemen vanaf dit moment. Totdat ooit jullie zullen zeggen..." Maar nu eerst even dit: "vanaf dit moment". Dat betekent hier in Matteüs 23, waarin de Heer zich richt tot de Farizeeën, de schriftgeleerden en de religieuze leidslieden van het volk in Jeruzalem, dat dit Zijn laatste publieke optreden was. Alles wat daarna nog zou volgen, was in de kring van de intimi, maar het was geen optreden meer onder het volk of dat Hij publiekelijk sprak vanaf het podium, zal ik maar zeggen.⟨/p> ⟨p>We vinden nogal eens dat de Heer daaraan refereert. In Johannes 14 lees je dat Hij zegt — dat was trouwens de laatste nacht dat Hij sprak in de opperzaal, vlak voor de Pesachmaaltijd of in ieder geval vlak voor de nacht dat Hij werd overgeleverd: "Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer." Eigenlijk het laatste wat de wereld van Hem zag, was het kruis en het graf waarin Hij vervolgens werd gelegd. Dat is echt het laatste wat zij van Hem vernomen hebben, maar dat kun je geen publiek optreden meer noemen. De rede in Matteüs 23 is Zijn laatste rede, Zijn laatste publieke optreden. Vandaar ook dat Hij zegt: "Nog een korte tijd, de wereld zal Mij niet meer zien," of in ieder geval voorlopig niet. "Maar," zegt Hij, "jullie zien Mij, want Ik leef en jullie zullen leven." Dat is prachtig, want daarmee geeft de Heer aan dat Hij straks in Zijn opstanding — dat zou een paar dagen later zijn — door de wereld niet meer gezien zou worden, maar daarentegen wel door de Zijnen. Hij zegt: "Maar jullie zien Mij, want Ik leef." Dat wil zeggen: Ik zal weer zijn opgestaan en jullie zullen leven. Dat wil zeggen dat jullie daarin ook het leven zullen vinden en gelovende het leven hebben in Zijn naam.⟨/p> ⟨p>In het Johannes-evangelie wordt daar heel dikwijls op gezinspeeld dat de wereld Hem niet meer zal zien. Het laatste teken wat zij van Hem hebben gekregen, is het teken van Jona. Dat is een heel boeiend gegeven. Ik refereer er even aan uit Matteüs 12. Ik heb er nog niet zo heel lang geleden een keertje in Zoetermeer over gesproken, over dit fenomeen: dat de wereld en ook het volk Hem niet meer gezien heeft, maar dat Hij in Zijn opstanding uitsluitend is waargenomen door de Zijnen. Dat waren er velen, honderden; bij één gelegenheid zelfs meer dan vijfhonderd broeders tegelijk. Hij heeft dus een veelheid van getuigen gehad, maar de wereld heeft Hem niet meer gezien. Ook dat was dus volledig in overeenstemming met de aankondiging: "Ik zeg jullie, jullie zullen Mij niet meer waarnemen vanaf dit moment. Totdat..."⟨/p> ⟨p>Hier heb je dat: Totdat! Dit is ook precies dat "totdat" waar ik al eerder op zinspeelde vanavond, toen ik zei dat een mens Gods wil kan weerstaan, heel lang zelfs, maar dat het een "totdat" heeft. Uiteindelijk zal een mens moeten, maar ook vrijwillig, buigen voor de wil van Hem. Daar is geen mis op. En dat is hier ook zo. Want "Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt"... Het zou een paar dagen later Jezus Christus aan het kruis nagelen. Maar er zou een moment komen: "totdat ooit jullie zullen zeggen: gezegend wordt de komende in de naam van de Heer." Dat zouden ze dus gaan zeggen. Degenen die ze altijd afgewezen hadden, de profeten in het algemeen maar nu ook uiteindelijk de Messias Zelf, ze zullen Hem ooit zegenen. Of in ieder geval zullen ze zeggen: "Gezegend wordt de komende in de naam van de Heer." Dat is trouwens een aanhaling uit de Psalmen. Met andere woorden: Israël zal ooit tot erkenning komen.⟨/p> ⟨p>Dit is trouwens de laatste... Het komt erop neer — dat realiseer ik me eigenlijk nu pas, nu ik dit zo uitspreek — dat dit de laatste publieke uitspraak is die de Heer heeft gedaan aan het adres van Zijn volk. Dat Hij zegt: "Jullie zullen Me niet meer zien totdat..." Met andere woorden: Ik kom terug, jullie zullen Mij weer zien. Tot op de dag van vandaag is Israël nog steeds onwillig en onwetend; ze herkennen Hem nog niet. Maar er komt een moment dat ze de Messias zullen erkennen en dan zullen ze als stad — Hij spreekt immers Jeruzalem toe — dan zal Jeruzalem Hem weer zien. Dit is een hele duidelijke aanwijzing. De laatste uitspraak die de Heer publiekelijk heeft gedaan aan het adres van Jeruzalem is meteen ook een belofte dat de stad, onwillig als ze is en altijd is geweest, tot erkenning zal komen van de Messias.⟨/p> ⟨p>En als u nu aan mij vraagt hoe de vervangingstheologen dat verklaren, dan moet ik zeggen: ik heb geen idee. Volgens mij moeten ze daar ook wel een zware kluif aan hebben. Ik heb geen idee hoe je daar zodanig aan kunt draaien om hier onderuit te komen. Dit is zo’n duidelijke uitspraak dat Israëls verharding en Jeruzalems ongeloof een "totdat" heeft, en dat Jeruzalem als stad de Heer, de Messias, weer zal zien en Hem zal aanschouwen. Toen zei Hij: "Doei, jullie zien Me niet meer, maar... totdat." En niet alleen dat ze Hem zullen zien, maar dat ze ook zullen verklaren en zeggen: "Gezegend de komende." Let op: de komende. Deze uitspraak die dan hier wordt geciteerd, is ontleend aan Psalm 118.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3395" title="Speel af vanaf 56:35">▶ 56:35⟨/button> ⟨span>De Verworpen Hoeksteen en Israëls Toekomstige Erkenning⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Laten we daar even naartoe gaan, want de Heer haalt dat niet voor niets aan. Nogmaals, dit is de laatste publieke uitspraak die Hij doet en dan haalt Hij Psalm 118 aan. Israël zal dus ooit die woorden in de mond nemen. Laten we die psalm er eens bij nemen; ik begin te lezen bij vers 22. Het staat eigenlijk een paar verzen later in de psalm, maar om het geheel goed te overzien, mag dit u niet ontgaan. Ik vind dat zulke prachtige dingen. Psalm 118 is de middelste psalm van de Bijbel. Ik heb me laten vertellen dat vers 8 van deze psalm het middelste vers van de hele Bijbel is. Hoe dan ook, hij staat precies tussen de kortste en de langste psalm in: Psalm 117 is de kortste en Psalm 119 de langste. In Psalm 118 staat iets geschreven wat ontzettend profetisch is: "De steen die de bouwlieden versmaad hebben, is tot een hoeksteen geworden."⟨/p> ⟨p>Waar zou dat nu op slaan? U hoeft daar helemaal niet over te fantaseren of te gissen wat het zou kunnen zijn. Als u het nazoekt in de concordantie, ziet u dat dit vers herhaaldelijk wordt aangehaald in het Nieuwe Testament. De Heer Jezus haalt het Zelf ook aan. In Matteüs 21, slechts een paar hoofdstukken voorafgaand aan ons huidige gedeelte, werd dit al aangehaald. Ook in Marcus 12 en Lukas 20 vinden we deze parallelle schriftplaatsen. In Handelingen 4 haalt Petrus het aan in zijn toespraak voor het Sanhedrin. Zij waren trouwens de bouwlieden. Petrus zegt het hen pontificaal in hun gezicht: "Jullie zijn de bouwlieden en jullie hebben dé steen afgewezen en verworpen." De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd omdat hij volgens hen niet deugde voor het bouwwerk, werd in werkelijkheid de hoeksteen. Ook 1 Petrus haalt het in zijn brief aan: de steen, de ⟨em>Eben⟨/em> – wat in het Hebreeuws 'steen' betekent, maar ook verwant is aan het woord voor 'zoon' – die de bouwlieden hebben versmaad, is tot een hoeksteen geworden.⟨/p> ⟨p>Er staat bij: "Van JAHWEH is dit geschied, het is wonderlijk in onze ogen." Dat woord 'wonderlijk' moet u heel letterlijk opvatten: we begrijpen het niet. Het is een wonder. Wij zetten er vraagtekens bij en we verwonderen ons erover; we weten niet hoe het kan. Feitelijk slaat dit drieëntwintigste vers ook op de tegenwoordige tijd. De bouwlieden zijn de leidslieden van het volk Israël. Dat kunt u niet missen als u de uitspraken in het Nieuwe Testament naleest waarin deze verzen worden aangehaald. Het gaat over het volk van Israël en hun leiders die de steen, de Messias, hebben afgewezen. En wat is er vervolgens gebeurd? Hij is tot een hoeksteen geworden. Zoals ik al zei, slaat dit ook op de tegenwoordige tijd. Paulus schrijft daarover in de brief aan de Efeziërs. In Efeze 2 zegt hij dat u zich moet laten gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel. Paulus haalt het daar ook aan: die steen, dat is de Christus. Hij is die hoeksteen, de uiterste sluitsteen. Dat is Hem.⟨/p> ⟨p>Over die onderscheidingen laat ik het hier even voor wat het is. Maar van JAHWEH is dit geschied en het is wonderlijk in onze ogen. Het gaat over de tijd waarin Israël de steen heeft afgewezen en verworpen. Maar in die tijd wordt er vervolgens een andere tempel opgebouwd. Dat is een geestelijke tempel; dat is in wezen wat er vandaag de dag gebeurt. En Israël begrijpt het niet. Het is verborgen en dus verwonderlijk in hun ogen. Wat er nu plaatsvindt, is wonderlijk in onze ogen. "Dit is de dag die JAHWEH gemaakt heeft; laten wij juichen en ons daarover verheugen." Ik weet niet of u deze psalm wel eens zingt, maar vroeger werd hij heel vaak gezongen: "Dit is de dag, dit is de dag..." Ik dacht altijd: welke dag is dat dan? Woensdag, maandag? In welk jaar? Nee, 'de dag' is de dag waarop die verworpen steen tot een hoeksteen is geworden. Dit vindt op verschillende niveaus zijn vervulling in verband met Israël, maar de dag verwijst hier specifiek naar de tijd waarin Israël weliswaar terzijde staat en de Messias miskent, maar waarin God bezig is een geestelijk huis en een geestelijke tempel te bouwen. Dat is die dag. Het was verborgen in de dagen van het Oude Testament, maar wij weten nu waar het betrekking op heeft.⟨/p> ⟨p>Er komt een tijd dat ook Israël tot erkenning komt en dan zullen ze zeggen: "Och JAHWEH, geef toch redding, och JAHWEH, geef toch voorspoed." Dat betekent dat ze zich in een reddeloze situatie bevinden en dat ze de naam van JAHWEH zullen uitroepen. Dat doen ze nu trouwens niet, maar dan zullen ze de naam van JAHWEH aanroepen voor redding. En weet u wat ze dan zullen zeggen? "Hosjanna!" In Matteüs 21 kunt u dat nalezen. Dat betekent: "Geef nu toch redding." Het werd geroepen toen de Heer vanaf de Olijfberg op dat ezelsveulen reed en door de menigte werd begeleid op weg naar Jeruzalem. Dat wordt altijd de 'intocht in Jeruzalem' genoemd, maar eigenlijk was het een optocht of, nog beter, een aftocht naar Jeruzalem, want men ging de berg af. Het volk riep toen: "Hosjanna!" Iemand dacht ooit gekscherend dat 'Sjanna' de naam van de ezel was en dat ze "Ho, Sjanna!" riepen, maar we zijn hier natuurlijk serieus bezig. Israël zal tot erkenning komen en roepen om redding en voorspoed, en die zullen dan ook gegeven worden. Dan zullen ze zeggen: "Gezegend de Komende." Let op, er staat een bepaald lidwoord voor: ⟨em>de⟨/em> Komende, in het enkelvoud.⟨/p> ⟨p>Het is niet zomaar iedereen die komt; nee, het is ⟨em>de⟨/em> Komende. Dat is tot op de dag van vandaag in het Joodse spraakgebruik een aanduiding voor de Messias. Men kent Zijn identiteit nu niet – logisch, want de steen is door de bouwlieden afgekeurd. De enige echte rechthebber op de titel van de Messias erkennen ze niet; die hebben ze afgewezen. Men weet het nu dus niet, maar als men spreekt over de Messias, spreekt men over 'de Komende'. Er komt een dag dat ze zullen zeggen: "Gezegend de Komende in de naam van JAHWEH." Dat zullen ze dan weten. Hij is Degene die dan zal verschijnen en redding zal geven. Ooit riep men het op de Olijfberg toen de Heer afdaalde, maar men wist niet wat men zei. Dat zei de Heer Jezus later trouwens ook. In het Lukas-evangelie lees je dat de Heer weende toen Hij de stad naderde. Hij zei: "Och, of gij ook op deze uw dag verstond wat tot uw redding dient! Maar thans is het verborgen voor uw ogen." De Heer was zeer aangedaan door wat er toen plaatsvond, want Hij kende de enorme profetische reikwijdte ervan. Maar er komt een dag dat men zich zal realiseren wie die Komende is. Dan zullen ze zeggen: "Gezegend de Komende in de naam van JAHWEH." En als ze dat zeggen, dan zal Hij ook acte de présence geven. Dan zal Hij ook komen. Want zo stond het er toch? "Ik zeg jullie..."⟨/p> ⟨p>Jullie zullen Mij niet meer waarnemen vanaf dit moment, totdat ooit – inderdaad, 2000 jaar later – jullie zullen zeggen: gezegend wordt de komende in de naam van de Heer. Het is een aanhaling van Psalm 118 en dat sluit precies aan bij wat die psalm dan ook inderdaad aangeeft. Eerst verworpen, vervolgens wordt die verworpen steen een hoeksteen van het bouwwerk, kennelijk.⟨/p> ⟨p>En vervolgens zal het volk in uiterste nood de naam van JAHWEH aanroepen en om redding schreeuwen. En dan zullen ze zeggen: gezegend de komende. En dan zal Hij daar ook inderdaad zijn en verschijnen.⟨/p> ⟨p>Nou, dat is Matteüs 23 aan het slot. De laatste uitspraak die de Heer aan het publiek, aan het adres van Jeruzalem, heeft uitgesproken. En dan komen we dus aan in het 24e hoofdstuk.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4074" title="Speel af vanaf 01:07:54">▶ 01:07:54⟨/button> ⟨span>Jezus Verlaat de Tempel⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Maar ik zei al: we trekken ons niet al te veel aan van die hoofdstukkenindelingen. Maar goed, zo is dat dan genummerd. En dan staat er in vers 1: "En Jezus ging uit vanaf de gewijde plaats." De tempel, maar dat is niets anders dan een gewijde plaats. Enfin, wat die gewijde plaats is, dat is niet zo moeilijk. Trouwens, in ditzelfde hoofdstuk wordt er ook gesproken over de heilige plaats waar ooit een gruwel, een afgodsbeeld, zal worden opgericht. De heilige plaats; hier dus de tempel.⟨/p> ⟨p>Jezus ging uit vanaf de gewijde plaats. Hij bevond zich dus bij de tempel. Matteüs 23 is echt in het hol van de leeuw uitgesproken aan het publiek en toen heeft de Heer gedag gezegd. Zo, tot ziens. Ja, met recht tot ziens. En toen ging de Heer vervolgens de stad uit en Hij vestigde Zich op de Olijfberg. Dat zullen we straks vanzelf zien, maar dat was een beweging die je ook had kunnen verwachten.⟨/p> ⟨p>Afijn, dan staat erbij: "en naar Hem toe kwamen de leerlingen van Hem om Hem te laten zien de gebouwen van de gewijde plaats." De Heer heeft de stad verlaten, vervolgens komen de leerlingen naar Hem toe en die tonen dan die gebouwen van de gewijde plaats. Dat kan maar op één locatie zijn. Straks zullen we dat ook gewoon expliciet zien, maar dat kan ook inderdaad alleen maar als je een klein beetje de geografie van de stad kent. Dan weet je dat je die tempel alleen maar vanaf de Olijfberg zo kunt bezien. En dan komen zijn leerlingen, zijn discipelen, en die laten dat zien: de gebouwen van de gewijde plaats.⟨/p> ⟨p>En u moet zich dat goed realiseren: dat was een unicum. Dat was zo'n geweldig bouwwerk. Het werd zelfs beschouwd als een van de wereldwonderen. We weten dat ook bijvoorbeeld uit de geschriften van Flavius Josephus, die de val van Jeruzalem in het jaar 70 uitgebreid heeft beschreven als ooggetuige. Hij heeft ook gezegd dat de stad Jeruzalem, of meer specifiek de tempel, een van de wereldwonderen was. Zo'n geweldig mooi en groots bouwwerk is dat geweest. We weten ook, en dat staat in Johannes 2 vers 20, dat er 46 jaar lang aan die tempel is gebouwd. Dat is een gigantisch lange tijd.⟨/p> ⟨p>Nu heeft Herodes natuurlijk een hele negatieve reputatie, en dat lijkt me nogal duidelijk en ook begrijpelijk. Herodes de Grote had echter in andere opzichten een geweldige reputatie, ook bij het volk, omdat hij enorm veel betekend heeft voor het herstel van de stad en van de tempel. Er was wel een tempel, maar dat stelde niet zoveel voor. De tempel die na de ballingschap weer was herbouwd, was een heel armzalig bouwwerk. Relatief zeker ten opzichte van wat ooit Salomo had opgetrokken, want dat was ook een gigantisch bouwwerk. Later, rond de millenniumwisseling vlak voor onze jaartelling, heeft Herodes een begin gemaakt met de verfraaiing van de tempel. Hij heeft daar 46 jaar over gedaan en dat was een machtig wereldwonder.⟨/p> ⟨p>Vanaf de Olijfberg kon je dat allemaal prachtig aanschouwen. Als je nu op de Olijfberg staat, wat zie je dan? Dat is ook een markant gezicht. Ja, je ziet goud, maar het is niet alles goud wat blinkt. Nee, dan zie je een islamitisch heiligdom – islamitische heiligdommen moet ik zeggen – maar dat is wat er nu staat. Je hebt een geweldig uitzicht zo op de stad. Maar de Heer had daar heel gemengde gevoelens bij. Je kunt natuurlijk wel denken dat dit geweldig imposant was, en dat was het ook.⟨/p> ⟨p>Je moet je trouwens even verplaatsen in die tijd. Het was de tijd van de Pax Romana, zoals dat heet. Er was een gevestigde vrede in het hele Romeinse Rijk, dus er was helemaal geen oorlog op komst. Jeruzalem was onder de bescherming, ook de tempel was onder de bescherming van de Romeinse keizer. Dus ja, in die zin zat het eigenlijk allemaal wel snor. Maar de Heer kijkt daar heel anders tegenaan.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4398" title="Speel af vanaf 01:13:18">▶ 01:13:18⟨/button> ⟨span>Geen Steen op de Andere Gelaten: de Komende Verwoesting⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Hij echter antwoordde en zei hen: "Zien jullie niet al deze dingen?" Ja, daar hadden ze Hem juist op gewezen. "Amen, voorwaar, Ik zeg jullie dat niet één steen op de andere steen hier gelaten zal worden die niet zal worden gesloopt." Dat is nogal wat. En binnen een generatie — ik heb het er voor de pauze ook al over gehad — precies veertig jaar later zou dit in vervulling gaan. Geen steen zou op de andere gelaten worden.⟨/p> ⟨p>Ik heb me er weleens mee beziggehouden — zonder dat ik daar overigens expertise in heb — maar ik ken de boeken van Dr. E.L. Martin. Sommigen van u kennen de naam ongetwijfeld: Ernst Martin. Hij heeft heel markante boeken geschreven. Hij was een Amerikaan en dat is soms ook wel erg duidelijk; hij wist soms wel heel erg veel, meer dan hij werkelijk kon hardmaken. Maar hij heeft naar voren gebracht dat de huidige tempellocatie die wordt aangewezen, er een paar honderd meter naast zit. Hij zegt bijvoorbeeld dat de Klaagmuur, waarvan alom wordt beweerd dat het een laatste restant is van de tempel van Herodes, dat helemaal niet is. Als je met een gids door de stad gaat, zal dat altijd gezegd worden: "Dat is een restant van de tempel van Herodes." Uitgesloten! Want er zou geen steen op de andere gelaten worden.⟨/p> ⟨p>Martin is dat enorm gaan onderzoeken en heeft er een paar dikke boeken over geschreven. Het is werkelijk heel intrigerend. Hij stelt dat die Klaagmuur helemaal geen restant is van de tempel, want daarvan zou geen steen op de andere gelaten worden. Hij zegt ook dat dit letterlijk zo is vervuld. En ik moet u zeggen: ik hoef daar helemaal geen expertise voor te hebben om op voorhand te zeggen dat hij gelijk moet hebben. Als de Heer dat zo zegt, "geen steen op de andere", dan ga ik ervan uit dat dit ook werkelijk betekent: geen steen op de andere. Alles is gesloopt. Het enige wat is overgebleven van de stad is het Romeinse fort, de burcht Antonia. Dat is logisch, want dat was juist de plek waar het Romeinse leger zijn vestiging had en waar al die soldaten lagen. Dat was pal naast de tempel. Martin zegt dat die Klaagmuur een deel was van de burcht Antonia, een Romeins fort dus. De tempel stond volgens hem een beetje meer in de richting van de Gihonbron. Ik zou dat eigenlijk even op een plaatje moeten laten zien; misschien kom ik daar later in het seizoen nog op terug. Ik vind het nu voldoende om erop te wijzen dat als de Heer zegt dat er geen steen op de andere gelaten zal worden, er alle reden is om aan te nemen dat dit ook in de meest letterlijke zin zo waar is gebleken.⟨/p> ⟨p>Toen Hij gezeten was op de Olijfberg... Trouwens, ik kan het niet nalaten om er nog even op te wijzen dat de bevindingen van Dr. Martin, hoewel ze nu misschien nog omstreden zijn en hij maar weinig bijval krijgt, in de toekomst weleens een heel verrassende wending zouden kunnen geven aan het herstel van de Joodse eredienst. Er wordt nu zo gesteggeld over dat Tempelplein, maar Martin zegt dat wat nu als Tempelplein wordt aangemerkt, nog bij de burcht Antonia hoorde. Vanaf de Olijfberg gezien moet je dan naar links, naar het zuiden toe. Daar ligt de oorspronkelijke locatie van de tempel. Dat zou weleens een verrassende betekenis kunnen krijgen als de Joodse eredienst weer hersteld gaat worden.⟨/p> ⟨p>Of die tempel in zijn geheel weer hersteld zal worden, is nog maar de vraag. Hebben jullie trouwens vorige week het nieuws gezien of daar iets over gelezen? Daniël stuurde mij van de week een appje en zei: "Moet je dit eens lezen!" Hij gaf me een link naar 'Breaking News in Israel' over het Tempelinstituut. Alles ligt al helemaal kant-en-klaar. Het is onvoorstelbaar. De Joden in de wereld zijn er zo druk mee; ze willen die tempel zo snel mogelijk herstellen, of in elk geval beginnen met de eredienst. Het nieuws was dat ook de kohenim, de priesters, en de rosh kohen — de hogepriester dus — er al zijn. Ik heb het niet over de Hogepriester naar de ordening van Melchizedek, want dat weet ik, maar over de hogepriester volgens Joods begrip. Hij is er. Binnen een week kan de offerdienst hersteld worden. Daar hebben ze niet eens een tempel voor nodig, wist u dat? U denkt dat misschien, maar je leest in de dagen van Ezra dat ze bij hun terugkeer direct begonnen met het herstellen van het altaar en de offerdienst. Daar was geen tempel voor nodig, die werd pas later gebouwd. De offers, de priesterdienst, alles ligt klaar. Men kan zo beginnen.⟨/p> ⟨p>Dat gaat de komende jaren gebeuren, dat weten we. Die eredienst gaat hersteld worden en de Joden zijn er helemaal klaar voor. Nee, niet 'klaar mee'. Weet u waar ze klaar mee zijn? Met het heiligdom dat er nu staat. Ik zeg dit enthousiast, niet omdat ik geloof dat die Joodse eredienst nou zo geweldig is — want ook dat zal uiteindelijk eindigen in een debacle omdat men de Messias niet kent en herkent — maar ik ben er enthousiast over omdat de Schrift dit voorzegt. Nu zien we inderdaad met eigen ogen dat deze dingen beslag gaan krijgen. Het jodendom is er klaar voor om hiermee te beginnen. We weten dat dit gaat gebeuren, niet omdat wij profetische gaven hebben, maar omdat wij een profetisch woord hebben. En we geloven daar gewoon in. We leven in zulke, ook in dat opzicht, boeiende tijden.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-12" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4860" title="Speel af vanaf 01:21:00">▶ 01:21:00⟨/button> ⟨span>Gezeten op de Olijfberg: de Drie Vragen van de Discipelen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En toen Hij gezeten was op de Olijfberg... Daar heb je het, hè? Toen Hij gezeten was – weer gezeten. Dat is een positie van rust, maar ook de positie waarin een mens onderwijs geeft. U weet: een profeet staat en een leraar zit. Dat is de Bijbelse positie. Vandaar ook dat men op de universiteit spreekt over een leerstoel. Niet te verwarren met Oisterwijk en dergelijke; dat is een leren stoel, maar hier gaat het om een leerstoel. Dat is een plaats in rust en van daaruit spreek je.⟨/p> ⟨p>Toen Hij gezeten was op de Olijfberg. Die berg staat natuurlijk voor zoveel symbool. We hadden het er voor de pauze al even over, maar de Olijfberg staat, behalve symbool voor de tegenwoordige tijd waarin de Heer afwezig is en het aardse toneel verlaten heeft, niet minder symbool voor de berg waar de Heer zal terugkeren. In Zacharië 14 wordt dat allemaal beschreven: hoe de stad zal worden ingenomen en platgewalst zal worden door de volken die daarheen trekken, en dat JAHWEH Zijn voeten zal zetten op de Olijfberg, die dan in het midden zal splijten. Dit staat me allemaal nog erg vers voor de geest, want ik heb daar nog niet zo lang geleden een hele serie studies over gegeven in Zoetermeer. Imposant!⟨/p> ⟨p>Dat gaat allemaal zijn beslag krijgen vanaf de Olijfberg. Dat wil zeggen: daar zal de Heer verschijnen, er zal een dal ontstaan en het volk zal later verzameld worden. Hoe mooi en hoe trefzeker is het dat de Heer juist op de Olijfberg die rede gaat uitspreken over de toekomende dingen. Vanaf die locatie had Hij een geweldig uitzicht op de stad, maar het is ook precies de berg waar het allemaal gaat beginnen en waar de Heer Zijn voet zal neerzetten.⟨/p> ⟨p>En toen Hij daar gezeten was, kwamen de leerlingen privé tot Hem. "Afzonderlijk" staat er in andere vertalingen, of "alleen tot Hem". In de Concordant Version staat ⟨em>privately⟨/em>. Gewoon privé dus. Dit betekent dat Matteüs 24 geen deel uitmaakt van Zijn publieke optreden. Dit is een toespraak die Hij gehouden heeft als onderwijs voor Zijn leerlingen; alleen zij hebben dit vernomen, de rest niet. Precies zoals Hij ook van tevoren had gezegd.⟨/p> ⟨p>Toen kwamen Zijn leerlingen privé tot Hem en zeiden: "Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn?" Daarmee doelden ze op waar Hij het zojuist in het voorgaande vers over had gehad: de verwoesting van Jeruzalem en van de gewijde plaats. "Wanneer?" Vervolgens stellen ze nog drie vragen: "Wat is het teken van Uw parousia, van Uw aanwezigheid?" En dan stellen ze nog de vraag: "En van de voltooiing van de aeon?" Of de "voleinding der wereld", maar ja, met het woord "eeuwigheid" zijn we wel klaar en ook dat woordje "wereld" deugt natuurlijk evenmin. Het is gewoon "eeuw" of, nog beter, "aeon".⟨/p> ⟨p>Ze stellen feitelijk dus drie vragen: "Wanneer zullen deze dingen geschieden? Wanneer zullen deze dingen zijn?" En dan zal blijken – maar daar gaan we het de volgende keren over hebben – dat dit bij twee gelegenheden zal zijn. Jeruzalem zou, gerekend vanaf het moment dat de Heer deze dingen sprak, nog twee keer verwoest worden, en de tempel ook. Vervolgens de tweede vraag: "Wat is het teken van Uw parousia?" En de derde vraag: "En van de voltooiing van de aeon?"⟨/p> ⟨p>Drie vragen dus. Heel Matteüs 24 is, zoals ik u de volgende keer ook zal laten zien, keurig onder te verdelen in de antwoorden op deze drie afzonderlijke vragen. Wanneer zal het zijn? Wat is het teken van Uw parousia en daarmee ook van de voltooiing van de aeon? Dat wil zeggen: ook déze aeon, want dan gaat er een nieuwe aeon aanbreken. Maar u begrijpt dat er alleen over deze drie vragen al veel meer te melden is. Want wat vragen ze hier specifiek? Wat is trouwens die parousia? Wat is dat teken? Wat is de aeon? Wat is de voltooiing? Ik wil u daar veel meer over vertellen, maar dat parkeren we mooi voor de volgende keer. Daarmee hebben we de eerste bespreking erop zitten; de kop is eraf, om het zo maar te zeggen.⟨/p>