⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Terugblik: Leven in Genade en Dankbaarheid⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Een heel hartelijk welkom op deze 20e december. Juist! Aan het einde van de wereld? Juist! Nou, in ieder geval de laatste dag van de Maya-kalender, naar het schijnt. Maar we gaan ons daar totaal niet mee bezighouden. Wij gaan naar Kolossers 3 vers 17, maar voordat ik dat ga doen, wil ik eerst nog even de verzen voorlezen die we de vorige keer hebben besproken. Dat was vanaf vers 12. We zijn de vorige keer niet zo heel erg ver gekomen, maar we begonnen toen met dit vers en de volgende verzen lees ik nu aan u voor.⟨/p> ⟨p>"Doet dan aan," schrijft Paulus, "als door God uitverkoren heiligen en geliefden: innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld. Verdraagt elkaar en," zoals er letterlijk staat en wat we ook besproken hebben, "bewijst elkander genade. Indien de een tegen de ander een grief heeft, gelijk ook de Here u genade bewijst, doet ook gij evenzo. En doet bij dit alles de liefde aan als de band der volmaaktheid," of de band der volwassenheid. "En de vrede van Christus, tot welke gij immers in één lichaam geroepen zijt, zij scheidsrechter in uw harten; en weest dankbaar. Het woord van Christus wone rijkelijk in u, zodat gij in alle wijsheid elkaar leert en attendeert," of op wijst, "en met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen zingende, Gode dank brengt in uw harten."⟨/p> ⟨p>Met deze muzikale afsluiting, want zo kun je het wel noemen, zijn wij de vorige keer geëindigd. We spraken over de rol van muziek en het lied in het hart, want dat is wat er echt staat: Gode dank brengt in uw harten. Dat we dat dan ook nog een keer onderling mogen beleven, de muziek, dat is een ander ding, maar het begint hier. Uiteraard heeft dat "Gode dank brengt in uw harten" een grote nadruk. We zagen ook al eerder in vers 15: "en weest", waar letterlijk staat: "en wordt dankbaar". Ook dat is een proces wat je leert en wat je tot een gewoonte mag maken. Ik zeg mag maken, want het is een voorrecht. Hoe dankbaarder je wordt en hoe dankbaarder je bent, hoe gelukkiger je ook bent. Dat zit hem ook al in dat woord danken, want dat heeft te maken met genade en daarmee ook met vreugde, zodat dankbaarheid de vreugde in je ontketent.⟨/p> ⟨p>Vervolgens staat er in het 16e vers weer: "Gode dank brengt in uw harten". We hebben toen ook gezien dat daar gesproken wordt over "met de genade Gods in uw harten". De genade Gods is dus hetzelfde als Gode dank brengen in uw harten. Waarbij ik misschien nog mag opmerken — en dat is een aardige voorzet voor de komende verzen die we nu gaan lezen — dat leven in genade, of zo u wilt leven uit genade, niets anders is dan waar ik zojuist al even op wees: namelijk dankbaarheid. Daar waar genade ontvangen en beleefd wordt, daar groeit en welt als vanzelf dankzegging en dankbaarheid op.⟨/p> ⟨p>Dankzegging is dus het uitspreken van de dank; dankbaarheid is meer de houding, dat wat erin zit: "Ik ben dankbaar". Van wie kreeg ik nou van de week een mailtje? Dat zal wel van mijn schoonvader geweest zijn, een PowerPoint of een uitspraak die ik via een ander kanaal las. In ieder geval kwam het er op neer dat het zo triest is voor atheïsten — ik zeg het nu een beetje met mijn eigen woorden — want ze kunnen wel dankbaar zijn, maar ze weten niet aan wie. Ik vond hem eigenlijk wel komisch, want inderdaad: dankbaarheid veronderstelt een adres aan wie je dankbaar bent. Maar als daar geen God is, wie ben je dan dankbaar voor je gezondheid? Wie ben je dankbaar voor dat wat je krijgt, of wat dan ook? Dat kan niet. Wij hebben, God zij dank, dat probleem dus niet. Goed, en dat lijkt mij een mooie aanvang voor de eigenlijke studie, namelijk vanaf vers 17.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="312" title="Speel af vanaf 05:12">▶ 05:12⟨/button> ⟨span>Alles Doen in de Naam van de Heere Jezus⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>"En al wat gij doet," staat daar, "en al wat gij doet." In alles wat je mocht doen met woord of werk, of in woord of in werk: doet het alles in de naam van de Heere Jezus. Ik heb de interlineair er weer onder staan, zodat ik ook zo letterlijk en woordelijk mogelijk de lezing van het origineel daarin volg. Dus alles wat je doet in spreken, in je acties, in je werk, je mag het alles doen in de naam van de Heere Jezus. En wat betekent dat? Nou, volgens mij staat de verklaring ervan pal in de regel daarop. Want de dingen doen, of alles doen in de naam van de Heere Jezus, is niets anders dan God de Vader danken door Hem. Dat wil zeggen: je dankt God, je geeft dank aan de God en Vader. En hoe doe je dat? Door Hem, door vermelding van Zijn naam. Dat is alles doen in de naam van de Heere Jezus.⟨/p> ⟨p>Je weet namelijk dat al wat God doet, Zijn hele plan, maar ook alles wat Hij onderneemt, dat doet Hij door de Heere Jezus. Zodat, als wij ons daarvan bewust zijn en wij daarvan weten, dan danken wij God ook vervolgens door Hem. Dus aan de ene kant is het zo dat God Zelf alles doet door Zijn Zoon, maar van onze kant is het net zo waar dat wij tot Hem komen met vermelding van Zijn naam. Door Hem dus. Het is dus altijd door Hem. Het adres is God de Vader – er is maar één God – en we komen tot God door Hem. We kennen God ook alleen maar door Hem. Hij is immers – maar dat was Kolossensen 1 vers 15 en 16 – het beeld van de onzienlijke God.⟨/p> ⟨p>En dan heb ik er nog een vers bij vermeld, dat ik er graag even in dat verband bij wil halen, omdat het er zoveel op lijkt. En dat is een woord dat dezelfde apostel heeft geschreven in hoofdstuk 10 van 1 Korinthe: "Of gij dus eet of drinkt, of wat dan ook doet" – zodat je daarmee in feite hetzelfde verhaal hebt als in Kolossensen 3 vers 17 – "doet het alles ter ere Gods." Doet het alles tot in de heerlijkheid van God. Dat wil zeggen: met het oog op Zijn heerlijkheid. Dus alles in je eten, je drinken, je doen, je spreken; alles met het oog op Zijn heerlijkheid.⟨/p> ⟨p>Feitelijk dus ook je bewustzijn van dat wat Hij gesproken heeft. Het doet me zo automatisch denken aan wat we lezen in de Thora aan Israël. Daar staat ook: "Dit woord zij in uw hart en in uw mond." Wanneer gij nederligt, wanneer gij opstaat... Het valt niet mee om dat letterlijk te citeren: wanneer gij ingaat, wanneer gij uitgaat, wanneer gij nederligt, wanneer gij opstaat. Kortom: in heel jouw leven mag je je bewust zijn van wie je bent en wat Hij gesproken heeft. Kortom: van Zijn heerlijkheid. Dan krijg je ook een heerlijk leven, dat gaat hand in hand.⟨/p> ⟨p>Het is ook een leven dat boven het banale is uitgetild. Je staart je niet blind, niet op de dingen hier. Nee, het gaat om een leven in een veel grootser perspectief van Zijn heerlijkheid, Zijn toekomst. Ja, dat is een leven met recht met een veel wijdsere horizon die zelfs ongelimiteerd is. Doet het alles ter ere Gods. Goed. Nou, nu heb ik even een ander diaatje erbij staan. En waarom is dat? Wel, omdat we nu vers 17 kortweg hebben besproken en we dus aankomen bij vers 18.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="574" title="Speel af vanaf 09:34">▶ 09:34⟨/button> ⟨span>Geen Huiselijke Plichten, maar Huiselijke Genade⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Het is interessant om daar de vertalingen eens bij te pakken, zowel de Statenvertaling als de NBG-vertaling. Hier vangt een nieuwe pericoop aan. Ik heb er geen enkel probleem mee om de Bijbel in te delen in hoofdstukken en verzen, en je kunt er ook prima een kopje boven zetten. Dat hebben de NBG-vertaling en de Statenvertaling dan ook gedaan. Het gaat mij echter om de wijze waarop men het omschrijft. De NBG zegt: ‘De christelijke huisregels’. Dat begint na vers 17, het gedeelte dat we vanaf nu gaan bespreken. De Statenvertaling zegt: ‘De huiselijke plichten’. Door die omschrijving en door dat kopje te geven, verraden de vertalers hun eigen interpretatie van deze brief. Dit is uiteraard een toevoeging voor het gemak van de lezer, maar met name de term ‘huiselijke plichten’ vind ik veelzeggend. Men denkt blijkbaar in die termen.⟨/p> ⟨p>Het idee is dan: in het voorgaande heeft Paulus gesproken over genade, voorrechten en danken, maar nu komen de plichten of de christelijke huisregels. Het is dan ‘rechten en plichten’, of zoals ik goed reformatorisch ben grootgebracht met de slagzin: ‘het is wet en genade’. Terwijl ik dat zeg, denk ik: ik sta hier bijna te vloeken. Want als je enigszins op de hoogte bent van de brieven van Paulus, dan weet je dat het wet óf genade is. Die twee verdragen elkaar niet. Als je dat niet geloven wilt, zou je dat eens een keertje aan Izak of Ismaël moeten vragen; de één moest worden weggezonden. Ik refereer nu aan Galaten 4, maar goed: wet én genade, datzelfde zie je hier gereflecteerd door de vertalers met hun ‘huiselijke plichten’.⟨/p> ⟨p>Dit is zo fout, omdat je daarmee op het verkeerde been wordt gezet. Alsof het zo zou zijn dat het element van voorrechten en genade — dat wat dankzegging oproept — nu beschreven is, en dat er nu een andere kant van het verhaal volgt: de plichten in huis voor de vrouwen, voor de mannen, enzovoort. Ik zal u vertellen: dat is juist niet het geval. Dit is geen contrast; dit vloeit daar juist uit voort. Dat is zo’n belangrijk verschil. Het zijn geen huiselijke plichten, het is huiselijke genade. Het laat zien hoe de genade in huis werkt, in de meest brede zin van het woord, ook nog in de werksfeer, maar daar komen we later op. Het gaat erom hoe genade werkt in de huiselijke relaties en de huiselijke verhoudingen.⟨/p> ⟨p>Natuurlijk is er sprake van vrouwen, mannen en kinderen, met de bijbehorende relaties. Het hele idee is dat Paulus hier geen wetten of plichten oplegt; hij beschrijft wat genade uitwerkt in je leven. Dat betekent dat als je leeft in de genade waar we het over hadden en je leeft in dankbaarheid, je een blij mens wordt. Dat is het gevolg. Het betekent ook dat je in de verhouding waarin je geplaatst bent in huis — laten we ons daar nu even toe beperken — juist ultiem gaat functioneren. In het algemeen is dat trouwens al zo: daar waar je dankbaar bent voor wat je krijgt, dat maakt je blij. En mensen die blij en dankbaar zijn, die functioneren in alles het beste. Ik ben geen psycholoog, maar dat kun je aan elke psycholoog vragen. Trouwens, daar hoef je geen psycholoog voor te zijn; het is gewoon een algemeen bekend gegeven. Iets waar je blij mee bent en dankbaar voor bent, maakt dat je veel beter functioneert.⟨/p> ⟨p>Dat geldt zelfs voor allerlei elementen in het werk. Stel, je bent vrachtwagenchauffeur en je bent blij met het feit dat je vrachtwagenchauffeur bent, dan ben je een betere chauffeur dan wanneer je dat geen leuk vak vindt en je er niet blij mee bent. En als je blij bent met het feit dat je een vader bent, dan ben je een betere vader dan iemand die met een nors gezicht thuiskomt en zo met zijn kinderen omgaat. Dit is een open deur, het is logisch: waar je blij mee bent, gelukkig mee bent en God dankbaar voor bent, dat maakt dat je zo functioneert als ook de bedoeling is.⟨/p> ⟨p>Ik wil daar nog één ding aan toevoegen, want de vorige keer had ik het er al even over en ik heb het zojuist ook voorgelezen: elkaar genade bewijzen. Het is leven uit genade; je weet dat er een God is die alles een plek geeft, dus kun je God in goed en kwaad danken. Maar dat geldt ook naar elkaar toe: je maakt de ander blij. Zoals de Heer ons genade bewijst, rekent Hij de grieven niet toe. Daar gaat het niet om. Nee, daar waar er grieven zijn, bewijs je de ander genade, waardoor je zelf trouwens ook nog blijer wordt. Het gaat erom dat je erop gericht bent om de ander genade te bewijzen. Daar waar je zo in het leven staat, zul je als vrouw, man, kind, ouder, werknemer of werkgever — om de moderne varianten maar te noemen — veel beter, sterker nog, ultiem functioneren op de plek waar je bent. Dat zeg ik even ter inleiding. Dit is namelijk een heel nieuwe passage, een nieuw pericoop, maar het is dus geen huiselijke plicht, het is huiselijke genade. En dan komen we bij het eerste punt.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1007" title="Speel af vanaf 16:47">▶ 16:47⟨/button> ⟨span>Vrouwen, Wees Uw Man Ondergeschikt⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>In moderne, westers geëmancipeerde oren mag dit heel vreemd of in ieder geval ouderwets klinken. Maar laat ik eerst eens lezen wat er staat: "Vrouwen, weest uw man onderdanig." Eigenlijk staat er: "De vrouwen, weest onderdanig aan de mannen." De groep als zodanig wordt in beide gevallen in het meervoud aangesproken. Laat ik op dat woord 'onderdanig' even inzoomen. Dat is in het Grieks ⟨em>hypotasso⟨/em>. ⟨em>Hypo⟨/em> betekent 'onder' en ⟨em>tasso⟨/em> is 'zetten'. Onderzetten; iets wat je eronder plaatst dus. In de NBG-vertaling wordt het in de actieve zin vertaald met 'onderwerpen' en in de passieve zin is het 'onderworpen zijn', 'onderdanig' of 'ondergeschikt'. Dat zijn de drie belangrijkste vertaalwoorden, waarbij de laatste ongetwijfeld de beste is.⟨/p> ⟨p>Onderwerpen is iets wat duidt op vijandschap; vijanden onderwerp je. Maar het begrip is hier eigenlijk 'onderplaatsen'. Dat is een beetje misleidend weergegeven door die verschillende vertaalwoorden. Het gaat om een verhouding. In Romeinen 13 wordt het bijvoorbeeld gebruikt voor de overheid: wees de overheden onderdanig. Dat wil zeggen: die overheden staan boven je. Dat is een gezagsverhouding. Als een ondergeschikte ben je niet minder belangrijk; we praten hier simpelweg over een hiërarchie.⟨/p> ⟨p>Het is trouwens opmerkelijk dat als je dit in Kolosse 3 bekijkt, bij al deze vormen van gezagsverhouding telkens degene die 'ondergeplaatst' is als eerste wordt genoemd. Eerst worden de vrouwen genoemd en dan de mannen. Dan worden de kinderen genoemd en dan de vaders. En dan worden de slaven genoemd en dan de heren. Telkens in die volgorde. Maar het gaat dus om ondergeschikt zijn. Dat heeft niets te maken met waardigheid, alsof je minder waard zou zijn. Het heeft te maken met een plaats onder degene die het voortouw neemt, zoals de leider van een team en degene die ondergeschikt is aan die leiding.⟨/p> ⟨p>"Vrouwen, wees uw man onderdanig." Het komt er eigenlijk op neer dat we dit bij de andere verhoudingen veel meer voor de hand vinden liggen. Dat komt ook omdat wij in onze tijd, de 21e eeuw — maar dat was in de vorige eeuw ook al het geval — die verhouding van mannelijk en vrouwelijk totaal niet meer zien zoals de Bijbel die schetst. In de Bijbel is de man een man: hij is het hoofd, hij geeft leiding, hij is een vent. Het grappige is dat we in onze taal nog wel die wetenschap hebben; het verschil tussen mannelijk en vrouwelijk komt er nog steeds in mee. Maar al enige decennia is er natuurlijk een hele andere denkstroming die zich massaal over onze maatschappij heeft meester gemaakt, waarbij het begrip van mannelijk en vrouwelijk en het onderlinge verschil wordt weggezwaaid. Dat mag er niet zijn. Het is allemaal unisex, emancipatie en feminisme.⟨/p> ⟨p>In de Bijbelse gedachte is het echter zo dat de man een beeld is van God, de Schepper — een 'Hij' dus — en de vrouw is een beeld van de schepping. Dat heeft niets met meer of minder waardig te maken, maar met wat het uitbeeldt: Schepper en schepping. Een man wordt geacht een man te zijn. Of laat ik het nog anders zeggen: een heer. De heer des huizes. Dat is wel grappig als ik het zo noem, want er staat hier: "Vrouwen, weest uw man onderdanig gelijk het betaamt in de Here." Dat wil zeggen: in de Heer, in ⟨em>kurios⟨/em>. In Hem die de eigenaar is, de meester, degene die in bezit is van. In die verhouding wordt het geplaatst.⟨/p> ⟨p>Dit wordt hier gezegd over de vrouw, maar later ook in verband met de kinderen en de slaven. Zij staan in een verhouding tot hun meerdere, degene die leiding geeft of geacht wordt die te geven. Dan wordt die verhouding getekend als 'tot de Heer'. Dat wil zeggen dat een vrouw haar man heeft, en dat is mooi, maar ik heb daar onlangs nog een klein blokje over geschreven dat gaat over Sarah. Voordat ik naar het vers in Genesis ga, wil ik eerst vertellen wat er in 1 Petrus 3 staat. Daar zegt Petrus tegen de vrouwen onder zijn lezers dat zij zich moeten onderschikken aan hun man. Hij zegt: zoals Sarah ooit deed, uw moeder Sarah — hij sprak tot Joodse vrouwen — die Abraham haar 'heer' noemde.⟨/p> ⟨p>Hij doelt daarmee op wat we lezen in Genesis 18 vers 12. Daar lezen we dat Abraham en Sarah bezoek krijgen van een drietal heren, met die ene Man die zich eigenaardig voordoet. Dan wordt de belofte gedaan dat Sarah over een jaar een kind zou hebben. En dan lees je: "Dus lachte Sara in zichzelf, denkende: Zal ik wellust hebben, nadat ik vervallen ben, terwijl mijn heer oud is?" Het is op dit vers dat Petrus later wijst. Hij zegt: kijk, dat was de verhouding; Sarah noemde haar man 'mijn heer'. En ik vind het dan ook nog zo opmerkelijk dat zij dat nog lachend deed ook. Ze noemde haar man lachend 'mijn heer'. Zij leefde trouwens ook met recht in genade, want hoewel het weliswaar nog licht ongeloof was, wordt het later echt lachen. Als die beloofde jongen daadwerkelijk geboren is, zegt ze: "De Here heeft mij doen lachen." Abraham beaamt dat en noemt het kind ook zo: hij zal lachen, ⟨em>Yitzhak⟨/em>, Isaac.⟨/p> ⟨p>Waarom zeg ik dat? Omdat Sarah en Abraham leefden uit de belofte, uit de genade, en dat deed haar lachen. Maar daardoor zag ze ook de verhouding tot haar man; ze noemde hem 'mijn heer'. Hij was de heer des huizes, degene die gezag had en leiding zou geven. Hij zou zijn vrouw ook beschermen, want dat is ook het idee. Een heer is niet een baas; een heer is degene die dat wat hem is toevertrouwd beschermt. Hij is daar ook verantwoordelijk voor. De heer is verantwoordelijk voor het geluk van dat wat hem is toevertrouwd. In die zin rust op de man de zwaarste taak: hij is verantwoordelijk voor zijn vrouw. Dat zullen we straks ook zien, maar waar het hier om gaat is dat de vrouwen worden aangesproken: erken je man gewoon als man, als echtgenoot, als heer van het huis en onderschik je daaraan. Geef hem die ruimte om man te zijn. Dat is het idee.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1547" title="Speel af vanaf 25:47">▶ 25:47⟨/button> ⟨span>Mannen, Heb Uw Vrouw Onvoorwaardelijk Lief⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Mannen, hebt uw vrouw lief. Dan zou je zeggen: zijn er nog meerdere? Ja, maar hier worden de mannen aangesproken, net als in het voorgaande vers de vrouwen werden aangesproken. Hebt uw vrouwen lief, mannen – ⟨em>agape⟨/em>. Dat is onvoorwaardelijke liefde. Natuurlijk spelen er in het huwelijk ook nog andere vormen van liefde, zoals ⟨em>phileo⟨/em>: je bent elkaars maatjes. Of de seksuele liefde; dat is in het Grieks weer een ander woord, ⟨em>eros⟨/em>. Maar hier wordt gesproken over ⟨em>agape⟨/em>. Liefde geven. Dat is trouwens ook de essentie van de huwelijkse liefde: het is onvoorwaardelijke liefde. Het is niet gebaseerd op sympathie, niet op de ander 'lief vinden', maar de ander 'lief hebben'. Dat is een heel belangrijk verschil. Het is dus niet gebaseerd op sympathie. Natuurlijk is het mooi als er sympathie is, of veel meer dan dat, maar het idee is: je geeft, je hebt je vrouw lief.⟨/p> ⟨p>En dat betekent in de praktijk ook altijd: de ruimte geven. Ik kende ooit een broeder die het zo definieerde: "Wat is liefde? Dat is de ander de ruimte geven." Ik ben nooit een betere definitie tegengekomen. Ik weet niet of die direct uit de Bijbel komt – daar blijf ik vanaf – maar ik vond hem wel erg mooi: liefde is de ander de ruimte geven.⟨/p> ⟨p>Mannen, heb de vrouw lief. En dan staat er nog bij, van een tegenstelling gesproken: "en wees niet ruw tegen haar." U ziet het al: in de ⟨em>Concordant Version⟨/em> wordt dit vertaald met 'bitter'. En dat is terecht, want dit woord komt vier keer voor in het Nieuwe Testament. In de NBG-vertaling wordt het de overige drie keren ook weergegeven met bitter, alleen hier wordt het vertaald met ruw. Maar het is dus gewoon echt bitter. Denk aan het water dat bitter was geworden; dat water was niet ruw geworden, het was bitter geworden. Over de betekenis hoeft dus geen twijfel te bestaan.⟨/p> ⟨p>Mannen, heb de vrouwen lief. Laat hen werkelijk ook vrouw zijn en geef hen de ruimte. En wees niet bitter tegen haar. Waarmee trouwens ook iets gezegd is over de valkuil juist voor een man: het is heel gemakkelijk om bitter te worden. Ik denk dat dat inderdaad wel dicht bij de betekenis van 'ruw' ligt. Een man heeft juist, ook omdat bij het mannelijke de kracht veel meer op de voorgrond treedt dan bij de vrouw, de neiging dat hij gemakkelijker in een agressieve rol vervalt. Ik weet niet hoe ik het goed moet zeggen, maar dat is het idee. Maar: wees niet bitter tegen haar.⟨/p> ⟨p>Nog één opmerking: het is ook het tegendeel van genade. Laten we die draad vooral vasthouden, want Paulus was in vers 17 begonnen met: "al wat gij doet met woord of werk", in welke verhouding je ook staat – als vrouw, als man, als kind, als oudere – doe alles in de naam van de Heer Jezus, God de Vader dankende door Hem. Het hele leven wordt gedragen door dankzegging. En daar waar dankzegging is, daar is uiteraard geen plaats voor bitterheid. Dat is een contrast. Dus als hier gesproken wordt: "Mannen, hebt uw vrouwen lief", dan staat dat in contrast met bitterheid. Dat is niet alleen maar iets anders, nee, het is het tegendeel: vreugde versus bitterheid, genade versus bitterheid.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1825" title="Speel af vanaf 30:25">▶ 30:25⟨/button> ⟨span>Kinderen, Gehoorzaam Uw Ouders in Alles⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan vers 20. Ja, kinderen, u ziet het: hier wordt weer eerst gesproken tot degenen die ondergeschikt zijn, ondergeplaatst zijn, die gezag ontvangen. "Kinderen, gehoorzaamt uw ouders in alles." In het Grieks staat er: "De kinderen, wees gehoorzamend aan de ouders in alles." Gehoorzaamt is wel een mooi woord, want in het Grieks is dat letterlijk onderhorend. Dat kennen we in het Nederlands trouwens ook nog: een onderhorige. Dat is iemand die ondergeschikt is, maar het idee is dat diegene zich hiërarchisch onder de ander bevindt. En wat wordt iemand dan geacht te doen? Te luisteren.⟨/p> ⟨p>Dat wordt juist van de kinderen gezegd. Van de vrouw wordt gezegd: neem een houding aan om hem als de heer te erkennen, dat wil zeggen: erken de man als degene die leiding geeft, als hoofd. Maar tegen de kinderen wordt gezegd: luister. Dus als een kind de Heer kent, of als in dat huis de Heer gediend wordt, waarin blijkt dat dan? Nou, dat kinderen luisteren naar hun ouders en gehoor geven aan hen. En daar staat nog bij: "want dit is welbehagelijk in de Heer." Dit is aangenaam in de Heer. Zo’n huis — hier wordt gesproken over een huis waarin men leeft in dankzegging en wandelt in genade — is een huis waarbij vrouwen, mannen en kinderen hun plaats innemen.⟨/p> ⟨p>Wat mag een ouder van een kind verwachten? Dat een kind inderdaad luistert naar dat wat gezegd wordt. Waarbij het zo opmerkelijk is dat als dit hier gezegd wordt tegen de kinderen, tevens ook meteen — dat zullen we nu in vers 21 zien — de vaders worden aangesproken. Daarmee wordt aangegeven dat men in een zodanige verhouding staat dat, laat ik het zo zeggen, als het kind luistert, het zoveel gemakkelijker wordt voor de ouders om werkelijk als ouder op te treden, als een goede ouder.⟨/p> ⟨p>Misschien moet ik het omkeren, want de verhouding is natuurlijk eerst dat de ouders horen voorop te gaan. Die hebben hun kinderen lief, geven leiding op een goede wijze en dan is het voor een kind ook zo gemakkelijk om naar hun ouders te luisteren. Voordat ik nu naar vers 21 ga, nog één ding: je zou niet naar de ander moeten kijken. Kijk, Paulus spreekt de kinderen aan en een kind heeft maar één ding te doen ten opzichte van zijn ouders en dat is te luisteren. Gewoon in de positie van ondergeschiktheid, onderhorig, te luisteren naar de ouders. Meer niet. Dat is de Heer welbehagelijk, dat is "well-pleasing".⟨/p> ⟨p>Zo worden ook de mannen aangesproken en de vrouwen worden aangesproken. Al die categorieën worden op zich aangesproken. En dan gaat het niet aan dat een ouder vervolgens tegen zijn kind zegt: "Jij moet naar mij luisteren!" Nee, de kinderen worden aangesproken op dat wat zij hebben te doen, net zo goed als de vrouw wordt aangesproken en de mannen worden aangesproken. En dat wat de taak is van de ander, dat is jouw zaak dus niet. Ik zeg het er maar even bij omdat het nog wel eens een keer zo wordt ingevuld van: "Ja, jij moet naar mij luisteren."⟨/p> ⟨p>Als ik vader ben — laat ik eventjes de hand in eigen boezem steken of in mijn eigen schoenen blijven staan — ik ben vader, ik ben man, dan heb ik te doen wat mij als man te doen staat. Namelijk mijn vrouw liefhebben en niet bitter tegen haar te zijn, oftewel te wandelen in genade. En ook werkelijk als vader op te treden en niet mijn vrouw voor te houden: "Jij moet mij onderdanig zijn." Dat is de taak, of dat is wat tegen de vrouw gezegd wordt; dat is niet mijn zaak. In wezen is het, als je dat wel doet, al een bewijs of op zijn minst een aanwijzing dat je niet wandelt in genade. Het is namelijk een voorrecht om een man te zijn, zoals het ook een voorrecht is om een vrouw te zijn en je man de credits te geven die hem als man dan weer toekomen. Dat is een voorrecht, om zo in die verhoudingen te leven en God dus daarin ook te danken.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2174" title="Speel af vanaf 36:14">▶ 36:14⟨/button> ⟨span>Vaders, Prikkel Uw Kinderen Niet tot Moedeloosheid⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Laat ik nu naar vers 21 toegaan. Vaders... heel opmerkelijk, juist de vaders worden hier toegesproken. In de Efezebrief, waar we het parallelle gedeelte aantreffen in Efeze 6, worden de ouders aangesproken, dus vader en moeder. Maar hier specifiek de vaders, waarschijnlijk omdat zij kennelijk gemakkelijk misstappen hierin begaan. Er staat dit: "Vaders, prikkelt uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden." Het staat er net even anders, maar laat ik, voordat ik er wat over zeg, eerst nog even wijzen op dit woord "prikkelen".⟨/p> ⟨p>U ziet het: "Vaders, wees niet provocerend of prikkelend naar jullie kinderen, zodat ze niet moedeloos worden." Dit is harder, daar kom ik straks nog even op terug. Maar eerst even dat woord "prikkelen". Dit woord komen we een aantal keren tegen in het Nieuwe Testament. Bijvoorbeeld hier, in 2 Korinthe 9 vers 2. Ik lees het hele vers even voor; daar schrijft Paulus dit: "Want ik weet van uw bereidvaardigheid, op grond waarvan ik bij de Macedoniërs over u roem, dat Achaje sinds verleden jaar gereed staat, en uw ijver heeft de meesten tot navolging geprikkeld." Geprikkeld – dat is positieve prikkeling. Zij waren ijverig geweest om in die dienst betrokken te zijn en Paulus roemde over hen; hij vond het geweldig wat daar gebeurde. Dat is positieve prikkeling.⟨/p> ⟨p>Maar Paulus spreekt hier over een vorm van prikkelen die moedeloos maakt. In het Grieks staat daar een woord dat letterlijk betekent "zonder gevoel". Wij zeggen dan murw of ontmoedigd; dat is het idee. Vaders, prikkelt uw kinderen niet, zodat zij moedeloos worden. Het gaat er dus niet om dat ze niet geprikkeld worden. Het gaat erom dat ze niet geprikkeld worden op een manier dat ze moedeloos worden. Want je kunt het namelijk – ik liet het al zien vanuit 2 Korinthe 9 – en het lijkt mij zelfs de bedoeling voor ouders om hun kinderen te prikkelen, te stimuleren of te provoceren. Waarom niet? Provocatie is helemaal geen negatief begrip, maar "prikkelen" is wellicht beter. Prikkelen zodat ze gestimuleerd worden om de dingen te doen, aangespoord worden, aangevuurd worden.⟨/p> ⟨p>Ook hier zie je dat de vaders aangesproken worden, namelijk dat ze de lat zo hoog leggen voor hun kind dat het daar toch niet toe kan komen. Er wordt zoveel van het kind verwacht, en als hij dat niet bereikt: "Ja, jij kunt niks." Ik zou daar zo een aantal voorbeelden van kunnen geven, verhalen die ik zelf gehoord heb. Godzijdank heb ik zelf die ervaring niet gehad met mijn vader; dat is een zegen. Maar dat je juist als je iets onderneemt, gestimuleerd wordt. Als het dan niet goed gaat... Je onderneemt als kind iets, en hoe is dan vervolgens de reactie? "Jij kunt het toch niet." Zodat er al in een heel vroeg stadium een minderwaardigheidscomplex wordt aangepraat. In een bepaalde houding van: het is niet goed of het deugt niet. Altijd maar een mopperende vader. Begrijp je wel?⟨/p> ⟨p>Als we even de draad vasthouden: het gaat over genade in huis. Nou, als kinderen luisteren naar hun ouders, vrouwen aan de man ondergeschikt zijn, mannen hun vrouw liefhebben en niet bitter tegen hen zijn, dan is het aan de vaders om hun kinderen zodanig te prikkelen dat ze niet moedeloos worden. Integendeel: als ze niet moedeloos worden, worden ze juist bemoedigd, aangevuurd en aangespoord. Positief inderdaad; ze krijgen injecties om de dingen te doen, om te ondernemen, etcetera. Nou ja, je zou hier zo hele verhalen over kunnen houden.⟨/p> ⟨p>Ik weet zeker dat terwijl ik deze dingen vertel, ieder dat voor zichzelf kan vergelijken met zijn eigen ervaring. Hoe was je vader? Hoe ben je zelf als vader daarin? Iedereen voelt wel aan hoe geweldig het is om, als je vader bent, je kinderen inderdaad zodanig te prikkelen dat ze aangemoedigd worden. Dat is een voorrecht, wat zichzelf trouwens ook altijd weer uitbetaalt. Terugbetaalt, wat wil zeggen: je krijgt er weer zoveel voor terug. Dat is het mooie van genade bewijzen. Daar waar je genade mag geven aan de ander, daar komt die genade ook terug. Dus die dingen bewijzen zichzelf. Oké.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2545" title="Speel af vanaf 42:25">▶ 42:25⟨/button> ⟨span>Slaven, Gehoorzaam Uw Heren Naar het Vlees⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Wat het prikkelen van de vaders betreft, en dan vers 22: "Slaven, gehoorzaamt uw heren naar het vlees in alles." Nu komen we bij een categorie die wij in die verhouding niet meer zo kennen, want wij kennen geen slavernij meer. Althans, je zou van bepaalde beroepen nog kunnen zeggen dat het niet zo heel veel verschilt van slavernij; mensen die gekocht worden voor een bepaald bedrag. Ik denk nu even aan een artikel dat ik meen vorige week te hebben gelezen over de transfersommen in de voetbalwereld, waarbij het eigenlijk ook een vorm van slavernij is, hoewel het een zeer goed betaalde job is. Maar ik heb gelezen dat ook slaven in die tijd soms grote sommen geld kregen. Dat wel. Dus slaven staan bij ons natuurlijk in een heel negatief daglicht, maar dat hoefde helemaal niet het geval te zijn.⟨/p> ⟨p>Het verschil tussen een slaaf en een werknemer is dat een slaaf een lijfeigenaar is. Je bent gewoon van jouw heer; je hebt dus in die zin ook geen vrijheid. Je bent gewoon van jouw heer. Een werknemer heeft daarentegen gewoon een contract met zijn werkgever. Op de uren dat hij beschikbaar geacht wordt te zijn, is hij er, en daarnaast heb je je vrije tijd. Je bent geen lijfeigenaar. Maar je had natuurlijk tal van heren die heel goed waren voor hun slaaf. Wat Paulus in zijn brieven nooit doet, is actievoeren of een concept neerleggen waarbij er statements worden gemaakt tegen het verschijnsel slavernij. Nooit vind je dat. Nergens lees je in zijn brieven dat hij tegen slavernij is of dat hij beoogt dat te veranderen. Paulus is daarin nooit politiek actief geweest; dat was totaal niet aan de orde. Er waren nu eenmaal slaven in die verhoudingen waarin een mens nu eenmaal staat in het leven en waarin hij Hem mag kennen, want Paulus spreekt hier natuurlijk specifiek de gelovige slaven aan.⟨/p> ⟨p>Hij adviseert hen niet om tegen hun heer tekeer te gaan of zich aan de slavernij te onttrekken. Nee, als je slaaf bent, dan staat er: "Gehoorzaam uw heren naar het vlees in alles." Je bent van hem. Het gaat dus helemaal niet om de vraag of dat terecht is of dat slavernij goed zou zijn. Dat is niet aan de orde; het wordt niet ethisch benaderd. Je bent een slaaf en wat je geacht wordt dan te doen en te zijn, is ondergeschikt en dus ook onderhorig aan de heren naar het vlees. Er is namelijk ook nog een andere Heer, maar dat is naar de geest. Daar wordt pas aan het eind van het vers over gesproken.⟨/p> ⟨p>"Slaven, gehoorzaamt uw heren naar het vlees in alles... niet als mensenbehagers om hen naar de ogen te zien." Letterlijk staat er dit: niet in ogenslavernij. Dat is de volgorde. Het idee van ogenslavernij is dat je een slaaf bent die zijn heer naar de ogen ziet. Dat is trouwens niet alleen iets voor slaven, maar dat geldt in veel breder verband, ook voor werknemers. Het houdt in dat je je goed opstelt en in een goed blaadje probeert te komen op het moment dat jouw baas of jouw heer in de buurt is. Hij ziet de dingen en dan zet je je beste beentje voor. Dat is oogendienst, ogenslavernij. Dus alleen voor het oog van je meester ben je goed bezig, maar zodra hij weer buiten het zicht is, stel je je anders op. Dat is ogenslavernij, als mensenbehagers, om altijd maar mensen te pleasen.⟨/p> ⟨p>Wat Paulus hier naar voren brengt, is dat je je heer ondergeschikt bent omdat je een Heer in de hemel hebt. Laat ik meteen dat laatste deel van het vers erbij betrekken: "Maar in eenvoud van hart, vrezende de Heer." Let op, in het begin van het vers werd er gesproken over uw heren naar het vlees. Je hebt een heer door wie jij ooit gekocht bent; jij bent zijn lijfeigene en dus zijn slaaf. Maar, zegt Paulus dan, die heer boven jou representeert de Heer. En als jij je heer gehoorzaam bent, dan doe je dat niet om hem, maar om de Heer. Hier wordt ook een bepaald lidwoord gebruikt: vrezende de Heer, de echte dus. In die verhoudingen wordt in deze verzen, ook in de voorgaande rollen die genoemd werden, iedere keer gesproken. Degene die boven je staat, representeert de Heer. Dat was de man, de ouders en in dit geval ook de heren, de meesters.⟨/p> ⟨p>Er staat dus: als je een heer hebt die misschien niet deugt of die zich op een hele onaangename manier opstelt en het je moeilijk maakt — ook daarvan vinden we in het Nieuwe Testament meerdere voorbeelden — juist dan komt het erop aan dat je je ervan bewust bent dat het om Hem gaat. Om de Heer. In eenvoud van hart, dat wil zeggen: het gaat om die Ene, de Heer. Vrezende de Heer, in ontzag voor de Heer. Trouwens, de laatste zondag van de maand, dat is volgende week zondag, spreek ik in Zoetermeer en die samenkomst heeft ook dat thema: de vreze Gods. Ik wil dan wat meer ingaan op dat begrip "vrezen", wat niet te maken heeft met angst voor straf, maar met ontzag. Ontzag voor de Heer.⟨/p> ⟨p>Laten we eerst even pauzeren en dan gaan we na de pauze verder met vers 23. We hebben voor de pauze de verhoudingen besproken zoals Paulus die ter sprake brengt in Kolosse 3. De verhoudingen die er in huis zijn tussen de diverse rollen: mannen, vrouwen, kinderen, ouders en tenslotte ook de slaven. Dat spreekt misschien tot onze verbeelding omdat we die verhouding niet meer kennen, maar aan de andere kant kennen we die verhoudingen in iets gewijzigde vorm nog steeds. Hoe dan ook, ook in de werksfeer blijf je dat houden; het is een universeel principe dat je verhoudingen hebt van de meerdere en de mindere, oftewel een gezagsverhouding.⟨/p> ⟨p>Wat hier van de slaven gezegd wordt, kun je vrijwel één op één overzetten op de verhouding van een onderhorige in de werksfeer van tegenwoordig. Namelijk dat als je de genade hebt leren kennen — want dat is het uitgangspunt: wat je ook doet, in woord of werk, dank God in alles — en dat je houding is, dan zul je in de verschillende rollen en posities waarin God jou geplaatst heeft, ideaal gaan functioneren. Het is de beste smeerolie in relaties, maar ook de beste motor in het leven. De beste motivator is genade. Daar waar je God kent en een toekomst kent, waar je gelukkig in het leven bent voor alles wat Hij geeft, daar ligt de beste grond voor een ideaal functioneren. Nou, dan gaan we nu naar vers 23.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3131" title="Speel af vanaf 52:11">▶ 52:11⟨/button> ⟨span>Verricht Uw Werk Vanuit de Ziel, als voor de Heere⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Wat gij ook doet en wat jullie ook doen... En hier in vers 23 wordt nog steeds de slaaf aangesproken. De slaven worden hier aangesproken: wat je ook doet, verricht uw werk van harte. Het is trouwens opmerkelijk dat het woord 'hart' hier eigenlijk niet gebruikt wordt, maar 'ziel'. Uit de ziel. Waarbij de ziel niet zozeer een onderdeel is — ik weet het, dat is trouwens een Grieks idee, bekend is de leer van Plato waarbij de mens een ziel heeft, een onsterfelijke ziel nog wel — maar in de Bijbelse gedachte heeft de mens geen onsterfelijke ziel, maar is de mens een ziel. Alzo werd de mens, de eerste keer dat het woord in verband met de mens gebruikt wordt, staat er: "Alzo werd de mens tot een levende ziel." Dus de mens is een ziel. Gewoon je hele hebben en houden, zal ik maar zeggen. Je hele existentie, om het eens deftig te zeggen. Dus met alles. Zodat het idee 'van harte' er heel dichtbij komt, maar er staat dus het woord ziel. Dus wat je ook doet, verricht uw werk; doe dat werk met alles wat in je is, van jou, jij als ziel. Dat lijkt mij ook zo’n prachtige richtlijn en ook een adagium voor iemand die leeft uit genade: wat je ook doet, doe het van harte.⟨/p> ⟨p>En let op, dit wordt tegen de slaven gezegd, die dikwijls werk opgedragen kregen dat helemaal niet leuk was, door iemand die ze naar de mens gesproken misschien helemaal niet waardeerden. Maar dan nog: wat je ook doet, doe het van harte. Hoe kan dat? De reden staat erachter, namelijk "als voor de Heere en niet voor mensen". Kijk, zo leven wij. En we hebben er nu al een halve avond aan besteed, aan die dingen die hier gezegd worden, maar het is heel gemakkelijk terug te brengen tot een hele eenvoudige, simpele kern: daar waar je genade kent, daar ga je optimaal functioneren. Ook als slaaf doe je het niet voor mensen, maar je werkt, je leeft voor Hém. "Als voor de Heere, niet voor mensen", en dat maakt het hele verschil. Dus als je iets opgedragen krijgt wat helemaal niet leuk is, maakt dat niet uit. Je weet ook: die Heer van jou, die jou iets opgedragen heeft, is ook gesteld door de Heere, en je doet het daarom voor Hém. Als je het dan niet voor die méns doet, nou, dan doe je het gewoon voor Hém. Dat is de beste motivator die er bestaat. Hij beschikt dat immers toch, dus dat maakt allemaal niet zoveel verschil hoe je daar naar de mens gesproken naar kijkt. Wij leven op een heel andere manier, wij kijken daar heel anders tegenaan: wij leven niet voor mensen, maar voor de Heere.⟨/p> ⟨p>Ik wil dan nog op iets wijzen in ditzelfde verband, op Titus 2. Daar lees je in vers 9 dit — en ik lees het meteen even goed: er staat dat de slaven hun meesters onderdanig zijn in alles. Hier schrijft Paulus dus aan Titus, die achtergelaten werd op Kreta, en dan zou hij deze dingen ook onder de aandacht brengen. De NBG-vertaling zegt dan dat de slaven hun meesters "moeten" — er staat niet moeten — dat de slaven hun meesters onderdanig zijn, ondergeschikt zijn in alles. "Het hun naar de zin maken, zonder tegenspraak." Hoe gemakkelijk ligt dat niet op de loer om dan te gaan mopperen of om te gaan tegenspreken, of om misschien wel de dingen te doen, maar minimaal? Nee, het hun naar de zin maken zonder tegenspraak of oneerlijkheid. Hoe gemakkelijk ligt ook dat niet op de loer als jou onrecht wordt aangedaan, of als je denkt: mijn heer geeft mij te weinig, hij onthoudt mij datgene waar ik recht op heb? Hoe gemakkelijk ligt dan niet een verleiding op de loer om iets te ontvreemden als de gelegenheid zich daar voordoet? Ja, dat kan zomaar. Nogmaals, het gaat hier over slaven, lijfeigenen, maar dat geldt voor werknemers toch ook? Maar hier wordt dus tegen de slaaf gezegd: "zonder tegenspraak of oneerlijkheid", maar er staat: "alle goede trouw aan je heer bewijzen".⟨/p> ⟨p>En nou komt het, want daarom wijs ik erop, omdat hier zo’n schitterende motivatie ook genoemd wordt. In Kolosse 3 ook, maar hier wordt die direct gemaakt: dan staat erbij "om de leer" — al deze dingen: onderdanig, het hun naar de zin maken, zonder tegenspraak, zonder oneerlijkheid, goede trouw bewijzen. Waarom? Dit is de motivatie: "om de leer, het onderwijs van God onze Redder in alles tot sieraad te strekken." Of andere vertalingen zeggen: "om in alles te versieren." Zodat je leven, je wandel als slaaf, een sieraad wordt voor de leer van God onze Redder. Wij geloven, zegt Paulus tegen die slaven, dat God de Redder is van alle mensen — maar daar kom ik nog op — en die leer mag je gaan versieren in je leven, gewoon in je opstelling. Zodat als dat gedrag, als dat leven, die wandel van die slaaf gezien wordt: wauw, dat is geweldig. Dat het een sieraad is voor het getuigenis dat hij misschien bij gelegenheid mag uitbrengen als daarna gevraagd wordt. Want dit elfde vers is redelijk bekend, maar dat het staat in déze context is veel minder bekend. Dus er wordt gesproken over die slaven die de leer van God onze Redder in alles versieren, en dan staat erbij: "Want" — dus het is de motivatie — "de genade Gods is verschenen, reddend voor alle mensen."⟨/p> ⟨p>Wat is die leer van God onze Redder? Wel, dat is dit onderwijs dat Paulus predikte, het evangelie: namelijk dat de genade van God reddend is verschenen aan alle mensen. En dit komt heel erg dichtbij wat we lezen in 1 Timotheüs 4 vers 10: "dat de levende God een Redder is van alle mensen, speciaal van hen die geloven." Nou, hier wordt dat direct betrokken als motivatie voor de opstelling van een slaaf die kennelijk — dat is de achtergrond — zich in heel onaangename omstandigheden bevindt. Maar juist die duistere omstandigheden zijn juist een des te betere aanleiding om de leer van God te versieren. Dat licht straalt juist des te sterker tegen zo’n donkere achtergrond. Dus dat wat die slaven betreft. En ja, ik blijf erop hameren hoe hier de genade geëtaleerd wordt. Het gaat hier dus absoluut niet over het leggen van lasten of plichten op mensen. Nee, het is een voorrecht om te leven uit genade. Of je nou slaaf of man of vader of vrouw of echtgenote of whatever bent, om in die positie Gods genade te versieren in alles. Zodat dat voortreffelijke gezien wordt en getoond wordt, gedemonstreerd wordt in je leven. Nou, dat is een stralend leven. Sorry, maar ik weiger dat een plicht te noemen. Dat is een voorrecht, dat is genade.⟨/p> ⟨p>Goed, wat je ook doet, verricht uw werk uit de ziel, als voor de Heere en niet voor mensen. En dan staat er: "gij weet toch dat gij van de Heere..." — nou moeten we even opletten. Er staat in de NBG-vertaling: "tot vergelding de erfenis zult ontvangen, gij dient Christus als Heer." Maar nee, het staat er net even anders. Nogmaals, de slaven worden hier aangesproken. En tegen die slaven wordt gezegd: je bent ervan bewust dat je van de Heere zult ontvangen, dat klopt, maar niet "tot vergelding de erfenis", maar de compensatie van het erfdeel of van het lotsdeel. Niet: je zult tot vergelding de erfenis ontvangen. Nee, jij bent je ervan bewust dat dat erfdeel, dat lotsdeel, de compensatie is. Hoe moet ik het verschil goed zeggen? Het is dus niet: je zal als vergelding dat lotsdeel krijgen. Nee, dat lotsdeel is de vergelding, of pardon: de compensatie. Met andere woorden: je wordt hier onrecht aangedaan, je krijgt tekort of je wordt als slaaf vernederd. Paulus zegt: don't worry, de compensatie is er straks. Dat erfdeel heb je nu al, maar goed, straks wordt dat gemanifesteerd en zullen we dat in levenden lijve allemaal zo ook meemaken, maar die compensatie die wacht je, absoluut zeker. Dus dat onrecht... het idee is daarbij: maak je geen zorgen over dat onrecht, want dat wat je nu tekort gedaan wordt, dat wordt allemaal gecompenseerd. Dat is dat lotsdeel wat we hebben ontvangen.⟨/p> ⟨p>Gij dient Christus als Heer. Let op, dat woord 'Heer' heeft dus te maken met eigenaar. Aan de Heer Christus ben jij onderworpen. Dat woord 'dienen' betekent dienen als slaaf: 'slaving', 'you are slaving'. Bij ons is dat geen werkwoord — ik slaaf, jij slaaft, wij slaven — maar in het Grieks is dat wel het geval. Je 'slaaft' Christus als Heer. Jij bent dus een slaaf en Hij is de Heer. Zo is de verhouding.⟨/p> ⟨p>Zelfs die verhouding waarvan wij zeggen dat die inmiddels is afgeschaft — en het is maar goed ook dat die er niet meer is — wordt door Paulus gebruikt om de zaak op een veel hoger plan te brengen, op het hoogste plan zelfs. De verhouding van slaaf en heer zoals die gewoon op aarde was, met alle toestanden die er soms bij kwamen kijken, wordt hier geplaatst in het perspectief van de verhouding tot de Heer, Christus. Wij die Hem als Heer kennen, weten dat Hij voor ons zorgt en ons geeft wat we nodig hebben. Wij zijn Zijn slaven, en ook dat is een voorrecht. Want in die sfeer wordt het hier getrokken: Hij is onze Heer en Hij zorgt voor ons. Hij geeft ons alles wat we nodig hebben. Kortom, het is het mooiste wat er is om Zijn lijfeigenen te zijn. En bovendien zijn we ook nog eens in vrijheid geplaatst.⟨/p> ⟨p>Vers 25. Voordat ik verder lees: Paulus gaat hier nog even door op de valkuilen waar een slaaf zo gemakkelijk in zou kunnen vallen, namelijk het doen van onrecht. We lazen daar zojuist ook over in de brief aan Titus, over oneerlijkheid of 'ontvreemden'. Elders wordt dat ook zo gezegd van de slaaf die iets ontvreemt van zijn heer. Maar, zegt Paulus dan: wie onrecht doet, zal zijn onrecht terugontvangen.⟨/p> ⟨p>Het woord 'onrecht' is een heel correcte weergave, maar het is opmerkelijk dat als je dit woord elders leest, bijvoorbeeld in het boek Openbaring, het vaak vertaald wordt met 'schade toebrengen'. In de passages waar ik naar verwijs, gaat het over het toebrengen van schade aan het gewas, aan de aarde of aan de zeeën; daar staat precies dit woord. Het idee is dus: als je onrecht doet aan jouw heer, hem schade toebrengt, hem beschadigt of kwetst — onrecht aandoet dus — dan zul je dat onrecht terugontvangen. Want er is geen aanzien des persoons.⟨/p> ⟨p>In verklaringen heb ik meer dan eens gelezen dat dit betrokken wordt op de wederkomst, in de zin dat de Heer jou dan onrecht zou aandoen. Dat is uiteraard uitgesloten. Als de Heer straks komt, zal Hij ons geen onrecht aandoen. Natuurlijk niet, want dan wacht ons juist de heerlijkheid en het erepodium. Ik weet wel dat hout, hooi en stro zullen vergaan, maar dat betekent helemaal niet dat wij onrecht als vergelding zullen ontvangen.⟨/p> ⟨p>Waar het hier over gaat, is dat wanneer jij een slaaf bent en je doet je heer onrecht aan, je daarvoor de vergelding zult ontvangen, ongeacht wie je bent. Ook als je een gelovige bent en je loopt tegen de lamp, om maar wat te noemen, dan zul je daarvoor de gevolgen dragen. Er wordt dan niet gekeken van: 'Ja maar, jij bent een gelovige, jou ontzien we wel.' Nee, ook als je als gelovige jouw heer onrecht aandoet en niet doet wat je geacht wordt te doen, dan zul je daar de rekening voor gepresenteerd krijgen. Dat gebeurt zonder aanzien des persoons, ook als een gelovige zoiets doet. Dat is het idee. Of zoals wij zeggen: wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten. Dat is zonder aanzien des persoons; het is een heel logisch principe dat Paulus hier ook aangeeft.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4121" title="Speel af vanaf 01:08:41">▶ 01:08:41⟨/button> ⟨span>Heren, Betracht Recht en Billijkheid Jegens Uw Slaven⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Maar nu zijn we inmiddels in vers 1 van hoofdstuk 4 aangekomen. Heren. Hier werden dus eerst de slaven aangesproken, en nu ten slotte worden de heren, de eigenaren, geadresseerd. "Betracht jegens uw slaven recht en billijkheid." Ook hier is het weer zo logisch. Is dit nou iets extra's of iets heel bijzonders dat van een heer verwacht wordt? Nee, in elke rol die hier aan de orde wordt gesteld, wordt datgene beschreven waarvan iedereen kan inzien dat het logisch is; dat het inderdaad voortreffelijk is.⟨/p> ⟨p>Wat mag je van een heer verwachten die genade kent en die een slaaf heeft? Nou, dat hij inderdaad zijn slaven recht doet en geeft wat ze verdienen. En dat hij ook billijk is: proportioneel en redelijk. Dat hij geen dingen verwacht die niet billijk zijn. Kortom, dat je een goede heer bent voor je slaaf. De slaven waren eerder aangesproken om goede slaven te zijn en hier worden de heren aangesproken: betracht jegens uw slaven recht en billijkheid.⟨/p> ⟨p>Dat wordt dan gemotiveerd: "Gij weet toch," of "wetende," dat jullie ook een Heer in de hemel hebben. Met andere woorden: jullie zijn zelf heer, maar als je het plaatst tegen het licht van de Heer, zijn jullie zelf ook slaaf. Denk daaraan, wetende dat jullie ook een Heer in de hemel hebben die jullie recht doet. Dat is het idee: dat Hij jullie recht doet, dat Hij billijk is en ook voor Zijn slaven goed is.⟨/p> ⟨p>In mijn bijbeltje begint er dan weer een nieuwe pericoop, als ik me niet vergis in vers 2 van hoofdstuk 4. Klopt dat? Ook in de NBG-vertaling? Niet? Nou, het is in ieder geval zo dat vanaf vers 18 van hoofdstuk 3 tot en met hoofdstuk 4 vers 1 de verhoudingen in huis in de ruime zin van het woord – in huis, maar ook in de werksfeer – worden besproken. En dan vanaf vers 2...⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4298" title="Speel af vanaf 01:11:38">▶ 01:11:38⟨/button> ⟨span>Volhard in het Gebed en Wees Waakzaam in Dankzegging⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Vanaf dit vers worden de gelovigen in het algemeen weer aangesproken, waarbij als eerste gezegd wordt: volhard in het gebed. Dat wil zeggen: blijf daarin volhouden, houd die verhouding met boven open. Houd daarin vol. En we moeten dat tweede er direct bij betrekken: "wees daarbij waakzaam en dankt". Maar eigenlijk staat het er niet precies zo; er staat: "weest waakzaam zijnde daarin". Hoe dan? Niet "en danken" alsof dat iets nieuws is. Nee: volhard in het gebed, wees daarbij waakzaam in dankzegging.⟨/p> ⟨p>Waarin bestaat die waakzaamheid? Wel, die bestaat eruit dat je dankt. Met andere woorden, als hier gezegd wordt: "houd vol in het gebed", dan zegt hij: wees daarbij alert en waakzaam. Bedenk voortdurend dat je dankt. Dat gebed waarin wij volhouden, bestaat dus uit dankzegging. Wees erop alert dat je bidden geen verlanglijstje is. Nee, zorg dat je er alerter op bent, als je volhardt in het gebed, dat je dankt. Dat is een groot verschil. Die waakzaamheid bestaat er nu juist in dat je God dankt.⟨/p> ⟨p>Dat brengt ons gebedsleven precies op de toonhoogte waarin we leven, namelijk die van genade. Hoezo verlanglijstjes invullen en indienen bij God? Dat is totaal niet aan de orde. Van Paulus lees je nooit dat hij de Heer vraagt in verband met aardse omstandigheden. We hebben heel wat gebeden in zijn brieven, kijk maar eens een keertje na, maar nooit lees je dat hij de Heer vraagt in verband met aardse omstandigheden. Eén keer deed hij dat wel, in verband met die doorn in het vlees. Daar had hij drie keer om gebeden – hij noemt het een engel van Satan – en wat was het antwoord? "Paulus, Mijn genade is u genoeg." Dat is de enige keer zover ik weet – corrigeer me als ik onvolledig ben of iets over het hoofd zie – dat ik in de Bijbel ben tegengekomen dat Paulus bidt voor aardse omstandigheden. Dat heeft hij tot drie keer toe gedaan en toen kreeg hij het antwoord: "Mijn genade is u genoeg."⟨/p> ⟨p>Als dat kwartje valt, wat ga je dan doen? Dan ga je juist danken. Hoezo? De Heer weet toch wat we nodig hebben? Hij geeft dus datgene wat je nodig hebt, en dus dank je Hem. Het gebed dat Paulus bidt, is altijd het gebed in verband met het Woord en het zicht op het Woord; dat de ogen van het hart verlicht mogen worden. Als we nu doorbladeren naar vers 3, komen we daar meteen op uit. Dat is een prachtige illustratie van wat ik bedoel. Maar dit is dus even in het algemeen: dankzegging.⟨/p> ⟨p>Vervolgens zegt hij: "En bid tevens voor ons." Nu zou je kunnen denken: Paulus was een gevangene, wat zou je nu voor een gevangene bidden? Vrijlating? Nee, dat is totaal niet aan de orde. Hij spreekt in verband met het Woord, dat dat gesproken zou worden. Eerder al hebben we in de eerste bijbelstudies in deze plaats gezien dat Paulus bad dat we besef zouden krijgen van Zijn wil en dat we besef zouden krijgen van de rijkdom van Zijn genade. Verlichte ogen van het hart, die dingen bidden we elkaar ook toe: dat we steeds meer oog gaan krijgen voor de rijkdom van Hem.⟨/p> ⟨p>Ons praktische leven, de dingen van alle dag, daar danken we voor. We weten namelijk dat Hij alles geeft. Natuurlijk kun je al je wensen bekendmaken bij Hem, maar ook dan staat erbij: "met dankzegging". Je maakt je wensen bekend en je zegt God bij voorbaat al dank, want of Hij het nu geeft of niet, Hij heeft altijd iets beters. Wij vragen Hem soms om zilver, maar God geeft jou nooit zilver; Hij geeft jou goud. In die sfeer kunnen we onze wensen bekendmaken, want op voorhand weten we dat Hij ons altijd het beste geeft. Dat besef en die wetenschap zorgen er juist weer voor dat je gaat danken. Nu ben ik bij vers 3 aangekomen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-12" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4680" title="Speel af vanaf 01:18:00">▶ 01:18:00⟨/button> ⟨span>Een Geopende Deur van het Woord⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En bid tevens voor ons, biddende op hetzelfde moment — ⟨em>at the same time⟨/em>, tegelijkertijd — ook aangaande of omtrent ons, dat God een deur voor ons van het woord opene. Dat staat erin. Kijk, dat God voor ons zou openen, niet een deur ⟨em>voor⟨/em> het woord, maar een deur ⟨em>van⟨/em> het woord. Wat is dat? Dat God voor ons een deur van het woord opent? Ik heb altijd gedacht, tot voor kort, dat hier gesproken wordt over een gelegenheid die zich zou voordoen, een terrein dat voor Paulus ontgonnen zou worden waardoor hij zou kunnen spreken. Maar het gaat hier niet over een deur ⟨em>voor⟨/em> het woord, maar over het feit dat God een deur ⟨em>van⟨/em> het woord opene.⟨/p> ⟨p>Wat is de deur van het woord? We moeten niet te moeilijk denken, maar heel simpel: wat is nu de deur van het woord? De mond. Gewoon je mond. Hoe komt mijn woord naar buiten? Gewoon doordat ik mijn mond open. De deur van het woord is de mond. Als God voor ons een deur van het woord opent, dan zeggen we daarmee dat Hij mijn mond opent.⟨/p> ⟨p>Ik ga het bewijs daarvoor nog eens leveren. Ik zal u nog een voorbeeld geven om het bewijs te leveren, want ik heb al dikwijls tijdens deze studies erop gewezen dat de Kolossersbrief en de Efeziërsbrief in veel opzichten parallel lopen. Ze zijn niet alleen ongeveer tegelijkertijd geschreven en verzonden, maar ze lopen in allerlei opzichten parallel. En wat blijkt nu? In het parallelle gedeelte van dit vers, in Efeziërs 6, wordt dit precies ook zo gezegd. Daar gaan we nu even naartoe.⟨/p> ⟨p>Ja, inderdaad, dit is dus de deur van het woord. Ik ga het u laten zien in Efeziërs 6 vers 19. Ook daar gaat het erover dat Paulus vraagt om voor hem en zijn medewerkers te bidden: "Ook voor mij, dat mij bij het openen van mijn mond het woord geschonken worde, om vrijmoedig het geheimenis van het evangelie bekend te maken." Wat is de deur van het woord? Dat is gewoon het openen van de mond. Die moet geopend worden, zodat het woord vrijmoedig gesproken kan worden. Dat kan niet missen: de opening van de mond.⟨/p> ⟨p>Het betreft dus voor ons dat God een deur van het woord opent. En wat dacht u? Het volgende zinsdeel zegt dat ook gewoon expliciet: "om te spreken". Want als Hij je mond opendoet, dan ga je spreken.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-13" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4888" title="Speel af vanaf 01:21:28">▶ 01:21:28⟨/button> ⟨span>Het Geheimenis van Christus en Afsluiting⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Om te spreken van het geheimenis van de Christus. Te spreken van het geheimenis, of de verborgenheid, van de Christus. Als u een Statenvertaling hebt, staat er: de verborgenheid. Dat wat nu verborgen is, of dat wat verborgen is. Trouwens, opmerkelijk: in het parallelle gedeelte waar ik net op wees in Efeze 6 wordt gesproken over het geheimenis, de verborgenheid van het evangelie, van het goede bericht. Ook om in vrijmoedigheid de verborgenheid van het evangelie bekend te maken. Hier wordt gesproken om te spreken van de verborgenheid van de Christus, ter wille waarvan ik ook gevangen zit. Dat geheim, de verborgenheid van de Christus.⟨/p> ⟨p>Eerder in deze brief had Paulus daar al over geschreven. Ik maak even dit vers rond en dan sluiten we af. In Kolosse 1 had Paulus al een aantal keren het woord 'verborgenheid' gebruikt. Dat is een van de sleutelbegrippen, met name in die brieven die hij vanuit de gevangenis geschreven heeft. Dan lees je dit in Kolosse 1 vers 27 — het is overigens niet de eerste keer dat hij dit woord gebruikt: "Hun wil God bekendmaken..." De heiligen die nu apart gezet zijn, de gelovigen. "Hun wil God bekendmaken de rijkdommen van de heerlijkheid van deze verborgenheid te midden van de natiën." En wat is dat? Dubbele punt: Christus onder jullie (dat wil zeggen: de natiën), de hoop der heerlijkheid.⟨/p> ⟨p>Daar moeten we de volgende keer maar eens wat dieper op ingaan, want het is nu eigenlijk te laat om dat nu nog echt goed aan te stippen. Ik wil er alleen nog dit van zeggen: de verborgenheid heeft alles te maken met dat wat God in deze tijd, in deze huishouding doet. Namelijk dat het heil naar de natiën is gegaan. Israël is terzijde gesteld en de boodschap is aan de heidenen toevertrouwd. Christus is verborgen. Niet Christus is openbaar in deze wereld waarbij Hij Zichzelf openbaart vanuit Jeruzalem, vanuit Israël. Nee, Hij is verborgen. Christus is verborgen te midden van de natiën en dat is de hoop der heerlijkheid, de verwachting van de heerlijkheid.⟨/p> ⟨p>Daar had Paulus natuurlijk ook al over gesproken: Christus, de Redder van deze wereld. Dat is de boodschap die juist in deze economie, in deze huishouding doorgegeven wordt. Maar nogmaals: alles is verborgen. Alles wat God vandaag doet is verborgen. Aan Paulus is dat geopenbaard; aan hem. Voorheen, zo schreef hij ook al in het eerste hoofdstuk, was dat altijd verborgen gehouden. Al de voorgaande generaties en aionen is het verborgen gebleven en het is aan de apostel Paulus geopenbaard. Een exclusieve boodschap is aan hem gegeven, namelijk het geheimenis of de verborgenheid.⟨/p> ⟨p>En als hij zegt: "Bid voor ons", waarom dan? Niet om bevrijding uit de gevangenis. Nee, dat onze mond geopend zou worden en we zouden spreken van de verborgenheid van de Christus, ter wille waarvan ik ook gevangen zit. Maar daarover graag een volgende keer. En als ik zeg "de volgende keer", dan had ik ook kunnen zeggen "volgend jaar", want dat is het dan inmiddels. 3 januari heb ik begrepen, vandaag over twee weken, want dan zetten wij de studie voort. Wellicht nog een of twee keer over deze brief aan de Kolossers en dan moeten we het er nog maar eens over hebben waar we dan mee verder gaan als we de Kolossersbrief besproken hebben.⟨/p> ⟨p>Ik houd me voor suggesties aanbevolen, en als ik die suggesties niet krijg: don't worry, ik heb zelf ook nog wel een goed idee. Ik denk zelf aan de Galatenbrief, maar als u een beter idee hebt? Romeinen? Dat is zo lang. Ja, die hebben we dan ook wel meer dan nodig. Nou ja, daar hebben we het nog over wat we zullen beslissen. We hebben in ieder geval nog zeker één keer nodig voor de Kolossersbrief. Goed, ik stel voor dat we zullen afsluiten met dankgebed.⟨/p>