⟨h3 id="hoofdstuk-1" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="0" title="Speel af vanaf 00:00">▶ 00:00⟨/button> ⟨span>Terugblik op 1 Korinthe 12, 13 en 14⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Wij gaan verder met onze studie over de Korinthebrief, studie 27. Inmiddels zijn we zo'n beetje aan het einde gekomen van het veertiende hoofdstuk. Dat was een vrij lange bespreking van een gedeelte uit de Korinthebrief, de hoofdstukken 12, 13 en 14, die we onder ogen hebben gezien en vers voor vers hebben behandeld. Het is misschien goed om nog even kort in herinnering te brengen waar het in die hoofdstukken om ging; een korte terugblik om vervolgens de laatste verzen vanaf vers 34 van dat hoofdstuk te bespreken en daarna verder te gaan met 1 Korinthe 15.⟨/p> ⟨p>In 1 Korinthe 12, 13 en 14 is het grote onderwerp de plaats van het spreken in talen, of zo u wilt: in tongen. Als u die laatste uitdrukking gebruikt, is dat geen enkel punt, want in het Grieks is dat sowieso hetzelfde woord. Als u zich maar goed realiseert dat het niet om een of andere klank- of brabbeltaal gaat, maar dat het werkelijk bestaande talen betreft. Het gaat over de plaats, de betekenis en de waarde die het heeft ten opzichte van andere uitingen in de gemeente, in de ekklesia. De andere charisma’s — dat is het woord dat in hoofdstuk 12 nogal wat keren klinkt. Paulus laat in hoofdstuk 12 zien dat het spreken in talen de laatste plaats inneemt. Dat is letterlijk zo, want hij noemt het ook in een hele serie die begint in hoofdstuk 12 vers 28: "God heeft sommigen in de ekklesia gesteld: ten eerste apostelen, ten tweede profeten..." Dan volgt er een hele opsomming en hij noemt als laatste het spreken in talen en het vertolken daarvan.⟨/p> ⟨p>Het hele punt in deze hoofdstukken is dat Paulus daarin ook antwoord geeft op een situatie. Of ik dat wat ik nu zeg helemaal kan verantwoorden, weet ik niet, want het is niet direct naar aanleiding van een specifieke vraag; althans, dat zegt hij niet zo. Maar in ieder geval reageert hij op een situatie, op denkbeelden, ideeën of de gang van zaken in Korinthe. Hij laat dus in hoofdstuk 12 zien dat dit de minste van de charisma's is. Het is meteen een prachtige aanzet voor de apostel om de waarde van dat lichaam uiteen te zetten en hoe dat met elkaar samenwerkt; hoe ieder vanuit het Hoofd zijn eigen bediening en plaats daarin heeft.⟨/p> ⟨p>In hoofdstuk 13 laat hij zien — dat is het bekende hoofdstuk met de liefde als thema — waar het werkelijk om gaat. Wat velen vaak ontgaat, is dat Paulus vanaf het achtste vers uiteenzet dat het spreken in talen hoort tot de kinderlijke fase van de ekklesia. Het zou te zijner tijd voorbijgaan, verstommen en ophouden, namelijk als de volwassenheid zou aanbreken. Als de ekklesia volwassen zou zijn, dan zouden de kinderlijke dingen afgelegd worden en geen betekenis meer hebben. Wat over zou blijven tot aan de wederkomst, is geloof, hoop en liefde, waarbij uiteindelijk alleen de liefde overblijft. Bij de wederkomst zullen immers ook geloof en hoop worden verwisseld voor aanschouwen. Maar nogmaals, hoofdstuk 13 heeft juist zijn betekenis als een lofzang op de liefde van God, omdat hij naar aanleiding daarvan wil uiteenzetten dat het spreken in talen een kinderlijke uiting is.⟨/p> ⟨p>Ten slotte hoofdstuk 14. Daarin zet hij uiteen waarom dat spreken in talen inferieur is. 'Minder waardig' klinkt misschien wat negatief zoals ik het nu zeg, maar ik bedoel letterlijk: minder waard dan andere charisma's. Ik zeg dus niet dat het waardeloos is, maar het is minder in waarde en minder in dat wat het kan uitwerken dan welk ander charisma ook, vooral het profeteren. In mijn Bijbel staat dat trouwens ook boven "tongen en profeteren". Dat is het grote thema tot vers 25. Waarom is het minder? Het is beperkt in het opbouwend vermogen, in het opbouwend effect. Andere mensen kunnen het in principe niet eens verstaan, tenzij het weer uitgelegd of vertolkt wordt.⟨/p> ⟨p>Bovendien is dit charisma, deze uiting, bedoeld voor ongelovigen, en wel voor het ongelovige volk Israël. Het is de vervulling van een profetie die we vinden in Jesaja 28 en die door Paulus wordt aangehaald. Het is dus bedoeld voor het ongelovige Israël. De laatste keer hebben we het gehad over de laatste pericoop van hoofdstuk 14. In mijn Bijbel staat daar "orde in de gemeente" boven. Het gaat daar over de wijze waarop men samen zou komen en dat dit in orde zou zijn. Met recht moet dat in orde zijn, zodat men ordelijk samenkomt, vooral tot stichting, dat wil zeggen: tot opbouw van elkaar. Ze zouden niet allemaal door elkaar moeten praten; als de één spreekt, horen de anderen te zwijgen. Dat lijken mij allemaal tamelijk voor de hand liggende dingen, maar dat was in Korinthe dus niet het geval.⟨/p> ⟨p>Trouwens, in menige samenkomst is dat nog steeds zo, waar men door elkaar praat en de een de ander niet begrijpt. Dan heb ik het inderdaad over die samenkomsten waarin men die gaven, die charisma's die al lang over de datum zijn, juist weer helemaal van stal heeft gehaald. Men zegt: "Dat is het!", terwijl ze inmiddels al lang en breed zijn opgehouden. In dat gedeelte gaat het over de orde in de samenkomst en de restricties die Paulus geeft aan het spreken in talen. Als er al gesproken wordt in talen, dan hooguit door twee of drie personen, en bovendien met uitleg, zodat iedereen het kan verstaan en begrijpen. Zo waren we gekomen bij het einde. Ik had de vorige keer eigenlijk gepland om bij het veertigste vers uit te komen, maar dat is me niet gelukt.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-2" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="434" title="Speel af vanaf 07:14">▶ 07:14⟨/button> ⟨span>De Laatste Verzen van 1 Korinthe 14: het Zwijgen van de Vrouwen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>We zullen ons vanavond alsnog wenden tot die laatste verzen, en dat zijn niet de makkelijksten. In die zin: ik vind ze niet eens zo heel erg moeilijk om te begrijpen, maar ze zijn in ieder geval op voorhand erg omstreden. Als ik alleen al die eerste zin of die eerste regels lees: "Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de gemeente zwijgen." Nou, daar is wat om te doen zeg, over zulke woorden. Maar laten we gewoon regel voor regel, niet alleen vers voor vers, maar regel voor regel eens bezien waar het nou eigenlijk over gaat en wat er staat.⟨/p> ⟨p>"Zoals in alle gemeenten der heiligen." Ja, dat is meteen al een beetje een lastig punt. Want als u een Statenvertaling hebt, dan ziet u dat dat eerste zinnetje, die eerste regel, hoort bij het voorafgaande vers. Daar staat: "Want God is geen God van wanorde, maar van vrede, zoals in alle gemeenten der heiligen." Punt. Zo staat het in de Statenvertaling. Hoe kan dat zo verschillen met bijvoorbeeld de weergave van de NBG? Wel, het Nieuwtestamentisch Grieks kent helemaal geen interpunctie, geen punten of komma’s, zodat het soms wat lastig te bepalen is waar een zin begint en waar deze eindigt. Men heeft het hier zo opgevat dat "zoals in alle gemeenten der heiligen" zou slaan op dat zwijgen van de vrouwen. De Statenvertaling zegt het andersom.⟨/p> ⟨p>Als u het mij vraagt, vind ik de zin zoals de Statenvertaling hem weergeeft het meest logisch. Dat is namelijk ook het onderwerp van dit hele gedeelte vanaf vers 26: de orde in de ekklesia. Ja, God is een God van orde, van vrede en van opbouw. Dat is waar ze zich daar in Korinthe aan bezondigden, terwijl dat in alle gemeenten der heiligen, alle ekklesia's, van belang is. Maar laat ik er dan meteen bij zeggen: in de praktijk maakt het natuurlijk niet al te veel verschil, want je komt vervolgens toch bij het vervolg: dat de vrouwen moeten zwijgen.⟨/p> ⟨p>Nou, dat staat dus in de NBG-vertaling. Maar zoals u weet: het woordje "moeten" staat er niet. Met name in de NBG-vertaling – ik zal straks nog diverse voorbeelden laten zien, alleen al vanuit deze passage – gebruikt men het woordje "moeten", terwijl het er domweg niet staat. En het is de toon die de muziek maakt. Het woordje "moeten" geeft een wettische, opleggende sfeer, terwijl dat niet de toon is die Paulus aanslaat. "Laat ze zwijgen", staat er. Dat geeft een heel andere betekenis. Ik ben er niet helemaal zeker van, maar ik geloof dat de Statenvertaling zegt: "Dat de vrouwen zwijgen". Is het niet? Aanvoegende wijs dus.⟨/p> ⟨p>Ja, en als je het zo opvat, is het zelfs een voorrecht. Op de mannen rust de taak om te spreken en vrouwen zijn daarvan vrijgesteld. Dan krijg je dus een heel andere gedachte: laat die last niet op de vrouw liggen, dat is aan de mannen. Waarbij je dan vervolgens wel de kanttekening krijgt: "Want het is haar niet vergund te spreken." Dat blijft dus staan, en zo staat het er inderdaad: het is haar niet vergund of toegestaan te spreken. Dat wil zeggen: met gezag spreken. Hoe weet ik dat? Wel, dat blijkt simpelweg uit het vervolg, want ze moeten ondergeschikt blijven. Dus dat spreken staat tegenover ondergeschikt zijn. Als zij zou spreken, dan zou ze niet ondergeschikt zijn.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-3" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="698" title="Speel af vanaf 11:38">▶ 11:38⟨/button> ⟨span>Gezag en de Scheppingsorde: Parallel met 1 Timotheüs 2⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan neem ik u meteen even mee naar een parallelle passage: 1 Timotheüs 2. Ook dat gedeelte is momenteel volop in discussie. Misschien weet u het, of misschien ook niet, maar als u een klein beetje op de hoogte bent van de discussies in kerkelijk Nederland – en trouwens wereldwijd – dan weet u dat het vaak gaat over de vrouw in het ambt. Met name in de reformatorische kerken is het momenteel een 'hot item'. Zelfs in kerken waar dit een paar jaar geleden nog totaal geen punt was of voor wie dat geen issue was, staat het inmiddels hoog op de agenda.⟨/p> ⟨p>Wat mij daarbij trouwens altijd weer zo sterk opvalt, is dat men – afgezien van het feit dat men geen benul heeft van typologie en van waar mannelijk en vrouwelijk voor staat – de discussie vaak heel wettisch voert. Het gaat er iedere keer weer over: moet het, of mag het niet? Als ik het zo formuleer, kan ik dat meteen laten aansluiten bij 1 Timotheüs 2. Want daar schrijft Paulus – ik lees weer voor uit de NBG-vertaling, hoewel die aanvoegende wijs er eigenlijk niet zo staat – dat een vrouw zich in alle rustigheid laat leren, in alle ondergeschiktheid. Maar, zegt Paulus: "Ik sta niet toe dat een vrouw onderricht geeft of gezag over de man heeft; zij moet zich rustig houden."⟨/p> ⟨p>Dit is dus een parallel gedeelte waarbij het er niet om gaat dat zij niets zou mogen zeggen. Het spreken waar het hier over gaat, is het geven van onderricht, namelijk gezaghebbend leren. Die taak rust op de man. Waarom is dat? We hebben dat feitelijk al gezien in 1 Korinthe 11, namelijk dat de man een beeld is van God, terwijl de vrouw een beeld is van de schepping. God is mannelijk; God spreekt en de schepping is daaraan ondergeschikt.⟨/p> ⟨p>Laat ik het nog even lezen vanuit 1 Korinthe 11 vers 7: "De man is het beeld en de heerlijkheid Gods, maar de vrouw is de heerlijkheid van de man." Zoals ook de schepping de heerlijkheid is van de Schepper. Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man – zoals de schepping ook uit de Schepper voortkomt. De man is immers niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man – zoals de schepping er ook is om de Schepper.⟨/p> ⟨p>Dat 'daarom moet'... nou, dat woordje 'moet' staat er trouwens niet. Dat was die 'macht', maar daar hebben we het bij een veel eerdere gelegenheid al over gehad. Het ging me nu even om die motivatie; over die parallellen tussen man en vrouw enerzijds en Schepper en schepping anderzijds. Dat is vandaag de dag erg problematisch. Sowieso is het feit dat Paulus zich beroept op de schepping – dat eerst de man er was en vervolgens de vrouw om die man geschapen werd – vandaag geen vanzelfsprekendheid meer. Maar ook dat daaruit een typologie en een symboliek voortvloeit, en dat dus de man het hoofd is, is vandaag de dag niet erg populair.⟨/p> ⟨p>Terwijl, als je de symboliek begrijpt, het volkomen logisch is. Dat wat Paulus zegt in 1 Korinthe 14 over de vrouw die zou zwijgen en niet met gezag zou spreken, heeft ermee te maken dat zij daarmee haar ondergeschiktheid prijs zou geven. Als een vrouw zou leren – en ik zal straks ook nog laten zien dat het gaat over een getrouwde vrouw – dan zou ze boven de man staan. Daarom zegt Paulus, net als in 1 Timotheüs 2, dat zij zich rustig zou houden en dus niet zou leren. Zoals ook de wet zegt. In 1 Korinthe 11 lees je bovendien dat zij onder een volmacht staat waarbij de man God Zelf representeert.⟨/p> ⟨p>Ik zat me even af te vragen waarom ik deze aantekening ook alweer gemaakt had, die verwijzing naar 1 Korinthe 11. Maar nu weet ik het weer: het ging er namelijk om dat je in 1 Korinthe 11 leest over een vrouw die bidt en profeteert in het openbaar. Hoe kan Paulus dan in 1 Korinthe 14 zeggen dat zij moet zwijgen? Dat is het punt. Als zij zo'n publieke dienst zou uitoefenen, dan zou ze inderdaad gesluierd moeten zijn – dat is de spraak van het lange haar – maar in ieder geval een sluier moeten hebben. Daarmee geeft zij aan dat de man haar hoofd is.⟨/p> ⟨p>Wanneer Paulus zegt: "Zoals ook de wet zegt", wil hij daarmee niet aangeven dat wij onder de wet staan. Hij wil ermee aangeven dat wat hij hier zegt, in overeenstemming is met wat er ook in het Oude Testament staat. Dan gaat het niet alleen over de wet van Mozes, maar over de Torah in brede zin. De wet is namelijk niet alleen de wet van Mozes, maar dat zijn de vijf boeken van Mozes. Dat refereert dus net zo goed aan de tijd vóór de wetgeving op de Sinaï. Genesis is immers ook de wet, de Torah. Het is al vanaf het begin het geval. Vandaar ook dat Paulus, als hij het heeft over de verhouding tussen man en vrouw en over het huwelijk, altijd terugverwijst naar de scheppingsorde, zoals het vanaf het begin het geval was.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-4" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1096" title="Speel af vanaf 18:16">▶ 18:16⟨/button> ⟨span>Vrouwen met een Eigen Man en Uitzonderingen (profetessen)⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>En dan gaat hij nog verder in vers 35 over die kwestie dat die vrouw dan zou zwijgen als ze iets te weten willen komen. "En als zij iets willen leren," staat er, "laten zij thuis haar mannen, haar eigen mannen, om opheldering vragen."⟨/p> ⟨p>Dit is meteen een aardige aanleiding om erop te wijzen dat hier kennelijk sprake is van getrouwde vrouwen. Het loutere feit dat er staat dat zij, als ze iets te weten willen komen, thuis hun eigen mannen om opheldering moeten vragen, geeft aan dat het vrouwen betreft die getrouwd zijn en een man hebben. Dat is wel interessant, want een vrouw zou ondergeschikt zijn aan haar man; de man is haar hoofd. Hoe kan dat dan hier zo gezegd worden?⟨/p> ⟨p>Nou, het is helemaal in lijn met wat je leest in Handelingen 21. Ik wil daar graag even naartoe gaan; ik heb er een dia van. Daar lees je over de apostel Paulus: "En de volgende dag gingen wij vandaar en kwamen te Caesarea; en gekomen in het huis van Filippus, de evangelist, die behoorde tot de zeven, de diakenen, bleven wij bij hem." En dan staat er over deze Filippus: "Deze had vier ongehuwde dochters die profetessen waren."⟨/p> ⟨p>Zij vervulden daarmee feitelijk ook een mannelijke functie. Het hele idee is dat profeteren, leren en met gezag spreken mannelijke functies zijn. Kan een vrouw dat niet? Jawel. Maar ook als zij dat doet, is dat een mannelijke functie. En als ze die functie uitoefent, zou ze daarin de man respecteren en daar ook de credits voor geven. In 1 Korinthe 11 zagen we al dat dit betekent dat zij een volmacht op het hoofd heeft. Zo van: ik doe dit niet op eigen gezag, ik doe nu iets wat de man toekomt.⟨/p> ⟨p>Je kunt dus ook bij gelegenheid lezen over vrouwen die niet hun eigen man hebben en dus niet in die zin onder hun hoofd staan, maar van wie je leest dat ze de functie vervulden van profetessen. Daarmee deden zij feitelijk iets wat normaliter aan mannen was voorbehouden. Maar zoals gezegd: dat is geen wet van Meden en Perzen. Het is dus niet zo dat een vrouw nooit een profetes is; dat is absoluut niet waar.⟨/p> ⟨p>Sterker nog, 1 Korinthe 11 laat zien dat vrouwen dat net zo goed deden. Ik geef toe dat er niet heel veel voorbeelden van zijn, maar ook in het Oude Testament lees je er al voorbeelden van. Bekend is Deborah, maar zij is trouwens niet de enige. Deborah was een bekende profetes en ook een richteres, waarmee zij dus duidelijk de functie van een man vervulde. Het is uitzonderlijk, maar het kan dus wel.⟨/p> ⟨p>Ik wil daarin eigenlijk op twee dingen wijzen en de nuance behouden. Aan de ene kant is de normale regel dat spreken met gezag een mannelijke functie is, omdat het verwijst naar God. God spreekt met gezag; Hij staat boven de dingen. Aangezien de man het beeld van God is, is het aan hem die taak om dat te vervullen en is de vrouw daarvan vrijgesteld.⟨/p> ⟨p>Maar aan de andere kant lees je wel degelijk dat daar uitzonderingen op zijn. Altijd wanneer die uitzonderingen er zijn, wordt erbij gezegd dat als een vrouw een mannelijke functie vervult, ze ook de credits aan de man geeft. Vlak voordat we met deze studie begonnen, werd er even gezegd: "Ja, je had het er de vorige keer al even over." Ik herinner me niet eens meer dat ik het... het is natuurlijk alweer een maand geleden dat we een studie hebben gehad. Maar ik herinner me dat we het er toen ook over hadden dat als er in 1 Korinthe 14 gezegd wordt dat de vrouwen zwijgen...⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-5" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1362" title="Speel af vanaf 22:42">▶ 22:42⟨/button> ⟨span>Mannelijk Spreken: Gods Woord Communiceren Zonder Emotionele Sturing⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dat mannelijk spreken is niet alleen maar een kwestie van een sekse-aanduiding, maar het gaat erom dat wanneer er gesproken wordt, er 'mannelijk' gesproken wordt. Je kunt namelijk een man op de kansel horen staan terwijl je eigenlijk een vrouw hoort. Daarmee bedoel ik dat er gesproken wordt vanuit de emotie. Wanneer je echter vanuit de Schrift onderwijs geeft, dan spreekt God zoals de dingen zijn.⟨/p> ⟨p>Laten we even naar 1 Korinthe 16 bladeren, twee hoofdstukken verder. Daar staat: "Wees waakzaam, sta in het geloof, word mannelijk, wees sterk. Laat alles bij u in liefde toegaan." Die associatie van 'word mannelijk' en 'wees versterkt' heeft te maken met het feit dat je je niet langer laat bewegen door wat er om je heen gebeurt, maar dat je staat in het Woord van God. Je laat je niet leiden door emoties, want dat is uiteindelijk toch een belangrijk verschil tussen mannelijk en vrouwelijk. Dit is niet eens puur een Bijbels onderwerp, maar een algemeen gegeven: een man is doorgaans wat rationeler ingesteld, terwijl de vrouw veel meer haar gevoelens laat spreken. Dat is haar kracht en tevens haar zwakte – wat je overigens ook van de man kunt zeggen. Maar in ieder geval is dat het verschil.⟨/p> ⟨p>Als het Woord gesproken wordt, dat wil zeggen met gezag, dan gaat het niet om zaken die beweeglijk zijn of waarbij emoties het leidmotief zijn of bepalend zijn voor de inhoud. Het gaat niet om gevoelens, het gaat om hoe de dingen zijn. In die zin is er vandaag de dag ontzettend veel prediking die in wezen vrouwelijk is, ook al staat er een man op de kansel. Waarom? Omdat men zich vooral laat leiden door gevoel. De prediking is heel 'soft' geworden. Het is niet meer: "er staat geschreven en zó zijn de dingen." Nee, het moet allemaal leuk, aardig en zacht zijn. Dat is niet zoals het in de ekklesia zou moeten toegaan. Daar zou een mannelijke boodschap moeten klinken, vanuit het Woord, zoals de dingen zijn, en niet dat beweeglijke waarbij de gevoelens de overhand hebben.⟨/p> ⟨p>Het heeft dus alles te maken met de rol die mannelijk en vrouwelijk in de schepping in het algemeen hebben. In de ekklesia zou het mannelijke spreken, dat wil zeggen: het Woord van God. Dat is wat ik er vooral over wil zeggen. Er zit veel meer in dan alleen de regel dat de vrouw zou zwijgen en aan de man de taak is gegeven om het Woord van God te spreken; het is ook een typologisch gegeven.⟨/p> ⟨p>Ik ga weer even terug naar 1 Korinthe 14, naar het 35ste vers: "En als zij iets willen te weten komen, moeten zij thuis haar mannen om opheldering vragen; want het staat lelijk – of eigenlijk gewoon schandelijk – voor een vrouw te spreken in de gemeente." Het gaat hier om leren met gezag en ook om het kritisch stellen van vragen. Als een vrouw in het publiek haar eigen man ter verantwoording zou roepen, dan zegt Paulus: dat staat lelijk voor een vrouw.⟨/p> ⟨p>Nadat hij dat gezegd heeft, vervolgt Paulus in vers 36: "Of is het woord Gods bij u begonnen? Of heeft het alleen u bereikt?" Het idee is: luister eens, jullie zijn ontstaan door de boodschap van het Woord van God. Dat wil zeggen: eerst was daar het Woord en vervolgens ontstond daaruit de ekklesia. Denken jullie dat nu om te kunnen keren, zo van: wij als mensen denken daar anders over en het Woord van God moet maar worden aangepast? Het is een retorische vraag. Natuurlijk niet; het begint bij het Woord en het Woord is daarin bepalend.⟨/p> ⟨p>In vers 37 voegt hij eraan toe: "Indien iemand meent een profeet of geestelijk mens te zijn, laat hij dan wel weten dat hetgeen ik u schrijf, een gebod des Heren is." Het woordje dat hier met 'gebod' is vertaald, betekent instructie of aanwijzing. Het komt vanuit het Hebreeuws en duidt op een vingerwijzing. De gedachte is dus: het is een vingerwijzing, een instructie van de Heer Zelf. Het is niet iets wat ik zelf bedacht heb; dit is de orde. De man is het beeld van God en hij zou met gezag spreken, terwijl de vrouw zich in rust laat leren. Kennelijk is dit ook een reactie op de emotionele toestanden die er in Korinthe waren, waarbij men door elkaar sprak en de vrouwen ook nog eens de boventoon voerden. Paulus zegt dan: als je geestelijk bent, weet dan dat wat ik nu schrijf een instructie of aanwijzing van de Heer Zelf is, en van niemand minder. Daar kun je tegenin willen gaan, maar dit is de orde vanaf het begin. Het lijkt mij vrij duidelijk.⟨/p> ⟨p>Vervolgens zegt hij in vers 38: "Maar als iemand hiermede niet rekent, dan wordt met hem niet gerekend." In de Statenvertaling staat er: "Maar zo iemand onwetend is, die zij onwetend." Dat wil zeggen: het zij zo. Als je hier niet van wenst te weten, welnu, dan zij het zo. Dan trekt Paulus zijn handen ervan af. Het is dus niet zoals het in de NBG staat, dat er 'niet met hem gerekend wordt'. Nee, Paulus zegt: dan blijft hij maar onwetend. Hij heeft de dingen doorgegeven en uitgelegd, en hij heeft ook de motieven daarvoor uiteengezet.⟨/p> ⟨p>Niet alleen hier in 1 Korinthe 14, maar dat had hij al eerder in 1 Korinthe 11 gedaan, waar hij die hele hiërarchie beschreef. U weet nog hoe dat begon in 1 Korinthe 11 vers 3? "Ik wil dat jullie dit weten: Het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd van de vrouw is de man, en het hoofd van Christus is God." Zo krijg je deze hiërarchie: God, Christus, man, vrouw. Is dat minderwaardig? Nee, helemaal niet. Dat is gewoon de orde die er is. Het heeft niets te maken met discriminatie, maar het is in wezen het verhaal van de chronologie: eerst was daar God, toen de Christus, toen de man en toen de vrouw. Daar gaat een getuigenis van uit, en dat is wat hij in deze hoofdstukken uiteenzet.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-6" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1847" title="Speel af vanaf 30:47">▶ 30:47⟨/button> ⟨span>De Ordening van de Heer Versus de Moderne Tijdgeest⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dus moeilijk is het niet. Hooguit het probleem dat wij hiermee hebben als we dit lezen, dat is simpelweg het probleem van de tijdgeest. Dat is trouwens ook een heel betrekkelijk gegeven, want dat is ook maar net waar je de Bijbelstudie geeft. Kijk, als ik de Bijbelstudie in Bodegraven geef en we zijn moderne mensen, ook beïnvloed door de tijd, dan zit je toch wel eens te kijken: "Goh, dit schuurt met ons gedachtenpatroon." Maar als ik deze studie bijvoorbeeld in Afrika zou geven of in Azië, in grote delen van de wereld, dan zou het niet het minste probleem opleveren. Dan zijn dit gewoon vanzelfsprekendheden.⟨/p> ⟨p>Hier in ons werelddeel, en zeg maar sinds een jaar of vijftig, zestig — misschien nog wel iets langer — worden dit lastige gegevens. Maar dat zegt iets over onze mindset; dit is de tijdgeest. Dat zijn weer dingen die heel tijdgebonden zijn. Men zegt dan wel dat wat Paulus schreef tijdgebonden is, maar het is precies omgekeerd: onze denkbeelden zijn tijdgebonden. Wij denken daar nu zo over in deze fase van de geschiedenis, in ons werelddeel en in de ontwikkeling waarin we nu zitten. Ook mede beïnvloed door het evolutionisme zijn we eigenlijk helemaal los van God.⟨/p> ⟨p>Wij hebben daar nu problemen mee, maar dat is dus tijdgebonden. Niet dít is tijdgebonden. Sterker nog, dit gaat gewoon terug op scheppingsordeningen. Vanaf het begin is dit zo. Dit zijn ook dingen die niet veranderen; het is een gegeven en het is niet eens een wet. Ik bedoel, het is niet een wet van Meden en Perzen waar geen uitzondering op zal staan, dat is allemaal tot uw dienst, maar het gaat om de ordening waar het van spreekt en de typologie die daarachter steekt.⟨/p> ⟨p>En als je daarvan onwetend bent, nou, het zij zo. De meeste mensen — want dat is in die zin vandaag een heel actuele uitspraak — de meeste mensen zijn hier gewoon onwetend van. En ze willen het eigenlijk ook helemaal niet weten. Nou, en wat moet je daar dan mee? Paulus zegt: "Het zij zo." Meer hebben we er niet over te vertellen.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-7" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="1985" title="Speel af vanaf 33:05">▶ 33:05⟨/button> ⟨span>Afsluiting 1 Korinthe 14: Streef Naar Profeteren en Opbouw⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Dan komen we nu bij de echte afsluitende verzen van 1 Korinthe 14. ‘Zo dan, mijn broeders.’ En nu gaat Paulus zelf zijn conclusie trekken: ‘Streeft ernaar te profeteren.’ En zolang het profeteren niet heeft afgedaan: streeft ernaar te profeteren, want dat was per slot van rekening tot opbouw. In tegenstelling tot datgene wat zij juist zo belangrijk vonden. Streeft ernaar te profeteren en ‘belemmert’ – of letterlijk staat er: ‘verbiedt’ – het spreken in tongen niet. Zoals ik zei: belemmeren is het woordje verbieden. Wees niet-verbiedend.⟨/p> ⟨p>Maar eigenlijk, als hij het zo formuleert, dan is dat ook heel veelzeggend voor wat hij tot dusver gezegd heeft over dat spreken in tongen. Dat wil zeggen: prima, het is er, het is een gegeven en je moet het ook niet verbieden, maar daarmee heeft hij toch wel aangegeven dat het nu ook niet het allerbelangrijkste is. Integendeel. Verbiedt het spreken in tongen niet en laat alles betamelijk geschieden – met respect, zoals u ziet. Laat alles betamelijk en in goede orde geschieden, zoals we in vers 26 lazen. Laat alles tot opbouw zijn, want dat is waar het allemaal om gaat.⟨/p> ⟨p>Het gaat absoluut niet om wat geoorloofd is en wat niet geoorloofd is, want dan zeg ik maar weer gewoon de beroemde woorden van 1 Korinthe 10 en ook elders: ‘Alles is geoorloofd.’ Dus dat is niet aan de orde. Het gaat erom: wat is nuttig, wat is logisch, wat is tot opbouw en wat verheerlijkt Hem? En dat zijn de vragen die er werkelijk toe doen. Niemand kan er bezwaar tegen inbrengen dat, als je bij elkaar bent, het het allermooiste is dat we elkaar ook opbouwen. Dat je een woord hebt waar de ander ook werkelijk wat aan heeft. Dat we niet allemaal door elkaar zouden praten, maar dat we één voor de ander spreken; dat als de één spreekt, de anderen zwijgen. Zulke ABC-gegevens.⟨/p> ⟨p>En dat we elkaar ook zouden begrijpen; dat het woord dat doorgegeven wordt ook begrijpelijk is. Dat vind ik trouwens ook een heel algemene les die we uit deze hoofdstukken kunnen leren. Want je kunt natuurlijk zeggen: dat spreken in tongen, ja, dat was toen, dat is al lang opgehouden. Jawel, maar toch het loutere feit... Denk aan het Kerklatijn dat zovele eeuwen in de kerk gesproken werd. Het gewone volk begreep helemaal niets van wat er gezegd werd. Wat trouwens misschien helemaal niet zo nadelig was, hoor. Want ja, als er toch alleen maar onzin of onwaarheden verteld worden, dan kunnen ze het maar beter niet begrijpen ook. Maar ik bedoel dit: het gaat erom dat áls er gesproken wordt, de ander het verstaat en dat het eventueel dan uitgelegd wordt of vertaald. Ja, dat lijkt mij een heel behartenswaardig gegeven. Gewoon begrijpelijke taal spreken, betamelijk, in goede orde. Tot opbouw!⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-8" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2209" title="Speel af vanaf 36:49">▶ 36:49⟨/button> ⟨span>Introductie 1 Korinthe 15: het Hoogtepunt van de Brief⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Eindelijk komen we aan bij hoofdstuk 15. Ik heb in deze studieserie al vaak gezegd dat Paulus een heel lange aanloop nodig heeft in deze brief om bij zijn eigenlijke punt aan te komen. Dat punt is hoofdstuk 15. Ik durf zonder enige aarzeling te zeggen dat 1 Korinthe 15 niet alleen het eindpunt, maar ook het hoogtepunt van de brief is.⟨/p> ⟨p>Al die dingen waar men in Korinthe mee worstelde, de problemen die er speelden... Paulus zegt: dat is allemaal melk. Jullie zijn nog baby'tjes; jullie huilen en bevuilen, terwijl jullie volwassen zouden moeten worden. Er zat soms een ondertoon van verwijt in zijn woorden: "Zijn jullie nu nog niet volwassen? Zitten jullie nog steeds aan de melk? Is het niet hoog tijd om eens met de vaste spijs bezig te zijn?" Volwassen worden betekent niet meer denken in egocentrische termen als: "Wat kan de ander voor mij betekenen?" Nee, volwassen denken is: "Hoe kan ik de ander opbouwen? Hoe kunnen we God verheerlijken? Hoe kunnen we Zijn woord beter begrijpen?" Dat zijn de echte vragen die ertoe doen.⟨/p> ⟨p>Welnu, in hoofdstuk 15 gaat het daarover. Het gaat over de heerlijkheid van dat nieuwe leven, van de opstanding en de grote toekomst. Het opmerkelijke van dit hoofdstuk is dat het weliswaar het hoogtepunt is, maar dat Paulus de belangrijkste vraag voor het laatst heeft bewaard. Die vraag is voor hem de aanleiding om tot zo'n verheven uiteenzetting te komen. Het is naar aanleiding van een vreemde bewering die in Korinthe de ronde deed, namelijk dat er geen opstanding van de doden zou zijn. We zullen dat later vanzelf nog zien, maar ik kan het alvast even aanstippen.⟨/p> ⟨p>Hij zegt in vers 12 van 1 Korinthe 15: "Indien nu van Christus wordt gepredikt, dat Hij uit de doden is opgewekt, hoe komen sommigen onder u ertoe te zeggen, dat er geen opstanding van de doden is?" Je ziet Paulus dan bijna naar zijn hoofd grijpen: waar hebben we het in godsnaam nog over? Als dat de vraag is — indien er geen opstanding van de doden is — dan is ook Christus niet opgewekt. En dan volgt de hele redenering. Dan is het volkomen onbenullig. Onbenullig, dat is een leuk woord; het is nul. Dan wordt het woord inderdaad volstrekt leeg.⟨/p> ⟨p>Dat was dus de bewering die daar de ronde deed. Er waren niet alleen vreemde toestanden in Korinthe, maar ook hele vreemde beweringen die zelfs de basis aantastten van waar we het over hebben en waar het om gaat. Dat is de aanleiding voor deze tekst, en naar aanleiding van die kwalijke misvatting — die Paulus overigens grondig weerlegt — geeft hij ons dit onderwijs. Hij laat niet alleen zien hoe kwalijk de misvatting is, hij weerlegt hem echt zo volstrekt duidelijk dat er niets van overeind blijft. Vervolgens wordt dit de uitvalsbasis, of de opstap, om deze verheven uiteenzetting over de opstanding en de levendmaking te geven.⟨/p> ⟨p>We zullen nog prachtige dingen in dit hoofdstuk gaan zien. Ik heb het wel eens vaker gezegd en ik meen het ook echt: als ik alles in de Bijbel zou moeten prijsgeven en ik mocht slechts één hoofdstuk overhouden, dan zeg ik 1 Korinthe 15. Ik geef toe dat die keuze erg moeilijk is, maar 1 Korinthe 15 is de basis van alles. Het vertelt wie God is en het spreekt over de glorieuze toekomst. Het is echt het evangelie. Hier laat Paulus precies zien waar het allemaal om gaat.⟨/p> ⟨p>Wellicht doen we er goed aan om nu eerst even een kopje koffie te drinken. Dan gaan we straks met vers 1 beginnen; dat lijkt me wel zo logisch.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-9" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="2487" title="Speel af vanaf 41:27">▶ 41:27⟨/button> ⟨span>Het Evangelie Waarin Wij Staan en Behouden Worden⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Ik stel voor dat we de draad weer oppakken. We waren gebleven bij het einde van hoofdstuk 14 en ik heb al een korte introductie gegeven van het vijftiende hoofdstuk. Ik stel voor dat we in dat vijftiende hoofdstuk eens regel voor regel gaan lezen wat daar staat. Het is overigens een lang hoofdstuk met 58 verzen, maar dan heb je ook wat.⟨/p> ⟨p>"Ik maak u bekend, broeders, het evangelie, het goede bericht dat ik u verkondigd heb." Zoals u ziet, staat daar voor 'verkondigen' letterlijk dat ik evangeliseer. Dit staat in de aorist, wat wil zeggen dat het als een feit wordt gesteld, los van tijdselementen. Het is dus niet zozeer een voltooid deelwoord, maar een tijdloze weergave: het goede bericht dat ik, wanneer dan ook, evangeliseer. Dat is de boodschap en dat gaat hij nu nog eens naar voren brengen. Hij maakt dat opnieuw aan hen bekend en brengt het in herinnering.⟨/p> ⟨p>Ik zal het u laten zien, want ze hadden het al ontvangen: "...dat gij ook ontvangen hebt", of letterlijk: "...dat jullie ook ontvingen". Paulus zegt dus: ik breng het, het is het goede bericht, jullie ontvingen het en waarin jullie ook staan. Het is allemaal meervoud: "waarin jullie ook staan". Dat is wel aardig, want vanuit dit eerste vers kun je direct een link maken naar het allerlaatste vers. Want hoe begint het laatste vers? Ik zou het bijna kunnen zingen, maar ik zal het niet doen: "Wees standvastig, onwankelbaar, steeds overvloedig in het werk van de Heer." Dat was vers 58.⟨/p> ⟨p>Het gaat mij nu even om die eerste regel: "Wees standvastig". Met de interlineaire Bijbel erbij zie je dat er letterlijk staat: "wordt standvastig". Met andere woorden: ze stónden wel – Paulus zegt immers: "waarin jullie ook staan" – maar hij zegt ook: word daarin standvastig. Je kunt dus staan zonder standvastig te zijn. Eigenlijk demonstreert de hele aanleiding van dit hoofdstuk dat ook. Ze stonden er wel in, maar ze wiebelden. Dat is een aardige beeldspraak in dit verband: ze hadden wat bevestiging nodig. Het loutere feit dat er andere beweringen de ronde konden doen die het evangelie volledig weerspraken, geeft wel aan dat ze bevestiging nodig hadden. Als je staat maar niet standvastig bent, moet je bevestigd worden; je moet vastgesteld worden, zodat je niet meer wankelt.⟨/p> ⟨p>Eigenlijk is dat ook altijd het grote thema in de brieven: Paulus roept de ekklesia’s of individuen die hij aanschrijft op om te blijven staan in dat wat zij ontvingen. De boodschap is nooit: "jullie moeten meer je best doen". Nee, blijf standvastig staan in dat wat jullie ooit ontvingen. En wat ze ontvingen, was nooit een moreel verhaal of een pep talk in de trant van "je kunt het wel" of "ga nu eens je best doen". Het is gewoon een bericht. Het is een evangelie, een mededeling over wat er gebeurd is. Daar kun je zelf niets aan doen; dat kun je alleen geloven. Blijf daarin staan.⟨/p> ⟨p>Omdat dat goede bericht werkelijk de waarheid is, is het bij machte een mens te transformeren. Het gaat er dus niet om wat jij ermee doet. Ik hoor dat zo vaak, maar het kan mij mateloos irriteren. Het bewijst voor mij dat men de grondslagen niet kent. Het is misschien erg zwart-wit zoals ik het nu zeg, maar daar houd ik wel van. Men zegt dan: "Wat doen we met dat goede bericht?" of "Wat doen we met het evangelie?". Dat is een omkering van zaken! Het goede bericht is een kracht Gods die óns verandert. Het gaat er niet om wat wij ermee doen; het gaat erom wat het met ons doet. Waar het om gaat, is dat je erin staat en dan zal het zijn kracht bewijzen. Dat is een effect van binnenuit: je wordt daardoor getransformeerd. Op het moment dat je gaat praten in termen van "wat doen wij ermee?", dan praat je over menselijke activiteiten.⟨/p> ⟨p>Afijn, ze ontvingen het, ze stonden erin: "...waarin jullie ook staan, waardoor jullie ook behouden worden." Ook hier weer meervoud. Waardoor wordt een mens behouden? Waardoor ontvangt een mens überhaupt de boodschap van hoop, van behoud, van nieuw leven en van een geweldige toekomst? Dat is gelegen in het evangelie; een ander is er niet.⟨/p> ⟨p>Paulus vervolgt: "Indien gij het zo vasthoudt als ik het u verkondigd heb." Ook hier staat er letterlijk: "indien gij het zo vasthoudt aan het woord dat ik evangeliseer". Daarin is behoud. Ik weet dat sommige mensen hieruit afleiden, of oppervlakkig lezen, dat Paulus niet zeker was van hun behoud. Nee, dat is het idee helemaal niet. Als je hem kent, dan ben je verzegeld. Punt. En als Hij Zijn zegel zet, dan is dat nooit meer ongedaan te maken. Wat Paulus hier zegt, is dat dit evangelie – de boodschap van de opgewekte Christus en alles wat dat met zich meebrengt – behoud bevat. Dat is wat ik jullie gebracht heb: daarin is behoud. Maar als er nu geen opwekking van doden is, zoals door sommigen in jullie kring verteld wordt, dan kun je naar die behoudenis wel fluiten. Want dan bestaat die helemaal niet! Dan is er niet eens een evangelie. Met andere woorden: die behoudenis is alleen een feit als dat evangelie waar is. Als je het evangelie loslaat, wat blijft er dan van die behoudenis over? Het punt is dus helemaal niet dat Paulus niet zeker was van hun behoud; het punt was dat zij dat evangelie in de praktijk loslieten. En dan laat je dus ook de behoudenis los en raak je kwijt waar dat evangelie juist over spreekt. De redenering is precies omgekeerd aan wat men er vaak oppervlakkig in beluistert.⟨/p> ⟨p>"...tenzij gij tevergeefs tot geloof zoudt gekomen zijn." Dat wil zeggen: als het evangelie dat ik verteld heb niet waar is, dan is er geen behoudenis en evenmin een hoop. Die is slechts gelegen in dat goede bericht en nergens anders. Vandaar dat het zo belangrijk is om daarin te blijven staan.⟨/p> ⟨p>En dan zegt hij in vers 3: "Want voor alle dingen" – dat wil zeggen als allereerste, 'among the first' zoals de Concordant Version zegt – "heb ik u overgegeven hetgeen ik zelf ontving." Ik geef het jullie over, en wat ik overgeef, is dat wat ik zelf ontving. En wat was dat? Hij gaat nu spreken over het ABC van het evangelie.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-10" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3040" title="Speel af vanaf 50:40">▶ 50:40⟨/button> ⟨span>Het Abc van het Evangelie: het Startpunt van Paulus⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Hij heeft hen het evangelie, het goede bericht, gebracht. Wat is het ABC daarvan? Hij had een heleboel te melden, maar wat heeft hij vóór alles aan hen verteld? Er staat hier een dubbele punt en dan gaat hij het zeggen. Ik noem het ABC en dat klopt in dit geval heel erg goed, want het is inderdaad ABC: A. Christus is gestorven, B. Hij is begraven en C. Hij is opgewekt. Enzovoorts. Dat is dus met recht het ABC.⟨/p> ⟨p>Het eerste is, dat heeft hij als eerste verteld: Christus is gestorven. Daar moet je trouwens even op letten. Wanneer je naar de evangeliën zou bladeren — of dat nu Matthäus, Marcus, Lukas of Johannes is — dan zie je dat wat Paulus hier als ABC doorgeeft, het eindpunt is van die evangeliën. Het einde van de genoemde evangeliën is dat Hij stierf, dat Hij begraven werd en dat Hij opstond. Dat is het slot van de evangeliebeschrijvingen. Of laat ik het anders zeggen: het is het plafond van Matthäus en Marcus en Lucas en Johannes, maar het is de vloer van Paulus. Waar de evangeliebeschrijvingen beëindigen, namelijk met de dood, begrafenis en opstanding van Christus, daar begint Paulus. Dat is zijn ABC, dat is wat hij voor alles aan hen vertelde.⟨/p> ⟨p>Niet de Jezus naar het vlees, wie Hij hier was tijdens Zijn wandel. Is dat dan niet van belang, of hebben wij daar geen boodschap aan? Kunnen we daar niets van leren? Uiteraard wel, dat is absoluut niet het geval. Heel de Schrift, dus ook die evangeliën, zijn voor ons; het spreekt van onze Heer en Heiland. Maar wij kennen Christus niet meer naar het vlees. Wij kennen Hem nu als de Opgewekte. En zo heeft Paulus Hem ook leren kennen. Paulus kende Jezus Christus naar het vlees helemaal niet; hij kende de opgewekte Christus.⟨/p> ⟨p>Ja, we hebben luisteraars daar achterin. Je had het er al over 'op het water', Arie. Over van wal spreken gesproken! Het idee was dat het zo druk zou worden dat we een bootje in de Rijn zouden leggen met anderen erin. Nee, daar? Ja, dat is wel goed, maar zo lijkt het ook net. Dat is toch een beetje een uitwijzer, een beetje groot denken. Groot denken, zo is dat.⟨/p> ⟨p>Daar begint Paulus' boodschap dus. Wat hij aan de Korinthiërs heeft verteld: Christus is niet eens alleen gestorven, maar ook hier weer: Christus stierf. Daar begon zijn boodschap. Let op: Christus stierf. Niet een beetje, ook niet bij wijze van spreken. En nu kom je toch weer op iets wat erg strijdt met wat traditioneel verteld wordt. Want daar is Christus God, en dan kan Hij eigenlijk helemaal niet sterven. Dan stierf Hij slechts bij wijze van spreken. Nee, want als Hij God is, dan kon Hij niet sterven, kon Hij ook niet begraven worden en hoefde Hij ook niet opgewekt te worden. Christus, de Messias — dat wil zeggen: de beloofde Messias — Hij stierf. Hij ging echt dood. Dat is wat Paulus vertelde als eerste. Dat was zijn 'A', waar ik de zin heel goed mee ontleed.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-11" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3280" title="Speel af vanaf 54:40">▶ 54:40⟨/button> ⟨span>Christus Stierf als Liefdesbewijs voor de Wereld (niet als Drager van Gods Toorn)⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Want hij zegt: Christus stierf. Dat is wat er letterlijk staat. "Voor"... hier staat een Grieks voorzetsel, dat betekent ⟨em>hyper⟨/em>, en dat is "ten behoeve van". Christus stierf – ten behoeve van wat? Wel, dan zegt men: om de straf op onze zonde te dragen. Dat leest men er zo in, maar het staat er niet. Hij stierf voor onze zonden, maar er staat niet dat hij stierf om de straf op onze zonden te dragen. Over de straf op onze zonde wordt helemaal niet gesproken. Met onze kerkelijke bril of onze traditioneel christelijke bril wordt dat er automatisch ingelezen.⟨/p> ⟨p>Maar ik zal u dit vertellen: de Bijbel spreekt daar niet over, dat Christus stierf om de straf op onze zonden te dragen. Ik weet het, dat is trouwens het ABC van het traditionele evangelie. Men zegt: "Ik weet dat Jezus de straf op mijn zonde gedragen heeft." Waar staat dat? Hij stierf voor onze zonden – en "ons" is trouwens heel breed, maar daarover straks meer – maar hij stierf voor onze zonden om ons van onze zonden te bevrijden. Denk daar nou niet die woorden bij van "om de straf op onze zonden te dragen".⟨/p> ⟨p>Want dan krijg je het verhaal wat men daar altijd over vertelt: wij zijn zondaren en God is toornig daarover; dat moest gestraft worden en dat konden wij niet dragen. In plaats van dat wij het droegen, heeft Christus onze plaats ingenomen en heeft Hij de toorn en de straf van God gedragen. Nu hoeven wij niet meer die straf te dragen – dat is het idee. Ik weet dat het overal verteld wordt, maar kijk het maar eens in uw bijbeltje na: het staat nergens dat Christus de straf op onze zonden gedragen heeft. Nergens!⟨/p> ⟨p>Hij stierf door de hand van moordenaars. En door die weg gaat God ons bevrijden. Trouwens, met "ons" bedoel ik inderdaad ons als gelovigen, maar eigenlijk zo breed als je het maar wil hebben. Doordat Christus is gestorven, gaat Hij de hele wereld zondeloos maken, bevrijden van onze zonden en een totaal nieuw leven geven. Hij stierf dus met recht voor onze zonden, maar lees daar niet in dat het was om de straf op onze zonden te dragen.⟨/p> ⟨p>Daarbij is vaak het idee dat God de toornende God is en dat Christus eigenlijk de functie van een bliksemafleider had die Gods toorn opving. Maar nooit lees je dat God toornde aan het kruis op Zijn Zoon. God bewees Zijn liefde aan het kruis. God bewees niet Zijn toorn, maar God bewees Zijn liefde aan het kruis. Dat wil zeggen: Hij liet Zijn Zoon sterven. Hij liet toe dat moordenaars, een vijandige wereld, Hem aan het kruis sloegen. God heeft het laten gebeuren. En waarom? Om die wereld die Zijn Zoon aan het kruis nagelde, diezelfde wereld het leven te gaan geven dat drie dagen later aan het licht kwam toen Hij opstond.⟨/p> ⟨p>Want Hij stond op! Hij werd opgewekt om alle mensen het leven te geven; dat is 1 Korinthe 15 vers 22. Dat leven wat Christus aan het licht bracht op de derde dag, dat is het leven wat Hij aan de wereld geeft. En die wereld die Zijn Zoon aan het kruis sloeg... nou, dat bewijst liefde. Een wereld die Zijn Zoon vermoordt – een moorddadige wereld – die geeft Hij het leven. Dat is liefde! Hoe ver gaat Gods liefde? Wel, Zijn liefde is niet kapot te krijgen. Zelfs de meest vijandige daad gebruikt God juist om te demonstreren dat Hij echt van deze wereld houdt. "Jullie nagelen Mijn Zoon aan het kruis? Ik geef jullie allemaal het leven." Dat is toch geweldig? Dat is echt een demonstratie van liefde en van overwinnend leven.⟨/p> ⟨p>Het is goed dat je het even noemt, Joke. Ik zal straks trouwens nog wel even wijzen op Jesaja 53. Maar de straf waar in Jesaja 53 over gesproken wordt, is niet de straf die God Hem aandeed. Het was de doodstraf die mensen Hem oplegden. Het was Pilatus die Hem ter dood veroordeelde. "De straf die ons de vrede aanbrengt"... ja, die brengt ons daardoor de vrede aan. Maar men denkt erbij – dat is ook weer die traditionele bril – dat dit de straf van God is. Maar datzelfde Jesaja 53 laat ook zien dat het helemaal niet God was die Hem dat aandeed. Want wij hielden Hem... hoe staat het er? Dat staat in vers 4: "Wij echter hielden Hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte."⟨/p> ⟨p>Dat wil zeggen: dat is wat de mensen dachten. Dat is wat het volk Israël dacht toen Hij dat lot onderging: Hij was door God geplaagd, Hij is door God geslagen en verdrukt. Maar om onze overtredingen werd Hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld. Dat wil zeggen: het waren onze ongerechtigheden die Hem verbrijzelden. Het grootste onrecht dat men beging, zorgde ervoor dat Hij verbrijzeld werd. Het is niet zo dat Hij door God geslagen werd – dat dacht men! Nee, het is omgekeerd. Het is dus niet de straf van God, het is de doodstraf die mensen Hem oplegden. Een totaal ander verhaal.⟨/p> ⟨p>Ik ga dat onderwerp nu niet helemaal uiteenzetten. Ik herinner me dat we daar destijds verschillende studiedagen aan gewijd hebben, want er zit hier heel veel aan vast. Dit is natuurlijk zo'n geëikt gegeven. Vraag een willekeurige christen die serieus met deze dingen bezig is waarom Jezus moest sterven, dan zeggen ze: "Om de straf op onze zonde te dragen." Ik weet zeker: als je het afgelopen weekend naar de Opwekking was gegaan en je had aan mensen gevraagd waarom Jezus eigenlijk moest sterven, dan was het antwoord: "Om de straf op onze zonde te dragen." Ook door de liederen, ja. Liederen brengen tot uitdrukking wat mensen daarover denken. Het is niet alleen emotie, het is ook gewoon een misvatting. Men denkt echt zo.⟨/p> ⟨p>Maar het is daarmee ook een misplaatst besef. In plaats van dat het kruis een demonstratie is van Gods liefde, heeft men ervan gemaakt dat het kruis een God laat zien die toornt en straft. "God kon het niet eens aanzien"... Hij hing daar tussen hemel en aarde en God heeft er niets aan gedaan. God heeft niet ingegrepen. Er werd met recht duisternis. Men zegt: "Ja, dat was de toorn van God." Waar staat dat? De hemel greep niet in, vandaar ook die duisternis. Je zou zelfs kunnen zeggen – ik weet niet of het er zo exact staat dat God verborgen... ja, het staat ergens in de Psalmen: God verborg Zijn aangezicht. Zoals de zon zijn aangezicht verborg en de zon werd verduisterd. Dat kun je zeggen, maar denk niet in de termen van vergelding.⟨/p> ⟨p>Dat is een andere metafoor die men daarvoor gebruikt dan die van straf: de schuld is betaald. Dat is nog zo'n concept. "Jezus heeft onze schuld betaald; wij hadden schuld en die hebben wij zelf niet betaald, maar Jezus heeft die betaald." Ook dat vind je niet in de Bijbel. Waarom ben ik zo direct? Omdat er een hele gedachtegang achter zit. Ik herinner me dat toen ik dat destijds in studies naar voren bracht, ik daar heel veel kritiek op heb gekregen. Omdat het de dingen zo op z'n kop zet als je zegt dat Jezus niet onze schuld betaald heeft. En als je dan vraagt: "Waar staat dat?", dan is er niet één Schriftplaats die dat zegt. Dat Hij onze schuld betaalt... Weet u wat? Hij betaalde wel een prijs.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-12" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="3882" title="Speel af vanaf 01:04:42">▶ 01:04:42⟨/button> ⟨span>De Losprijs Betaald Om de Hele Wereld te Verlossen⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Maar dat was een losprijs. Hij betaalde niet onze schuld; Hij betaalde de losprijs. Dat wil zeggen: Hij betaalde de prijs om ons te verlossen. Dat was niet een prijs aan... ja, ik begrijp wat u bedoelt met wat de losser is. Het idee bij een losprijs is dit: als een slaaf gelost of verlost kon worden, dan moest er een losprijs betaald worden. Als die prijs werd betaald, dan moest de heer die zijn eigenaar was, hem laten gaan. Aan wie wordt die prijs dan betaald? Aan degene die hem gevangen hield, zodat je verlost werd van die heer.⟨/p> ⟨p>Dat is een heel ander idee dan bij schuld. Want als Jezus de schuld betaalt, dan is de gedachte dat de prijs werd betaald aan God. Maar de prijs werd niet betaald aan God. God zelf betaalde de prijs om ons vrij te maken! Wij waren gebonden in de dood, en aan hem die de macht van de dood heeft, werd de prijs betaald, zodat wij verlost – dus gelost en vrijgemaakt – kunnen worden. Het idee is inderdaad dat van betaling, maar niet van een schuld, maar van een losprijs die betaald werd. Die slaaf had geen schuld? Nee, inderdaad. Het idee is helemaal niet dat van schuld. Hij vraagt er ook niet eens om om losgekocht te worden; hij kan het nog prima naar zijn zin hebben ook. Maar hij is niet meer van zichzelf; je bent het eigendom van een ander geworden. Want dat is het idee: je wordt aan de ene kant losgekocht van die ander, en vervolgens word je het eigendom van een nieuwe Eigenaar. Dat is precies wat wij zijn. Het is dus niet een prijs die betaald werd áán God, maar het is een prijs die betaald werd dóór God.⟨/p> ⟨p>En die prijs is groot genoeg, want met die prijs kocht Hij de wereld. Ik moet nu denken aan een andere passage, een gelijkenis: de man die de akker kocht. Hij vond een schat, maar kocht hij die schat? Nee, hij deed het meteen heel groots: hij kocht de akker. Hij kocht de hele akker, en de akker is de wereld. Hij heeft die hele wereld gekocht. Die is nu van Hem en niet meer van degene die de wereld gevangen hield.⟨/p> ⟨p>Laat ik het maar gewoon lezen zoals het hier staat: Hij is gestorven ten behoeve van onze zonde. Niet voor de straf op onze zonde; dat staat er niet. Het enige wat ik nu eigenlijk vooral heb benadrukt, is wat er niet staat. Wat men altijd dénkt dat er staat, of wat men er automatisch als een ingesleten dogma op voorhand inleest, dat staat er niet. Hij stierf voor onze zonde.⟨/p> ⟨p>Ik zei al dat woord 'onze': dat kun je in eerste instantie betrekken op ons als gelovigen, en daar heb ik geen enkele moeite mee, maar het is daartoe niet beperkt. Ik lees even uit 1 Johannes 2. Het is een iets ander verband, maar direct van toepassing omdat ook hier sprake is van onze zonde. Johannes zegt: "En Hij, Jezus Christus, Hij is een verzoening" – eigenlijk staat er een bedekking of een beschutting – "voor onze zonde". Daarbij moet ik aantekenen dat Johannes een apostel van de besnijdenis is en zich richt tot de besnijdenis. Die 'ons' is hier dus specifiek Israël. Maar dat maakt in dit verband niet een groot verschil. Hij is een beschutting voor de zonde van Israël, maar, zegt Johannes erbij: "niet alleen voor de onze, maar ook aangaande heel de wereld."⟨/p> ⟨p>Het woord 'ons' kun je betrekken op de Ecclesia of eventueel Israël, op een beperkte groep, maar bedenk daarbij: het is zo breed als je het maar hebben wilt, want het staat gewoon voor de hele kosmos. Voor heel de wereld. Niet alleen voor de onze, maar voor heel de wereld. Dat 'onze' kun je dus gewoon betrekken op heel het mensdom. Als ik het zo zeg, ben ik ook meteen helemaal in de sfeer van 1 Korinthe 15. Want daar gaat het inderdaad over de dood die is doorgegaan tot alle mensen. In Adam sterven allen, in Christus worden allen opgewekt. Het gaat gewoon over heel het mensdom.⟨/p> ⟨p>Mensen, dat is het Evangelie! Dat is het geweldige daarvan. Het is een mededeling. Of je het nu weet of niet, of je het wilt of niet: het is een bericht. En wat doe je met een bericht? Vertel het maar! Het moet gehoord worden. Mensen weten het niet, en mensen willen het ook vaak niet weten. U zegt: "Is dat zo? Willen ze het niet altijd weten?" Er zijn er hier meerdere die hele verhalen kunnen vertellen over hoe dat gaat als je daarover gaat spreken.⟨/p> ⟨p>Maar ik vind het zo geweldig: de prijs die Hij betaalde. Wacht even, Hij stierf... vergeef me, Romeinen 5 moet ik er ook nog even bij vermelden. Als we het er dan toch over hebben, daar staat: "Zo zeker als Christus, toen wij nog zwak waren, te zijner tijd voor goddelozen stierf." Let op: Hij stierf niet voor 'ervarenen', nee, voor goddelozen! Voor de hele wereld. Waarom? Tot verzoening. En wat betekent verzoening? Om vijanden weer tot vrienden te maken. Vijanden worden verzoend. Mensen die vervreemd zijn, een wereld die vervreemd is, die zou Hij weer tot vrienden maken en de vijandschap tenietdoen. Dat is wat verzoening is. Dat Christus te zijner tijd voor goddelozen stierf. Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven, maar misschien heeft iemand nog de moed om voor een goede te sterven, zegt Paulus erbij. God echter bewijst Zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons stierf. En in vers 10 zegt hij: "Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend werden door de dood van Zijn Zoon..." Nou, veel meer nog gaat hij dan verder.⟨/p> ⟨p>Het punt is: Hij stierf als een bewijs van Gods liefde. Niet als een bewijs van Gods toorn, maar als een bewijs van Gods liefde. Hoeveel houdt God van deze wereld? Kijk naar het kruis. Zelfs als ze Zijn Zoon aan het kruis nagelen, dan nog is Hij liefde. Sterker nog, juist daardoor gaat Hij aan die wereld, diezelfde wereld, het leven geven. Dat is liefde. En Hij stierf als een bewijs van Zijn liefde.⟨/p> ⟨p>Ik las vanavond nog een Facebook-berichtje met een mooie foto: "You are never too lost to be saved." Je bent nooit te verloren om gered te worden. En je bent nooit te vijandig om verzoend te worden. Sterker nog, je moet eerst een vijand zijn om überhaupt verzoend te kunnen worden. Dat is het ene: dat hebben wij mogen doen. En het andere neemt Hij voor Zijn rekening. Wij zijn verloren; Hij redt. Wij zijn vijandig; Hij verzoent. Christus stierf voor onze zonden, zodat onze zonden voorbij zullen zijn. Ze zijn nu al voorbij in Hem, in een nieuwe schepping.⟨/p> ⟨h3 id="hoofdstuk-13" class="gb-ch-heading">⟨button type="button" class="gb-ts-play" data-seconds="4430" title="Speel af vanaf 01:13:50">▶ 01:13:50⟨/button> ⟨span>Naar de Schriften: Zijn Begrafenis en Opstanding op de Derde Dag⟨/span> ⟨a href="#gb-hoofdstukken" class="gb-back-to-ch" title="Terug naar inhoudsopgave">↑ hoofdstukken⟨/a>⟨/h3> ⟨p>Het staat erbij: "naar", dat wil zeggen — er staat een Grieks voorzetsel dat betekent "in overeenstemming met" — "naar de Schriften". Nou, we gaan dat nu maar even niet eens na, want dat zou echt een heel uitgebreid onderwerp zijn. Paulus zegt het hier ook alleen maar als mededeling. Hij neemt niet eens de moeite om dat nu verder te staven. Wat hij wel zegt, is dat hij dit ooit gepredikt heeft en dat hij ook al heeft laten zien dat het naar de Schriften is, dat wil zeggen: naar wat zij al kenden vanuit de Schriften, de Tenach, ons Oude Testament.⟨/p> ⟨p>Ja, waar moet je beginnen? Nou, ik zou zeggen: begin bij Genesis 1, want dan vind je het meteen hoor. Genesis 2, Genesis 3, overal. In al die verhalen, alle typen, alle voorzeggingen over het zaad van de vrouw waarvan de hiel vermorseld zou worden, maar waardoor juist de kop van de slang... Hoe was het ook weer? Het probleem is dat ik de laatste tijd dit vers diverse keren onder ogen heb gehad in verschillende vertalingen en dat kan wel eens lastig zijn; dan is het lastig om het letterlijk te citeren. "Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, tussen uw zaad en haar zaad. Dit zal u — dat wordt tegen de slang gezegd — de kop vermorselen en gij zult het de hiel vermorselen." God belooft het, God kondigt het aan: "Ik zal vijandschap zetten." En de overwinning is aan Hem.⟨/p> ⟨p>Oké, naar de Schriften. Niet alleen dus typologisch, maar ook gewoon regelrechte voorzeggingen. En Hij is begraven; ook dat vind je in de Psalmen. Maar wat dacht u van dat vers uit Jesaja 53? Daar lees je in vers 9: "En men heeft Zijn graf bij de goddeloze gesteld." Dat wil zeggen: daar zou Hij begraven worden. Immers, Hij werd gekruisigd en Hij zou met de goddelozen begraven worden, met misdadigers zelfs. "Maar bij de rijke is Hij in Zijn dood geweest." Het is een tegenstelling. Men heeft Zijn graf bij de goddeloze gesteld, dat wil zeggen: zo had men dat bepaald. Dat had men zo gepland. Maar niettemin: "bij de rijke is Hij in Zijn dood geweest."⟨/p> ⟨p>En we weten hoe het gegaan is. Hij zou inderdaad met de criminelen gekruisigd worden, van het kruis gehaald worden en daar begraven worden. Maar bij een rijke, Jozef van Arimathea, daar kwam Hij in het graf. Was het niet zo dat ze de criminelen in hun dood kwamen? Nee, nee, dan zou Hij toch ter helle gevaren zijn, maar dat is Hij niet; Hij is bij de rijke in de dood geweest. Als dat al de planning geweest zou zijn — ik blijf ervan af, het zou best kunnen, ik weet het niet — dan moeten we toch in ieder geval vaststellen: dáár is Hij niet geweest. Hij is bij de rijke in de dood geweest, en dat was vlak bij de plaats waar Hij gekruisigd was.⟨/p> ⟨p>Vlak bij de plaats waar Zijn hiel werd vermorseld, waar Hij in Zijn gang ten einde was, Zijn wandel ten einde was. Juist daar heeft Hij de kop van de slang vermorseld. Ter plaatse waar Hij gekruisigd was, was een graf en uit dat graf stond Hij op. Daar stond Hij op de kop van de slang. Dat was op de Olijfberg — maar goed, dat is nu even niet het onderwerp. Hij is begraven, dat is een ding wat zeker is, en ook dat is naar de Schriften.⟨/p> ⟨p>En ten derde dage opgewekt. In die derde dag, ja, het was Zijn derde dag in het graf. Ik heb nog niet zo lang geleden nogal wat blogjes aan deze hele kwestie gewijd, aan de hele chronologie van welke dag en welke datum Hij stierf en opstond. Want Hij stierf op donderdag, maar vrijdag was Zijn eerste dag in het graf. Het was Zijn derde dag in het graf dat Hij opstond. Hij is begraven en ten derde dage opgewekt. Je leest in andere schriftplaatsen dat Hij na drie dagen opstond, en dat lijkt verwarrend, maar dat is het niet. Want Hij stierf inderdaad op donderdag en drie dagen later stond Hij op. Maar vrijdag was Zijn eerste dag in het graf, zodat beide uitspraken volkomen kloppen: na drie dagen en ook ten derde dage. Het was Zijn derde dag in het graf.⟨/p> ⟨p>Hoe dan ook, ten derde dage opgewekt. Hier zijn we meteen bij het grote onderwerp van 1 Korinthe 15. Waarom stierf Hij? Waarom werd Hij begraven? Nou, het meest logische antwoord wat je vanuit de Schrift kunt geven, is: om opgewekt te kunnen worden. Daar gaat het allemaal om. Waarom stierf Hij? Om opgewekt te kunnen worden. En dat gebeurde ten derde dage, en daar staat nog bij: naar de Schriften.⟨/p> ⟨p>Ik heb ooit eens een keer — dat is alweer een jaar of misschien vijftien geleden — een hele Bijbelstudieserie over dit ene zinnetje gehad: "ten derde dage opgewekt naar de Schriften". En het was in mijn herinnering een geweldige Bijbelstudie om die dingen te bestuderen. Echt zo fantastisch om gewoon die uitdrukking, "de derde dag" of "ten derde dage", eens na te gaan in de Schrift. Ik bedoel dan gewoon het Oude Testament. Waar komt die uitdrukking voor? Nou, dat begint meteen al in Genesis 1. Dat was de derde dag, dat was de dag dat er voor het eerst leven tevoorschijn kwam en dat er... nee, er kwam land uit de wateren voort. De doodswateren, daar kwam land uit voort. En vervolgens lees je diezelfde dag dat God zegt dat de aarde jong groen moet voortbrengen, dat wil zeggen: nieuw leven. Meteen de eerste keer dat de derde dag ter sprake komt.⟨/p> ⟨p>Nou, en dan al die tientallen keren dat de Bijbel daarover spreekt. Altijd heeft het te maken met opstanding en nieuw leven. Trouwens niet alleen van de Messias, maar ook van Israël. Want wat van de Messias gezegd kan worden, dat kun je ook van het volk Israël zeggen. Want ook Israël is twee dagen in het graf, lees je in Hosea 6, en op de derde dag zal de Heer hen doen herrijzen. Wat zal hun aanneming anders wezen dan leven uit de doden? Nou, dat is Israëls bekering en dat zal ook zijn op een derde dag. Maar dan op een ander niveau: niet in termen van dagen van 24 uur, maar van millennia.⟨/p> ⟨p>Dus: Hij is begraven, ten derde dage opgewekt naar de Schriften. En vervolgens: Hij is verschenen aan Kefas, daarna aan de twaalven en daarna nog aan veel meer. Maar ik zie dat het inmiddels vijftien voor tien is, dus ik denk dat we er verstandig aan doen om hier maar een punt te zetten, zodat we de volgende keer daarmee verder kunnen gaan met dat schitterende onderwerp van de opstanding en levendmaking, en hoe de dood tenietgedaan wordt.⟨/p>